Terug naar overzicht

Artikel 90 Grondwet onder druk: waarom geen veroordeling van de aanval op Iran?


Onze nieuwe minister van Buitenlandse Zaken, Tom Berendsen, liet op 2 maart weten wel “begrip” te kunnen opbrengen voor de Amerikaanse en Israëlische aanvallen op Iran. Of die aanvallen in strijd zijn met het internationaal recht? “Dat is niet aan mij om te beoordelen,” zei hij. “Dit kabinet vindt het internationaal recht belangrijk,” voegde hij daar nog aan toe. “Tegelijkertijd wil ik ook eerlijk zijn dat het internationaal recht niet het enige kader is dat je op deze situatie kunt leggen. Je moet ook realistisch zijn gezien de moorddadigheid van het regime in Iran.” We moeten een meer realistische koers varen, zei hij, en daarin is maar beperkt ruimte voor het internationaal recht. Want uiteindelijk draait het, zo zei hij, om het “Nederlands belang in het buitenland,” terwijl we “door de mist van de nieuwe wereldorde varen”.

Artikel 90 Grondwet

Die relativering van de importantie van het internationaal recht, en de selectieve toepassing ervan, is zorgwekkend – niet alleen moreel, maar vooral constitutioneel. Artikel 90 van onze Grondwet verplicht de Nederlandse regering immers om “de ontwikkeling van de internationale rechtsorde” te bevorderen. Dat is een grondwettelijke opdracht.

Tijdens de grondwetsherziening van 1983 wilde de regering deze bepaling eerst schrappen. Vanuit verschillende politieke partijen – onder meer CDA en VVD – klonk echter stevig verzet. De leden van de CDA-fractie meenden destijds dat de inhoud van deze bepaling “sterk aan betekenis gewonnen had als gevolg van de internationale en door Nederland met kracht gesteunde strijd ten gunste van de mensenrechten in de breedste zin van het woord.” De leden van de VVD waren van oordeel dat “het handhaven van een dergelijke bepaling nog eens duidelijk de grote waarde zou laten blijken die ons land wenst te hechten aan een internationaal bestel gebaseerd op universeel geldende rechtsnormen” (15049 (R 1100), Nr. 7, 6 december 1979, pp. 4-5).

Toenmalig Minister-President Dries van Agt (CDA), Minister van Binnenlandse Zaken Hans Wiegel en Minister van Buitenlandse Zaken Chris van der Klaauw (allebei VVD) gaven namens het kabinet uiteindelijk toe aan die bezwaren. Zij schreven:

“Bij nadere overweging menen wij aan deze bezwaren tegemoet te moeten komen. Bij het pogen de bestaande grondwettelijke bepalingen over de buitenlandse betrekkingen te verduidelijken en te bekorten past niet dat enige ruimte wordt gelaten voor het misverstand, nationaal of internationaal, dat de traditie van Nederland mede te werken aan de bevordering van de internationale rechtsorde niet zou worden voortgezet. Wij stemmen in met de gedachte dat om deze reden een uitdrukkelijke grondwetsbepaling de voorkeur verdient” (15049 (R 1100), Nr. 7, 6 december 1979, pp. 4-5).

Artikel 90 bleef daarmee behouden. Van Agt, Wiegel, en van der Klaauw wilden verder verduidelijken dat “het begrip ‘internationale rechtsorde’ dient te worden verstaan in de ruime zin van een internationaal bestel gebaseerd op universeel geldende rechtsnormen”. Het belang van een dergelijke rechtsorde werd door hen nader uitgelegd, en deze uitleg is zo mooi idealistisch en kosmopolitisch, dat ik die graag volledig citeer:

“Duurzame internationale vrede is naar ons oordeel […] verbonden aan de totstandkoming van een internationale rechtsorde. Sinds de Tweede Wereldoorlog heeft de Regering bij herhaling uitdrukking gegeven aan de overtuiging, dat een internationaal stelsel van geheel soevereine staten niet meer past bij de vraagstukken waarmee de huidige wereld zich geconfronteerd ziet en dat het daarom gewenst is dit stelsel om te bouwen tot een nieuwe wereldorde waarin nationale belangen zo nodig ondergeschikt gemaakt kunnen worden aan meer omvattende belangen. De tegen de achtergrond van déze overtuiging (die in ons land in brede kring wordt gedeeld) in 1953 in de Grondwet opgenomen bepaling inzake bevordering van de ontwikkeling der internationale rechtsorde doet dan ook in de eerste plaats uitkomen, dat in het Nederlandse constitutionele bestel de nationale soevereiniteit niet als een absolute norm wordt beschouwd. Tegelijkertijd omvat het streven naar een op universeel geldende rechtsnormen gebaseerd internationaal bestel ook naar onze mening het bevorderen van universele verwezenlijking van de rechten van de mens, en wel in de breedste zin van het woord, dat wil zeggen zowel de burgerrechten en politieke rechten als de economische, sociale en culturele rechten. Uit dien hoofde kan ook de bevordering van het welzijn der wereldbevolking hieronder worden begrepen. Wij menen derhalve dat door handhaving van [Artikel 90 Grondwet] tevens tot uitdrukking wordt gebracht dat mondiale solidariteit […] een blijvend doel van het regeringsbeleid is” (15049 (R 1100), Nr. 7, 6 december 1979, pp. 4-5).

Dit geeft een goede indicatie van hetgeen destijds met het behouden van artikel 90 Grondwet werd beoogd. Ook is het interessant dat deze kosmopolitisch-idealistische taal afkomstig is van een CDA-premier en twee VVD-ministers, want juist daar vinden we tegenwoordig veel prominenten die zichzelf liever als realpolitiker zien dan als idealist. Daarover later meer.

Waarschuwing van de Adviesraad Internationale Vraagstukken

De Nederlandse regering lijkt deze Grondwettelijke plicht om de ontwikkeling van de internationale rechtsorde te bevorderen de laatste jaren niet meer zo serieus te nemen. Dat constateerde althans de Adviesraad Internationale Vraagstukken (AIV), in haar briefadvies van 23 oktober 2024, waarin de regering werd opgeroepen tot een actievere inzet voor het bevorderen en doen naleven van het internationaal recht in het Israëlisch-Palestijnse conflict. “Nederland heeft in de loop van de geschiedenis een reputatie opgebouwd waar het gaat om internationaal-juridische vraagstukken,” zo stelde de AIV. “Als gastland van het Internationaal Gerechtshof en van het Internationaal Strafhof wordt ook van Nederland een actieve rol verwacht bij het bevorderen en naleven van het internationaal recht. Deze rol is ook vastgelegd in onze Grondwet, met als achterliggende rationale dat het hier ook om een direct Nederlands belang gaat.”

De AIV waarschuwde bovendien voor “dubbele standaarden”:

“De AIV benadrukt het risico van het hanteren van een dubbele moraal en ‘dubbele standaarden’ bij het bevorderen van respect voor mensenrechten en de naleving van internationaal recht in het algemeen. Het inconsistent inroepen en toepassen van regels van internationaal recht draagt sterk bij aan de ondermijning en politisering van dat recht en doet afbreuk aan het overkoepelende idee dat het internationaal recht voor alle staten gelijkelijk geldt en wordt toegepast. Het afgelopen jaar is inconsistentie in het inroepen en het toepassen van het internationaal recht door Europa en Europese staten herhaaldelijk internationaal-politiek aan de orde gesteld, inclusief door de Secretaris-Generaal van de VN, António Guterres. De inspanningen die Nederland en Europa bijvoorbeeld leveren om accountability-mechanismen te creëren in de oorlog in Oekraïne, blijven achterwege bij het Israëlisch-Palestijnse conflict. De onevenwichtige handhaving voedt anti-Europeanisme en anti-Amerikanisme in veel landen van het mondiale Zuiden.”

Inconsistentie bij het inroepen van internationaal recht – streng bij de ene oorlog (Oekraïne), terughoudend bij de andere (Gaza) – ondermijnt de geloofwaardigheid ervan. Het voedt het verwijt dat regels slechts gelden wanneer zij ons geopolitiek goed uitkomen.

Nederland niet bereid de gewelddadige ontvoering Venezolaanse president te veroordelen

Laten we tot slot kijken naar de meest recente ontwikkelingen. Oud-minister van Buitenlandse Zaken David van Weel (VVD) weigerde de gewelddadige ontvoering van de Venezolaanse president Nicolás Maduro door de Verenigde Staten te veroordelen, terwijl de onrechtmatigheid hiervan evident is. Don Ceder (ChristenUnie) stelde, tijdens een overleg van 8 januari 2026, aan de Minister van Buitenlandse de volgende vraag hierover:

“Mijn vraag is wat het betekent voor artikel 90 [Grondwet] dat wij geroepen zijn om de internationale rechtsorde te bevorderen. Is die rechtsorde er dan nog wel? Hoe ziet het bevorderen ervan er dan uit volgens de minister?”

Het antwoord van Minister van Weel was als volgt:

“Er is een verschil tussen bevorderen, statements geven en oordelen, en dan gaat het ook nog om de manier waarop je daarmee omgaat. Ik zie mijzelf als een realpolitiker, in die zin dat ik kijk naar de wereld zoals die is en niet per se naar de wereld zoals ik die zou willen hebben. Binnen de wereld zoals die is, kijk ik hoe ik een verschil kan maken om de wereld een stukje dichter te brengen bij hoe ik de wereld graag zou willen hebben. Dat vereist heel vaak diplomatie achter de schermen. Dat vereist heel vaak optrekken met anderen, om niet alleen te staan en daardoor je impact te verkleinen. Per definitie komt dat minder spectaculair over, maar ik denk dat ik met mijn reële bijdrage de belofte van artikel 90 [Grondwet] wel degelijk gestand doe. Met volle overtuiging.”

De minister stelde dus dat hij als realist binnen de bestaande wereldorde via diplomatie achter de schermen meer kon bereiken dan met publieke veroordelingen. Een realpolitieke interpretatie die vooral inzet op stille diplomatie en het directe nationale belang, staat mijns inziens op gespannen voet met de idealistisch-kosmopolitische visie die aan Artikel 90 Grondwet ten grondslag ligt.

Nederland heeft begrip voor de onrechtmatige aanval van Israël en de VS op Iran

Zijn opvolger, Tom Berendsen (CDA), gaat nog een stapje verder, door te benadrukken dat de toepassing van alleen het internationaalrechtelijk kader niet realistisch is waar het gaat om een moorddadig regime zoals dat van Iran. Tijdens het vragenuurtje van 3 maart, benadrukte hij nogmaals dat:

“[…] dit kabinet staat voor het internationaal recht, dat wij de internationale rechtsorde ook willen bevorderen, en dat we er alles aan zullen doen om onze positie in de wereld ook te gebruiken om ervoor te zorgen dat we een wereldorde hebben gestoeld op internationaal recht. Tegelijkertijd moeten we ook realistisch zijn, en zien we dat het internationaal recht zoals wij dat voor ons zien door allerlei grootmachten aan de kant wordt geschoven. En we zullen met elkaar het gesprek moeten voeren hoe we ons als Nederland in de toekomst bewegen in die nieuwe wereldorde. Tegelijkertijd blijf ik melden dat gezien de kwaadaardigheid van het Iraanse regime dit kabinet ook begrip heeft dat Israël en de VS zich genoodzaakt voelden om in te grijpen.”

Het is moeilijk deze benadering, waarin expliciet wordt getwijfeld aan de relevantie van het internationaal recht, en waarin wordt gepleit voor een selectieve toepassing ervan, te rijmen met de grondwettelijke plicht uit Artikel 90 Grondwet, die vereist dat Nederland zich opwerpt als verdediger van de internationale rechtsorde – juist ook wanneer dit moeilijk is.

Conclusie

De kernvraag is daarom eenvoudig: is het internationaal recht voor Nederland nog steeds hét fundament van ons buitenlands beleid, of slechts één beoordelingskader naast vele andere? De Grondwet laat weinig ruimte voor twijfel. Het zou mooi zijn als de huidige CDA en VVD zich wat meer laten inspireren door het gedachtegoed van sommige helden uit het verleden, in het bijzonder dat van Dries van Agt (CDA) en Hans Wiegel (VVD).

Over de auteurs

Otto Spijkers

Otto Spijkers is universitair docent internationaal en Europees recht aan het Leiden University College (LUC)

Reacties

Andere blogs van Otto Spijkers
Genocide in Gaza en de Bezetting van Palestina: Nederland kan niet wegkijken
Het Internationaal Gerechtshof en de Adviesraad Internationale Vraagstukken adviseren Nederland over het beleid ten aanzien van het Israëlisch-Palestijns conflict
F35-zaak voor de Hoge Raad der Nederlanden