CATEGORIE
  • CATEGORIE
  • Adviesorganen
  • Burgerrechten
  • Decentralisatie
  • Eigendom
  • Gelijkheid
  • Godsdienst en levensovertuiging
  • Grondwetsherziening
  • Internationale rechtsorde
  • Privacy
  • Rechtspleging
  • Rechtspraak
  • Regering, Koning
  • Sociale rechtsstaat
  • Staten-Generaal
  • Uitingsrechten
  • Wetgeving en bestuur
AUTEUR
  • AUTEUR
  • G. Leenknegt
  • A.A.L. Beers & J.C.A. de Poorter
  • A.A.L. Beers en K.T. Meijer
  • B.C. van Beers
  • B.M.J. van der Meulen
  • B.P. Vermeulen
  • B.W.N. de Waard
  • D. Mentink, B.P. Vermeulen & P.J.J. Zoontjens
  • E.J. Janse de Jonge
  • E.J. Koops
  • E.M.H. Hirsch Ballin
  • F. Fleurke
  • F.C.M.A. Michiels
  • F.M.C. Vlemminx
  • F.M.C. Vlemminx en A.C.M. Meuwese
  • G. Boogaard
  • G. Boogaard en J. Uzman
  • G. Leenknegt
  • G. Overkleeft-Verburg
  • G. van der Schyff en B.M.J. van der Meulen
  • J. Kiewiet en G.F.M. van der Tang †
  • J. Uzman
  • J. Uzman en G. Boogaard
  • J.C.A. de Poorter
  • J.L.M. Gribnau en M.R.T Pauwels
  • J.M. van Schooten, G. Leenknegt & M. Adams
  • J.W.A. Fleuren
  • K.T. Meijer
  • M. Adams
  • Mijke Houwerzijl & Nuna Zekic
  • Mijke Houwerzijl en Frank Vlemminx
  • P. Jacobs
  • S. Daniëls
  • S. Jellinghaus en E. Huisman
  • S.C. van Bijsterveld
  • S.C. van Bijsterveld en B.P. Vermeulen
  • S.S. Buisman & S.B.G. Kierkels
  • T. Kooijmans
  • T. Peters
  • W. van der Woude
  • W.J.M. Voermans
ARTIKEL
  • ARTIKEL
  • Artikel 1  Gelijke behandeling
  • Artikel 2  Nederlandschap en vreemdelingen
  • Artikel 3  Gelijke benoembaarheid
  • Artikel 4  Kiesrecht
  • Artikel 5  Petitierecht
  • Artikel 6  Vrijheid van godsdienst en levensovertuiging
  • Artikel 7  Vrijheid van meningsuiting
  • Artikel 8  Recht tot vereniging
  • Artikel 9  Recht tot vergadering en betoging
  • Artikel 10  Eerbiediging en bescherming persoonlijke levenssfeer
  • Artikel 11  Onaantastbaarheid van het lichaam
  • Artikel 12  Binnentreden woning
  • Artikel 13  Vertrouwelijke communicatie
  • Artikel 14  Onteigening
  • Artikel 15  Vrijheidsontneming
  • Artikel 16  Nulla poena
  • Artikel 17  Wettelijk toegekende rechter
  • Artikel 18  Rechtsbijstand
  • Artikel 19  Werkgelegenheid en arbeidskeuze
  • Artikel 20  Bestaanszekerheid
  • Artikel 21  Milieubescherming
  • Artikel 22  Volksgezondheid en woongelegenheid
  • Artikel 23  Onderwijs
  • Artikel 24  Koningschap
  • Artikel 25  Erfopvolging
  • Artikel 26  Status ongeboren kind Koning
  • Artikel 27  Afstand koningschap
  • Artikel 28  Afstand koningschap door huwelijk
  • Artikel 29  Uitsluiting troonopvolging
  • Artikel 30  Benoemde Koning
  • Artikel 31  Erfopvolging benoemde koning
  • Artikel 32  Inhuldiging Koning
  • Artikel 33  Koningschap en meerderjarigheid
  • Artikel 34  Ouderlijk gezag minderjarige Koning
  • Artikel 35  Buiten staat verklaring
  • Artikel 36  Tijdelijke neerlegging koninklijk gezag
  • Artikel 37  Uitoefening koninklijk gezag door regent
  • Artikel 38  Uitoefening koninklijk gezag door RvS
  • Artikel 39  Lidmaatschap koninklijk huis
  • Artikel 40  Uitkering koninklijk huis
  • Artikel 41  Inrichting huis Koning
  • Artikel 42  Ministeriële verantwoordelijkheid
  • Artikel 43  Regering en ministers
  • Artikel 44  Ministeries
  • Artikel 45  Ministerraad
  • Artikel 46  Staatssecretarissen
  • Artikel 47  Ondertekening en contraseign
  • Artikel 48  Ontslag en benoeming ministers
  • Artikel 49  Ambtseed minister en staatssecretaris
  • Artikel 50  Vertegenwoordiging
  • Artikel 51  Eerste en Tweede Kamer
  • Artikel 52  Zittingsduur
  • Artikel 53  Evenredige vertegenwoordiging
  • Artikel 54  Verkiezing Tweede Kamer
  • Artikel 55  Verkiezing Eerste Kamer
  • Artikel 56  Vereisten voor lidmaatschap
  • Artikel 57  Incompatibiliteiten
  • Artikel 57a  Zwangerschap en ziekte
  • Artikel 58  Geloofsbrieven
  • Artikel 59  Kiesrecht en verkiezingen
  • Artikel 60  Ambtsaanvaarding
  • Artikel 61  Voorzitter en griffier
  • Artikel 62  Verenigde vergadering
  • Artikel 63  Geldelijke voorzieningen
  • Artikel 64  Ontbinding Kamers
  • Artikel 65  Troonrede
  • Artikel 66  Openbaarheid vergaderingen
  • Artikel 67  Quorum
  • Artikel 68  Inlichtingenplicht bewindslieden
  • Artikel 69  Aanwezigheid bewindslieden
  • Artikel 70  Recht van enquête
  • Artikel 71  Parlementaire onschendbaarheid
  • Artikel 72  Reglement van orde
  • Artikel 73  Taak Raad van State
  • Artikel 74  Rechtspositie leden
  • Artikel 75  Inrichting, samenstelling, bevoegdheid Raad van State
  • Artikel 76  Algemene rekenkamer
  • Artikel 77  Rechtpositie leden rekenkamer
  • Artikel 78  Inrichting, samenstelling, bevoegdheid Rekenkamer
  • Artikel 78a  Nationale ombudsman
  • Artikel 79  Vaste colleges van advies
  • Artikel 80  Openbaarmaking advies
  • Artikel 81  Wetgevende macht
  • Artikel 82  Indienen wetsvoorstel
  • Artikel 83  Toezending wetsvoorstel TK
  • Artikel 84  Wijziging wetsvoorstel
  • Artikel 85  Toezending wetsvoorstel EK
  • Artikel 86  Intrekking wetsvoorstel
  • Artikel 87  Aanneming en bekrachtiging
  • Artikel 88  Bekendmaking en inwerkingtreding
  • Artikel 89  Algemene maatregel van bestuur
  • Artikel 90  Bevordering internationale rechtsorde
  • Artikel 91  Goedkeuring verdrag
  • Artikel 92  Bevoegdheden volkenrechtelijke organisaties
  • Artikel 93  Verbindende kracht verdrag
  • Artikel 94  Verdrag boven wet
  • Artikel 95  Bekendmaking verdrag
  • Artikel 96  Oorlogsverklaring
  • Artikel 97  Krijgsmacht
  • Artikel 98  Samenstelling krijgsmacht
  • Artikel 99  Gewetensbezwaren militaire dienst
  • Artikel 99a  Civiele verdediging
  • Artikel 100  Inlichtingen over krijgsmacht
  • Artikel 101  [vervallen]
  • Artikel 102  [vervallen]
  • Artikel 103  Uitzonderingstoestand
  • Artikel 104  Belastingheffing
  • Artikel 105  Recht van begroting
  • Artikel 106  Geldstelsel
  • Artikel 107  Codificatie
  • Artikel 108  [vervallen]
  • Artikel 109  Rechtspositie ambtenaren
  • Artikel 110  Openbaarheid van bestuur
  • Artikel 111  Ridderorden
  • Artikel 112  Civiele en administratieve rechtspraak
  • Artikel 113  Strafrechtspraak
  • Artikel 114  Doodstraf
  • Artikel 115  Administratief beroep
  • Artikel 116  Rechterlijke macht
  • Artikel 117  Rechtspositie leden rechterlijke macht
  • Artikel 118  Hoge Raad
  • Artikel 119  Ambtsmisdrijven
  • Artikel 120  Toetsingsverbod
  • Artikel 121  Openbaarheid terechtzittingen
  • Artikel 122  Gratie
  • Artikel 123  Instelling provincies en gemeenten
  • Artikel 124  Autonomie en medebewind
  • Artikel 125  Organen decentrale besturen
  • Artikel 126  Ambtsinstructie commissaris koning
  • Artikel 127  Vaststelling verordening
  • Artikel 128  Toekenning bevoegdheden
  • Artikel 129  Verkiezing vertegenwoordigend orgaan
  • Artikel 130  Kiesrecht gemeenteraad niet-Nederlanders
  • Artikel 131  Benoeming commissaris Koning
  • Artikel 132  Inrichting, samenstelling, bevoegdheid decentrale besturen
  • Artikel 133  Waterschappen
  • Artikel 134  Publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie
  • Artikel 135  Gemeenschappelijke regelingen
  • Artikel 136  Geschillen
  • Artikel 137  Grondwetswijziging
  • Artikel 138  Aanpassing niet gewijzigde bepalingen
  • Artikel 139  Bekendmaking en inwerkingtreding
  • Artikel 140  Handhaving bestaande regelgeving
  • Artikel 141  Bekendmaking herziene Grondwet
  • Artikel 142  Aanpassing Grondwet aan Statuut
  • Artikel IX - Berechting van misdrijven in oorlogstijd
  • Artikel XIX - Afkondigingsformulier
HOOFDSTUK
  • HOOFDSTUK
  • Hoofdstuk 1  Grondrechten
  • Hoofdstuk 2  Regering
  • Hoofdstuk 3  Staten-Generaal
  • Hoofdstuk 4  Adviesorganen
  • Hoofdstuk 5  Wetgeving en bestuur
  • Hoofdstuk 6  Rechtspraak
  • Hoofdstuk 7  Decentralisatie
  • Hoofdstuk 8  Herziening grondwet
  • Additionele artikelen

DE GRONDWET

HOOFDSTUK 1

Grondrechten

INLEIDING

Artikel 1 - Gelijke behandeling

Allen die zich in Nederland bevinden, worden in gelijke gevallen gelijk behandeld. Discriminatie wegens godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht of op welke grond dan ook, is niet toegestaan.

Artikel 2 - Nederlandschap en vreemdelingen

  1. De wet regelt wie Nederlander is.
  2. De wet regelt de toelating en de uitzetting van vreemdelingen.
  3. Uitlevering kan slechts geschieden krachtens verdrag. Verdere voorschriften omtrent uitlevering worden bij de wet gegeven.
  4. Ieder heeft het recht het land te verlaten, behoudens in de gevallen, bij de wet bepaald.

Artikel 3 - Gelijke benoembaarheid

Alle Nederlanders zijn op gelijke voet in openbare dienst benoembaar.

Artikel 4 - Kiesrecht

Iedere Nederlander heeft gelijkelijk recht de leden van algemeen vertegenwoordigende organen te verkiezen alsmede tot lid van deze organen te worden verkozen, behoudens bij de wet gestelde beperkingen en uitzonderingen.

Artikel 5 - Petitierecht

Ieder heeft het recht verzoeken schriftelijk bij het bevoegd gezag in te dienen.

Artikel 6 - Vrijheid van godsdienst en levensovertuiging

  1. Ieder heeft het recht zijn godsdienst of levensovertuiging, individueel of in gemeenschap met anderen, vrij te belijden, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet.
  2. De wet kan ter zake van de uitoefening van dit recht buiten gebouwen en besloten plaatsen regels stellen ter bescherming van de gezondheid, in het belang van het verkeer en ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden.

Artikel 7 - Vrijheid van meningsuiting

  1. Niemand heeft voorafgaand verlof nodig om door de drukpers gedachten of gevoelens te openbaren, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet.
  2. De wet stelt regels omtrent radio en televisie. Er is geen voorafgaand toezicht op de inhoud van een radio- of televisieuitzending.
  3. Voor het openbaren van gedachten of gevoelens door andere dan in de voorgaande leden genoemde middelen heeft niemand voorafgaand verlof nodig wegens de inhoud daarvan, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet. De wet kan het geven van vertoningen toegankelijk voor personen jonger dan zestien jaar regelen ter bescherming van de goede zeden.
  4. De voorgaande leden zijn niet van toepassing op het maken van handelsreclame.

Artikel 8 - Recht tot vereniging

Het recht tot vereniging wordt erkend. Bij de wet kan dit recht worden beperkt in het belang van de openbare orde.

Artikel 9 - Recht tot vergadering en betoging

  1. Het recht tot vergadering en betoging wordt erkend, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet.
  2. De wet kan regels stellen ter bescherming van de gezondheid, in het belang van het verkeer en ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden.

Artikel 10 - Eerbiediging en bescherming persoonlijke levenssfeer

  1. Ieder heeft, behoudens bij of krachtens de wet te stellen beperkingen, recht op eerbiediging van zijn persoonlijke levenssfeer.
  2. De wet stelt regels ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer in verband met het vastleggen en verstrekken van persoonsgegevens.
  3. De wet stelt regels inzake de aanspraken van personen op kennisneming van over hen vastgelegde gegevens en van het gebruik dat daarvan wordt gemaakt, alsmede op verbetering van zodanige gegevens.

Artikel 11 - Onaantastbaarheid van het lichaam

Ieder heeft, behoudens bij of krachtens de wet te stellen beperkingen, recht op onaantastbaarheid van zijn lichaam.

Artikel 12 - Binnentreden woning

  1. Het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner is alleen geoorloofd in de gevallen bij of krachtens de wet bepaald, door hen die daartoe bij of krachtens de wet zijn aangewezen.
  2. Voor het binnentreden overeenkomstig het eerste lid zijn voorafgaande legitimatie en mededeling van het doel van het binnentreden vereist, behoudens bij de wet gestelde uitzonderingen.
  3. Aan de bewoner wordt zo spoedig mogelijk een schriftelijk verslag van het binnentreden verstrekt. Indien het binnentreden in het belang van de nationale veiligheid of dat van de strafvordering heeft plaatsgevonden, kan volgens bij de wet te stellen regels de verstrekking van het verslag worden uitgesteld. In de bij de wet te bepalen gevallen kan de verstrekking achterwege worden gelaten, indien het belang van de nationale veiligheid zich tegen verstrekking blijvend verzet.

Artikel 13 - Vertrouwelijke communicatie

  1. Het briefgeheim is onschendbaar, behalve, in de gevallen bij de wet bepaald, op last van de rechter.
  2. Het telefoon- en telegraafgeheim is onschendbaar, behalve, in de gevallen bij de wet bepaald, door of met machtiging van hen die daartoe bij de wet zijn aangewezen.

Artikel 14 - Onteigening

  1. Onteigening kan alleen geschieden in het algemeen belang en tegen vooraf verzekerde schadeloosstelling, een en ander naar bij of krachtens de wet te stellen voorschriften.
  2. De schadeloosstelling behoeft niet vooraf verzekerd te zijn, wanneer in geval van nood onverwijld onteigening geboden is.
  3. In de gevallen bij of krachtens de wet bepaald bestaat recht op schadeloosstelling of tegemoetkoming in de schade, indien in het algemeen belang eigendom door het bevoegd gezag wordt vernietigd of onbruikbaar gemaakt of de uitoefening van het eigendomsrecht wordt beperkt.

Artikel 15 - Vrijheidsontneming

  1. Buiten de gevallen bij of krachtens de wet bepaald mag niemand zijn vrijheid worden ontnomen.
  2. Hij aan wie anders dan op rechterlijk bevel zijn vrijheid is ontnomen, kan aan de rechter zijn invrijheidstelling verzoeken. Hij wordt in dat geval door de rechter gehoord binnen een bij de wet te bepalen termijn. De rechter gelast de onmiddellijke invrijheidstelling, indien hij de vrijheidsontneming onrechtmatig oordeelt.
  3. De berechting van hem aan wie met het oog daarop zijn vrijheid is ontnomen, vindt binnen een redelijke termijn plaats.
  4. Hij aan wie rechtmatig zijn vrijheid is ontnomen, kan worden beperkt in de uitoefening van grondrechten voor zover deze zich niet met de vrijheidsontneming verdraagt.

Artikel 16 - Nulla poena

Geen feit is strafbaar dan uit kracht van een daaraan voorafgegane wettelijke strafbepaling.

Artikel 17 - Wettelijk toegekende rechter

Niemand kan tegen zijn wil worden afgehouden van de rechter die de wet hem toekent.

Artikel 18 - Rechtsbijstand

  1. Ieder kan zich in rechte en in administratief beroep doen bijstaan.
  2. De wet stelt regels omtrent het verlenen van rechtsbijstand aan minder draagkrachtigen.

Artikel 19 - Werkgelegenheid en arbeidskeuze

  1. Bevordering van voldoende werkgelegenheid is voorwerp van zorg der overheid.
  2. De wet stelt regels omtrent de rechtspositie van hen die arbeid verrichten en omtrent hun bescherming daarbij, alsmede omtrent medezeggenschap.
  3. Het recht van iedere Nederlander op vrije keuze van arbeid wordt erkend, behoudens de beperkingen bij of krachtens de wet gesteld.

Artikel 20 - Bestaanszekerheid

  1. De bestaanszekerheid der bevolking en spreiding van welvaart zijn voorwerp van zorg der overheid.
  2. De wet stelt regels omtrent de aanspraken op sociale zekerheid.
  3. Nederlanders hier te lande, die niet in het bestaan kunnen voorzien, hebben een bij de wet te regelen recht op bijstand van overheidswege.

Artikel 21 - Milieubescherming

De zorg van de overheid is gericht op de bewoonbaarheid van het land en de bescherming en verbetering van het leefmilieu.

Artikel 22 - Volksgezondheid en woongelegenheid

  1. De overheid treft maatregelen ter bevordering van de volksgezondheid.
  2. Bevordering van voldoende woongelegenheid is voorwerp van zorg der overheid.
  3. Zij schept voorwaarden voor maatschappelijke en culturele ontplooiing en voor vrijetijdsbesteding.

Artikel 23 - Onderwijs

  1. Het onderwijs is een voorwerp van de aanhoudende zorg der regering.
  2. Het geven van onderwijs is vrij, behoudens het toezicht van de overheid en, voor wat bij de wet aangewezen vormen van onderwijs betreft, het onderzoek naar de bekwaamheid en de zedelijkheid van hen die onderwijs geven, een en ander bij de wet te regelen.
  3. Het openbaar onderwijs wordt, met eerbiediging van ieders godsdienst of levensovertuiging, bij de wet geregeld.
  4. In elke gemeente wordt van overheidswege voldoend openbaar algemeen vormend lager onderwijs gegeven in een genoegzaam aantal openbare scholen. Volgens bij de wet te stellen regels kan afwijking van deze bepaling worden toegelaten, mits tot het ontvangen van zodanig onderwijs gelegenheid wordt gegeven, al dan niet in een openbare school.
  5. De eisen van deugdelijkheid, aan het geheel of ten dele uit de openbare kas te bekostigen onderwijs te stellen, worden bij de wet geregeld, met inachtneming, voor zover het bijzonder onderwijs betreft, van de vrijheid van richting.
  6. Deze eisen worden voor het algemeen vormend lager onderwijs zodanig geregeld, dat de deugdelijkheid van het geheel uit de openbare kas bekostigd bijzonder onderwijs en van het openbaar onderwijs even afdoende wordt gewaarborgd. Bij die regeling wordt met name de vrijheid van het bijzonder onderwijs betreffende de keuze der leermiddelen en de aanstelling der onderwijzers geëerbiedigd.
  7. Het bijzonder algemeen vormend lager onderwijs, dat aan de bij de wet te stellen voorwaarden voldoet, wordt naar dezelfde maatstaf als het openbaar onderwijs uit de openbare kas bekostigd. De wet stelt de voorwaarden vast, waarop voor het bijzonder algemeen vormend middelbaar en voorbereidend hoger onderwijs bijdragen uit de openbare kas worden verleend.
  8. De regering doet jaarlijks van de staat van het onderwijs verslag aan de Staten-Generaal.
HOOFDSTUK 2

Regering INLEIDING

Artikel 24 - Koningschap

Het koningschap wordt erfelijk vervuld door de wettige opvolgers van Koning Willem I, Prins van Oranje-Nassau.

Artikel 25 - Erfopvolging

Het koningschap gaat bij overlijden van de Koning krachtens erfopvolging over op zijn wettige nakomelingen, waarbij het oudste kind voorrang heeft, met plaatsvervulling volgens dezelfde regel. Bij gebreke van eigen nakomelingen gaat het koningschap op gelijke wijze over op de wettige nakomelingen eerst van zijn ouder, dan van zijn grootouder, in de lijn van erfopvolging, voor zover de overleden Koning niet verder bestaand dan in de derde graad van bloedverwantschap.

Artikel 26 - Status ongeboren kind Koning

Het kind, waarvan een vrouw zwanger is op het ogenblik van het overlijden van de Koning, wordt voor de erfopvolging als reeds geboren aangemerkt. Komt het dood ter wereld, dan wordt het geacht nooit te hebben bestaan.

Artikel 27 - Afstand koningschap

Afstand van het koningschap leidt tot erfopvolging overeenkomstig de regels in de voorgaande artikelen gesteld. Na de afstand geboren kinderen en hun nakomelingen zijn van de erfopvolging uitgesloten.

Artikel 28 - Afstand koningschap door huwelijk

  1. De Koning, een huwelijk aangaande buiten bij de wet verleende toestemming, doet daardoor afstand van het koningschap.
  2. Gaat iemand die het koningschap van de Koning kan beërven een zodanig huwelijk aan, dan is hij met de uit dit huwelijk geboren kinderen en hun nakomelingen van de erfopvolging uitgesloten.
  3. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake van een voorstel van wet, strekkende tot het verlenen van toestemming, in verenigde vergadering.

Artikel 29 - Uitsluiting troonopvolging

  1. Wanneer uitzonderlijke omstandigheden daartoe nopen, kunnen bij een wet een of meer personen van de erfopvolging worden uitgesloten.

  2. Het voorstel daartoe wordt door of vanwege de Koning ingediend. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering. Zij kunnen het voorstel alleen aannemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

Artikel 30 - Benoemde Koning

  1. Wanneer vooruitzicht bestaat dat een opvolger zal ontbreken, kan deze worden benoemd bij een wet. Het voorstel wordt door of vanwege de Koning ingediend. Na de indiening van het voorstel worden de kamers ontbonden. De nieuwe kamers beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering. Zij kunnen het voorstel alleen aannemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

  2. Indien bij overlijden van de Koning of bij afstand van het koningschap een opvolger ontbreekt, worden de kamers ontbonden. De nieuwe kamers komen binnen vier maanden na het overlijden of de afstand in verenigde vergadering bijeen ten einde te besluiten omtrent de benoeming van een Koning. Zij kunnen een opvolger alleen benoemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

Artikel 31 - Erfopvolging benoemde koning

  1. Een benoemde Koning kan krachtens erfopvolging alleen worden opgevolgd door zijn wettige nakomelingen.

  2. De bepalingen omtrent de erfopvolging en het eerste lid van dit artikel zijn van overeenkomstige toepassing op een benoemde opvolger, zolang deze nog geen Koning is.

Artikel 32 - Inhuldiging Koning

Nadat de Koning de uitoefening van het koninklijk gezag heeft aangevangen, wordt hij zodra mogelijk beëdigd en ingehuldigd in de hoofdstad Amsterdam in een openbare verenigde vergadering van de Staten-Generaal. Hij zweert of belooft trouw aan de Grondwet en een getrouwe vervulling van zijn ambt. De wet stelt nadere regels vast.

Artikel 33 - Koningschap en meerderjarigheid

De Koning oefent het koninklijk gezag eerst uit, nadat hij de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt.

Artikel 34 - Ouderlijk gezag minderjarige Koning

De wet regelt het ouderlijk gezag en de voogdij over de minderjarige Koning en het toezicht daarop. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

Artikel 35 - Buiten staat verklaring

  1. Wanneer de ministerraad van oordeel is dat de Koning buiten staat is het koninklijk gezag uit te oefenen, bericht hij dit onder overlegging van het daartoe gevraagde advies van de Raad van State aan de Staten-Generaal, die daarop in verenigde vergadering bijeenkomen.

  2. Delen de Staten-Generaal dit oordeel, dan verklaren zij dat de Koning buiten staat is het koninklijk gezag uit te oefenen. Deze verklaring wordt bekend gemaakt op last van de voorzitter der vergadering en treedt terstond in werking.

  3. Zodra de Koning weer in staat is het koninklijk gezag uit te oefenen, wordt dit bij de wet verklaard. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering. Terstond na de bekendmaking van deze wet hervat de Koning de uitoefening van het koninklijk gezag.

  4. De wet regelt zo nodig het toezicht over de persoon van de Koning indien hij buiten staat is verklaard het koninklijk gezag uit te oefenen. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

Artikel 36 - Tijdelijke neerlegging koninklijk gezag

De Koning kan de uitoefening van het koninklijk gezag tijdelijk neerleggen en die uitoefening hervatten krachtens een wet, waarvan het voorstel door of vanwege hem wordt ingediend. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

Artikel 37 - Uitoefening koninklijk gezag door regent

  1. Het koninklijk gezag wordt uitgeoefend door een regent:
    a. zolang de Koning de leeftijd van achttien jaar niet heeft bereikt;
    b. indien een nog niet geboren kind tot het koningschap geroepen kan zijn;
    c. indien de Koning buiten staat is verklaard het koninklijk gezag uit te oefenen;
    d. indien de Koning de uitoefening van het koninklijk gezag tijdelijk heeft neergelegd;
    e. zolang na het overlijden van de Koning of na diens afstand van het koningschap een opvolger ontbreekt.

  2. De regent wordt benoemd bij de wet. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

  3. In de gevallen, genoemd in het eerste lid onder c en d, is de nakomeling van de Koning die zijn vermoedelijke opvolger is, van rechtswege regent indien hij de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt.

  4. De regent zweert of belooft trouw aan de Grondwet en een getrouwe vervulling van zijn ambt, in een verenigde vergadering van de Staten-Generaal. De wet geeft nadere regels omtrent het regentschap en kan voorzien in de opvolging en de vervanging daarin. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

  5. Op de regent zijn de artikelen 35 en 36 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 38 - Uitoefening koninklijk gezag door RvS

Zolang niet in de uitoefening van het koninklijk gezag is voorzien, wordt dit uitgeoefend door de Raad van State.

Artikel 39 - Lidmaatschap koninklijk huis

De wet regelt, wie lid is van het koninklijk huis.

Artikel 40 - Uitkering koninklijk huis

  1. De Koning ontvangt jaarlijks ten laste van het Rijk uitkeringen naar regels bij de wet te stellen. Deze wet bepaalt aan welke andere leden van het koninklijk huis uitkeringen ten laste van het Rijk worden toegekend en regelt deze uitkeringen.

  2. De door hen ontvangen uitkeringen ten laste van het Rijk, alsmede de vermogensbestanddelen welke dienstbaar zijn aan de uitoefening van hun functie, zijn vrij van persoonlijke belastingen. Voorts is hetgeen de Koning of zijn vermoedelijke opvolger krachtens erfrecht of door schenking verkrijgt van een lid van het koninklijk huis vrij van de rechten van successie, overgang en schenking. Verdere vrijdom van belasting kan bij de wet worden verleend.

  3. De kamers der Staten-Generaal kunnen voorstellen van in de vorige leden bedoelde wetten alleen aannemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

Artikel 41 - Inrichting huis Koning

De Koning richt, met inachtneming van het openbaar belang, zijn Huis in.

Artikel 42 - Ministeriële verantwoordelijkheid

  1. De regering wordt gevormd door de Koning en de ministers.

  2. De Koning is onschendbaar; de ministers zijn verantwoordelijk.

Artikel 43 - Regering en ministers

De minister-president en de overige ministers worden bij koninklijk besluit benoemd en ontslagen.

Artikel 44 - Ministeries

  1. Bij koninklijk besluit worden ministeries ingesteld. Zij staan onder leiding van een minister.

  2. Ook kunnen ministers worden benoemd die niet belast zijn met de leiding van een ministerie.

Artikel 45 - Ministerraad

  1. De ministers vormen te zamen de ministerraad.

  2. De minister-president is voorzitter van de ministerraad.

  3. De ministerraad beraadslaagt en besluit over het algemeen regeringsbeleid en bevordert de eenheid van dat beleid.

Artikel 46 - Staatssecretarissen

  1. Bij koninklijk besluit kunnen staatssecretarissen worden benoemd en ontslagen.

  2. Een staatssecretaris treedt in de gevallen waarin de minister het nodig acht en met inachtneming van diens aanwijzingen, in zijn plaats als minister op. De staatssecretaris is uit dien hoofde verantwoordelijk, onverminderd de verantwoordelijkheid van de minister.

Artikel 47 - Ondertekening en contraseign

Alle wetten en koninklijke besluiten worden door de Koning en door een of meer ministers of staatssecretarissen ondertekend.

Artikel 48 - Ontslag en benoeming ministers

Het koninklijk besluit waarbij de minister-president wordt benoemd, wordt mede door hem ondertekend. De koninklijke besluiten waarbij de overige ministers en de staatssecretarissen worden benoemd of ontslagen, worden mede door de minister-president ondertekend.

Artikel 49 - Ambtseed minister en staatssecretaris

Op de wijze bij de wet voorgeschreven leggen de ministers en de staatssecretarissen bij de aanvaarding van hun ambt ten overstaan van de Koning een eed, dan wel verklaring en belofte, van zuivering af en zweren of beloven zij trouw aan de Grondwet en een getrouwe vervulling van hun ambt.
HOOFDSTUK 3

Staten-Generaal INLEIDING

Artikel 50 - Vertegenwoordiging

De Staten-Generaal vertegenwoordigen het gehele Nederlandse volk.

Artikel 51 - Eerste en Tweede Kamer

  1. De Staten-Generaal bestaan uit de Tweede Kamer en de Eerste Kamer.

  2. De Tweede Kamer bestaat uit honderdvijftig leden.

  3. De Eerste Kamer bestaat uit vijfenzeventig leden.

  4. Bij een verenigde vergadering worden de kamers als één beschouwd.

Artikel 52 - Zittingsduur

  1. De zittingsduur van beide kamers is vier jaren.
  2. Indien voor de provinciale staten bij de wet een andere zittingsduur dan vier jaren wordt vastgesteld, wordt daarbij de zittingsduur van de Eerste Kamer in overeenkomstige zin gewijzigd.

Artikel 53 - Evenredige vertegenwoordiging

  1. De leden van beide kamers worden gekozen op de grondslag van evenredige vertegenwoordiging binnen door de wet te stellen grenzen.
  2. De verkiezingen worden gehouden bij geheime stemming.

Artikel 54 - Verkiezing Tweede Kamer

  1. De leden van de Tweede Kamer worden rechtstreeks gekozen door de Nederlanders die de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt, behoudens bij de wet te bepalen uitzonderingen ten aanzien van Nederlanders die geen ingezetenen zijn.

  2. Van het kiesrecht is uitgesloten hij die wegens het begaan van een daartoe bij de wet aangewezen delict bij onherroepelijke rechterlijke uitspraak is veroordeeld tot een vrijheidsstraf van ten minste een jaar en hierbij tevens is ontzet van het kiesrecht.

Artikel 55 - Verkiezing Eerste Kamer

De leden van de Eerste Kamer worden gekozen door de leden van provinciale staten. De verkiezing wordt, behoudens in geval van ontbinding der kamer, gehouden binnen drie maanden na de verkiezing van de leden van provinciale staten.

Artikel 56 - Vereisten voor lidmaatschap

Om lid van de Staten-Generaal te kunnen zijn is vereist dat men Nederlander is, de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt en niet is uitgesloten van het kiesrecht.

Artikel 57 - Incompatibiliteiten

  1. Niemand kan lid van beide kamers zijn.

  2. Een lid van de Staten-Generaal kan niet tevens zijn minister, staatssecretaris, lid van de Raad van State, lid van de Algemene Rekenkamer, Nationale ombudsman of substituut-ombudsman, of lid van of procureur-generaal of advocaat-generaal bij de Hoge Raad.

  3. Niettemin kan een minister of staatssecretaris, die zijn ambt ter beschikking heeft gesteld, dit ambt verenigen met het lidmaatschap van de Staten-Generaal, totdat omtrent die beschikbaarstelling is beslist.

  4. De wet kan ten aanzien van andere openbare betrekkingen bepalen dat zij niet gelijktijdig met het lidmaatschap van de Staten-Generaal of van een der kamers kunnen worden uitgeoefend.

Artikel 57a - Zwangerschap en ziekte

De wet regelt de tijdelijke vervanging van een lid van de Staten-Generaal wegens zwangerschap en bevalling, alsmede wegens ziekte.

Artikel 58 - Geloofsbrieven

Elke kamer onderzoekt de geloofsbrieven van haar nieuwbenoemde leden en beslist met inachtneming van bij de wet te stellen regels de geschillen welke met betrekking tot de geloofsbrieven of de verkiezing zelf rijzen.

Artikel 59 - Kiesrecht en verkiezingen

Alles, wat verder het kiesrecht en de verkiezingen betreft, wordt bij de wet geregeld.

Artikel 60 - Ambtsaanvaarding

Op de wijze bij de wet voorgeschreven leggen de leden van de kamers bij de aanvaarding van hun ambt in de vergadering een eed, dan wel verklaring en belofte, van zuivering af en zweren of beloven zij trouw aan de Grondwet en een getrouwe vervulling van hun ambt.

Artikel 61 - Voorzitter en griffier

  1. Elk der kamers benoemt uit de leden een voorzitter.

  2. Elk der kamers benoemt een griffier. Deze en de overige ambtenaren van de kamers kunnen niet tevens lid van de Staten-Generaal zijn.

Artikel 62 - Verenigde vergadering

De voorzitter van de Eerste Kamer heeft de leiding van de verenigde vergadering.

Artikel 63 - Geldelijke voorzieningen

Geldelijke voorzieningen ten behoeve van leden en gewezen leden van de Staten-Generaal en van hun nabestaanden worden bij de wet geregeld. De kamers kunnen een voorstel van wet ter zake alleen aannemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

Artikel 64 - Ontbinding Kamers

  1. Elk der kamers kan bij koninklijk besluit worden ontbonden.

  2. Het besluit tot ontbinding houdt tevens de last in tot een nieuwe verkiezing voor de ontbonden kamer en tot het samenkomen van de nieuw gekozen kamer binnen drie maanden.

  3. De ontbinding gaat in op de dag waarop de nieuw gekozen kamer samenkomt.

  4. De wet stelt de zittingsduur van een na ontbinding optredende Tweede Kamer vast; de termijn mag niet langer zijn dan vijf jaren. De zittingsduur van een na ontbinding optredende Eerste Kamer eindigt op het tijdstip waarop de zittingsduur van de ontbonden kamer zou zijn geëindigd.

Artikel 65 - Troonrede

Jaarlijks op de derde dinsdag van september of op een bij de wet te bepalen eerder tijdstip wordt door of namens de Koning in een verenigde vergadering van de Staten-Generaal een uiteenzetting van het door de regering te voeren beleid gegeven.

Artikel 66 - Openbaarheid vergaderingen

  1. De vergaderingen van de Staten-Generaal zijn openbaar.

  2. De deuren worden gesloten, wanneer een tiende deel van het aantal aanwezige leden het vordert of de voorzitter het nodig oordeelt.

  3. Door de kamer, onderscheidenlijk de kamers in verenigde vergadering, wordt vervolgens beslist of met gesloten deuren zal worden beraadslaagd en besloten.

Artikel 67 - Quorum

  1. De kamers mogen elk afzonderlijk en in verenigde vergadering alleen beraadslagen of besluiten, indien meer dan de helft van het aantal zitting hebbende leden ter vergadering aanwezig is.

  2. Besluiten worden genomen bij meerderheid van stemmen.

  3. De leden stemmen zonder last.

  4. Over zaken wordt mondeling en bij hoofdelijke oproeping gestemd, wanneer één lid dit verlangt.

Artikel 68 - Inlichtingenplicht bewindslieden

De ministers en de staatssecretarissen geven de kamers elk afzonderlijk en in verenigde vergadering mondeling of schriftelijk de door een of meer leden verlangde inlichtingen waarvan het verstrekken niet in strijd is met het belang van de staat.

Artikel 69 - Aanwezigheid bewindslieden

  1. De ministers en de staatssecretarissen hebben toegang tot de vergaderingen en kunnen aan de beraadslaging deelnemen.

  2. Zij kunnen door de kamers elk afzonderlijk en in verenigde vergadering worden uitgenodigd om ter vergadering aanwezig te zijn.

  3. Zij kunnen zich in de vergaderingen doen bijstaan door de personen, daartoe door hen aangewezen.

Artikel 70 - Recht van enquête

Beide kamers hebben, zowel ieder afzonderlijk als in verenigde vergadering, het recht van onderzoek (enquête), te regelen bij de wet.

Artikel 71 - Parlementaire onschendbaarheid

De leden van de Staten-Generaal, de ministers, de staatssecretarissen en andere personen die deelnemen aan de beraadslaging, kunnen niet in rechte worden vervolgd of aangesproken voor hetgeen zij in de vergaderingen van de Staten-Generaal of van commissies daaruit hebben gezegd of aan deze schriftelijk hebben overgelegd.

Artikel 72 - Reglement van orde

De kamers stellen elk afzonderlijk en in verenigde vergadering een reglement van orde vast.

HOOFDSTUK 4

Adviesorganen INLEIDING

Artikel 73 - Taak Raad van State

  1. De Raad van State of een afdeling van de Raad wordt gehoord over voorstellen van wet en ontwerpen van algemene maatregelen van bestuur, alsmede over voorstellen tot goedkeuring van verdragen door de Staten-Generaal. In bij de wet te bepalen gevallen kan het horen achterwege blijven.

  2. De Raad of een afdeling van de Raad is belast met het onderzoek van de geschillen van bestuur die bij koninklijk besluit worden beslist en draagt de uitspraak voor.

  3. De wet kan aan de Raad of een afdeling van de Raad de uitspraak in geschillen van bestuur opdragen.

Artikel 74 - Rechtspositie leden

  1. De Koning is voorzitter van de Raad van State. De vermoedelijke opvolger van de Koning heeft na het bereiken van de leeftijd van achttien jaar van rechtswege zitting in de Raad. Bij of krachtens de wet kan aan andere leden van het koninklijk huis zitting in de Raad worden verleend.

  2. De leden van de Raad worden bij koninklijk besluit voor het leven benoemd.

  3. Op eigen verzoek en wegens het bereiken van een bij de wet te bepalen leeftijd worden zij ontslagen.

  4. In de gevallen bij de wet aangewezen kunnen zij door de Raad worden geschorst of ontslagen.

  5. De wet regelt overigens hun rechtspositie

Artikel 75 - Inrichting, samenstelling, bevoegdheid Raad van State

  1. De wet regelt de inrichting, samenstelling en bevoegdheid van de Raad van State.

  2. Bij de wet kunnen aan de Raad of een afdeling van de Raad ook andere taken worden opgedragen.

Artikel 76 - Algemene rekenkamer

De Algemene Rekenkamer is belast met het onderzoek van de ontvangsten en uitgaven van het Rijk.

Artikel 77 - Rechtpositie leden rekenkamer

  1. De leden van de Algemene Rekenkamer worden bij koninklijk besluit voor het leven benoemd uit een voordracht van drie personen, opgemaakt door de Tweede Kamer der Staten-Generaal.

  2. Op eigen verzoek en wegens het bereiken van een bij de wet te bepalen leeftijd worden zij ontslagen.

  3. In de gevallen bij de wet aangewezen kunnen zij door de Hoge Raad worden geschorst of ontslagen.

  4. De wet regelt overigens hun rechtspositie.

Artikel 78 - Inrichting, samenstelling, bevoegdheid Rekenkamer

  1. De wet regelt de inrichting, samenstelling en bevoegdheid van de Algemene Rekenkamer.

  2. Bij de wet kunnen aan de Algemene Rekenkamer ook andere taken worden opgedragen.

Artikel 78a - Nationale ombudsman

  1. De Nationale ombudsman verricht op verzoek of uit eigen beweging onderzoek naar gedragingen van bestuursorganen van het Rijk en van andere bij of krachtens de wet aangewezen bestuursorganen.
  2. De Nationale ombudsman en een substituut-ombudsman worden voor een bij de wet te bepalen termijn benoemd door de Tweede Kamer der Staten-Generaal. Op eigen verzoek en wegens het bereiken van een bij de wet te bepalen leeftijd worden zij ontslagen. In de gevallen bij de wet aangewezen kunnen zij door de Tweede Kamer der Staten-Generaal worden geschorst of ontslagen. De wet regelt overigens hun rechtspositie.
  3. De wet regelt de bevoegdheid en werkwijze van de Nationale ombudsman.
  4. Bij of krachtens de wet kunnen aan de Nationale ombudsman ook andere taken worden opgedragen.

Artikel 79 - Vaste colleges van advies

  1. Vaste colleges van advies in zaken van wetgeving en bestuur van het Rijk worden ingesteld bij of krachtens de wet.

  2. De wet regelt de inrichting, samenstelling en bevoegdheid van deze colleges.

  3. Bij of krachtens de wet kunnen aan deze colleges ook andere dan adviserende taken worden opgedragen.

Artikel 80 - Openbaarmaking advies

  1. De adviezen van de in dit hoofdstuk bedoelde colleges worden openbaar gemaakt volgens regels bij de wet te stellen.

  2. Adviezen, uitgebracht ter zake van voorstellen van wet die door of vanwege de Koning worden ingediend, worden, behoudens bij de wet te bepalen uitzonderingen, aan de Staten-Generaal overgelegd.

HOOFDSTUK 5

Wetgeving en bestuur INLEIDING

Artikel 81 - Wetgevende macht

De vaststelling van wetten geschiedt door de regering en de Staten-Generaal gezamenlijk.

Artikel 82 - Indienen wetsvoorstel

  1. Voorstellen van wet kunnen worden ingediend door of vanwege de Koning en door de Tweede Kamer der Staten-Generaal.

  2. Voorstellen van wet waarvoor behandeling door de Staten-Generaal in verenigde vergadering is voorgeschreven, kunnen worden ingediend door of vanwege de Koning en, voor zover de betreffende artikelen van hoofdstuk 2 dit toelaten, door de verenigde vergadering.

  3. Voorstellen van wet, in te dienen door de Tweede Kamer onderscheidenlijk de verenigde vergadering, worden bij haar door een of meer leden aanhangig gemaakt.

Artikel 83 - Toezending wetsvoorstel TK

Voorstellen van wet, ingediend door of vanwege de Koning, worden gezonden aan de Tweede Kamer of, indien daarvoor behandeling door de Staten-Generaal in verenigde vergadering is voorgeschreven, aan deze vergadering.

Artikel 84 - Wijziging wetsvoorstel

  1. Zolang een voorstel van wet, ingediend door of vanwege de Koning, niet door de Tweede Kamer onderscheidenlijk de verenigde vergadering is aangenomen, kan het door haar, op voorstel van een of meer leden, en vanwege de regering worden gewijzigd.

  2. Zolang de Tweede Kamer onderscheidenlijk de verenigde vergadering een door haar in te dienen voorstel van wet niet heeft aangenomen, kan het door haar, op voorstel van een of meer leden, en door het lid of de leden door wie het aanhangig is gemaakt, worden gewijzigd.

Artikel 85 - Toezending wetsvoorstel EK

Zodra de Tweede Kamer een voorstel van wet heeft aangenomen of tot indiening van een voorstel heeft besloten, zendt zij het aan de Eerste Kamer, die het voorstel overweegt zoals het door de Tweede Kamer aan haar is gezonden. De Tweede Kamer kan een of meer van haar leden opdragen een door haar ingediend voorstel in de Eerste Kamer te verdedigen.

Artikel 86 - Intrekking wetsvoorstel

  1. Zolang een voorstel van wet niet door de Staten-Generaal is aangenomen, kan het door of vanwege de indiener worden ingetrokken.

  2. Zolang de Tweede Kamer onderscheidenlijk de verenigde vergadering een door haar in te dienen voorstel van wet niet heeft aangenomen, kan het door het lid of de leden door wie het aanhangig is gemaakt, worden ingetrokken.

Artikel 87 - Aanneming en bekrachtiging

  1. Een voorstel wordt wet, zodra het door de Staten-Generaal is aangenomen en door de Koning is bekrachtigd.

  2. De Koning en de Staten-Generaal geven elkaar kennis van hun besluit omtrent enig voorstel van wet.

Artikel 88 - Bekendmaking en inwerkingtreding

De wet regelt de bekendmaking en de inwerkingtreding van de wetten. Zij treden niet in werking voordat zij zijn bekendgemaakt.

Artikel 89 - Algemene maatregel van bestuur

  1. Algemene maatregelen van bestuur worden bij koninklijk besluit vastgesteld.

  2. Voorschriften, door straffen te handhaven, worden daarin alleen gegeven krachtens de wet. De wet bepaalt de op te leggen straffen.

  3. De wet regelt de bekendmaking en de inwerkingtreding van de algemene maatregelen van bestuur. Zij treden niet in werking voordat zij zijn bekendgemaakt.

  4. Het tweede en derde lid zijn van overeenkomstige toepassing op andere vanwege het Rijk vastgestelde algemeen verbindende voorschriften.

Artikel 90 - Bevordering internationale rechtsorde

De regering bevordert de ontwikkeling van de internationale rechtsorde.

Artikel 91 - Goedkeuring verdrag

  1. Het Koninkrijk wordt niet aan verdragen gebonden en deze worden niet opgezegd zonder voorafgaande goedkeuring van de Staten-Generaal. De wet bepaalt de gevallen waarin geen goedkeuring is vereist.

  2. De wet bepaalt de wijze waarop de goedkeuring wordt verleend en kan voorzien in stilzwijgende goedkeuring.

  3. Indien een verdrag bepalingen bevat welke afwijken van de Grondwet dan wel tot zodanig afwijken noodzaken, kunnen de kamers de goedkeuring alleen verlenen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

Artikel 92 - Bevoegdheden volkenrechtelijke organisaties

Met inachtneming, zo nodig, van het bepaalde in artikel 91, derde lid, kunnen bij of krachtens verdrag aan volkenrechtelijke organisaties bevoegdheden tot wetgeving, bestuur en rechtspraak worden opgedragen.

Artikel 93 - Verbindende kracht verdrag

Bepalingen van verdragen en van besluiten van volkenrechtelijke organisaties, die naar haar inhoud een ieder kunnen verbinden, hebben verbindende kracht nadat zij zijn bekendgemaakt.

Artikel 94 - Verdrag boven wet

Binnen het Koninkrijk geldende wettelijke voorschriften vinden geen toepassing, indien deze toepassing niet verenigbaar is met een ieder verbindende bepalingen van verdragen en van besluiten van volkenrechtelijke organisaties.

Artikel 95 - Bekendmaking verdrag

De wet geeft regels omtrent de bekendmaking van verdragen en besluiten van volkenrechtelijke organisaties.

Artikel 96 - Oorlogsverklaring

  1. Het Koninkrijk wordt niet in oorlog verklaard dan na voorafgaande toestemming van de Staten-Generaal.

  2. De toestemming is niet vereist, wanneer het overleg met de Staten-Generaal ten gevolge van een feitelijk bestaande oorlogstoestand niet mogelijk is gebleken.

  3. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

  4. Het bepaalde in het eerste en het derde lid is van overeenkomstige toepassing voor een verklaring dat een oorlog beëindigd is.

Artikel 97 - Krijgsmacht

  1. Ten behoeve van de verdediging en ter bescherming van de belangen van het Koninkrijk, alsmede ten behoeve van de handhaving en de bevordering van de internationale rechtsorde, is er een krijgsmacht.

  2. De regering heeft het oppergezag over de krijgsmacht.

Artikel 98 - Samenstelling krijgsmacht

  1. De krijgsmacht bestaat uit vrijwillig dienenden en kan mede bestaan uit dienstplichtigen.

  2. De wet regelt de verplichte militaire dienst en de bevoegdheid tot opschorting van de oproeping in werkelijke dienst.

Artikel 99 - Gewetensbezwaren militaire dienst

De wet regelt vrijstelling van militaire dienst wegens ernstige gewetensbezwaren.

Artikel 99a - Civiele verdediging

Volgens bij de wet te stellen regels kunnen plichten worden opgelegd ten behoeve van de civiele verdediging.

Artikel 100 - Inlichtingen over krijgsmacht

  1. De regering verstrekt de Staten-Generaal vooraf inlichtingen over de inzet of het ter beschikking stellen van de krijgsmacht ter handhaving of bevordering van de internationale rechtsorde. Daaronder is begrepen het vooraf verstrekken van inlichtingen over de inzet of het ter beschikking stellen van de krijgsmacht voor humanitaire hulpverlening in geval van gewapend conflict.

  2. Het eerste lid geldt niet, indien dwingende redenen het vooraf verstrekken van inlichtingen verhinderen. In dat geval worden inlichtingen zo spoedig mogelijk verstrekt.

Artikel 101 - [vervallen]

Vervallen bij rijkswet van 20 juli 1995

Artikel 102 - [vervallen]

Vervallen bij rijkswet van 22 juni 2000

Artikel 103 - Uitzonderingstoestand

  1. De wet bepaalt in welke gevallen ter handhaving van de uit- of inwendige veiligheid bij koninklijk besluit een door de wet als zodanig aan te wijzen uitzonderingstoestand kan worden afgekondigd; zij regelt de gevolgen.

  2. Daarbij kan worden afgeweken van de grondwetsbepalingen inzake de bevoegdheden van de besturen van provincies, gemeenten en waterschappen, van de grondrechten geregeld in de artikelen 6, voor zover dit de uitoefening buiten gebouwen en besloten plaatsen van het in dit artikel omschreven recht betreft, 7, 8, 9, 12, tweede en derde lid, en 13, alsmede van artikel 113, eerste en derde lid.

  3. Terstond na de afkondiging van een uitzonderingstoestand en voorts, zolang deze niet bij koninklijk besluit is opgeheven, telkens wanneer zij zulks nodig oordelen beslissen de Staten-Generaal omtrent het voortduren daarvan; zij beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

Artikel 104 - Belastingheffing

Belastingen van het Rijk worden geheven uit kracht van een wet. Andere heffingen van het Rijk worden bij de wet geregeld.

 
 

Artikel 105 - Recht van begroting

  1. De begroting van de ontvangsten en de uitgaven van het Rijk wordt bij de wet vastgesteld.

  2. Jaarlijks worden voorstellen van algemene begrotingswetten door of vanwege de Koning ingediend op het in artikel 65 bedoelde tijdstip.

  3. De verantwoording van de ontvangsten en de uitgaven van het Rijk wordt aan de Staten-Generaal gedaan overeenkomstig de bepalingen van de wet. De door de Algemene Rekenkamer goedgekeurde rekening wordt aan de Staten-Generaal overgelegd.

  4. De wet stelt regels omtrent het beheer van de financiën van het Rijk.

Artikel 106 - Geldstelsel

De wet regelt het geldstelsel.

Artikel 107 - Codificatie

  1. De wet regelt het burgerlijk recht, het strafrecht en het burgerlijk en strafprocesrecht in algemene wetboeken, behoudens de bevoegdheid tot regeling van bepaalde onderwerpen in afzonderlijke wetten.

  2. De wet stelt algemene regels van bestuursrecht vast.

Artikel 108 - [vervallen]

Vervallen bij rijkswet van 25 februari 1999

Artikel 109 - Rechtspositie ambtenaren

De wet regelt de rechtspositie van de ambtenaren. Zij stelt tevens regels omtrent hun bescherming bij de arbeid en omtrent medezeggenschap.

 

Artikel 110 - Openbaarheid van bestuur

De overheid betracht bij de uitvoering van haar taak openbaarheid volgens regels bij de wet te stellen.

 

Artikel 111 - Ridderorden

Ridderorden worden bij de wet ingesteld.
HOOFDSTUK 6

Rechtspraak INLEIDING

Artikel 112 - Civiele en administratieve rechtspraak

  1. Aan de rechterlijke macht is opgedragen de berechting van geschillen over burgerlijke rechten en over schuldvorderingen.

  2. De wet kan de berechting van geschillen die niet uit burgerlijke rechtsbetrekkingen zijn ontstaan, opdragen hetzij aan de rechterlijke macht, hetzij aan gerechten die niet tot de rechterlijke macht behoren. De wet regelt de wijze van behandeling en de gevolgen van de beslissingen.

Artikel 113 - Strafrechtspraak

  1. Aan de rechterlijke macht is voorts opgedragen de berechting van strafbare feiten.

  2. Tuchtrechtspraak door de overheid ingesteld wordt bij de wet geregeld.

  3. Een straf van vrijheidsontneming kan uitsluitend door de rechterlijke macht worden opgelegd.

  4. Voor berechting buiten Nederland en voor het oorlogsstrafrecht kan de wet afwijkende regels stellen.

Artikel 114 - Doodstraf

De doodstraf kan niet worden opgelegd.

Artikel 115 - Administratief beroep

Ten aanzien van de in artikel 112, tweede lid, bedoelde geschillen kan administratief beroep worden opengesteld.

Artikel 116 - Rechterlijke macht

  1. De wet wijst de gerechten aan die behoren tot de rechterlijke macht.

  2. De wet regelt de inrichting, samenstelling en bevoegdheid van de rechterlijke macht.

  3. De wet kan bepalen, dat aan rechtspraak door de rechterlijke macht mede wordt deelgenomen door personen die niet daartoe behoren.

  4. De wet regelt het toezicht door leden van de rechterlijke macht met rechtspraak belast uit te oefenen op de ambtsvervulling door zodanige leden en door de personen bedoeld in het vorige lid.

Artikel 117 - Rechtspositie leden rechterlijke macht

  1. De leden van de rechterlijke macht met rechtspraak belast en de procureur-generaal bij de Hoge Raad worden bij koninklijk besluit voor het leven benoemd.

  2. Op eigen verzoek en wegens het bereiken van een bij de wet te bepalen leeftijd worden zij ontslagen.

  3. In de gevallen bij de wet bepaald kunnen zij door een bij de wet aangewezen, tot de rechterlijke macht behorend gerecht worden geschorst of ontslagen.

  4. De wet regelt overigens hun rechtspositie.

Artikel 118 - Hoge Raad

  1. De leden van de Hoge Raad der Nederlanden worden benoemd uit een voordracht van drie personen, opgemaakt door de Tweede Kamer der Staten-Generaal.

  2. De Hoge Raad is in de gevallen en binnen de grenzen bij de wet bepaald, belast met de cassatie van rechterlijke uitspraken wegens schending van het recht.

  3. Bij de wet kunnen aan de Hoge Raad ook andere taken worden opgedragen.

Artikel 119 - Ambtsmisdrijven

De leden van de Staten-Generaal, de ministers en de staatssecretarissen staan wegens ambtsmisdrijven in die betrekkingen gepleegd, ook na hun aftreden terecht voor de Hoge Raad. De opdracht tot vervolging wordt gegeven bij koninklijk besluit of bij een besluit van de Tweede Kamer.

Artikel 120 - Toetsingsverbod

De rechter treedt niet in de beoordeling van de grondwettigheid van wetten en verdragen.

Artikel 121 - Openbaarheid terechtzittingen

Met uitzondering van de gevallen bij de wet bepaald vinden de terechtzittingen in het openbaar plaats en houden de vonnissen de gronden in waarop zij rusten. De uitspraak geschiedt in het openbaar.

Artikel 122 - Gratie

  1. Gratie wordt verleend bij koninklijk besluit na advies van een bij de wet aangewezen gerecht en met inachtneming van bij of krachtens de wet te stellen voorschriften.

  2. Amnestie wordt bij of krachtens de wet verleend.

HOOFDSTUK 7

Decentralisatie INLEIDING

Artikel 123 - Instelling provincies en gemeenten

  1. Bij de wet kunnen provincies en gemeenten worden opgeheven en nieuwe ingesteld.

  2. De wet regelt de wijziging van provinciale en gemeentelijke grenzen.

Artikel 124 - Autonomie en medebewind

  1. Voor provincies en gemeenten wordt de bevoegdheid tot regeling en bestuur inzake hun huishouding aan hun besturen overgelaten.

  2. Regeling en bestuur kunnen van de besturen van provincies en gemeenten worden gevorderd bij of krachtens de wet.

Artikel 125 - Organen decentrale besturen

  1. Aan het hoofd van de provincie en de gemeente staan provinciale staten onderscheidenlijk de gemeenteraad. Hun vergaderingen zijn openbaar, behoudens bij de wet te regelen uitzonderingen.

  2. Van het bestuur van de provincie maken ook deel uit gedeputeerde staten en de commissaris van de Koning, van het bestuur van de gemeente het college van burgemeester en wethouders en de burgemeester.

Artikel 126 - Ambtsinstructie commissaris koning

Bij de wet kan worden bepaald, dat de commissaris van de Koning wordt belast met de uitvoering van een door de regering te geven ambtsinstructie.

Artikel 127 - Vaststelling verordening

Provinciale staten en de gemeenteraad stellen, behoudens bij de wet of door hen krachtens de wet te bepalen uitzonderingen, de provinciale onderscheidenlijk de gemeentelijke verordeningen vast.

Artikel 128 - Toekenning bevoegdheden

Behoudens in de gevallen bedoeld in artikel 123, kan de toekenning van bevoegdheden, als bedoeld in artikel 124, eerste lid, aan andere organen dan die, genoemd in artikel 125, alleen door provinciale staten onderscheidenlijk de gemeenteraad geschieden.

Artikel 129 - Verkiezing vertegenwoordigend orgaan

  1. De leden van provinciale staten en van de gemeenteraad worden rechtstreeks gekozen door de Nederlanders, tevens ingezetenen van de provincie onderscheidenlijk de gemeente, die voldoen aan de vereisten die gelden voor de verkiezing van de Tweede Kamer der Staten-Generaal. Voor het lidmaatschap gelden dezelfde vereisten.
  2. De leden worden gekozen op de grondslag van evenredige vertegenwoordiging binnen door de wet te stellen grenzen.
  3. De artikelen 53, tweede lid, en 59 zijn van toepassing. Artikel 57a is van overeenkomstige toepassing.
  4. De zittingsduur van provinciale staten en de gemeenteraad is vier jaren, behoudens bij de wet te bepalen uitzonderingen.
  5. De wet bepaalt welke betrekkingen niet gelijktijdig met het lidmaatschap kunnen worden uitgeoefend. De wet kan bepalen, dat beletselen voor het lidmaatschap voortvloeien uit verwantschap of huwelijk en dat het verrichten van bij de wet aangewezen handelingen tot het verlies van het lidmaatschap kan leiden.
  6. De leden stemmen zonder last.

Artikel 130 - Kiesrecht gemeenteraad niet-Nederlanders

De wet kan het recht de leden van de gemeenteraad te kiezen en het recht lid van de gemeenteraad te zijn toekennen aan ingezetenen, die geen Nederlander zijn, mits zij tenminste voldoen aan de vereisten die gelden voor ingezetenen die tevens Nederlander zijn.

Artikel 131 - Benoeming commissaris Koning

De commissaris van de Koning en de burgemeester worden bij koninklijk besluit benoemd.

Artikel 132 - Inrichting, samenstelling, bevoegdheid decentrale besturen

  1. De wet regelt de inrichting van provincies en gemeenten, alsmede de samenstelling en bevoegdheid van hun besturen.

  2. De wet regelt het toezicht op deze besturen.

  3. Besluiten van deze besturen kunnen slechts aan voorafgaand toezicht worden onderworpen in bij of krachtens de wet te bepalen gevallen.

  4. Vernietiging van besluiten van deze besturen kan alleen geschieden bij koninklijk besluit wegens strijd met het recht of het algemeen belang.

  5. De wet regelt de voorzieningen bij in gebreke blijven ten aanzien van regeling en bestuur, gevorderd krachtens artikel 124, tweede lid. Bij de wet kunnen met afwijking van de artikelen 125 en 127 voorzieningen worden getroffen voor het geval het bestuur van een provincie of een gemeente zijn taken grovelijk verwaarloost.

  6. De wet bepaalt welke belastingen door de besturen van provincies en gemeenten kunnen worden geheven en regelt hun financiële verhouding tot het Rijk.

Artikel 133 - Waterschappen

  1. De opheffing en instelling van waterschappen, de regeling van hun taken en inrichting, alsmede de samenstelling van hun besturen, geschieden volgens bij de wet te stellen regels bij provinciale verordening, voor zover bij of krachtens de wet niet anders is bepaald.

  2. De wet regelt de verordenende en andere bevoegdheden van de besturen van de waterschappen, alsmede de openbaarheid van hun vergaderingen.

  3. De wet regelt het provinciale en overige toezicht op deze besturen. Vernietiging van besluiten van deze besturen kan alleen geschieden wegens strijd met het recht of het algemeen belang.

Artikel 134 - Publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie

  1. Bij of krachtens de wet kunnen openbare lichamen voor beroep en bedrijf en andere openbare lichamen worden ingesteld en opgeheven.

  2. De wet regelt de taken en de inrichting van deze openbare lichamen, de samenstelling en bevoegdheid van hun besturen, alsmede de openbaarheid van hun vergaderingen. Bij of krachtens de wet kan aan hun besturen verordenende bevoegdheid worden verleend.

  3. De wet regelt het toezicht op deze besturen. Vernietiging van besluiten van deze besturen kan alleen geschieden wegens strijd met het recht of het algemeen belang.

Artikel 135 - Gemeenschappelijke regelingen

De wet geeft regels ter voorziening in zaken waarbij twee of meer openbare lichamen zijn betrokken. Daarbij kan in de instelling van een nieuw openbaar lichaam worden voorzien, in welk geval artikel 134, tweede en derde lid, van toepassing is.

Artikel 136 - Geschillen

De geschillen tussen openbare lichamen worden bij koninklijk besluit beslist, tenzij deze behoren tot de kennisneming van de rechterlijke macht of hun beslissing bij de wet aan anderen is opgedragen.
HOOFDSTUK 8

Herziening grondwet INLEIDING

Artikel 137 - Grondwetswijziging

  1. De wet verklaart, dat een verandering in de Grondwet, zoals zij die voorstelt, in overweging zal worden genomen.

  2. De Tweede Kamer kan, al dan niet op een daartoe door of vanwege de Koning ingediend voorstel, een voorstel voor zodanige wet splitsen.

  3. Na de bekendmaking van de wet, bedoeld in het eerste lid, wordt de Tweede Kamer ontbonden.

  4. Nadat de nieuwe Tweede Kamer is samengekomen, overwegen beide kamers in tweede lezing het voorstel tot verandering, bedoeld in het eerste lid. Zij kunnen dit alleen aannemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

  5. De Tweede Kamer kan, al dan niet op een daartoe door of vanwege de Koning ingediend voorstel, met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen een voorstel tot verandering splitsen.

Artikel 138 - Aanpassing niet gewijzigde bepalingen

  1. Voordat de in tweede lezing aangenomen voorstellen tot verandering in de Grondwet door de Koning worden bekrachtigd, kunnen bij de wet:

    a. de aangenomen voorstellen en de ongewijzigd gebleven bepalingen van de Grondwet voor zoveel nodig aan elkaar worden aangepast;

    b. de indeling in en de plaats van hoofdstukken, paragrafen en artikelen, alsmede de opschriften worden gewijzigd.

  2. Een voorstel van wet, houdende voorzieningen als bedoeld in het eerste lid onder a, kunnen de kamers alleen aannemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

Artikel 139 - Bekendmaking en inwerkingtreding

De veranderingen in de Grondwet, door de Staten-Generaal aangenomen en door de Koning bekrachtigd, treden terstond in werking, nadat zij zijn bekendgemaakt.

Artikel 140 - Handhaving bestaande regelgeving

Bestaande wetten en andere regelingen en besluiten die in strijd zijn met een verandering in de Grondwet, blijven gehandhaafd, totdat daarvoor overeenkomstig de Grondwet een voorziening is getroffen.

Artikel 141 - Bekendmaking herziene Grondwet

De tekst van de herziene Grondwet wordt bij koninklijk besluit bekendgemaakt, waarbij hoofdstukken, paragrafen en artikelen kunnen worden vernummerd en verwijzingen dienovereenkomstig kunnen worden veranderd.

Artikel 142 - Aanpassing Grondwet aan Statuut

De Grondwet kan bij de wet met het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden in overeenstemming worden gebracht. De artikelen 139, 140 en141 zijn van overeenkomstige toepassing.

WETENSCHAPPELIJK COMMENTAAR

W. van der Woude

ARTIKEL 134 - Publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie

INHOUD
1.      Historische ontwikkeling en actuele betekenis
2.      Openbare lichamen
3.      De SER en de product- en bedrijfschappen
4.      Beroepsorganisaties
5.      Andere openbare lichamen: Caribisch Nederland
6.      Literatuur
7.      Jurisprudentie
 
Editie april 2016

1. Historische ontwikkeling en actuele betekenis

Artikel 134 Grondwet kan worden gezien als het fundament voor uiteenlopende vormen van functionele decentralisatie. Deze vorm van decentralisatie – hoewel soms ook territoriaal (onder)verdeeld – kenmerkt zich door de instelling van openbare lichamen met een gesloten huishouding. Dat wil zeggen dat deze openbare lichamen slechts overheidsgezag kunnen uitoefenen ten aanzien van specifieke beleidsterreinen die veelal betrekking hebben op specifieke beroepsgroepen (zoals advocaten, notarissen of loodsen). De openbare lichamen die krachtens dit artikel kunnen worden ingesteld, hoeven echter niet uitsluitend te worden gebruikt voor functionele decentralisatie. Met name de in het eerste lid opgevoerde ‘andere openbare lichamen’ worden ingezet om vormen van territoriale decentralisatie te faciliteren waarin sprake is van een ‘open huishouding’ ten aanzien van een territoriaal afgebakend gebied. De in het vorige artikel besproken waterschappen zijn ook territoriaal begrensd. Vanwege hun gesloten huishouding – hun tot watergerelateerde aangelegenheden beperkte gezag – moeten waterschappen niettemin vooral worden gezien als vormen van functionele decentralisatie.[1]

Voor de geschiedenis van dit artikel wordt vaak verwezen naar de grondwetsherziening van 1938.[2] De geschiedenis reikt echter iets verder terug. Inhoudelijk zijn de ontwikkelingen rondom de totstandkoming van de Radenwet van 1913 van groot belang geweest.[3] Dit wetsvoorstel sloot aan bij de destijds opkomende corporatistische gedachte dat het binnen sommige – bijvoorbeeld arbeidsgerelateerde – belangengemeenschappen mogelijk moest zijn zelfregulerend op te treden. In het oorspronkelijke wetsvoorstel, dat de instelling en taakstelling van de Raden van Arbeid regelde, was opgenomen dat de Raden van Arbeid verordenende bevoegdheid zou toekomen. Dit stuitte op bezwaren. Een groot aantal Kamerleden was de opvatting toegedaan dat een grondwettelijke grondslag vereist was voor het toekennen van verordenende bevoegdheid aan andere belangengemeenschappen, dan die de Grondwet reeds kende. De verantwoordelijke minister (Talma, ARP) bond in en schrapte de verordenende bevoegdheid uit zijn wetsvoorstel.[4] Hoewel deze bevoegdheid in dit geval klaarblijkelijk kon worden gemist, is de grondwetsherziening van 1922 te baat genomen om een grondwettelijke grondslag te creëren voor het door de wetgever toekennen van verordenende bevoegdheid aan dergelijke belangengemeenschappen in de vorm van  “andere dan in de Grondwet genoemde lichamen” (artikel 194 Grondwet 1922).[5]

Dit artikel was bedoeld voor vormen van functionele decentralisatie (bijvoorbeeld via product- en bedrijfschappen of de door sommigen in de jaren ’20 van de vorige eeuw bepleite ‘havenschappen’[6]). Desondanks is het eveneens toegepast om vormen van territoriale decentralisatie tot stand te brengen die om uiteenlopende redenen niet konden worden ingepast in de reguliere provincie- en gemeentestructuur. In 1937 gebeurde dit bijvoorbeeld met de instelling van het openbaar lichaam ‘de Wieringermeer’, dat voor dit ingepolderde gebied diende als opmaat naar de status van gemeente.[7]

Op instigatie van de Staatscommissie-De Wilde[8] werd de Grondwet in 1938 herzien op een wijze die functionele decentralisatie in het beroeps- en bedrijfsleven specifieker beoogde te regelen.[9] Aan de Grondwet werd een hoofdstuk toegevoegd “Van openbare lichamen met verordenende bevoegdheid”, waarin de wetgever bevoegd werd verklaard “voor bepaalde beroepen en bedrijven en groepen daarvan, alsmede voor het beroeps- en bedrijfsleven in het algemeen, lichamen in [te] stellen, ten einde regelend op te treden”. Voor de op te richten lichamen voorzag dit hoofdstuk voorts – evenals thans – in een grondwettelijke basis voor de regeling van hun inrichting en hun bevoegdheden (waaronder expliciet het toekennen van verordenende bevoegdheid) en voor het toezicht op de besluiten van hun besturen.

Pas na de Tweede Wereldoorlog is aan dit artikel structureel gevolg gegeven door middel van de introductie van de (hoofd)productschappen en (hoofd)bedrijfschappen. Hiertoe kwam in 1950 de Wet op de bedrijfsorganisatie tot stand.[10] Deze wet voorzag eveneens in de instelling van de Sociaal-Economische Raad (SER). De op publiekrechtelijke leest geschoeide beroepsorganisaties kwamen eveneens tot stand. Een voorbeeld is de Nederlandse Orde van Advocaten die werd gecreëerd in 1952.[11] In het algemeen kan echter worden gesteld dat de instelling van dergelijke openbare lichamen minder veelvuldig en op een minder systematische wijze geschiedde dan die van de product- en bedrijfschappen.

Onder de Grondwet van 1938 bleven ‘andere openbare lichamen’ (buiten de openbare lichamen voor beroep en bedrijf en de overige reeds bestaande openbare lichamen) eveneens mogelijk. Zij kregen een afzonderlijk hoofdstuk in de Grondwet. Dit hoofdstuk bestond uit één artikel dat dezelfde formulering kende als het artikel dat werd geïntroduceerd in 1922. Het instellen van deze andere openbare lichamen ging ook na 1938 voort, nog steeds veelal in de vorm van territoriale decentralisatie. Zo zijn in 1942 en 1955 openbare lichamen ingesteld voor de Noordoostelijke polder[12] respectievelijk de Zuidelijke IJsselmeerpolders[13] en zijn de ‘Duitse’ drostambten Elten en Tudderen[14] vanaf 1951 tot hun teruggave aan Duitsland in 1960 als openbaar lichaam bestuurd.[15] Ook het instellen van openbare lichamen in een gemeenschappelijke regeling waarbij een of meer provincies betrokken waren, werd door sommigen tot de grondwetsherziening van 1983 geschaard onder dit artikel. Ten aanzien van deze samenwerkingsverbanden zou de Grondwet daarvoor niet dezelfde mogelijkheden bieden als ten aanzien van gemeenschappelijke regelingen waarbij alleen gemeenten betrokken waren.[16]
 De grondwetsherziening van 1983 beoogde geen inhoudelijke wijziging aan te brengen. Omwille van wetssystematiek zijn beide varianten van openbare lichamen ondergebracht in één artikel en is dit artikel ondergebracht in het nieuwe decentralisatiehoofdstuk (hoofdstuk 7). Voor de instelling van openbare lichamen in het kader van een gemeenschappelijke regeling waarbij (ook) provincies betrokken zijn, is een beroep op dit artikel overbodig geworden, nu artikel 135 Grondwet dit expliciet mogelijk maakt (zie verder het commentaar op dat artikel).

Met het indienen van een eerste lezing tot grondwetsherziening ondernam het eerste kabinet-Kok in 1997 een poging artikel 134 ingrijpend te wijzigen. Hierdoor zou de grondwettelijke grondslag voor ‘andere openbare lichamen’ vervallen en zou – deels in plaats daarvan (zie paragraaf 2) – een grondwettelijke basis voor zelfstandige bestuursorganen (zbo’s) worden gecreëerd.[17] Het voorstel werd buitengewoon kritisch ontvangen door zowel de Raad van State[18] als de Tweede Kamer.[19] Gevoed door deze kritiek trok het tweede kabinet-Kok het voorstel in en gaf zij aan voorrang te geven aan de totstandkoming van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen.[20] Overigens was in dit voorstel eveneens voorzien in wijziging van artikel 135 en schrapping van artikel 136. Hoewel de kritiek op het voorstel nauwelijks betrekking had op deze onderdelen, zijn ook deze door de intrekking van het voorstel niet van de grond gekomen (zie daarvoor de commentaren bij die artikelen).

Het artikel bleef dus zoals het was en blijft daarmee inhoudelijk nauwelijks verschillen van de regeling die in 1938 zijn beslag kreeg. Daarmee is het echter niet stil gebleven aan dit front. De laatste jaren heeft zich onder de vigeur van dit artikel een aantal belangrijke wetgevingstrajecten voltrokken. De meest drastische daarvan is zonder meer de algehele opheffing van de product- en bedrijfschappen per 1 januari 2015 (zie paragraaf 4).[21] Ook de incorporatie van de voormalig Nederlands-Antilliaanse eilandgebieden Bonaire, Sint Eustatius en Saba (verder: Caribisch Nederland) in de (Europees-)Nederlandse rechtsorde vanaf 10 oktober 2010 geschiedde over de band van dit artikel; zij werden ‘ander openbaar lichaam’, waardoor deze constructie wederom werd ingezet voor territoriale decentralisatie. Alleen ten aanzien de beroepsorganisaties blijft het wat stiller. Recentelijk – in 2012 – werd nog de Nederlandse beroepsorganisatie van accountants ingesteld (via artikel 2 van de Wet op het accountantsberoep). Feitelijk betrof dit echter een fusie van de reeds bestaande openbare lichamen NIVRA (Nederlands Instituut van Registeraccountants) en NOvAA (Nederlandse Orde van Accountants-Administratieconsulenten).

2. Openbare lichamen

Openbare lichamen worden in Grondwet noch wet gedefinieerd. Van oudsher bestond niettemin consensus over het gegeven dat openbare lichamen kunnen worden gezien als publiekrechtelijke abstracties van gemeenschappen van personen (of in voorkomende gevallen bedrijven) met gemeenschappelijke belangen. Deze ‘belangengemeenschappen’ kunnen zich territoriaal manifesteren. In dit verband kunnen openbare lichamen worden aangetroffen als de Staat, de provincie en de gemeente, maar ook openbare lichamen in het kader van gemeenschappelijke regelingen tussen provincies en/of gemeenten (zie daarover verder het commentaar op artikel 135). Gemeenschappen die worden gedefinieerd via functionele belangen kunnen ook in de vorm van een openbaar lichaam worden geabstraheerd. Dit zien we bijvoorbeeld bij de Nederlandse Orde van Advocaten of de Nederlandse beroepsorganisatie van accountants. Soms kunnen deze functionele belangengemeenschappen eveneens territoriaal georganiseerd zijn. In dat kader kan worden gewezen op waterschappen.
Via de genoemde publiekrechtelijke abstracties (de openbare lichamen) kunnen de deelgenoten binnen een gemeenschap tot besluitvorming ten aanzien van hun eigen belangen komen. Daarvoor is wel vereist dat deze deelgenoten op zijn minst de mogelijkheid wordt geboden de samenstelling van de besluitvormende organen binnen het openbare lichaam te beïnvloeden. Andersom verschaffen zij de openbare lichamen en hun organen hiermee een legitimatie voor de uitoefening van hun bevoegdheden. Aldus kennen openbare lichamen doorgaans een vorm van (interne) democratie en zijn zij binnen hun gemeenschap doorgaans bevoegd bindende besluiten te nemen, waaronder het vaststellen van algemeen verbindende voorschriften (verordeningen). De klassieke koppeling van een openbaar lichaam aan een onderliggende belangengemeenschap zou betekenen dat deze publiekrechtelijke status moet worden onderscheiden van andere krachtens publiekrecht ingestelde rechtspersonen. Dat wil niet zeggen dat openbare lichamen geen krachtens publiekrecht ingestelde rechtspersonen zijn (integendeel, dat zijn ze wel), maar dat voor de status van openbaar lichaam dus méér vereist is.
De kern van het onderscheid tussen openbare lichamen en andere krachtens publiekrecht ingestelde rechtspersonen schuilt in het gegeven dat het bestaansrecht van laatstgenoemden niet is gekoppeld aan een onderliggende gemeenschap. Het bestaansrecht van deze rechtspersonen schuilt veeleer in het bewerkstelligen van een zekere mate van (onder meer financiële en beleidsmatige) verzelfstandiging ten opzichte van de klassieke staatsorganen. Meer specifiek: in dit kader was (en is) het instellen van specifieke krachtens publiekrecht ingestelde rechtspersonen in veel gevallen ingegeven door de wens binnen die rechtspersonen een eigenstandige positie te creëren voor zelfstandige bestuursorganen (zbo’s). Enigszins terzijde, maar terminologisch wel van belang: het juridische debat ging en gaat uiteindelijk om de vraag of er verschil bestaat tussen openbare lichamen en andere krachtens publiekrecht ingestelde rechtspersonen en niet om de vraag of verschil bestaat tussen openbare lichamen en zelfstandige bestuursorganen. Dat laatste verschil is een gegeven; puur omwille van ‘publiekrechtelijke anatomie’ kunnen organen immers nooit lichamen zijn. Organen kunnen wel onderdeel zijn van een lichaam. Omdat het debat zich met name toespitst op de status van specifieke publiekrechtelijke rechtspersonen waaronder zelfstandige bestuursorganen opereren, worden beide (de rechtspersoon en hun organen) soms met elkaar vereenzelvigd.
In ieder geval tot 1989 kwam het bovenstaande overeen met de opvatting van de regering. Dit blijkt uit de in dat jaar verschenen “Notitie functionele decentralisatie”.[22] Met een beroep op de gemeenschapsgedachte onderscheidde de regering functionele decentralisatie door middel van openbare lichamen in de zin van artikel 134 nog nadrukkelijk van andere vormen van functioneel bestuur door middel van zelfstandige bestuursorganen.
Later wordt het onderscheid troebeler. Ten tijde van de eerder gememoreerde poging tot grondwetsherziening in 1997 (ter constitutionalisering van zbo’s) merkt de regering ten aanzien van openbare lichamen namelijk ineens op dat “onduidelijkheid bestaat over het begrip”. Mede daardoor meende zij dat “er geen goede gronden zijn om de openbare lichamen als klassieke vorm van functioneel bestuur anders te benaderen dan nieuwe vormen van functioneel bestuur: de zelfstandige bestuursorganen.” Desondanks wenste de regering de openbare lichamen voor beroep en bedrijf behouden als een afzonderlijke categorie; de ‘andere openbare lichamen’ vonden dergelijke genade niet. Met de grondwettelijke verankering van de zbo’s zou juist hieraan niet langer behoefte bestaan, te meer omdat de regering zich op het standpunt stelde dat de organen van deze ‘andere openbare lichamen’ reeds konden worden gerekend “tot de ruime categorie zelfstandige bestuursorganen”.[23] De juridische redenering achter het laatstgenoemde citaat is wonderlijk. Met een beroep op de totstandkomingsgeschiedenis van de Awb werd gesteld dat “dat organen van PBO-lichamen bestuursorgaan in de zin van die wet zijn” en dat uit hun zelfstandige positie “tot voor kort” werd afgeleid dat zij daarmee ook zelfstandige bestuursorganen moesten zijn. De redenering is allereerst merkwaardig nu zij overduidelijk niet ziet op de nu juist af te schaffen ‘andere openbare lichamen’, maar op de te behouden openbare lichamen voor bedrijf (“PBO-lichamen”). Verder bevreemdt het dat ten aanzien daarvan – voor zover dit kennelijk bedoeld was als een redenering naar analogie – in het citaat zelf wordt aangegeven dat dit standpunt inmiddels verlaten was (via de woorden “tot voor kort”). Ook overigens gaf de redenering blijk van gebrekkig inzicht in de praktijk van de ‘andere openbare lichamen’. Wie had gekeken naar deze praktijk, zou tot een andere conclusie zijn gekomen. Immers, deze worden in belangrijke mate gebruikt voor bijzondere vormen van territoriale decentralisatie (doorgaans gelijkend op gemeenten, zie paragraaf 1), waarbij van functionele decentralisatie geen sprake is, laat staan van vormen van functioneel bestuur, zoals zelfstandige bestuursorganen.[24] 
Het herzieningsvoorstel werd ingetrokken, maar de verwarring bleef voortbestaan. Zo wees de Hoge Raad in 2008 een opmerkelijk arrest waarin een publiekrechtelijke rechtspersoon achter een zbo (in casu het Kadaster) werd aangemerkt als openbaar lichaam in de zin van artikel 134 Grondwet. Het arrest betrof de toepassing van artikel 15 van de Wet belastingen van rechtsverkeer. Dit artikel stelt openbare lichamen als bedoeld in artikel 134 Grondwet vrij van bepaalde belastingen. De Hoge Raad overwoog: “dat de grenzen van het begrip '(andere) openbare lichamen' in het kader van art. 134 Grondwet niet scherp omschreven zijn (…). Gelet op dit een en ander is belanghebbende (het Kadaster, WvdW) — een publiekrechtelijk lichaam met publieke taken — voor de toepassing van de vrijstelling van art. 15 lid 1 aanhef en letter c van de wet aan te merken als een 'openbaar lichaam in de zin van art. 134 Grondwet'.”[25] Hiermee lijkt de Hoge Raad af te wijken van een eerder ingezette lijn, waarin openbare instellingen zoals de Rijksuniversiteit Groningen nadrukkelijk niet werden aangemerkt als openbaar lichaam (Grafheuvelarrest).[26] De toevoeging “voor de toepassing van de vrijstelling van art. 15 lid 1 aanhef en letter c van de wet” is overigens niet zonder betekenis. In deze zaak stond de Hoge Raad namelijk voor de opgave de letter van de wettekst de verenigen met het uit de wetsgeschiedenis gedestilleerde doel ervan, namelijk dat de belastingvrijstelling zou hebben te gelden “voor zoveel mogelijk publiekrechtelijke lichamen”.[27] Dit laat de vraag open of de interpretatie van de Hoge Raad ten aanzien van openbare lichamen ook buiten het bestek van de Wet belastingen van rechtsverkeer moet worden gevolgd.
Voor zover inhoudelijk besproken,[28] is de redenering die de Hoge Raad ten beste geeft buitengewoon kritisch ontvangen.[29] Ook in dit commentaar zal de redenering van de Hoge Raad niet worden doorgetrokken tot gevallen buiten de werkingssfeer van de Wet belastingen van rechtsverkeer. De redenering miskent namelijk de historische verklaring – het gemeenschapsmotief – voor de introductie van de openbare lichamen. Belangrijk is bovendien de aan dit motief verwante normatieve verwachting die moet worden ingelost bij de status van openbaar lichaam. Juist door vast te houden aan het gemeenschapsmotief, kunnen eisen worden gesteld aan de democratische inrichting van de bevoegdheidsuitoefening door openbare lichamen. Vooral hierin heeft ooit (in 1922) de reden gelegen deze openbare lichamen überhaupt van een grondwettelijke basis te voorzien. Als publiekrechtelijk verkregen rechtspersoonlijkheid het enige criterium zou zijn en daarmee het normatieve element zou worden losgelaten, heeft een bepaling als deze in de vorm van een grondwetsartikel geen enkele onderscheidende waarde.
Daarmee wil niet gezegd zijn dat de tijd niet rijp zou zijn voor een grondwettelijke verankering van zbo’s. Integendeel, hiervoor zijn goede redenen.[30] Deze redenen zijn echter niet gelegen in de in het bestaan van een onderliggende belangengemeenschap, maar in het creëren van waarborgen ten aanzien van de uitoefening van bestuursbevoegdheden door entiteiten die vanwege hun onafhankelijke positie ten opzichte van regering en Kamers in sterk verminderde mate kunnen worden onderworpen aan democratische controle. Een dergelijke grondwetsherziening zou dus juist niet moeten worden gebruikt om de verschillen tussen openbare lichamen, zbo’s en de onderliggende krachtens publiekrecht ingestelde rechtspersonen te maskeren (hetgeen de uitkomst was geweest als het in 1997 genomen initiatief de eindstreep zou hebben gehaald), maar vooral om deze verschillen inzichtelijk te maken.
 

3. Beroepsorganisaties

Van de openbare lichamen ex artikel 134 Grondwet worden de openbare lichamen voor beroepen als eerste genoemd. De ontwikkeling hiervan vond slechts op beperkte schaal plaats. Anders dan de bedrijfslichamen (zie volgende paragraaf) bestaan zij niettemin nog steeds. Genoemd zijn reeds de Nederlandse Orde van Advocaten (NOvA) uit 1952 en de Nederlandse beroepsorganisatie van accountants (NBA) uit 2012 (zie paragraaf 1). Verder kan worden gewezen op openbare lichamen voor de beroepsgroepen van loodsen, notarissen en gerechtsdeurwaarders en octrooigemachtigden. Afgezien van de loodsen, valt op dat deze beroepsorganisaties vooral worden opgericht voor juridische of parajuridische beroepen.[31] Bijbehorende organisaties zijn: de Nederlandse Loodsencorporatie (NLC, 1988), de Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie (KNB, 1999), de Koninklijke Beroepsorganisatie van Gerechtsdeurwaarders (KBvG, 2001) en de Orde van Octrooigemachtigden (OvO, 2002). In veel gevallen betreft dit overigens een publiekrechtelijke voortzetting van reeds bestaande (op privaatrechtelijke leest geschoeide) instellingen.[32]
Krachtens het tweede en derde lid van artikel 134 is het aan de formele wetgever de taken en de inrichting van, alsmede het toezicht op de beroepsorganisaties te regelen. Anders dan het geval was ten aanzien van de bedrijfslichamen bestaat ten aanzien van beroepsorganisatie niet zoiets als een algemene ‘Wet op de beroepsorganisaties’. Dit betekent dat het steeds de specifieke, op de betreffende beroepsorganisatie gerichte, wet is waarmee invulling wordt gegeven aan de grondwettelijke opdrachten uit artikel 134, tweede en derde lid. Ten aanzien van de hierboven genoemde beroepsorganisaties gebeurt dit dan ook in respectievelijk de Advocatenwet, de Wet op het accountantsberoep, de Loodsenwet, de Wet op het notarisambt, de Gerechtsdeurwaarderswet en de Rijksoctrooiwet.

Als gezegd mag van een openbaar lichaam worden verwacht dat de deelgenoten binnen de betreffende belangengemeenschap invloed kunnen uitoefenen op de besluitvorming daarbinnen. Elk op hun eigen manier voorzien bovengenoemde wetten hierin.

-         De OvO heeft de meest eenvoudige – op een privaatrechtelijke vereniging gelijkende – structuur. Alle octrooigemachtigden vormen gezamenlijk de orde en zijn lid van de algemene vergadering van de orde (artikel 23d en 23e Rijksoctrooiwet). Deze algemene vergadering benoemt de leden van het bestuur en een raad van toezicht (artikel 23e en 23f Rijksoctrooiwet). Binnen de grenzen van de wet komt aan deze algemene vergadering eveneens verordenende bevoegdheid toe (artikel 23h Rijksoctrooiwet).

-         De inrichting van de NLC is vergelijkbaar, met eveneens een belangrijke rol voor de ledenvergadering. Alle registerloodsen hebben toegang tot deze vergadering. Ook deze ledenvergadering heeft verordenende bevoegdheid (artikel 15 Loodsenwet) en benoemt de voorzitter van de NLC. De inrichting verschilt van de OvO doordat ook wordt gewerkt met territoriale onderverdelingen: de vier regionale loodsencorporaties. De algemene raad van de NLC (het bestuur) wordt gevormd door de eerdergenoemde voorzitter en de voorzitters van de regionale loodsencorporaties (artikel 6 en 8, tweede lid, Loodsenwet).

-         Hoewel er duidelijke verschillen bestaan, is de inrichting van de NBA vergelijkbaar met die van de NLC. Ook de NBA kent een voor alle accountants toegankelijke ledenvergadering, waaraan – binnen de grenzen van de wet – verordenende bevoegdheid toekomt (artikel  5 Wet op het accountantsberoep). Verder kent de NBA eveneens onderverdelingen, zij het dat deze niet territoriaal, maar functioneel bepaald zijn. In de drie zogeheten ‘ledengroepen’ zijn accountants verenigd “naar de aard van hun werkzaamheden of hun functie als accountant” (artikel 16 Wet op het accountantsberoep). Deze ledengroepen worden bij verordening van de NBA ingesteld.[33] De ledenvergadering bepaalt het aantal leden van het bestuur en benoemt daarvan de meerderheid van de leden. Het bestuur wordt gecompleteerd door afgevaardigden van de ledengroepen; uit deze bestuursleden benoemt de ledenvergadering een voorzitter (artikel 12 en 14 Wet op het accountantsberoep).

-         In de NOvA is de interne democratie iets indirecter georganiseerd via het college van afgevaardigden. In dit ‘advocatenparlement’[34] zijn advocaten vertegenwoordigd uit de verschillende arrondissementen. Deze vertegenwoordigers worden gekozen door een vergadering van alle advocaten in die arrondissementen (zie vooral artikel 17a en 20 Advocatenwet). Het college heeft verordenende bevoegdheid en benoemt de leden van de algemene raad (het bestuur), waaronder de deken (artikel  19 en 28 Advocatenwet).

-         De inrichting van de KNB doet denken aan die van de NOvA. De verordenende bevoegdheid ligt bij de ledenraad (artikel 69 Wet op het notarisambt), alsmede de bevoegdheid om het bestuur van de KNB te benoemen (artikel 71 Wet op het notarisambt). Deze ledenraad komt voort uit de arrondissementsgewijs georganiseerde ‘ringen’. Lid van de ledenraad zijn de door de ‘ringvergaderingen’ benoemde voorzitters van de ‘ringbesturen’, alsmede een additioneel lid uit iedere ring. Net als in de NLC bestaat binnen de KNB eveneens een nationale algemene ledenvergadering. Deze algemene ledenvergadering beraadslaagt over ontwerp-verordeningen (artikel 89 en 90 Wet op het notarisambt), maar stelt deze dus niet vast.

-         De organisatie van de KBvG is nagenoeg identiek aan die van de KNB, met een ledenraad, een bestuur en een algemene ledenvergadering (artikel 58 Gerechtsdeurwaarderswet). Ten aanzien van de leden van de ledenraad geldt eveneens een zekere territoriale spreiding, met dit verschil dat deze leden niet worden gekozen door regionale afdelingen, maar door de algemene ledenvergadering en dat de territoriale spreiding niet wordt bepaald aan de hand van de rechtbank-arrondissementen, maar aan de hand van de ressorten van de gerechtshoven (artikel 63 Gerechtsdeurwaarderswet). De bevoegdheden van de verschillende organen, alsmede hun onderlinge verhouding is voor het overige nagenoeg identiek aan de organisatie van de KNB.

Uit het bovenstaande blijkt dat de wetgever telkens gebruik heeft gemaakt van de grondwettelijke mogelijkheid tot het verlenen van verordenende bevoegdheid aan deze openbare lichamen. Bedacht moet echter worden dat deze verordenende bevoegdheid beperkt is. Functionele decentralisatie wordt immers gekenmerkt door een gesloten huishouding. De geslotenheid van de huishouding komt nadrukkelijk naar voren in het wetgevende kader ten aanzien van de genoemde beroepsorganisaties, soms door middel van een limitatieve opsomming van de onderwerpen ten aanzien waarvan verordeningen kunnen worden gemaakt (OvO),[35] soms door aan te geven dat de verordenende bevoegdheid slechts bestaat wanneer de wet met betrekking tot specifieke onderwerpen (nadere) regeling van onderwerpen voorschrijft (KNB en KBvG).[36] Ten aanzien van andere beroepsorganisaties (NOvA, NBA en NLC) wordt expliciet of impliciet bepaald dat de verordenende bevoegdheid uitsluitend kan worden benut ter vervulling van de taken die krachtens de wet zijn opgedragen aan de beroepsorganisatie en kan voorts worden gewezen op niet-limitatieve opsommingen waaruit niettemin kan worden afgeleid aan welke onderwerpen moet worden gedacht.[37] Op de websites van de betreffende beroepsorganisaties wordt doorgaans bijgehouden welke verordeningen zij hebben vastgesteld. Veelal heeft een groot aantal verordeningen betrekking op de interne organisatie van de beroepsorganisatie (vergaderreglementen, vergoedingen, klachtregelingen etc.). Verder vallen verordeningen op met betrekking tot beroepsopleidingen en toetsing binnen dat kader.[38]

Ook het toezicht wordt grotendeels geregeld door genoemde wetten.[39] Dit toezicht bestaat voornamelijk uit de ook in de Grondwet genoemde (schorsings- en) vernietigingsbevoegdheid voor de Kroon[40], uit verschillende meldingsplichten (aan ministers) en uit een opvallend groot aantal goedkeuringsregimes ten aanzien van de door de beroepsorganisatie uitgevaardigde verordeningen (soms betreft dit alle verordeningen, soms alleen ten aanzien van verordeningen over specifieke onderwerpen).
 

4. De SER en de product- en bedrijfschappen

De ratio achter de Wet op de bedrijfsorganisatie van 1950 was gelegen in het creëren van een meer zelfstandige organisatie van het bedrijfsleven. De wet maakte een onderscheid tussen productschappen (voor verschillende bedrijven die niettemin betrokken waren in eenzelfde productieketen, zoals zuivel of dranken) en bedrijfschappen (voor bedrijven met een vergelijkbare functie in het economisch verkeer, zoals horeca). Om uiteenlopende redenen is dit op de lange duur geen succes gebleken. De verschillende product- en bedrijfschappen werden dan ook voortdurend geconfronteerd met reorganisatie, fusie en afschaffing.[41] De categorische afschaffing van deze bedrijfslichamen in 2015 vloeide rechtstreeks voort uit het regeerakkoord van het tweede kabinet-Rutte.[42] Bij de in dat kader noodzakelijke wijziging van de Wet op de bedrijfsorganisatie gaf de regering verschillende redenen. Zo zorgden de verdergaande integratie van de Europese interne markt (alsmede de algemene tendens van globalisering) voor de afname van het belang van nationale markten. Verder werd gewezen op de grotere mondigheid van ondernemers en een algemene daling in hun organisatiegraad, gekoppeld aan het gebrek aan draagvlak voor de in hun belang opererende bedrijfslichamen. Ten slotte bleek ook het voorkomen van bureaucratisering en de vermindering van regeldruk een belangrijke reden de stekker uit de publiekrechtelijke bedrijfslichamen te trekken.[43]

Anders dan ten aanzien van de waterschappen (zie het commentaar bij artikel 133) blokkeert de Grondwet een dergelijke afschaffing niet. Nu het eerste lid van artikel 134 facultatief geformuleerd is (een ‘kan’-bepaling), is het inderdaad aan de formele wetgever om te bepalen in hoeverre er behoefte aan dergelijke openbare lichamen bestaat.

Wat betreft de openbare lichamen voor het bedrijf is alleen de SER overgebleven. Bij de hierboven gememoreerde wijziging van de Wet op de bedrijfsorganisatie zijn de artikelen over de SER grotendeels intact gebleven en is de wet bovendien herdoopt tot Wet op de Sociaal-Economische Raad. De SER is nog steeds een openbaar lichaam en beschikt als zodanig nog steeds over een (beperkte) verordenende bevoegdheid. Artikel 32 van de Wet op de SER biedt echter uitsluitend verordenende bevoegdheid ten aanzien van onderwerpen waarvan de regeling of nadere regeling bij wet aan de SER is overgelaten.[44] Met het wegvallen van de overige publiekrechtelijke bedrijfsorganisaties (ten aanzien waarvan de SER een belangrijke toezichthouder was) laat de praktijk echter een ontwikkeling zien, waarin de SER zich vooral onderscheidt als een adviescollege en als platform voor structureel overleg tussen de overheid en sociale partners (werknemers- en werkgeversorganisaties).[45]
 

5. Andere openbare lichamen: Caribisch Nederland

Hoewel de categorie van ‘andere openbare lichamen’ sinds haar totstandkoming in 1922 heeft opengestaan voor vormen van functionele decentralisatie, is deze categorie in 2010 afgestoft en wederom benut voor een bijzondere vorm van territoriale decentralisatie. Nu betrof het de incorporatie van de eilandgebieden van Caribisch Nederland (Bonaire, Sint Eustatius en Saba) in de rechtsorde van het land Nederland. Voor deze constructie is gekozen omwille van de bijzondere positie die deze eilandgebieden in de Nederlandse rechtsorde innemen. Deze positie is weliswaar vergelijkbaar met die van Nederlandse gemeenten, maar wijkt daarvan op wezenlijke punten af. Hierdoor werd incorporatie onder de reguliere gemeentestructuur van artikel 123 tot en met 132 Grondwet niet aangewezen geacht. De afwijkingen zullen hieronder worden besproken. Alvorens dat te doen, moet iets worden opgemerkt over de keuze voor het onderbrengen van deze eilandgebieden onder de paraplu van artikel 134 Grondwet.

Het aanwenden van artikel 134 Grondwet als juridische basis voor de incorporatie van Caribisch Nederland is wel bekritiseerd. Betoogd is dat de precedenten van de hierboven aangehaalde voormalige openbare lichamen in het kader van inpoldering en de annexatie van Elten en Tudderen hiermee onvergelijkbaar waren, nu deze openbare lichamen werden ingesteld ofwel voor “gebieden waar de bevolking ontbrak of die nog niet die eenheid bezaten die voor een gemeente noodzakelijk is om zelfstandig uit de eigen gemeenschap voortgekomen organen te vormen”, ofwel ter “compensatie voor de geleden oorlogsschade en beveiliging tegen nieuw Duits gevaar.”[46] De kritiek overtuigt slechts in beperkte mate. In de ingepolderde gebieden was vanaf een zeker moment wel degelijk sprake van bevolking en daarmee in ieder geval van een begin van gemeenschapsvorming.[47] Het sentiment achter deze kritiek kan niettemin worden onderschreven. Nu de eilandgebieden zich voor onbepaalde tijd aan het land Nederland hebben verbonden, ligt het in de rede dat zij op een zeker moment zullen worden ingebed in een staatsrechtelijke structuur die iets meer waarborgen biedt dan artikel 134 biedt aan ‘andere openbare lichamen’. Laatstgenoemde status zou vanuit dat perspectief moeten functioneren als tijdelijke oplossing, net als dit het geval was bij de eerdergenoemde ingepolderde gebieden. Dit kan door de bijzondere positie van de Caribisch Nederlandse eilandgebieden ofwel grondwettelijk te expliciteren, ofwel deze bijzondere positie weg te nemen en deze (op termijn) onder te brengen in de reguliere gemeentestructuur. Dat de inbedding als ‘ander openbaar lichaam’ inderdaad een tijdelijke beoogt te zijn, is door de regering onderschreven door middel van een thans aanhangig voorstel tot grondwetsherziening.[48] Hierin wordt gekozen voor de eerste optie: een nieuw in te voegen artikel 132a Grondwet waarin het Caribische deel van Nederland expressis verbis wordt genoemd. Afwijking van de reguliere gemeentestructuur blijft hierin mogelijk, maar het voorgestelde artikel biedt de besturen van de eilandgebieden meer grondwettelijke waarborgen dan artikel 134 biedt, door vrijwel alle relevante grondwetsbepalingen die (mede) betrekking hebben op gemeenten (artikel 124, 125 en de artikelen 127 tot en met 132) van overeenkomstige toepassing te verklaren. Hierdoor onstaan grondwettelijke waarborgen met betrekking tot autonomie en medebewind, het hoofdschap van de eilandsraad, verordenende bevoegdheid, de overdracht van autonome bevoegdheden, verkiezingen, de benoeming van de gezaghebber en het toezicht). Dat sommige grondwetsartikelen in deze opsomming ontbreken, hoeft niet te worden gezien als een verslechtering van de positie van de Caribische openbare lichamen. Hiervoor bestaan namelijk goede inhoudelijke of wetstechnische redenen. Zo hoeven grondwetsartikelen die spreken over openbare lichamen (zoals 135 en 136) niet van overeenkomstige toepassing te worden verklaard, aangezien deze op de openbare lichamen van Caribisch Nederland qualitate qua van toepassing zullen zijn. Omdat het voorgestelde artikel 132a Grondwet reeds een bepaling bevat over het instellen en opheffen van deze Caribische openbare lichamen, is een verwijzing naar artikel 123 Grondwet eveneens overbodig. Overeenkomstige toepassing van de artikelen 126 en 133 Grondwet is overbodig nu de openbare lichamen niet binnen een provincie vallen, respectievelijk omdat zij hun eigen waterbeheer zullen verzorgen.[49] Overeenkomstige toepassing van artikel 134 Grondwet zou onlogisch zijn, nu het juist de bedoeling van het wetsvoorstel is deze openbare lichamen weg te halen onder de werking van dat artikel.

Aldus het voorgestelde artikel 132a. Zo ver is het echter nog niet. Derhalve moet iets worden opgemerkt over de huidige juridische structuur. De huidige afwijkingen ten opzichte van reguliere gemeenten schuilen in zowel de interbestuurlijke verhoudingen van deze openbare lichamen met andere (Nederlandse) openbare lichamen, als in de intrabestuurlijke verhoudingen. Wat betreft dat laatste vallen de verschillen overigens mee. De Wet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba (verder: WolBES) creëert voor deze openbare lichamen een bestuursstructuur die sterk lijkt op die van gemeenten, zij het dat de verschillende organen andere benamingen kennen (gezaghebber, bestuurscollege en eilandsraad versus burgemeester, college van burgemeester en wethouders en gemeenteraad, hoofdstuk III WolBES). Voorts bestaan er verschillen in de regeling van de samenstelling van het bestuur. Zo is de invloed van de eilandsraad op de benoeming en het ontslag van de gezaghebber, kleiner dan de invloed die de gemeenteraad heeft ten aanzien van de benoeming en het ontslag van de burgemeester en bestaan er voor het lidmaatschap van de eilandsraad incompatibiliteiten die ten aanzien van het gemeenteraadslidmaatschap niet (meer) voorkomen. Ook de autonomie van de eilandgebieden strekt zich – hoewel zij niet grondwettelijk is gegarandeerd – uit over min of meer dezelfde terreinen als de gemeentelijke (artikel 136, eerste lid, WolBES).

De verschillen zitten vooral in de interbestuurlijke verhoudingen, in het medebewind, maar ook in wetgeving die in beginsel buiten die sfeer blijft. In de interbestuurlijke verhoudingen valt allereerst op dat voor deze ‘bijzondere gemeenten’ geen overkoepelende provinciestructuur voorhanden is. Dit levert problemen op voor het indirecte kiesrecht ten aanzien van de Eerste Kamer dat de inwoners van deze eilandgebieden behoort toe te komen (zie verder de commentaren op de artikelen 55 en 130 Grondwet). Ook is het toezicht en de coördinatie hierdoor deels anders georganiseerd. In dit kader speelt de in artikel 187 WolBES geïntroduceerde Rijksvertegenwoordiger een prominente rol. Zo kent artikel 204 WolBES uiteenlopende toezichtsbevoegdheden (rapportage aan ministers, goedkeuring van verordeningen, van benoemingen/ontslagen en van het aangaan van privaatrechtelijke overeenkomsten) toe aan deze Rijksvertegenwoordiger.  Wat betreft de uitoefening van taken in medebewind zijn de verschillen met ‘reguliere’ gemeenten het grootst. Gelet op wezenlijke verschillen in afstand, taal, cultuur, klimaat, economie etc. kan niet alle Nederlandse medebewindsvorderende wetgeving onverkort op deze eilandgebieden van toepassing zijn. Hierdoor geldt bijvoorbeeld voor de openbare lichamen van Caribisch Nederland een ‘eigen’ omgevingsrechtelijk regime middels de Wet volkshuisvesting, ruimtelijke ordening en milieubeheer BES.[50]

Het is echter niet alleen de medebewindsvorderende regelgeving die ten aanzien van Caribisch Nederland verschilt. Sowieso is sprake van een – deels – eigen rechtsorde voor deze openbare lichamen, doordat grote delen van de regelgeving middels algemene en bijzondere wetten (ongeacht of hierbinnen een taak is weggelegd voor de organen van de openbare lichamen) voor Caribisch Nederland voorziet in een van Nederland afwijkend regime. Het burgerlijkrecht en burgerlijk proces recht, het straf(proces)recht en het algemene (alsmede grote delen van het bijzondere) bestuursrecht zijn in Caribisch Nederland geregeld op een wijze die nauwer aansluit bij de vergelijkbare regelingen van de omringende Caribische landen van het Koninkrijk (Aruba, Curaçao en Sint Maarten). Dit vergemakkelijkt de rechtspraak, nu deze ook voor Caribisch Nederland wordt verzorgd door het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba. Overigens verschilt dit recht (in ieder geval waar het betreft het burgerlijk (proces)recht en het straf(proces)recht) nu ook weer niet zoveel van het in Nederland geldende recht, nu artikel 39 van het Statuut van het Koninkrijk der Nederlanden voorschrijft dat dit in alle landen van het Koninkrijk zoveel mogelijk overeenkomstig geregeld wordt (concordantiebeginsel).
 

6. Literatuur

- M.M. Bense en E.B. Pronk, Constitutionele aspecten bij de staatkundige hervorming van het Koninkrijk, in: TvCR, januari 2010, p. 61-68
- H.G. Hoogers, De BES-eilanden, de Grondwet en het Europese recht. Over constitutionele en Europeesrechtelijke consequenties van de handhaving van de LGO-status van de BES-eilanden, in RegelMaat 2009/1
- Raad voor het openbaar bestuur, Andere openbare lichamen in de Grondwet. Advies modernisering hoofdstuk 7 van de Grondwet (deel III), Den Haag, december 2003
- L.J.J. Rogier, Beginselen van Caribisch Staatsrecht, Boom Juridische uitgevers – Den Haag, 2012
- L.F.M. Verhey, De opname van Bonaire, Sint Eustatius en Saba in het Nederlandse staatsbestel: een breinbreker voor de wetgever, in: P.P.T. Bovend’Eert e.a. (red.), De staat van wetgeving. Opstellen aangeboden aan prof. mr. C.A.J.M. Kortmann, Kluwer – Deventer, 2009
- S.E. Zijlstra, Bestuurlijk organisatierecht, Kluwer – Deventer, 2009
- M. West, Territoriale decentralisatie en artikel 134 van de Grondwet. Een kritische beschouwing naar aanleiding van de opname van de BES-eilanden in het Nederlandse staatsbestel, in AA juni 2011, p. 419-428
 

7. Jurisprudentie

HR 10 maart 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU7739, AB 2007/8 met noot W.P. Boor
HR 10 november 1987, ECLI:NL:HR:1987:AC1671, NJ 1988/303 met noot Th. W. van Veen
    

Noten

  1. Zie ook de algemene inleiding bij dit hoofdstuk.
  2. Zie bijvoorbeeld de historische versies van dit artikel op de website www.denederlandsegrondwet.nl.
  3. Wet van 5 juni 1913, Stb. 193/203.
  4. Kamerstukken II, 1911-1912, 56 nr. 38.
  5. Zie voor een inhoudelijke bespreking verder F.J.A. Huart, Grondwetsherziening 1917 en 1922, Gouda Quint, Arnhem – 1925, p. 334 e.v. en R. Kranenburg, Het Nederlandsch Staatsrecht (tweede deel), H.D. Tjeenk Willink & Zn, zesde druk, Haarlem – 1947, p. 400 e.v.
  6. B. Kolff, Autonoom Havenbestuur. Een onderzoek naar het bestuur der haven van Rotterdam aan de hand van Britsche en Fransche gegevens. (Diss.), Van Doesburgh, Leiden 1928 of H.J.D. van Lier en W.F. Lichtenauer, Het vraagstuk der Havenschappen. Een bestuursprobleem, Martinus Nijhoff, ’s-Gravenhage 1927.
  7. Wet van 31 mei 1937, Stb. 1937/521.
  8. Zie Verslag van de Staatscommissie, ingesteld bij Koninklijk Besluit van 24 januari 1936, No. 41, aan welke is opgedragen de voorbereiding van eene partieele herziening van de Grondwet, ’s-Gravenhage – Algemeene Landsdrukkerij 1936, p. 9-10.
  9. Als grondslag voor de product- en bedrijfschappen was deze toevoeging overbodig, nu dit reeds mogeljk was onder artikel 194 van de Grondwet-1922, zie ook Kamerstukken II, 1975-1976, 13994 nr. 3, p. 3.
  10. Wet van 27 januari 1950, Stb. 1950/K22.
  11. Wet van 23 juni 1952, Stb. 1952/365.
  12. Besluit van de secretarissen-generaal van de Departementen van Binnenlandse Zaken, van Waterstaat en van Landbouw en Visserij van 28 juli 1942, Stcrt. 1942/151 (bezettingsmaatregel).
  13. Wet van 10 november 1955, Stb. 1955/521.
  14. Wet van 26 september 1951, Stb. 1951/434.
  15. Overzicht ontleend aan P.J. Oud, Het constitutioneel recht van het Koninkrijk der Nederlanden (deel II), W.E.J. Tjeenk Willink, tweede druk, Zwolle-1970, p. 624 e.v.
  16. P.J. Oud, Het constitutioneel recht van het Koninkrijk der Nederlanden (deel II), W.E.J. Tjeenk Willink, tweede druk, Zwolle-1970, p. 625-626.
  17. Kamerstukken II, 1997-1998, 25629 nr. 2 (voorstel) en 3 (memorie van toelichting).
  18. Kamerstukken II, 1997-1998, 25629 B.
  19. Kamerstukken II, 1997-1998, 25629 nr. 5.
  20. Kamerstukken II, 1998-1999, 25629 nr. 6
  21. Wet van 17 december 2014, Stb. 2014/571.
  22. Kamerstukken II, 1988-1989, 21042 nrs. 1 en 2.
  23. Kamerstukken II, 1997-1998, 25629 nr. 3, p. 3-4.
  24. Zie voor een uitgebreider overzicht van de verschillende standpunten in het debat over de verhouding tussen openbare lichamen en (andere) krachtens publiekrecht ingestelde rechtspersonen: Raad voor het openbaar bestuur, Andere openbare lichamen in de Grondwet. Advies modernisering hoofdstuk 7 van de Grondwet (deel III), Den Haag, december 2003, p. 26-27.
  25. HR 10 maart 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU7739, AB 2007/8 met noot W.P. Boor.
  26. HR 10 november 1987, NJ 1988/303 met noot Th. W. van Veen.
  27. Zie r.o. 3.4 van het arrest.
  28. Dit gebeurde slechts mondjesmaat.
  29. Zie S.E. Zijlstra, Bestuurlijk organisatierecht, Kluwer – Deventer, 2009, p. 62 en vooral de uitgebreide, buitengewoon kritische, maar zeer overtuigende noot van W.P. Boor onder het arrest in AB 2007/8.
  30. Zie verder vooral Raad voor het openbaar bestuur, Andere openbare lichamen in de Grondwet. Advies modernisering hoofdstuk 7 van de Grondwet (deel III), Den Haag, december 2003 en W. van der Woude, Grondwet: liever baken dan ballast, in: TvCR 2015/1, p. 81-85.
  31. S.E. Zijlstra, Bestuurlijk organisatierecht, Kluwer – Deventer, 2009, p. 298.
  32. Zie Raad voor het openbaar bestuur, Andere openbare lichamen in de Grondwet. Advies modernisering hoofdstuk 7 van de Grondwet (deel III), Den Haag, december 2003, p. 26.
  33. Thans kent de NBA drie ledengroepen: een ‘ledengroep van openbaar accountants’, een ‘ledengroep van intern en overheidsaccountants’ en een ‘ledengroep van accountants in business’, zie artikel 2 en volgende van de (NBA-)Verordening op de ledengroepen.
  34. Term ontleend aan de website van de NOvA, zie https://www.advocatenorde.nl/252/consumenten/organisatie-van-de-nova.
  35. Zie artikel 23h Rijksoctrooiwet.
  36. Artikel 89 Wet op het notarisambt respectievelijk artikel 80 Gerechtsdeurwaarderswet.
  37. Zie artikel 28 e.v. Advocatenwet, artikel 19 e.v. Wet op het accountantsberoep respectievelijk artikel 15 e.v. Loodsenwet.
  38. Zie de verschillende websites: www.advocatenorde.nl, www.nba.nl, www.knb.nl, www.kbvg.nl, www.octrooigemachtigde.nl en www.loodswezen.nl.
  39. Buiten deze wetten zou kunnen worden gewezen op het toezichtsregime uit de Wet naleving Europese regelgeving publieke entiteiten, dat in beginsel op de organen van deze beroepsorganisaties van toepassing zou moeten zijn. Voorbeelden van concrete toepassing van deze wet op genoemde organen kunnen echter niet worden aangetroffen.
  40. Dit komt voor ten aanzien van alle beroepsorganisaties.
  41. Zie A.W. Heringa, J. van der Velde, L.F.M. Verhey en W. van der Woude, Staatsrecht, Kluwer – Deventer, twaalfde druk 2015, p. 270.
  42. Bruggen slaan. Regeerakkoord VVD – PvdA, Den Haag 29 oktober 2012, p. 42.
  43. Kamerstukken II, 2013-2014, 33910 nr. 3, p. 2.
  44. Een (beperkt) onderzoek binnen de wettendatabasewww.wetten.nl(februari 2016) geeft een indicatie dat dergelijke wettelijke opdrachten tot het vaststellen van (nadere) regelingen thans niet bestaan in andere wetten dan de Wet op de SER. De verordeningen waartoe de Wet op de SER opdracht geeft, betreffen allen meer ‘interne’ regelingen, zoals een nadere regeling van de werkwijze van de SER (artikel 31 Wet op de SER), het vaststellen van een delegatieverordening (artikel 35 Wet op de SER) en het financieel beheer van de SER (artikel 51 Wet op de SER).
  45. Zie A.W. Heringa, J. van der Velde, L.F.M. Verhey en W. van der Woude, Staatsrecht, Kluwer – Deventer, twaalfde druk 2015, p. 271.
  46. M. West, Territoriale decentralisatie en artikel 134 van de Grondwet. Een kritische beschouwing naar aanleiding van de opname van de BES-eilanden in het Nederlandse staatsbestel, in AA juni 2011, p. 419-428.
  47. Zo kende de stad Lelystad (voor het in 1980 een gemeente werd en aldus werd losgemaakt van het openbaar lichaam Zuidelijke IJsselmeerpolders) een al jaren sterk stijgend inwonertal dat in 1979 reeds boven de 30.000 lag. Zie Gemeente Lelystad, Zicht op Lelystad. Trendrapport 2013, raadpleegbaar via www.lelystad.nl. Ook de Noordoostelijke polder was als openbaar lichaam wel degelijk bewoond. In 1961 – een jaar voor de instelling van de gemeente Noordoostpolder – woonden daar circa 29.000 mensen. Zie www.noordoostpolder.nl/Actueel/Feiten_en_cijfers/Ontwikkeling_van_de_bevolkingsaantallen.
  48. Zie Kamerstukken I & II, 33131.
  49. Zie Kamerstukken II, 2011-2012, 33131 nr. 3, p. 3-4.
  50. Wet van 22 december 2011, Stb. 2012/27.

 

  • Citeer
    Citeer suggestie
    W. van der Woude, Commentaar op artikel 134 van de Grondwet, in: E.M.H. Hirsch Ballin en G. Leenknegt (red.), Artikelsgewijs commentaar op de Grondwet, webeditie 2017 (www.Nederlandrechtsstaat.nl).
  • Deel
  • PDF
  • Terug
MEER OVER DIT ONDERWERP
THEMA IN HET KORT
ACHTER-GRONDEN
Reageer!
Thema in het kort

Publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie

Naast de provincies, gemeenten en waterschappen zijn er verschillende andere vormen van decentraal bestuur. De openbare lichamen voor beroep en bedrijf zijn organisaties voor beroepsgroepen en bedrijfstakken, die zijn uitgerust met bevoegdheden om regels vast te stellen en bindende beslissingen te nemen. Zij stellen bijvoorbeeld kwaliteitseisen vast voor beoefenaars van bepaalde beroepen of voor bepaalde producten of bedrijfstakken en zien toe op de naleving daarvan. De wetgever draagt de primaire verantwoordelijkheid voor de regeling van de inrichting en bevoegdheden van deze openbare lichamen en voor het toezicht daarop.
 
Een voorbeeld van een openbaar lichaam voor een beroepsgroep is de Nederlandse Orde van Advocaten, ingesteld door de Advocatenwet. De Orde beoogt de kwaliteit en betrouwbaarheid van de advocatuur te garanderen. Voor het accountantsberoep is er een vergelijkbare organisatie: de Nederlandse Beroepsorganisatie van Accountants.
 
Voor het bedrijfsleven beslist de Sociaal-Economische Raad krachtens de Wet op de bedrijfsorganisatie over de instelling van product- en bedrijfschappen, tezamen ook wel aangeduid als de publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie. Een productschap is een organisatie voor bedrijven rond een bepaald product; een bedrijfschap is gericht op bedrijven met eenzelfde functie.
 
De wetgever kan ook andere typen openbare lichamen instellen. Voorbeelden zijn de drie openbare lichamen Bonaire, Saba en Sint Eustatius. Deze Caribische eilanden behoren tot Nederland; niet als gemeenten of provincies, maar als decentraal openbaar lichaam. Deze status is overigens tijdelijk: de Grondwet zal worden aangevuld met een afzonderlijke bepaling die de basis voor de bestuurlijke inrichting van de drie eilanden zal vormen.

Plaats Uw Reactie

*Verplicht invulveld straks zijn alleen uw naam en reactie zichtbaar.

Er kan enige tijd overheengan tot uw reactie zichtbaar is.

Reageer!

Publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie

0 reacties
Klassieke uitspraken
Recente Recht- spraak
Politiek
Klassieke uitspraken

Publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie

Over dit artikel zijn ons geen belangrijke en ‘klassieke’ rechterlijke uitspraken bekend.
Recente rechtspraak

Publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie

Over dit artikel zijn ons geen recente rechterlijke uitspraken bekend.
Politiek

Publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie

Video
Blogs
IN DE WERELD
Blogs

Publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie

In de wereld

Publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie