Terug naar overzicht

Academische vrijheid in tijden van wakkerte en cancelcultuur


Staat de academische vrijheid op de tocht? De laatste tijd krijgen we daar af en toe alarmerende berichten over. Ze komen vooral uit de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk. Daarbij wordt vooral gewezen naar de risico’s van de ‘woke’-beweging, die een tirannie van politieke correctheid zou vestigen, die niet alleen de academische vrijheid bedreigt, maar ook het gezond verstand zou aantasten. Met name vanuit het Verenigd Koninkrijk zijn er het afgelopen jaar relletjes en incidenten gemeld. John Cleese zette zichzelf bijvoorbeeld proactief op een zwarte lijst van ongewenste mensen met ongewenste opvattingen van de Cambridge Union. Het meest spraakmakende geval betrof hoogleraar filosofie Kathleen Stock, die ontslag nam aan de universiteit van Sussex als gevolg van een campagne van studenten en academici over haar stellingname tegen transgender zelfidentificatie. Stock omschreef de situatie als een van harrassment en zelfcensuur, en ook van een aantasting van academische vrijheid.

In Nederland heeft ‘wokeness’ en de daarmee op het eerste gezicht onlosmakelijk verbonden cancelcultuur ook de nodige aandacht getrokken, maar het lijkt erop dat instellingen als de KNAW en de Vereniging van Universiteiten van Nederland de voornaamste bedreigingen op de academische vrijheid vooral zien komen uit de hoek van overheidsinstellingen en kennisinstellingen zelf, die vooral met financiële middelen te veel sturing zouden (kunnen) geven aan het onderzoek én vanuit sociale media waarop de laatste tijd veel zeer verontrustende uitingen zijn te vinden richting vermeend linkse wetenschappers (Vizier op Links), richting Covid-19-wetenschappers of überhaupt richting wetenschappers. Ik ben het ermee eens  dat deze bedreiging urgent is en een krachtige aanpak verdient, maar waag te betwijfelen of de conclusie van de KNAW terecht is dat er geen reden tot zorg is voor een gebrek aan diversiteit of structurele zelfcensuur. We hebben geen duidelijk idee van de omvang van de problematiek, maar signalen dat er een vraagstuk is, zijn er wel degelijk. Ook in mijn rol als rector magnificus ervaar ik dat in de vorm van vragen van docenten en naast vragen ook incidenteel een petitie van studenten. De signalen zijn niet talrijk, maar ze zijn er, en dat is reden tot alertheid, want tot het wezen van academische vrijheid behoort dat wetenschappers naar eigen inzicht hun thema’s van onderzoek en onderwijs bepalen en daarover verslag doen, uiteraard gebaseerd op erkende wetenschappelijke en methodische inzichten.

Waarom is die academische vrijheid zo belangrijk? Volgens Kinzelbach e.a. is deze vrijheid essentieel voor kwalitatief hoogwaardig onderwijs en onderzoek, is zij de aanjager van innovatie, versterkt zij de capaciteit van academici en studenten om kennis te verwerven en te genereren, en daarmee beschermt zij ook de capaciteit van de  samenleving tot zelfreflectie. Ook de Nederlandse wetgever acht de academische vrijheid een noodzakelijke voorwaarde voor het bloeien van de wetenschap; daardoor kan het daarvoor benodigde zelfstandig en kritisch denken worden ontwikkeld. Opvallend is dan weer wel dat de academische vrijheid in Nederland alleen op het niveau van de wet, op precies te zijn in art. 1.6 van de WHW, is geregeld, en niet in de Grondwet is verankerd. Nu wordt deze vrijheid wel steeds in verband gebracht met teksten van een hoge(re) juridische rangorde zoals art. 13 van het EU-Handvest voor de grondrechten en art. 15 van het IVESC. Meestal wordt echter  aansluiting gezocht met teksten die de vrijheid van meningsuiting beschermen, zoals art. 10 van het EVRM, art. 19 IVBPR en art. 7 van onze eigen Grondwet. Dat is op zich begrijpelijk, maar het kan ook tot misverstanden leiden. De vrijheid van meningsuiting komt iedere burger toe, ook de academicus. Academische vrijheid gaat echter over beduidend meer dan het uiten van meningen; zoals gezegd gaat het over onderzoeken en onderwijzen naar eigen inzicht, mits wetenschappelijk verantwoord, en om daarover verslag te doen. Academische vrijheid omvat dus meer dan de vrijheid van meningsuiting, maar zij impliceert ook een bijzondere verantwoordelijkheid, namelijk om het werk te doen volgens wetenschappelijke standaarden. De Leuvense rector, Luc Sels, heeft dat helder neergezet in zijn rede bij de opening van het academische jaar 2021-2022. Professionele normen en waarden moeten worden geëerbiedigd. Daarbij kan in Nederland vooral worden gedacht aan de Gedragscode wetenschappelijke integriteit 2018. Van die code is de kern van norm 53 cruciaal: wees helder en eerlijk over de beperkingen van de eigen expertise. Daarin is meteen ook een belangrijke grens tussen uitoefening van de academische vrijheid en de vrijheid van meningsuiting vervat; een academicus mag van alles vinden en uiten, en kan zich in dat verband zelfs breeduit als publieke intellectueel manifesteren, maar mag alleen wetenschappelijke autoriteit aan opvattingen geven als deze gevoed worden door eigen deskundigheid of deskundigheid van andere wetenschappers. Overigens zou het voor het gezag van de wetenschap goed zijn als ook hiervoor vormen van ‘peer review’ of intervisie worden ontwikkeld en toegepast.

Academische vrijheid is ook nog op een andere manier begrensd. Medewerkers van universiteiten werken binnen instellingen met een onderwijs- en onderzoeksbeleid. Voor het onderwijs gelden onderwijs- en examenreglementen. Schaarse middelen worden gericht ter beschikking gesteld. De Nederlandse rechter erkent de mogelijkheid voor de instellingen om deze beperkingen te stellen. Met Van Gestel en de KNAW ben ik het eens dat daar risico’s in zitten. Tegelijkertijd ligt daar ook een bijzondere verantwoordelijkheid van universiteiten. Immers, ook internationaal is erkend dat academische vrijheid een institutionele  en organisatorische dimensie heeft. Dat heeft een beschermingskant, in de zin dat overheden de autonomie van hoger onderwijsinstellingen moeten respecteren, maar ook een verantwoordelijkheidskant, namelijk dat universitaire instellingen op hun beurt ervoor zorgen “dat besturen van universiteiten de verantwoordelijkheid hebben om zich niet méér te mengen in het onderwijs en onderzoek dan redelijk is met het ook op de bevordering van goede wetenschapsbeoefening”, aldus de KNAW. Wat ‘redelijk’ is, is natuurlijk voor discussie vatbaar, en dat debat moet, gericht op het vinden van draagvlak onder wetenschapers, in alle openheid binnen de instelling plaatsvinden. Dat debat wordt natuurlijk ook gestimuleerd door de gelaagde structuurvan de universitaire organisatie, waarbij ingevolge art. 9.15 WHW de decanen de primaire verantwoordelijkheid hebben voor de organisatie en programmering van onderwijs en onderzoek en het vervolgens weer de hoogleraren zijn die bij uitstek verantwoordelijk zijn voor de ontwikkeling van het hun toegewezen wetenschapsgebied en het daarbij behorende onderwijs (art. 9.19, tweede lid, WHW).

Dat universiteiten geacht worden de academische vrijheid te beschermen blijkt ook uit de formulering van art, 1.6. WHW: “Aan de instellingen wordt de academische vrijheid in acht genomen.” Dit impliceert dat er alle ruimte moet zijn om standpunten uit te dragen, die gebaseerd zijn op wetenschappelijke inzichten en dat de wetenschapper daarin niet alleen extern, in het publieke debat, beschermd wordt, maar zeker en vooral ook binnen de instelling. Sterker nog, hoogwaardige wetenschapsbeoefening is enorm gebaat bij een voortdurende discussie op basis wetenschappelijke standaarden. Studenten spelen daarbij vanzelfsprekend ook een belangrijke rol. Immers, universiteiten hebben tot taak hun zelfstandige en kritische denken te ontwikkelen en universiteiten mogen zich dan ook niet schuldig maken aan indoctrinatie. Vervolgens hebben universiteiten ook nog eens op grond van  art. 1.3, lid 5 WHW, tot taak aan de persoonlijke ontplooiing van studenten en aan de bevordering van hun maatschappelijke verantwoordelijkheidsbesef te werken.

In dat licht bezien zijn veel van de discussies die door de ‘woke’-beweging zijn aangezwengeld alleen maar toe te juichen. Wakkerte op het gebied van inclusiviteit van onderzoek (getuigt de vraagstelling van objectiviteit? hebben we alle relevante doelgroepen in beeld? zijn er andere verklaringen?) en onderwijs (komen alle relevante gezichtspunten aan bod?) kan zeker bijdragen aan de verdere kwaliteit van onderwijs en onderzoek. Dat geldt niet alleen in de alfa/gamma-hoek, waarin het ‘woke’-debat tot dusver vooral lijkt te worden gevoerd, maar zeker ook voor de STEM-wetenschappen, zoals treffend door Julie Posselt is beschreven. Het is dan wel zaak dat het debat met respect van de academische vrijheid voor iedereen gevoerd wordt, én met inachtneming van wettelijke verankerde bevoegdheden, verantwoordelijkheden en procedures. Een cancelcultuur, waarin personen of opvattingen worden geboycot, past per definitie niet aan een universiteit. Datzelfde geldt in belangrijke mate ook voor het creëren van zogenaamde ‘safe spaces’, waarin studenten en medewerkers gevrijwaard worden van  de confrontatie met bepaalde personen of uitingen. Deze confrontatie is nu eenmaal inherent aan de opdracht van universiteiten om het zelfstandig, kritisch denken en het maatschappelijk verantwoordelijkheidsbesef te bevorderen. Dat er in dat kader wat meer aandacht is voor de zogenaamde ‘trigger warnings’, waarschuwingen dat de inhoud van onderwijs en onderzoek confronterend kan zijn, lijkt mij prima. Die waarschuwingen geven we op andere terreinen ook, zolang er maar ruimte wordt geboden voor de confrontatie. Bij die confrontaties zullen, zoals gezegd, soms ook bepaalde wettelijke verankerde verantwoordelijkheden en procedures in acht moeten worden genomen. Dat geldt in het bijzonder voor het vraagstuk van het inclusiever maken of ‘dekoloniseren’ van het curriculum. Onderdeel van de academische vrijheid is dat de docent inhoud en methode van het te geven onderwijs bepaalt. Maar die vrijheid is niet onbegrensd. Er ligt hier een belangrijke verantwoordelijkheid voor opleidingscommissies, die tot taak hebben de kwaliteit van het onderwijs te waarborgen en te bevorderen, adviseren over de onderwijs- en examenregeling (OER) en over alle andere aangelegenheden betreffende het onderwijs binnen de opleiding aan het bestuur van de opleiding en de decaan (art. 9.18 WHW).

Academische vrijheid is een groot goed, maar ook een kwetsbaar goed, zo leren ons internationale studies. Het is aan alle betrokkenen, studenten, docenten, onderzoekers, bestuurders om deze vrijheid te koesteren en te beschermen. Dankzij de academische vrijheid mag alles onderzocht, onderwezen en  bediscussieerd worden. Heilige huisjes mogen door wakkere studenten en academici omver  getrokken worden, zolang  het huis van de academische vrijheid zelf maar overeind blijft staan.

Over de auteurs

Henk Kummeling

Universiteitshoogleraar Vergelijkend constitutioneel recht en Rector Magnificus aan de Universiteit Utrecht. Tevens buitengewoon hoogleraar aan de University of the Western Cape, Kaapstad, Zuid-Afrika.

Reacties

Recente blogs
De Constitutionalist en de puzzel van algoritmische besluitvorming
Hoeveel politiek kan het Amerikaanse Hooggerechtshof verdragen? Naar aanleiding van Roe v. Wade
De vervlochtenheid van de Nederlandse en internationale rechtsorde: een reflectie van de Raad van State