Terug naar overzicht

Democratie en vrijheid vergen weerbare rechtsstaat en intrekking initiatiefwetsvoorstel


De formatie is in volle gang. Met zijn historische verkiezingszege heeft de PVV zich genesteld in het hart ervan en is de reële kans aanwezig dat partijleider Geert Wilders premier wordt, naar eigen zeggen: van álle Nederlanders. De partijleider belooft alleen voorstellen te doen ‘binnen de kaders van de wet en ook de Grondwet’ en dat ‘We [..] niet [gaan] praten over moskeeën, korans en islamitische scholen’, kennelijk doelend op het PVV-verkiezingsprogramma dat aankondigt hen – in strijd met Grondwet en verdragen – te willen verbieden. Voor menigeen zijn deze kennelijk als geruststelling bedoelde uitspraken voldoende reden om (eventueel) in zee te gaan met de PVV; het volk heeft gesproken, het land moet bestuurd, regeringsdeelname ligt ook voor sommige andere partijen in het verschiet en in Nederland coalitieland zal het toch allemaal zo’n vaart niet lopen met de anti-islam en -rechtsstaat agenda van de PVV. Deze opstelling is problematisch en zorgwekkend in een land dat zich niet alleen democratisch noemt, maar ook een rechtsstaat.

Problematisch, omdat partij(leider) Wilders zegt zijn antirechtsstatelijke plannen slechts te ‘parkeren’, waarmee hij er geen inhoudelijk afstand van neemt en hen desgewenst op elk geschikt moment verder kan brengen. Daarnaast zijn de toezeggingen ongeloofwaardig, want slechts gedaan in het reële vooruitzicht van regeringsdeelname en mogelijk zelfs het premierschap, dat volgens Wilders nu eenmaal –  op zich zelf waar – ‘een andere rolinvulling’ verlangt dan die van een oppositieleider. Bovenal staat Wilders’ tijdelijke ‘inkeer’ haaks op zijn huidige verkiezingsprogramma en zijn twintigjarige antirechtsstatelijke agenda. Deze agenda blijkt uit onder andere uit zijn film Fitna,  uitlatingen waarvoor hij zelfs strafrechtelijk is veroordeeld, alle eerdere verkiezingsprogramma’s en het parlementaire handwerk van moties en zelfs initiatiefwetsvoorstellen. Illustratief is het voorstel van Kamerleden Wilders en de Graaf (beiden PVV) uit 2018 dat er toe strekt bij wet te bepalen dat de islam geen godsdienst is maar een gewelddadige, totalitaire ideologie. Dit heeft volgens de toelichting tot doel de islam als “existentieel gevaar” dat Nederland bedreigt, weg te definiëren. Dit leidt ertoe dat een hele bevolkingsgroep op discriminatoire wijze de aanspraak op fundamentele rechten wordt onthouden. Het voorstel introduceert daarnaast een verbod op moskeeën, islamitische scholen, het drukken, verkopen en verspreiden van de koran en het dragen van de boerka en nikaab in de publieke ruimte. Kortom, een wetsvoorstel waarmee al lang handen en voeten is gegeven aan het verkiezingsprogramma en dat in strijd is met de wezenlijke uitgangspunten van de democratische rechtsstaat, waaronder enkele fundamentele rechten, zoals het gelijkheidsbeginsel, het discriminatieverbod, de vrijheid van godsdienst en de vrijheid van onderwijs. Het voorstel ligt klaar voor verdere behandeling in de Tweede Kamer, waarin het nog onlangs – niet ongebruikelijk bij initiatiefvoorstellen – ‘niet controversieel’ is verklaard. Het gemak waarmee al deze praktijken door de vingers en als onderhandelbaar dreigen te worden gezien, is zorgwekkend.

De decennialange systematisch opgebouwde anti-islamagenda en concrete stappen ter realisering daarvan duiden op een structurele wens tot invoering van een parallelle samenleving en een parallel rechtssysteem. Daarmee komt strijdigheid met de openbare orde in het vizier. De vrijheid van politieke partijen gaat erg ver, maar kent zijn grenzen, zo heeft ook het Europees Hof voor de Rechten van de Mens herhaaldelijk benadrukt. De weerbare rechtsstaat is nu aan zet, en Wilders heeft dit wellicht net op tijd aangevoeld. De vraag is hoe de andere partijen zijn pragmatische parkeermanoeuvre wegen en of NSC nog langer realisering wenst van het voorstel in zijn verkiezingsprogramma dat ‘de minister-president, oftewel de minister van Algemene Zaken, […] eindverantwoordelijk [wordt] voor het borgen van de grondrechten en de democratische rechtsstaat’. Ironisch zijn deze ontwikkelingen wel, aan de vooravond van de viering van 75 jaar Universele Verklaring voor de Rechten van de Mens. De preambule daarvan overweegt ‘dat terzijdestelling van en minachting voor de rechten van de mens geleid hebben tot barbaarse handelingen, die het geweten van de mensheid geweld hebben aangedaan en dat de komst van een wereld, waarin de mensen vrijheid van meningsuiting en geloof zullen genieten, en vrij zullen zijn van vrees en gebrek, is verkondigd als het hoogste ideaal van iedere mens.’ Een mooie leidraad om de onderhandelingen mee in te gaan met als aan de PVV te stellen lakmoesproef: de intrekking van genoemd initiatiefwetsvoorstel.

Over de auteurs

Paul van Sasse van IJsselt

Paul van Sasse van IJsselt is bijzonder hoogleraar recht en religie aan de Rijksuniversiteit Groningen, tevens verbonden aan de Faculteit rechtsgeleerdheid van de VU Amsterdam.

Reacties

Recente blogs
Vormen van formeren en categorieën van kabinetten: op zoek naar de éénogige koning in het rijk der blinden
Het correctieve referendum 2.0: selectief verwerpen en constructief tegenwerpen
Hoe serieus moeten we het internationaal recht nemen? Over de relatie tussen artikel 90, 93 en 94 Grondwet