Terug naar overzicht

De prijs van legitimiteit: lessen over inflatie uit de 16e eeuw?


Geen discussie die het debat in de Lage Landen zo beheerst als de prijsinflatie van de afgelopen maanden, meer nog dan boerenprotesten in Nederland en neonazistische festivals in België. De impact die miljoenen mensen en bedrijven ervan ondervinden is gigantisch. Met een gasprijs die 10 à 15 keer hoger ligt dan in normale tijden, en voedselprijzen die dreigen te stijgen door haperende toevoer van Oekraïens graan, doemen donkere wolken van economische recessie en crisis op alsof het weer 15 september 2008 is. U weet wel, de dag waarop Lehman Brothers failliet ging en de hele wereld meesleurde in crisis. Overheden kijken ondertussen naar elkaar, proberen maatregelen te nemen, maar missen vooralsnog de slagkracht om de verdamping van de welvaart die gaande is (en nog veel erger dreigt te worden) tegen te houden.

Maar discussies over prijsstijgingen en wat eraan te doen, die bestaan al veel langer dan vandaag. Langer dan België, en zelfs langer dan het ontstaan van de Verenigde Provinciën. Al in de vroege 16e eeuw werd er in boeken, pamfletten én in de Reichstag van het Heilige Roomse Rijk (voor het eerst in 1495, maar de discussies zouden tot ver in de 16e eeuw duren) bijna gewelddadig gedebatteerd over prijsstijgingen, en over wat de keizer daaraan moest doen. In deze bijdrage wil ik graag die debatten schetsen. Ik zal proberen aan te tonen dat hoewel er fundamentele verschillen bestaan tussen toen en nu, er zekere kernthema’s zijn waartussen parallellen te trekken vallen. Bovendien wil ik illustreren wat een gebrek aan actie opgeleverd heeft in de 16e eeuw, en hoe dat niet bepaald een benijdenswaardige situatie heeft gecreëerd.

Wat was er nu aan de hand in de 16e eeuw? Er waren twee evoluties die cruciaal waren voor het stijgen van de prijzen.

Enerzijds was er de groeiende internationale handel. Zilver en goud kwamen uit de recent veroverde gebieden op het Amerikaanse continent. Dat zorgde ervoor dat er zich vanuit Sevilla -waar de Zilvervloot aanmeerde – als het ware een “olievlek” van stijgende prijzen verspreidde over het Europese continent. Want hoe meer geld er in omloop is, hoe minder de relatieve waarde ervan tegenover andere goederen, en hoe hoger dus de prijzen. Ook de handel met India speelde een grote rol. De Portugese koning Manuel I slaagde erin een route rond Afrika te vinden naar India en de Molukken, en een monopolie van handel in specerijen naar Europa af te dwingen. Die specerijen waren (peper)duur, en hadden het potentieel om gigantische winsten op te leveren. Alleen: de staatsapparaten van de 16e eeuw stelden te weinig voor om zulke ondernemingen te financieren. Daarom reikten de Portugezen tegen betaling cartaz, geschreven privileges, uit aan rijke handelaars. De houders van die cartaz hadden als enigen toestemming om de omvaart naar Indië te maken en daar specerijen aan te kopen en te verdelen in Europa. De hoge kosten dwongen kooplui om samen te werken op duurzamere basis en grotere schaal dan in de middeleeuwen. Lang voor de VOC en de East India Company opgericht werden, gebeurde dat in het Heilige Roomse Rijk door handelsfamilies. Namen als Fugger, Welser of Hochstetter zijn nog gekend vandaag. Zij werden op korte tijd onnoemelijk rijk met de specerijenhandel, en konden door hun dominante positie vrijwel elke prijs vragen. Verder financierden zij ook de oorlogen van de keizer, die hen in ruil politieke bescherming bood. Daarover later meer.

Anderzijds was er de ontwikkeling van de mijnbouw in Centraal-Europa. Uit de mijnen van voornamelijk Hongarije en Saksen werden meer en meer koper en kwikzilver gewonnen. Mijnbouw  was -en is- echter een dure en riskante onderneming. Slechts enkele mensen bezaten het kapitaal ervoor. Een belangrijk deel van de mijnen werd dan ook geëxploiteerd door… de handelsfamilies die hun fortuin gemaakt hadden in de specerijenhandel. Koper was enorm gegeerd in India (waar nauwelijks kopererts te vinden is), wat zorgde voor een dynamiek waarbij degenen die zich verrijkt hadden met de lucratieve specerijenhandel hun inkomsten investeerden in kopermijnen, wat hun greep op de specerijenhandel nog verstevigde, etc. etc. Zij domineerden vanuit Augsburg en Nürnberg zo dus twee cruciale goederen: specerijen en metaalertsen.

Daar wrong het schoentje. Andere steden en feodale actoren in het Rijk zagen met lede ogen aan hoe niet alleen specerijen en mijnbouwproducten steeds duurder werden, maar ook levensnoodzakelijke goederen als graan, wijn en olie. Zij wezen daarvoor naar de grote handelscorporaties, die zij bestempelden als “monopolisten”. In een feodale economie gericht op landbouw, vreesden ze dat de stijgende prijzen zouden zorgen voor hongersnood en algemeen verval. Ze waren bereid om het staatsapparaat van het Rijk om te gooien om de aanpak van de grote corporaties te vergemakkelijken (en vooral weg te halen van het lokale niveau, aangezien Augsburg en Nürnberg weigerden actie te ondernemen). Juristen en theologen zouden in de loop van de daaropvolgende decennia kant kiezen voor of tegen de vorst. Al snel werd er gediscussieerd over vragen die we vandaag terugzien: moesten er prijscontroles komen? Zo ja, wat moest die prijs dan zijn? Konden handelaars gedwongen worden om te verkopen? Mocht het enkel in tijden van hongersnood, of ook als algemeen beleid? Morele, juridische en theologische argumenten voor alle mogelijk nuances binnen dit debat circuleerden gedurende de 16e en 17e eeuw over het hele Europese continent, waarbij de tendens was dat zeker in tijden van dreigende hongersnood de vorst kon of zelfs moest ingrijpen.

Keizer Karel weigerde echter te plooien. Hij had de steun van de rijke families nodig voor zijn missie om Universele Monarch van het christendom te worden. In overeenstemming met het Romeinse Recht (Codex van Justinianus, boek 4, titel 59, hier in originele tekst) verbood hij formeel monopolies, maar liet hij het initiatief voor vervolging bij de lokale overheden, die dus weinig tot niets ondernamen.

Vooral bij de lagere adel en de arme boerenbevolking leidde dit tot verdere afkalving van de legitimiteit van het centrale gezag, dat al niet sterk stond (door onder andere de beginnende Reformatie die Karel bloedig probeerde neer te slaan). Toen een paar oogsten mislukten, kwamen eerst de lagere ridders en toen de hongerlijdende lijfeigenen in opstand: de Duitse Boerenoorlog van 1525. Tienduizenden van hen werden afgeslacht. Het Heilige Roomse Rijk zakte in de rest van de 16e eeuw weg in economische, politieke en religieuze chaos. De combinatie van wereldlijke en religieuze conflicten die volgde, zoog heel Europa mee in de Dertigjarige Oorlog (1618-1648), het meest verwoestende conflict dat Europa ooit had meegemaakt en zou meemaken tot aan Wereldoorlog I.

Dat is niet om te zeggen dat het die kant uitgaat met de stijgende prijzen van nu. Maar zoals vaker geeft de geschiedenis ons wel waarschuwingen. Keizer Karel weigerde iets te doen aan levensbedreigende problemen van grote delen van zijn bevolking. Zijn inertie creëerde een voedingsbodem voor een fundamentele afkeer van zijn regime, en van zijn overtuigingen. Niet dat er een rechtstreeks of exclusief oorzakelijk verband bestaat, maar het niet voorzien van basisbehoeften was zeker een factor die meespeelde in de groeiende beweging tegen hem. Precies dat lijkt mij de waarschuwing die de geschiedenis voor ons heeft. De meest fundamentele opdracht van een overheid -en belangrijkste bron voor haar legitimiteit- is haar mogelijkheid om te voorzien in de basisbehoeften van haar bevolking. Dat is het concept van een sociaal contract: het gezag van de overheid wordt erkend, maar enkel in ruil voor bescherming van de meest fundamentele behoeften en rechten van de bevolking. Als een overheid daarin faalt, dan stelt ze zichzelf bloot aan gevaren die in “normale” tijden nauwelijks voorstelbaar zijn.

Dat is dan ook de boodschap van deze blog: er moet iéts gebeuren wil de overheid niet nog meer gezag en legitimiteit verliezen. Of het op Europees niveau is, of op nationaal, of het nu een hernationalisering van energie is of inzetten op alternatieve energiebronnen, of prijzen bevriezen, of winsten van energiereuzen belasten, of kerncentrales bouwen, of iedereen een half uur per dag op een loopband laten lopen voor energieopwekking: er moeten juridische en economische initiatieven komen die tonen dat de overheid bereid is om de fundamentele levenskwaliteit van de bevolking te beschermen. En vooral: het moet iets zijn waarvan de kosten niet grotendeels terechtkomen bij de mensen die het al moeilijk hebben, en voor wie de crisis van 2008 (en eigenlijk zelfs die van 1974) zowel in België als in Nederland nooit helemaal is overgegaan. Mensen moeten zien dat overheden écht bereid zijn hun problemen aan te pakken, als die overheden hun legitimiteit willen behouden en herstellen. Corona-scepticisme, de opkomst van extreemrechts, het verlies van vertrouwen in de media, … kaderen binnen diezelfde evolutie: het gevoel bij een groeiende groep in de bevolking dat overheden hen vergeten zijn. Vraag maar aan Keizer Karel -die in 1555 uitgeput en mislukt in zijn levensmissie aftrad– of dat op lange termijn zo’n goede strategie is.

Over de auteurs

Wout Vandermeulen

Wout Vandermeulen, PhD-student aan KU Leuven, afdeling Romeins Recht en Rechtsgeschiedenis

Reacties

Recente blogs
Vormen van formeren en categorieën van kabinetten: op zoek naar de éénogige koning in het rijk der blinden
Het correctieve referendum 2.0: selectief verwerpen en constructief tegenwerpen
Hoe serieus moeten we het internationaal recht nemen? Over de relatie tussen artikel 90, 93 en 94 Grondwet