De uitspraak in de Klimaatzaak Bonaire en het koloniale verleden
Op 28 januari 2026 deed de rechtbank Den Haag uitspraak in de Klimaatzaak Bonaire. De rechtbank heeft geoordeeld dat de Nederlandse Staat te weinig maatregelen treft om het Caribische eiland Bonaire, dat als openbaar lichaam onder Nederland valt, te beschermen tegen klimaatverandering. Het is om vele redenen een interessante uitspraak, bijvoorbeeld door de combinatie van vorderingen gericht op mitigatie (uitstootreductie) en adaptatie (aanpassing aan het veranderende klimaat). In dit blog besteed ik aandacht aan een aspect dat niet onderschat mag worden: de connectie met het koloniale verleden.
Onder andere uit verklaringen, afgelegd tijdens de hoorzitting, blijkt dat dit verleden een prominente rol speelde voor de Bonairianen die als individuele eisers deelnamen aan de zaak. De dagvaarding ging er dan ook expliciet op in: van de onmenselijke slavenarbeid op de zoutvlakten tot de blijvende impact van de houtkap destijds voor de weerbaarheid van het eiland nu. Eén verwijzing heeft het vonnis gehaald, namelijk de observatie dat de slavenhuisjes, als enige tastbare monumenten uit de slavernijperiode, zich vlakbij de kust bevinden op de laaggelegen zuidpunt van het eiland (rechtsoverwegingen 4.4 en 4.28). De stijgende zeespiegel bedreigt dit belangrijke erfgoed.
Doorwerking van het koloniale verleden
De rechtbank geeft enige achtergrond bij de positie van Bonaire als deel van de Nederlandse Antillen in de periode 1954-2010 en als openbaar lichaam van het land Nederland vanaf 2010 (r.o. 4.1 en 7.1-7.22). Hier gaat echter een hele geschiedenis aan vooraf. In 1636 veroverde Nederland het eiland Bonaire op de Spaanse kolonisten die daar sinds 1499 zaten. Daarna is het drie eeuwen lang een Nederlandse kolonie geweest.
Het koloniale verleden is op verschillende manieren verstrengeld met klimaatverandering en de strijd daartegen. Dit verband is in 2022 erkend door het Intergovernmental Panel on Climate Change (IPCC) en wordt steeds meer onderzocht; zie bijvoorbeeld het werk van de Amerikaanse hoogleraar Farhana Sultana of de Nederlandse jurist Daphina Misiedjan. Ik belicht drie raakvlakken die relevant zijn voor de duiding van de Klimaatzaak Bonaire.
Ten eerste heeft de Europese kolonisatie van regio’s zoals de Cariben, door ontbossing, extractie van natuurlijke hulpbronnen en de grootschalige uitbuiting van mens en milieu, bijgedragen aan klimaatverandering en de kwetsbaarheid van bepaalde gebieden en bevolkingsgroepen. De Europese mogendheden hebben geprofiteerd van de grondstoffenwinning in de koloniën, waarna hun uitstoot van broeikasgassen op de lange termijn heeft geleid tot de negatieve effecten die nu eerder en zwaarder voormalige koloniën treffen.
In het boek Decolonial Ecology (2022) munt de Martinikaanse denker Malcom Ferdinand de term ‘koloniale bewoning’ voor de uitbuitende omgang van welgestelde Europeanen met andere mensen, de niet-menselijke natuur en de aarde – een fenomeen dat niet ten einde is gekomen met de formele dekolonisatiegolf van de tweede helft van de twintigste eeuw. Omdat de geschiedenis van natuurlijke uitbuiting verweven is met de geschiedenis van menselijke uitbuiting, moeten we in de strijd tegen klimaatverandering ook rekening houden met kwesties van sociale rechtvaardigheid.
In het moderne Europese wereldbeeld zijn de twee vormen van uitbuiting echter strikt gescheiden gehouden, zo toont Ferdinand aan. Dat (koloniale) onderscheid werkt door in een blinde vlek van West-Europese milieuorganisaties en overheden, die te weinig oog hebben voor de grote gevolgen van ecologische problemen en “groene oplossingen” voor sociaaleconomisch achtergestelde gemeenschappen. Ook mensenrechtenadvocaat Nani Jansen Reventlow (Radicale rechtvaardigheid, 2024) is kritisch op deze blinde vlek; daarom bepleit ze dat getroffen en achtergestelde gemeenschappen een leidende rol krijgen in de strijd tegen klimaatverandering.
Een derde relevante erfenis van het koloniale verleden is dat er in zekere mate nog altijd sprake is van gescheiden rechtsordes. Rechtshistoricus Peter van den Berg beschrijft hoe tijdens de koloniale periode in de koloniën niet hetzelfde recht gold als in Nederland, waarbij met name niet dezelfde rechten toekwamen aan de inwoners van de koloniën. Hier dringt zich een parallel op met het heden, wanneer men in het vonnis in de Klimaatzaak Bonaire leest over de klimaatverdragen die niet voor Caribisch Nederland gelden (r.o. 5.35), de differentiatiebepaling van artikel 132a lid 4 Grondwet (r.o. 7.21) en het achterblijven van adaptatiebeleid in Caribisch Nederland (r.o. 11.24.5).
Klimaatrechtvaardigheid
De denkstroming die ecologische problemen in samenhang beschouwt met het koloniale verleden, heeft ook hier in Nederland radicale maatschappijkritieken voortgebracht, zoals het boek Voorbij duurzaamheid (2024) van bestuurskundige Shivant Jhagroe. Het voert te ver om daar in dit blog verder op in te gaan. Wat ik hier wil benadrukken is dat er met de Klimaatzaak Bonaire tegen de hiervoor geschetste achtergrond al enkele betekenisvolle stappen worden gezet. Daarbij geldt het ideaal van klimaatrechtvaardigheid als referentiepunt.
Ik zeg er meteen bij dat de rechtbank Den Haag, in tegenstelling tot de eisers, het woord ‘klimaatrechtvaardigheid’ niet in de mond neemt. Ter vergelijking: in de Pakistaanse klimaatzaak Leghari deed het Lahore High Court dat wel. Daar vinden we de volgende definitie: ‘Climate Justice links human rights and development to achieve a human-centered approach, safeguarding the rights of the most vulnerable people and sharing the burdens and benefits of climate change and its impacts equitably and fairly.’ Voortbouwend op deze definitie en op een artikel dat ik voorafgaand aan de uitspraak schreef, zie ik de volgende vier aspecten van klimaatrechtvaardigheid terug in de uitspraak in de Klimaatzaak Bonaire.
Ten eerste: niet alleen wordt bescherming tegen klimaatverandering duidelijk als mensenrechtenkwestie behandeld, er is zijdelings ook oog voor de sociaaleconomische omstandigheden op het eiland (r.o. 4.5, 4.30, 11.24.4). Greenpeace heeft er zichtbaar werk van gemaakt om deze klimaatzaak in te bedden in de ervaringen en bredere zorgen van de Bonairianen. Zelfs de Staat heeft in zijn verweer goede basisvoorzieningen, zoals betaalbaar drinkwater, en armoedebestrijding gepresenteerd als integrale onderdelen van adaptatiebeleid (r.o. 6.13 en 6.32).
Ten tweede staat het element van eerlijke verdeling centraal. De Staat wordt opgedragen meer te doen om de schade te beperken voor een kwetsbare bevolkingsgroep die zelf amper heeft bijgedragen aan de uitstoot van broeikasgassen. Wat mitigatie betreft, weegt de rechtbank in negatieve zin mee dat de Staat (te) weinig rekening houdt met zijn historische uitstoot (de zogenaamde ‘grandfathering’-methode; r.o. 11.13.5). Op het vlak van adaptatie heeft de Staat lange tijd onterecht minder inspanning geleverd voor Caribisch Nederland dan voor Europees Nederland.
Dat brengt me, ten derde, bij een andere belangrijke stap richting klimaatrechtvaardigheid: erkenning. Het is veelzeggend dat de rechtbank de Staat niet alleen veroordeelt voor een schending van het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer, maar ook voor ongelijke behandeling (r.o. 11.48 en 12.3). Hoewel de ervaring van structurele achterstelling niet nieuw is voor Bonairianen, heeft een rechtbank nu geluisterd naar hun getuigenissen en hen in drie talen gelijk gegeven (het vonnis is vertaald in het Engels en in het Papiamentu). De rechtbank past mensenrechten zonder onderscheid toe (r.o. 5.34), benadrukt het einddoel van een gelijkwaardig voorzieningenniveau (r.o. 7.22) en toetst indirect toch aan klimaatnormen die geen directe gelding hebben in Caribisch Nederland (r.o. 11.8 en 11.24.1). In feite worden de gescheiden rechtsordes hiermee dichter tot elkaar gebracht.
Ten vierde en tot slot toetst de rechtbank of er voldoende procedurele waarborgen zijn voor publieke betrokkenheid (r.o. 11.30-11.36 en 12.1). Dat is relevant, omdat ook volwaardige participatie in besluitvorming een component is van klimaatrechtvaardigheid. Daarom is het zo goed dat er, weliswaar vertraagd, uiteindelijk een Klimaattafel Bonaire is gekomen, waarmee lokale partijen worden betrokken bij de vormgeving van het eilandelijke klimaatbeleid.
Reacties