Terug naar overzicht

De verkiesbaarheid van Donald Trump voor het Hooggerechtshof. Een vooruitblik op de zitting op 8 februari


De campagne voor de Amerikaanse presidentsverkiezingen in november van dit jaar is begonnen. Afgaande op de uitslagen van de eerste voorverkiezingen lijkt Donald Trump vooralsnog de grootste kans te maken om opnieuw de Republikeinse presidentskandidaat te worden. Daarmee zouden deze presidentsverkiezingen opnieuw uitdraaien op een strijd tussen Joe Biden en Donald Trump. Velen zullen zich de strijd tussen beide kandidaten bij de presidentsverkiezingen in 2020 nog herinneren. Tot op de dag van vandaag houdt Trump zonder enig overtuigend bewijs vol dat bij deze verkiezingen massaal is gefraudeerd in het voordeel van Biden en dat hij in werkelijkheid deze verkiezingen had gewonnen. Op basis van deze beschuldigingen heeft Trump zonder succes vele rechtszaken aanhangig gemaakt en overheidsfunctionarissen in diverse deelstaten onder druk gezet om grote aantallen stemmen ongeldig te doen verklaren. Dit alles droeg in belangrijke mate bij aan de bestorming van het Capitool door een grote groep medestanders van Trump tijdens de formele bekrachtiging van de verkiezingsoverwinning van Biden op 6 januari 2021.

De bestorming van het Capitool heeft diepe sporen achtergelaten in de Amerikaanse samenleving en politiek, en werpt ook haar schaduw vooruit op de presidentsverkiezingen in november. Sommige staatsrechtgeleerden hebben betoogd dat Trump door zijn aandeel in de bestorming van het presidentschap is uitgesloten. Als grondslag daarvoor hebben zij verwezen naar de zogenoemde Disqualification Clause uit het Veertiende Amendement. Concreet kan diskwalificatie op grond van deze bepaling onder meer aan de orde zijn indien een persoon die eerder een overheidsfunctie heeft bekleed en daarbij trouw aan de Amerikaanse grondwet heeft gezworen, aan een opstand tegen de Verenigde Staten heeft deelgenomen. Sommige staatsrechtgeleerden menen dat de bestorming van het Capitool op 6 januari 2021 als een opstand kan worden aangemerkt, nu de bestorming als doel had de uitvoering van wetgeving door het legitieme openbare gezag van de Verenigde Staten te verhinderen. Ook betogen zij dat Trump daaraan heeft deelgenomen, door de bestorming op een actieve en betekenisvolle wijze aan te moedigen.

Geïnspireerd door dit betoog zijn in diverse deelstaten rechtszaken aanhangig gemaakt of verzoeken bij de verantwoordelijke statelijke autoriteiten ingediend met als doel om Trump van het stembiljet te weren. De meeste statelijke rechters en autoriteiten zijn, overigens om uiteenlopende redenen, daar niet in meegegaan. De hoogste statelijke rechter in Colorado oordeelde in december vorig jaar echter anders en achtte Trump om de hiervoor genoemde redenen wel gediskwalificeerd. Dit opvallende en verrassende oordeel werd korte tijd later overgenomen door de verantwoordelijke minister van Maine, die besloot dat Trump niet aan de verkiezingen in die deelstaat mag deelnemen.

Op 8 februari behandelt het federale Hooggerechtshof (hierna: het Hof) het beroep van Trump tegen het oordeel van de hoogste statelijke rechter in Colorado op zitting. Dit beroep is bij het Hof in behandeling onder de naam Trump v. Anderson. Naar de zitting en het oordeel van het Hof wordt nationaal en internationaal met grote belangstelling uitgekeken. Naar verwachting zal het oordeel van het Hof niet heel lang op zich laten wachten en zou, zoals vaker het geval is, reeds tijdens de zitting duidelijk kunnen worden hoe het Hof mogelijk zal gaan oordelen.

Trump en zijn Republikeinse medestanders hebben diverse argumenten aangevoerd waarom de Disqualification Clause niet aan zijn verkiesbaarheid in de weg staat. Een van de belangrijkste argumenten is dat deze bepaling geen directe werking heeft en, zonder nadere wetgeving van het Congres, daarom niet kan leiden tot automatische diskwalificatie voor het presidentschap. Steun voor deze uitleg biedt een precedent uit 1869. Daarnaast menen Trump c.s. dat elders in de Amerikaanse grondwet neergelegde grondrechten en beginselen in acht moeten worden genomen, zoals de vrijheid van meningsuiting, het legaliteitsbeginsel en de onschuldpresumptie. Vaststaat dat Trump niet is veroordeeld voor zijn rol bij de bestorming van het Capitool. Trump c.s. menen dat diskwalificatie zonder veroordeling niet aan de orde kan zijn. Ook betogen zij dat de bestorming niet als een opstand kan worden aangemerkt, dat Trump in onvoldoende mate daarbij betrokken was, nu hij niet zelf actief aan de bestorming heeft deelgenomen, en dat een zittende of toekomstige president niet onder het bereik van de Disqualification Clause valt.

Gelet op de ruime meerderheid van zes conservatieve tegenover drie liberale leden en de mogelijk ingrijpende politieke en maatschappelijke gevolgen, lijkt de kans groot dat het Hof het oordeel van de hoogste statelijke rechter in Colorado niet in stand zal laten. Dat zelfs uit conservatieve hoek voor het Hof is betoogd dat het oordeel van de hoogste statelijke rechter in Colorado op zichzelf goed verenigbaar is met conservatieve rechtsvinding, maakt dat niet anders. Daarbij heeft het Hof grofweg twee opties. Een eerste optie is om het oordeel op beperkte en procedurele gronden te vernietigen. Het Hof zou bijvoorbeeld kunnen oordelen dat de procedure die tot de aangenomen diskwalificatie van Trump in Colorado heeft geleid onvoldoende zorgvuldig is geweest, mede in aanmerking genomen dat Trump tot op heden niet is veroordeeld voor zijn aandeel in de bestorming van het Capitool. Daarbij zou het Hof zich niet uitspreken over het bereik en de toepassing van de Disqualification Clause. Of diskwalificatie wel aan de orde zou kunnen zijn bij een eventuele latere veroordeling van Trump, blijft dan onduidelijk, maar zou op een later moment opnieuw aan het Hof kunnen worden voorgelegd. Een tweede, verdergaande, optie voor het Hof is om wel inhoudelijk op het bereik en de toepassing van de Disqualification Clause nader in te gaan, en zich aldus wel uit te spreken over de vraag of deze bepaling directe werking heeft, of de bestorming als een opstand kwalificeert, of Trump daaraan heeft deelgenomen, en of deze bepaling mede op een zittende of toekomstige president van toepassing zou kunnen zijn. Voor diskwalificatie van Trump zou het antwoord op elk van deze vragen bevestigend moeten luiden. Omgekeerd zou een ontkennend antwoord op een van deze vragen reeds aan diskwalificatie in de weg staan en daarmee een overwinning voor Trump betekenen.

Hoe dan ook zal het Hof met een oordeel in Trump v. Anderson een belangrijke invloed kunnen hebben op het verdere verloop van de verkiezingscampagne. Daarmee roept deze zaak herinneringen op aan Bush v. Gore over de presidentsverkiezingen in 2000 tussen de zittende Democratische vice-president Al Gore en zijn Republikeinse tegenstander George W. Bush. Concreet moest het Hof zich in deze zaak uitspreken over de hertellingen van een deel van de uitgebrachte stemmen in Florida in opdracht van de hoogste rechter van die staat. Het Hof oordeelde dat deze hertellingen moesten worden gestaakt. Omdat de uitslag in Florida bepalend was voor de uitkomst van deze verkiezingen en Bush in die staat een uiterst nipte voorsprong van slechts enkele honderden stemmen had, beslechtte het Hof daarmee in feite de presidentsverkiezingen in het voordeel van Bush. Het oordeel van het Hof in Bush v. Gore kan daarmee zonder meer historisch worden genoemd. Trump v. Anderson zou misschien wel net zo historisch kunnen worden of daarbij dicht in de buurt kunnen komen. Alle reden dus om de zitting op 8 februari nauwlettend te volgen.

Over de auteurs

Rob van der Hulle

Rob van der Hulle is advocaat te Amsterdam en als research fellow verbonden aan het Onderzoekcentrum voor Staat en Recht van de Radboud Universiteit. Deze blog is op persoonlijke titel geschreven.

Reacties

Recente blogs
Verzoek tot arrestatiebevelen ICC tegen Netanyahu, Gallant en drie Hamaskopstukken – overwinning van het recht?
Privaatrechtelijke intergemeentelijke samenwerking: staatsrechtelijke en democratische kanttekeningen
Promovendireeks 2023-2024
Strategisch procederen in het asielrecht binnen de rechtsstaat