Terug naar overzicht

Humor, geloof en recht – een onmogelijke combinatie


Op dinsdag 2 december heeft het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) een beslissing genomen in onze zaak: Mienke de Wilde wilde als pastafari met een vergiet op haar hoofd op haar paspoortfoto staan en Derk Venema trad op als gemachtigde. De vrijheid van religie en het recht op gelijke behandeling zijn hierbij in het geding. Net als andere gelovigen wenste ze gebruik te maken van de uitzondering op het verbod op hoofdbedekking, zoals in artikel 28 van de paspoortuitvoeringsregeling en bijbehorende fotomatrix geregeld en toegelicht. De AfdelingBestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) oordeelde dat de burgemeester terecht de paspoortaanvraag geweigerd had, omdat het Pastafarisme, van de Kerk van het Vliegend Spaghettimonster (KvhVSM), geen echte religie zou zijn. De rechtsgang is uitgebreid in beeld gebracht in de filmdocumentaire ‘I, Pastafari’.

Het EHRM heeft de klacht niet-ontvankelijk verklaard. Maar de 18 pagina’s van deze beslissing houden geen summiere en ook geen puur formele afdoening in. Ten eerste is nu voor alle geïnteresseerden een uitgebreide officiële samenvatting en gedeeltelijke vertaling van de rechtsgang in het Engels beschikbaar. (Het Europese Hof van Justitie had al eerder een toespraak over de KvhVSM gepubliceerd.) Ten tweede heeft het EHRM met de ‘chamber’ van zeven rechters expliciet beslist dat het pastafarisme geen religie is.

We behandelen enkele interessante aspecten van deze zaak.

1. Al geruime tijd hanteert het EHRM het volgende criterium voor religies: ze moeten ‘a certain level of cogency, seriousness, cohesion and importance’ bevatten. Maar wat is ‘serieusheid’ en waarom is dat een criterium voor ‘echte’ religie? Het criterium van serieusheid sluit volgens de ABRvS een religie waarvan de doctrine voornamelijk uit ‘parodiërende geschriften’ bestaat uit. Ook gebruikt de ABRvS een subjectief criterium van gelovigheid, dat wil zeggen dat de ABRvS van de persoon in kwestie het bewijs van subjectieve geloofsernst vergt: appellantes ‘toelichtingen hebben een globaal en abstract karakter, en zijn niet van dien aard dat daarmee aannemelijk gemaakt is dat sprake is van een door haar aangehangen stroming of individuele variant binnen het pastafarisme die wel zou voldoen aan criteria als ernst en samenhang.’ Dat is een merkwaardige eis, want hoe toon je dat aan? Venema heeft dit al eens vergeleken met zaken van bekeerde vluchtelingen die moeten bewijzen dat ze echt geloven. Dit is een schier onmogelijke opgave, waarbij de meting ook nog eens subjectief is: de overtuiging van de rechter omtrent de overtuiging van de rechtzoekende.

Dit is heel anders bij andere religies: geen ambtenaar of rechter haalt het in zijn hoofd om aan een (niet recentelijk bekeerde) christen of moslim te vragen: ‘Gelooft u dat nou allemaal wel serieus? Over water lopen, leven na de dood, goddelijke opdrachten tot moord en doodslag?’ Er is in Nederland bijna geen christen meer te vinden die elk woord uit de Bijbel (een wijd verspreide verzameling traditionele verhalen uit het antieke Midden-Oosten) als letterlijke historische en morele waarheid opvat. Het gaat dan vooral om de boodschap, de mooie vergelijkingen en metaforen. Maar dat moet dan voor alle geloven gelden. Een stripperfabriek of zeventig maagden na de dood – wat is gekker? Of zijn beide misschien ook figuurlijk te interpreteren? En is dat aan de rechter om te beslissen? De interpretatieve terughoudendheid die normaal gesproken terecht door rechters ten aanzien van religie wordt gehanteerd, laat de Afdeling hier varen. Gelovigen en religiewetenschappers zijn het na vele eeuwen niet eens geworden over een definitie van religie – of zelfs maar over het type definitie dat gehanteerd moet worden. De rechter daarentegen meet zich die bevoegdheid als vanzelfsprekend aan.

De serieusheid ontbreekt bij de KvhVSM overigens niet: die zit in de pastafarische ethiek van liefde, bescheidenheid, tolerantie en hulpvaardigheid. Maar dat die boodschap door middel van humor en satire wordt uitgedragen, leidt bij veel juristen tot cognitieve dissonantie: die kunnen de boodschap en de verspreidingsmethode niet uit elkaar houden.

2. Is het überhaupt zinvol om bij paspoortfoto’s een uitzondering voor religies te hanteren? Dit brengt namelijk met zich mee dat er een beslissing genomen moet worden omtrent criteria voor ‘echte’ religies. Maar dat strookt niet met de vrijheid van religie: je wordt dan gedwongen om je religie aan te passen aan de eisen die ontleend zijn aan toevallig al langer bestaande religies. En heel praktisch: op de voorbeelden in de genoemde fotomatrix is te zien dat voor de herkenbaarheid alleen het gezicht zelf – van haarlijn tot kaaklijn – zichtbaar hoeft te zijn. Wat maakt het dan uit met welke bedoelingen eventuele oor-, haar, en halsbedekkingen zijn aangebracht? Hoeden en petten en dameskorsetten en wat er verder maar in de Winkel van Sinkel te koop is, het zou allemaal geen probleem hoeven zijn, zolang de herkenbaarheid niet in het geding komt. Religie is hier een totaal irrelevant criterium.

3. En de lastige vervolgvraag: wanneer zijn uitzonderingen, privileges, faciliteiten en andere bijzondere rechten op basis van van overheidswege erkende gelovigheid wel zinvol? Is er naast de vrijheden van meningsuiting en vereniging en vergadering dan ook nog een speciaal recht nodig voor religieuze meningen, verenigingen en vergaderingen? Waarom dan niet ook een speciaal recht voor culinaire, kunstzinnige of meteorologische meningen etc.? Je zou zelfs kunnen zeggen dat een aparte bescherming van religieuze opvattingen niet alleen overbodig, maar zelfs schadelijk kan zijn. Het wordt vanzelfsprekend gevonden dat een religieuze mening niet onder de vrijheid van meningsuiting valt, maar onder godsdienstvrijheid. Tegelijkertijd heeft godsdienstvrijheid een bijzondere status. Het resultaat is dat daarmee religieuze meningen meer worden beschermd dan seculiere meningen, zelfs als die laatste mening gestoeld is op serieuze wetenschap en de eerste op een sprookje. Dankzij rechtszaken uit het verleden denken velen ten onrechte dat de geloofsvrijheid een geldig excuus is om te discrimineren en haat te zaaien. Of om harddrugs te verhandelen en gebruiken: aanhangers van de Santo Daime kerk – een vlot door de rechter erkende mix van katholieke en inheems-Zuid-Amerikaanse elementen – konden tot voor kort met de zegen van de rechter gerust hun ayahuasca-diensten houden. Tijdens corona bleven kerken open waar bibliotheken en universiteiten dicht gingen. Is dit eenrichtingsverkeer in antidiscriminatie-denken op zichzelf eigenlijk ook geen discriminatie van niet-gelovigen? Gelijke monniken, gelijke kappen, zouden wij zeggen.

4. Is er licht aan het eind van de tunnel? Voor toekomstige pastafari wellicht wel, want zowel de ABRvS als het EHRM erkent dat het gegeven oordeel over het pastafarisme slechts geldt ‘naar de huidige stand van zaken’ (r.o. 9.4 uitspraak ABRvS) respectievelijk ‘at the present time’ (par. 10.1 uitspraak EHRM). Dat getuigt dan toch van historisch inzicht, aangezien er vandaag de dag algemeen erkende religies zijn die op niet minder knotsgekke wortels kunnen bogen. We noemen het Mormonisme, waarvan de stichter halverwege de 19e eeuw de goegemeente wijsmaakte dat Jezus in opnieuw-levenden lijve in Amerika is geweest en daar een hele gemeenschap heeft gesticht die vervolgens spoorloos is verdwenen, en meer van die gekkigheid die op van een engel ontvangen gouden tabletten in oud-Egyptisch schift beschreven zouden hebben gestaan – totdat ook die spoorloos verdwenen. Het Rastafari-geloof, dat de nietsvermoedende Ethiopische keizer Haile Selassie tot messias verhief, is een ander voorbeeld. Allebei veel minder leuk en inclusief dan het pastafarisme. Het verschil tussen ‘verzonnen religies’ of ‘parodie-religies’ en gevestigde religies is niet dat de laatste niet verzonnen of parodiërend zijn, ze zijn alleen ouder. En wanneer de van alle kerken gescheiden overheid op het standpunt blijft staan dat alle niet-schadelijke meningen evenzeer bescherming verdienen, en discriminatie van alle groepen evenzeer bestreden dient te worden, dan is er geen grond voor het maken van een onderscheid tussen ‘religieuze’ en andere meningen.

Kortom: deze uitspraak is niet de definitieve beslechting van de discussie over recht, staat en religie, maar een ingrediënt ervan. Ze toont aan dat een traditionele opvatting van religie, ook wel de ‘abrahamitische bias’ genoemd, nog altijd als maatstaf wordt gebruikt: humor en parodie mogen geen belangrijk onderdeel van een religie vormen. Alleen geruststellend traditionele religies gelden als rechtvaardiging voor bijzondere faciliteiten en rechten die aanhangers van niet-traditionele religies niet vanzelfsprekend toekomen. De scheiding van kerk en staat wordt op dit punt vooral op papier beleden.

Over de auteurs

Derk Venema

Derk Venema is docent rechten aan de Open Universiteit

Mienke de Wilde

Mienke de Wilde is student rechten aan de Open Universiteit

Reacties

Recente blogs
De Constitutionalist en de puzzel van algoritmische besluitvorming
Hoeveel politiek kan het Amerikaanse Hooggerechtshof verdragen? Naar aanleiding van Roe v. Wade
De vervlochtenheid van de Nederlandse en internationale rechtsorde: een reflectie van de Raad van State