Terug naar overzicht

De grondwet in de media? De media in de grondwet!


“De enige vraag is of het vermaakt, debat is entertainment en handel, en sowieso is alles entertainment. (…) Het besef ontbreekt dat de media maar een poosje op je kauwen en dan weer uitspugen.” Met deze en andere woorden deelde journalist Kustaw Bessems rake klappen uit aan concullega’s[1] tijdens zijn pitch op de themadag over rechtsstatelijke innovatie in de Eerste Kamer op 4 december 2014. Dit is een regelmatig gehoorde – en zeker niet onterechte – kritiek op het functioneren van de media als waakhond van de Nederlandse samenleving.

Bessems weet als geen ander dat in de huidige journalistieke markt niet de grondwet, maar toch bovenal de waan van de dag, kijkcijfers, advertentie-inkomsten, aantallen abonnementen en clicks op de websites regeren. Vooral de dalende inkomsten[2] leidt tot paniekvoetbal, jachtig gedrag van journalisten in de hoop die kijker of lezer toch nog voor zich te winnen. Vooral in het geval van hypes wordt er flink gepapegaaid en gehijgd door journalisten[3], hetgeen het pluriforme medialandschap niet bepaald ten goede komt. Dit landschap lijkt nu eerder een ‘mediajungle’ te zijn, om in de woorden van Bessems te blijven, dan een omgeving waar ruimte is voor meer dan enkel één voor- en tegenstandpunt. En juist die pluriformiteit is bijzonder van belang voor een democratische rechtsstaat, waarin het de bedoeling is dat de burger zelf een keuze kan maken tussen diverse perspectieven.

Per september 2012 is er een Europees burgerinitiatief in het leven geroepen dat de Europese Unie verzoekt zich in te zetten voor vrije en pluriforme media.[4] Eén van de speerpunten van de voorgestelde richtlijn van het ‘European Initiative for Media Pluralism’ is het voorkomen van mediaconcentratie.[5] De Nederlandse overheid lijkt het voorkomen van mediaconcentratie echter niet als voorwaarde voor mediapluriformiteit te beschouwen. Per 1 januari 2011 werd namelijk de Tijdelijke wet mediaconcentraties ingetrokken. Hiermee verdween onder andere de regel dat één concern niet meer dan 35 procent van de dagbladmarkt in handen mag hebben. In de brief aan de Tweede Kamer schreef staatssecretaris Van Beijsterveld dat het toezicht op basis van de mededingingswet voldoende waarborg biedt voor het voorkomen van ongewenste mediaconcentraties.[6] Een beleidsregel van de NMa zou voldoende zijn. Wie heeft hier nu gelijk?

Wat duidelijk is, is dat geen van beiden de media toe durven te vertrouwen aan een compleet vrije markt. Door private partijen eigenaar te maken van media kunnen deze enerzijds worden beschermd tegen overheidsbeïnvloeding.[7] Het is anderzijds noodzakelijk om de vrijheid van de spelers op de markt te beperken, aangezien betekenisvol burgerschap in een democratische rechtsstaat vereist dat burgers toegang hebben tot een diversiteit aan media en dit niet door de markt wordt gegarandeerd.[8] Wat in deze discussie onduidelijk blijft, is de vraag wat precies wel en niet tot ‘de media’ behoort en hoeveel impact de media afzonderlijk daadwerkelijk hebben.[9] Dit buiten beschouwing gelaten lijkt het algemene mededingingsrecht tekort te schieten. Allereerst zijn mediapluralisme en -diversiteit geen doel van het mededingingsrecht, aangezien het daar gaat om economische efficiëntie; zijn er economische voordelen verbonden aan concentratie, dan zal het mededingingsrecht dit niet noodzakelijkerwijs voorkomen.[10]Daarnaast bestaat het probleem dat mededingingsrecht pas een rol speelt als er sprake is van een overname of fusie. De groei van een aandeel in de markt dat resulteert uit een succesvolle bedrijfsstrategie en/of het verdwijnen van andere marktdeelnemers valt hier niet onder, maar levert de facto wel een concentratie op.[11]Juist vanwege de specifieke rol die de media in de democratische rechtsstaat geacht wordt te vervullen is het van belang dat er meer bescherming wordt geboden aan pluriformiteit dan enkel via het mededingingsrecht.[12]

De praktijk laat zien dat zeker in tijden van economische crisis de zogenaamde waakhonden van de Nederlandse samenleving het moeilijk hebben. Het Commissariaat van de Media meldde over 2013 al dat vooral de hoge en in toenemende mate geconcentreerde dagbladenmarkt naar een nieuw niveau dreigt te worden getild.[13] Als alle geplande overnames doorgaan blijven er enkel twee grote Vlaamse uitgeefconcerns over die bijna 80% van de Nederlandse dagbladenmarkt in handen hebben en verdere concentratie valt te verwachten.

De huidige tendens van bezuinigen treft ook de fondsen voor de media. Zo dreigt het Mediafonds per 1 januari 2017 te worden opgeheven. In een economische crisis vergroot dit enkel de druk op media om nog ‘beter’ te presteren, niet op kwaliteit, maar op kwantiteit die in cijfertjes is uit te drukken.

Dus wellicht is het niet eens zozeer als Bessems stelt, namelijk dat de grondwet beschermd dient te worden tegen de media, maar dat de media betere bescherming zouden verdienen in de grondwet. De vrijheid van meningsuiting, vastgelegd in artikel 7, zou immers als niet-bestaand kunnen worden beschouwd zonder mediapluriformiteit.[14]


[1]Veelgebruikte samenvoeging tussen concurrent en collega.
[2]
Zie hiervoor ‘trends in 2013’ van de Mediamonitor van het Commissariaat van de Media: http://www.mediamonitor.nl/trends/trends-in-2013/
[3]
De Nederlandse Nieuwsmonitor 2013. De resultaten van dit onderzoek worden in beeld gebracht door Rob Wijnberg van De Correspondent: https://decorrespondent.nl/519/Praten-media-elkaar-na-elkaar-na-elkaar-na-elkaar-na-/13301970-12763b83
[4]
European Initiative for Media Pluralism: http://www.mediainitiative.eu/
[5]
Zie voor uitleg over wat mediaconcentratie inhoudt de website van het Commissariaat voor de Media: http://www.mediamonitor.nl/over-de-mediamonitor/vormen-van-mediaconcentratie/
[6]
Brief aan de Tweede Kamer over Tijdelijke wet mediaconcentraties, 22 juni 2010:  http://www.rijksoverheid.nl/documenten-en-publicaties/kamerstukken/2010/06/22/brief-aan-de-tweede-kamer-over-tijdelijke-wet-mediaconcentraties.html
[7]
T. Gibbons, Regulating the Media, London: Sweet & Maxwell 1998, p. 207.
[8]
M. Feintuck and M. Varney, Media Regulation, Public Interest and the Law, Edinburgh: Edinburgh University Press 2006, p. 103.
[9]
L.P. Hitchens, ‘Media Ownership and Control: A European Approach’, The Modern Law Review 1994 (Vol. 57, Nr. 4), p. 593; M. Ariño, ‘Competition Law and Pluralism in European Digital Broadcasting: Addressing the Gaps’, Communications and Strategies 2004 (Vol. 54, Nr. 2), p. 118.
[10]
M. Feintuck and M. Varney, Media Regulation, Public Interest and the Law, Edinburgh: Edinburgh University Press 2006, p. 94.
[11]
R. Craufurd Smith and D. Tambini, ‘Measuring Media Plurality in the United Kingdom: Policy Choices and Regulatory Challenges’, the Journal of Media Law 2012 (Vol. 4, Nr. 1), p. 63.
[12]
H. Fleming, ‘Media Ownership: In the Public Interest? The Broadcasting Act 1996’, The Modern Law Review 1997 (Nr. 60), p. 380.
[13]
Zie hiervoor ‘trends in 2013’ van de Mediamonitor van het Commissariaat van de Media: http://www.mediamonitor.nl/trends/trends-in-2013/
[14]
E. Barendt, Freedom of Speech, Oxford: Oxford University Press, 2005, p. 445.

Over de auteurs

Hester ten Cate

Hester ten Cate is research master student met specialisatie Staats- en bestuursrecht aan Tilburg University en studeerde daarvoor journalistiek.

Reacties

Recente blogs
Hoe serieus moeten we het internationaal recht nemen? Over de relatie tussen artikel 90, 93 en 94 Grondwet
Promovendireeks 2023-2024
Promovendireeks #9: De commissaris van de Koning: een Janus met twee gezichten
Promovendireeks 2023-2024
Promovendireeks #8: Rechterlijke terugkoppeling: het praktijkvoorbeeld van teugels en tegenwichten