CATEGORIE
  • CATEGORIE
  • Adviesorganen
  • Burgerrechten
  • Decentralisatie
  • Eigendom
  • Gelijkheid
  • Godsdienst en levensovertuiging
  • Grondwetsherziening
  • Internationale rechtsorde
  • Privacy
  • Rechtspleging
  • Rechtspraak
  • Regering, Koning
  • Sociale rechtsstaat
  • Staten-Generaal
  • Uitingsrechten
  • Wetgeving en bestuur
AUTEUR
  • AUTEUR
  • G. Leenknegt
  • A.A.L. Beers & J.C.A. de Poorter
  • A.A.L. Beers en K.T. Meijer
  • B.C. van Beers
  • B.M.J. van der Meulen
  • B.P. Vermeulen
  • B.W.N. de Waard
  • D. Mentink, B.P. Vermeulen & P.J.J. Zoontjens
  • E.J. Janse de Jonge
  • E.J. Koops
  • E.M.H. Hirsch Ballin
  • F. Fleurke
  • F.C.M.A. Michiels
  • F.M.C. Vlemminx
  • F.M.C. Vlemminx en A.C.M. Meuwese
  • G. Boogaard
  • G. Boogaard en J. Uzman
  • G. Leenknegt
  • G. Overkleeft-Verburg
  • G. van der Schyff en B.M.J. van der Meulen
  • J. Kiewiet en G.F.M. van der Tang †
  • J. Uzman
  • J. Uzman en G. Boogaard
  • J.C.A. de Poorter
  • J.L.M. Gribnau en M.R.T Pauwels
  • J.M. van Schooten, G. Leenknegt & M. Adams
  • J.W.A. Fleuren
  • K.T. Meijer
  • M. Adams
  • Mijke Houwerzijl & Nuna Zekic
  • Mijke Houwerzijl en Frank Vlemminx
  • P. Jacobs
  • S. Daniëls
  • S. Jellinghaus en E. Huisman
  • S.C. van Bijsterveld
  • S.C. van Bijsterveld en B.P. Vermeulen
  • S.S. Buisman & S.B.G. Kierkels
  • T. Kooijmans
  • T. Peters
  • W. van der Woude
  • W.J.M. Voermans
ARTIKEL
  • ARTIKEL
  • Artikel 1  Gelijke behandeling
  • Artikel 2  Nederlandschap en vreemdelingen
  • Artikel 3  Gelijke benoembaarheid
  • Artikel 4  Kiesrecht
  • Artikel 5  Petitierecht
  • Artikel 6  Vrijheid van godsdienst en levensovertuiging
  • Artikel 7  Vrijheid van meningsuiting
  • Artikel 8  Recht tot vereniging
  • Artikel 9  Recht tot vergadering en betoging
  • Artikel 10  Eerbiediging en bescherming persoonlijke levenssfeer
  • Artikel 11  Onaantastbaarheid van het lichaam
  • Artikel 12  Binnentreden woning
  • Artikel 13  Vertrouwelijke communicatie
  • Artikel 14  Onteigening
  • Artikel 15  Vrijheidsontneming
  • Artikel 16  Nulla poena
  • Artikel 17  Wettelijk toegekende rechter
  • Artikel 18  Rechtsbijstand
  • Artikel 19  Werkgelegenheid en arbeidskeuze
  • Artikel 20  Bestaanszekerheid
  • Artikel 21  Milieubescherming
  • Artikel 22  Volksgezondheid en woongelegenheid
  • Artikel 23  Onderwijs
  • Artikel 24  Koningschap
  • Artikel 25  Erfopvolging
  • Artikel 26  Status ongeboren kind Koning
  • Artikel 27  Afstand koningschap
  • Artikel 28  Afstand koningschap door huwelijk
  • Artikel 29  Uitsluiting troonopvolging
  • Artikel 30  Benoemde Koning
  • Artikel 31  Erfopvolging benoemde koning
  • Artikel 32  Inhuldiging Koning
  • Artikel 33  Koningschap en meerderjarigheid
  • Artikel 34  Ouderlijk gezag minderjarige Koning
  • Artikel 35  Buiten staat verklaring
  • Artikel 36  Tijdelijke neerlegging koninklijk gezag
  • Artikel 37  Uitoefening koninklijk gezag door regent
  • Artikel 38  Uitoefening koninklijk gezag door RvS
  • Artikel 39  Lidmaatschap koninklijk huis
  • Artikel 40  Uitkering koninklijk huis
  • Artikel 41  Inrichting huis Koning
  • Artikel 42  Ministeriële verantwoordelijkheid
  • Artikel 43  Regering en ministers
  • Artikel 44  Ministeries
  • Artikel 45  Ministerraad
  • Artikel 46  Staatssecretarissen
  • Artikel 47  Ondertekening en contraseign
  • Artikel 48  Ontslag en benoeming ministers
  • Artikel 49  Ambtseed minister en staatssecretaris
  • Artikel 50  Vertegenwoordiging
  • Artikel 51  Eerste en Tweede Kamer
  • Artikel 52  Zittingsduur
  • Artikel 53  Evenredige vertegenwoordiging
  • Artikel 54  Verkiezing Tweede Kamer
  • Artikel 55  Verkiezing Eerste Kamer
  • Artikel 56  Vereisten voor lidmaatschap
  • Artikel 57  Incompatibiliteiten
  • Artikel 57a  Zwangerschap en ziekte
  • Artikel 58  Geloofsbrieven
  • Artikel 59  Kiesrecht en verkiezingen
  • Artikel 60  Ambtsaanvaarding
  • Artikel 61  Voorzitter en griffier
  • Artikel 62  Verenigde vergadering
  • Artikel 63  Geldelijke voorzieningen
  • Artikel 64  Ontbinding Kamers
  • Artikel 65  Troonrede
  • Artikel 66  Openbaarheid vergaderingen
  • Artikel 67  Quorum
  • Artikel 68  Inlichtingenplicht bewindslieden
  • Artikel 69  Aanwezigheid bewindslieden
  • Artikel 70  Recht van enquête
  • Artikel 71  Parlementaire onschendbaarheid
  • Artikel 72  Reglement van orde
  • Artikel 73  Taak Raad van State
  • Artikel 74  Rechtspositie leden
  • Artikel 75  Inrichting, samenstelling, bevoegdheid Raad van State
  • Artikel 76  Algemene rekenkamer
  • Artikel 77  Rechtpositie leden rekenkamer
  • Artikel 78  Inrichting, samenstelling, bevoegdheid Rekenkamer
  • Artikel 78a  Nationale ombudsman
  • Artikel 79  Vaste colleges van advies
  • Artikel 80  Openbaarmaking advies
  • Artikel 81  Wetgevende macht
  • Artikel 82  Indienen wetsvoorstel
  • Artikel 83  Toezending wetsvoorstel TK
  • Artikel 84  Wijziging wetsvoorstel
  • Artikel 85  Toezending wetsvoorstel EK
  • Artikel 86  Intrekking wetsvoorstel
  • Artikel 87  Aanneming en bekrachtiging
  • Artikel 88  Bekendmaking en inwerkingtreding
  • Artikel 89  Algemene maatregel van bestuur
  • Artikel 90  Bevordering internationale rechtsorde
  • Artikel 91  Goedkeuring verdrag
  • Artikel 92  Bevoegdheden volkenrechtelijke organisaties
  • Artikel 93  Verbindende kracht verdrag
  • Artikel 94  Verdrag boven wet
  • Artikel 95  Bekendmaking verdrag
  • Artikel 96  Oorlogsverklaring
  • Artikel 97  Krijgsmacht
  • Artikel 98  Samenstelling krijgsmacht
  • Artikel 99  Gewetensbezwaren militaire dienst
  • Artikel 99a  Civiele verdediging
  • Artikel 100  Inlichtingen over krijgsmacht
  • Artikel 101  [vervallen]
  • Artikel 102  [vervallen]
  • Artikel 103  Uitzonderingstoestand
  • Artikel 104  Belastingheffing
  • Artikel 105  Recht van begroting
  • Artikel 106  Geldstelsel
  • Artikel 107  Codificatie
  • Artikel 108  [vervallen]
  • Artikel 109  Rechtspositie ambtenaren
  • Artikel 110  Openbaarheid van bestuur
  • Artikel 111  Ridderorden
  • Artikel 112  Civiele en administratieve rechtspraak
  • Artikel 113  Strafrechtspraak
  • Artikel 114  Doodstraf
  • Artikel 115  Administratief beroep
  • Artikel 116  Rechterlijke macht
  • Artikel 117  Rechtspositie leden rechterlijke macht
  • Artikel 118  Hoge Raad
  • Artikel 119  Ambtsmisdrijven
  • Artikel 120  Toetsingsverbod
  • Artikel 121  Openbaarheid terechtzittingen
  • Artikel 122  Gratie
  • Artikel 123  Instelling provincies en gemeenten
  • Artikel 124  Autonomie en medebewind
  • Artikel 125  Organen decentrale besturen
  • Artikel 126  Ambtsinstructie commissaris koning
  • Artikel 127  Vaststelling verordening
  • Artikel 128  Toekenning bevoegdheden
  • Artikel 129  Verkiezing vertegenwoordigend orgaan
  • Artikel 130  Kiesrecht gemeenteraad niet-Nederlanders
  • Artikel 131  Benoeming commissaris Koning
  • Artikel 132  Inrichting, samenstelling, bevoegdheid decentrale besturen
  • Artikel 133  Waterschappen
  • Artikel 134  Publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie
  • Artikel 135  Gemeenschappelijke regelingen
  • Artikel 136  Geschillen
  • Artikel 137  Grondwetswijziging
  • Artikel 138  Aanpassing niet gewijzigde bepalingen
  • Artikel 139  Bekendmaking en inwerkingtreding
  • Artikel 140  Handhaving bestaande regelgeving
  • Artikel 141  Bekendmaking herziene Grondwet
  • Artikel 142  Aanpassing Grondwet aan Statuut
  • Artikel IX - Berechting van misdrijven in oorlogstijd
  • Artikel XIX - Afkondigingsformulier
HOOFDSTUK
  • HOOFDSTUK
  • Hoofdstuk 1  Grondrechten
  • Hoofdstuk 2  Regering
  • Hoofdstuk 3  Staten-Generaal
  • Hoofdstuk 4  Adviesorganen
  • Hoofdstuk 5  Wetgeving en bestuur
  • Hoofdstuk 6  Rechtspraak
  • Hoofdstuk 7  Decentralisatie
  • Hoofdstuk 8  Herziening grondwet
  • Additionele artikelen

DE GRONDWET

HOOFDSTUK 1

Grondrechten

INLEIDING

Artikel 1 - Gelijke behandeling

Allen die zich in Nederland bevinden, worden in gelijke gevallen gelijk behandeld. Discriminatie wegens godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht of op welke grond dan ook, is niet toegestaan.

Artikel 2 - Nederlandschap en vreemdelingen

  1. De wet regelt wie Nederlander is.
  2. De wet regelt de toelating en de uitzetting van vreemdelingen.
  3. Uitlevering kan slechts geschieden krachtens verdrag. Verdere voorschriften omtrent uitlevering worden bij de wet gegeven.
  4. Ieder heeft het recht het land te verlaten, behoudens in de gevallen, bij de wet bepaald.

Artikel 3 - Gelijke benoembaarheid

Alle Nederlanders zijn op gelijke voet in openbare dienst benoembaar.

Artikel 4 - Kiesrecht

Iedere Nederlander heeft gelijkelijk recht de leden van algemeen vertegenwoordigende organen te verkiezen alsmede tot lid van deze organen te worden verkozen, behoudens bij de wet gestelde beperkingen en uitzonderingen.

Artikel 5 - Petitierecht

Ieder heeft het recht verzoeken schriftelijk bij het bevoegd gezag in te dienen.

Artikel 6 - Vrijheid van godsdienst en levensovertuiging

  1. Ieder heeft het recht zijn godsdienst of levensovertuiging, individueel of in gemeenschap met anderen, vrij te belijden, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet.
  2. De wet kan ter zake van de uitoefening van dit recht buiten gebouwen en besloten plaatsen regels stellen ter bescherming van de gezondheid, in het belang van het verkeer en ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden.

Artikel 7 - Vrijheid van meningsuiting

  1. Niemand heeft voorafgaand verlof nodig om door de drukpers gedachten of gevoelens te openbaren, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet.
  2. De wet stelt regels omtrent radio en televisie. Er is geen voorafgaand toezicht op de inhoud van een radio- of televisieuitzending.
  3. Voor het openbaren van gedachten of gevoelens door andere dan in de voorgaande leden genoemde middelen heeft niemand voorafgaand verlof nodig wegens de inhoud daarvan, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet. De wet kan het geven van vertoningen toegankelijk voor personen jonger dan zestien jaar regelen ter bescherming van de goede zeden.
  4. De voorgaande leden zijn niet van toepassing op het maken van handelsreclame.

Artikel 8 - Recht tot vereniging

Het recht tot vereniging wordt erkend. Bij de wet kan dit recht worden beperkt in het belang van de openbare orde.

Artikel 9 - Recht tot vergadering en betoging

  1. Het recht tot vergadering en betoging wordt erkend, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet.
  2. De wet kan regels stellen ter bescherming van de gezondheid, in het belang van het verkeer en ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden.

Artikel 10 - Eerbiediging en bescherming persoonlijke levenssfeer

  1. Ieder heeft, behoudens bij of krachtens de wet te stellen beperkingen, recht op eerbiediging van zijn persoonlijke levenssfeer.
  2. De wet stelt regels ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer in verband met het vastleggen en verstrekken van persoonsgegevens.
  3. De wet stelt regels inzake de aanspraken van personen op kennisneming van over hen vastgelegde gegevens en van het gebruik dat daarvan wordt gemaakt, alsmede op verbetering van zodanige gegevens.

Artikel 11 - Onaantastbaarheid van het lichaam

Ieder heeft, behoudens bij of krachtens de wet te stellen beperkingen, recht op onaantastbaarheid van zijn lichaam.

Artikel 12 - Binnentreden woning

  1. Het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner is alleen geoorloofd in de gevallen bij of krachtens de wet bepaald, door hen die daartoe bij of krachtens de wet zijn aangewezen.
  2. Voor het binnentreden overeenkomstig het eerste lid zijn voorafgaande legitimatie en mededeling van het doel van het binnentreden vereist, behoudens bij de wet gestelde uitzonderingen.
  3. Aan de bewoner wordt zo spoedig mogelijk een schriftelijk verslag van het binnentreden verstrekt. Indien het binnentreden in het belang van de nationale veiligheid of dat van de strafvordering heeft plaatsgevonden, kan volgens bij de wet te stellen regels de verstrekking van het verslag worden uitgesteld. In de bij de wet te bepalen gevallen kan de verstrekking achterwege worden gelaten, indien het belang van de nationale veiligheid zich tegen verstrekking blijvend verzet.

Artikel 13 - Vertrouwelijke communicatie

  1. Het briefgeheim is onschendbaar, behalve, in de gevallen bij de wet bepaald, op last van de rechter.
  2. Het telefoon- en telegraafgeheim is onschendbaar, behalve, in de gevallen bij de wet bepaald, door of met machtiging van hen die daartoe bij de wet zijn aangewezen.

Artikel 14 - Onteigening

  1. Onteigening kan alleen geschieden in het algemeen belang en tegen vooraf verzekerde schadeloosstelling, een en ander naar bij of krachtens de wet te stellen voorschriften.
  2. De schadeloosstelling behoeft niet vooraf verzekerd te zijn, wanneer in geval van nood onverwijld onteigening geboden is.
  3. In de gevallen bij of krachtens de wet bepaald bestaat recht op schadeloosstelling of tegemoetkoming in de schade, indien in het algemeen belang eigendom door het bevoegd gezag wordt vernietigd of onbruikbaar gemaakt of de uitoefening van het eigendomsrecht wordt beperkt.

Artikel 15 - Vrijheidsontneming

  1. Buiten de gevallen bij of krachtens de wet bepaald mag niemand zijn vrijheid worden ontnomen.
  2. Hij aan wie anders dan op rechterlijk bevel zijn vrijheid is ontnomen, kan aan de rechter zijn invrijheidstelling verzoeken. Hij wordt in dat geval door de rechter gehoord binnen een bij de wet te bepalen termijn. De rechter gelast de onmiddellijke invrijheidstelling, indien hij de vrijheidsontneming onrechtmatig oordeelt.
  3. De berechting van hem aan wie met het oog daarop zijn vrijheid is ontnomen, vindt binnen een redelijke termijn plaats.
  4. Hij aan wie rechtmatig zijn vrijheid is ontnomen, kan worden beperkt in de uitoefening van grondrechten voor zover deze zich niet met de vrijheidsontneming verdraagt.

Artikel 16 - Nulla poena

Geen feit is strafbaar dan uit kracht van een daaraan voorafgegane wettelijke strafbepaling.

Artikel 17 - Wettelijk toegekende rechter

Niemand kan tegen zijn wil worden afgehouden van de rechter die de wet hem toekent.

Artikel 18 - Rechtsbijstand

  1. Ieder kan zich in rechte en in administratief beroep doen bijstaan.
  2. De wet stelt regels omtrent het verlenen van rechtsbijstand aan minder draagkrachtigen.

Artikel 19 - Werkgelegenheid en arbeidskeuze

  1. Bevordering van voldoende werkgelegenheid is voorwerp van zorg der overheid.
  2. De wet stelt regels omtrent de rechtspositie van hen die arbeid verrichten en omtrent hun bescherming daarbij, alsmede omtrent medezeggenschap.
  3. Het recht van iedere Nederlander op vrije keuze van arbeid wordt erkend, behoudens de beperkingen bij of krachtens de wet gesteld.

Artikel 20 - Bestaanszekerheid

  1. De bestaanszekerheid der bevolking en spreiding van welvaart zijn voorwerp van zorg der overheid.
  2. De wet stelt regels omtrent de aanspraken op sociale zekerheid.
  3. Nederlanders hier te lande, die niet in het bestaan kunnen voorzien, hebben een bij de wet te regelen recht op bijstand van overheidswege.

Artikel 21 - Milieubescherming

De zorg van de overheid is gericht op de bewoonbaarheid van het land en de bescherming en verbetering van het leefmilieu.

Artikel 22 - Volksgezondheid en woongelegenheid

  1. De overheid treft maatregelen ter bevordering van de volksgezondheid.
  2. Bevordering van voldoende woongelegenheid is voorwerp van zorg der overheid.
  3. Zij schept voorwaarden voor maatschappelijke en culturele ontplooiing en voor vrijetijdsbesteding.

Artikel 23 - Onderwijs

  1. Het onderwijs is een voorwerp van de aanhoudende zorg der regering.
  2. Het geven van onderwijs is vrij, behoudens het toezicht van de overheid en, voor wat bij de wet aangewezen vormen van onderwijs betreft, het onderzoek naar de bekwaamheid en de zedelijkheid van hen die onderwijs geven, een en ander bij de wet te regelen.
  3. Het openbaar onderwijs wordt, met eerbiediging van ieders godsdienst of levensovertuiging, bij de wet geregeld.
  4. In elke gemeente wordt van overheidswege voldoend openbaar algemeen vormend lager onderwijs gegeven in een genoegzaam aantal openbare scholen. Volgens bij de wet te stellen regels kan afwijking van deze bepaling worden toegelaten, mits tot het ontvangen van zodanig onderwijs gelegenheid wordt gegeven, al dan niet in een openbare school.
  5. De eisen van deugdelijkheid, aan het geheel of ten dele uit de openbare kas te bekostigen onderwijs te stellen, worden bij de wet geregeld, met inachtneming, voor zover het bijzonder onderwijs betreft, van de vrijheid van richting.
  6. Deze eisen worden voor het algemeen vormend lager onderwijs zodanig geregeld, dat de deugdelijkheid van het geheel uit de openbare kas bekostigd bijzonder onderwijs en van het openbaar onderwijs even afdoende wordt gewaarborgd. Bij die regeling wordt met name de vrijheid van het bijzonder onderwijs betreffende de keuze der leermiddelen en de aanstelling der onderwijzers geëerbiedigd.
  7. Het bijzonder algemeen vormend lager onderwijs, dat aan de bij de wet te stellen voorwaarden voldoet, wordt naar dezelfde maatstaf als het openbaar onderwijs uit de openbare kas bekostigd. De wet stelt de voorwaarden vast, waarop voor het bijzonder algemeen vormend middelbaar en voorbereidend hoger onderwijs bijdragen uit de openbare kas worden verleend.
  8. De regering doet jaarlijks van de staat van het onderwijs verslag aan de Staten-Generaal.
HOOFDSTUK 2

Regering INLEIDING

Artikel 24 - Koningschap

Het koningschap wordt erfelijk vervuld door de wettige opvolgers van Koning Willem I, Prins van Oranje-Nassau.

Artikel 25 - Erfopvolging

Het koningschap gaat bij overlijden van de Koning krachtens erfopvolging over op zijn wettige nakomelingen, waarbij het oudste kind voorrang heeft, met plaatsvervulling volgens dezelfde regel. Bij gebreke van eigen nakomelingen gaat het koningschap op gelijke wijze over op de wettige nakomelingen eerst van zijn ouder, dan van zijn grootouder, in de lijn van erfopvolging, voor zover de overleden Koning niet verder bestaand dan in de derde graad van bloedverwantschap.

Artikel 26 - Status ongeboren kind Koning

Het kind, waarvan een vrouw zwanger is op het ogenblik van het overlijden van de Koning, wordt voor de erfopvolging als reeds geboren aangemerkt. Komt het dood ter wereld, dan wordt het geacht nooit te hebben bestaan.

Artikel 27 - Afstand koningschap

Afstand van het koningschap leidt tot erfopvolging overeenkomstig de regels in de voorgaande artikelen gesteld. Na de afstand geboren kinderen en hun nakomelingen zijn van de erfopvolging uitgesloten.

Artikel 28 - Afstand koningschap door huwelijk

  1. De Koning, een huwelijk aangaande buiten bij de wet verleende toestemming, doet daardoor afstand van het koningschap.
  2. Gaat iemand die het koningschap van de Koning kan beërven een zodanig huwelijk aan, dan is hij met de uit dit huwelijk geboren kinderen en hun nakomelingen van de erfopvolging uitgesloten.
  3. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake van een voorstel van wet, strekkende tot het verlenen van toestemming, in verenigde vergadering.

Artikel 29 - Uitsluiting troonopvolging

  1. Wanneer uitzonderlijke omstandigheden daartoe nopen, kunnen bij een wet een of meer personen van de erfopvolging worden uitgesloten.

  2. Het voorstel daartoe wordt door of vanwege de Koning ingediend. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering. Zij kunnen het voorstel alleen aannemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

Artikel 30 - Benoemde Koning

  1. Wanneer vooruitzicht bestaat dat een opvolger zal ontbreken, kan deze worden benoemd bij een wet. Het voorstel wordt door of vanwege de Koning ingediend. Na de indiening van het voorstel worden de kamers ontbonden. De nieuwe kamers beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering. Zij kunnen het voorstel alleen aannemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

  2. Indien bij overlijden van de Koning of bij afstand van het koningschap een opvolger ontbreekt, worden de kamers ontbonden. De nieuwe kamers komen binnen vier maanden na het overlijden of de afstand in verenigde vergadering bijeen ten einde te besluiten omtrent de benoeming van een Koning. Zij kunnen een opvolger alleen benoemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

Artikel 31 - Erfopvolging benoemde koning

  1. Een benoemde Koning kan krachtens erfopvolging alleen worden opgevolgd door zijn wettige nakomelingen.

  2. De bepalingen omtrent de erfopvolging en het eerste lid van dit artikel zijn van overeenkomstige toepassing op een benoemde opvolger, zolang deze nog geen Koning is.

Artikel 32 - Inhuldiging Koning

Nadat de Koning de uitoefening van het koninklijk gezag heeft aangevangen, wordt hij zodra mogelijk beëdigd en ingehuldigd in de hoofdstad Amsterdam in een openbare verenigde vergadering van de Staten-Generaal. Hij zweert of belooft trouw aan de Grondwet en een getrouwe vervulling van zijn ambt. De wet stelt nadere regels vast.

Artikel 33 - Koningschap en meerderjarigheid

De Koning oefent het koninklijk gezag eerst uit, nadat hij de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt.

Artikel 34 - Ouderlijk gezag minderjarige Koning

De wet regelt het ouderlijk gezag en de voogdij over de minderjarige Koning en het toezicht daarop. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

Artikel 35 - Buiten staat verklaring

  1. Wanneer de ministerraad van oordeel is dat de Koning buiten staat is het koninklijk gezag uit te oefenen, bericht hij dit onder overlegging van het daartoe gevraagde advies van de Raad van State aan de Staten-Generaal, die daarop in verenigde vergadering bijeenkomen.

  2. Delen de Staten-Generaal dit oordeel, dan verklaren zij dat de Koning buiten staat is het koninklijk gezag uit te oefenen. Deze verklaring wordt bekend gemaakt op last van de voorzitter der vergadering en treedt terstond in werking.

  3. Zodra de Koning weer in staat is het koninklijk gezag uit te oefenen, wordt dit bij de wet verklaard. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering. Terstond na de bekendmaking van deze wet hervat de Koning de uitoefening van het koninklijk gezag.

  4. De wet regelt zo nodig het toezicht over de persoon van de Koning indien hij buiten staat is verklaard het koninklijk gezag uit te oefenen. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

Artikel 36 - Tijdelijke neerlegging koninklijk gezag

De Koning kan de uitoefening van het koninklijk gezag tijdelijk neerleggen en die uitoefening hervatten krachtens een wet, waarvan het voorstel door of vanwege hem wordt ingediend. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

Artikel 37 - Uitoefening koninklijk gezag door regent

  1. Het koninklijk gezag wordt uitgeoefend door een regent:
    a. zolang de Koning de leeftijd van achttien jaar niet heeft bereikt;
    b. indien een nog niet geboren kind tot het koningschap geroepen kan zijn;
    c. indien de Koning buiten staat is verklaard het koninklijk gezag uit te oefenen;
    d. indien de Koning de uitoefening van het koninklijk gezag tijdelijk heeft neergelegd;
    e. zolang na het overlijden van de Koning of na diens afstand van het koningschap een opvolger ontbreekt.

  2. De regent wordt benoemd bij de wet. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

  3. In de gevallen, genoemd in het eerste lid onder c en d, is de nakomeling van de Koning die zijn vermoedelijke opvolger is, van rechtswege regent indien hij de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt.

  4. De regent zweert of belooft trouw aan de Grondwet en een getrouwe vervulling van zijn ambt, in een verenigde vergadering van de Staten-Generaal. De wet geeft nadere regels omtrent het regentschap en kan voorzien in de opvolging en de vervanging daarin. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

  5. Op de regent zijn de artikelen 35 en 36 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 38 - Uitoefening koninklijk gezag door RvS

Zolang niet in de uitoefening van het koninklijk gezag is voorzien, wordt dit uitgeoefend door de Raad van State.

Artikel 39 - Lidmaatschap koninklijk huis

De wet regelt, wie lid is van het koninklijk huis.

Artikel 40 - Uitkering koninklijk huis

  1. De Koning ontvangt jaarlijks ten laste van het Rijk uitkeringen naar regels bij de wet te stellen. Deze wet bepaalt aan welke andere leden van het koninklijk huis uitkeringen ten laste van het Rijk worden toegekend en regelt deze uitkeringen.

  2. De door hen ontvangen uitkeringen ten laste van het Rijk, alsmede de vermogensbestanddelen welke dienstbaar zijn aan de uitoefening van hun functie, zijn vrij van persoonlijke belastingen. Voorts is hetgeen de Koning of zijn vermoedelijke opvolger krachtens erfrecht of door schenking verkrijgt van een lid van het koninklijk huis vrij van de rechten van successie, overgang en schenking. Verdere vrijdom van belasting kan bij de wet worden verleend.

  3. De kamers der Staten-Generaal kunnen voorstellen van in de vorige leden bedoelde wetten alleen aannemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

Artikel 41 - Inrichting huis Koning

De Koning richt, met inachtneming van het openbaar belang, zijn Huis in.

Artikel 42 - Ministeriële verantwoordelijkheid

  1. De regering wordt gevormd door de Koning en de ministers.

  2. De Koning is onschendbaar; de ministers zijn verantwoordelijk.

Artikel 43 - Regering en ministers

De minister-president en de overige ministers worden bij koninklijk besluit benoemd en ontslagen.

Artikel 44 - Ministeries

  1. Bij koninklijk besluit worden ministeries ingesteld. Zij staan onder leiding van een minister.

  2. Ook kunnen ministers worden benoemd die niet belast zijn met de leiding van een ministerie.

Artikel 45 - Ministerraad

  1. De ministers vormen te zamen de ministerraad.

  2. De minister-president is voorzitter van de ministerraad.

  3. De ministerraad beraadslaagt en besluit over het algemeen regeringsbeleid en bevordert de eenheid van dat beleid.

Artikel 46 - Staatssecretarissen

  1. Bij koninklijk besluit kunnen staatssecretarissen worden benoemd en ontslagen.

  2. Een staatssecretaris treedt in de gevallen waarin de minister het nodig acht en met inachtneming van diens aanwijzingen, in zijn plaats als minister op. De staatssecretaris is uit dien hoofde verantwoordelijk, onverminderd de verantwoordelijkheid van de minister.

Artikel 47 - Ondertekening en contraseign

Alle wetten en koninklijke besluiten worden door de Koning en door een of meer ministers of staatssecretarissen ondertekend.

Artikel 48 - Ontslag en benoeming ministers

Het koninklijk besluit waarbij de minister-president wordt benoemd, wordt mede door hem ondertekend. De koninklijke besluiten waarbij de overige ministers en de staatssecretarissen worden benoemd of ontslagen, worden mede door de minister-president ondertekend.

Artikel 49 - Ambtseed minister en staatssecretaris

Op de wijze bij de wet voorgeschreven leggen de ministers en de staatssecretarissen bij de aanvaarding van hun ambt ten overstaan van de Koning een eed, dan wel verklaring en belofte, van zuivering af en zweren of beloven zij trouw aan de Grondwet en een getrouwe vervulling van hun ambt.
HOOFDSTUK 3

Staten-Generaal INLEIDING

Artikel 50 - Vertegenwoordiging

De Staten-Generaal vertegenwoordigen het gehele Nederlandse volk.

Artikel 51 - Eerste en Tweede Kamer

  1. De Staten-Generaal bestaan uit de Tweede Kamer en de Eerste Kamer.

  2. De Tweede Kamer bestaat uit honderdvijftig leden.

  3. De Eerste Kamer bestaat uit vijfenzeventig leden.

  4. Bij een verenigde vergadering worden de kamers als één beschouwd.

Artikel 52 - Zittingsduur

  1. De zittingsduur van beide kamers is vier jaren.
  2. Indien voor de provinciale staten bij de wet een andere zittingsduur dan vier jaren wordt vastgesteld, wordt daarbij de zittingsduur van de Eerste Kamer in overeenkomstige zin gewijzigd.

Artikel 53 - Evenredige vertegenwoordiging

  1. De leden van beide kamers worden gekozen op de grondslag van evenredige vertegenwoordiging binnen door de wet te stellen grenzen.
  2. De verkiezingen worden gehouden bij geheime stemming.

Artikel 54 - Verkiezing Tweede Kamer

  1. De leden van de Tweede Kamer worden rechtstreeks gekozen door de Nederlanders die de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt, behoudens bij de wet te bepalen uitzonderingen ten aanzien van Nederlanders die geen ingezetenen zijn.

  2. Van het kiesrecht is uitgesloten hij die wegens het begaan van een daartoe bij de wet aangewezen delict bij onherroepelijke rechterlijke uitspraak is veroordeeld tot een vrijheidsstraf van ten minste een jaar en hierbij tevens is ontzet van het kiesrecht.

Artikel 55 - Verkiezing Eerste Kamer

De leden van de Eerste Kamer worden gekozen door de leden van provinciale staten. De verkiezing wordt, behoudens in geval van ontbinding der kamer, gehouden binnen drie maanden na de verkiezing van de leden van provinciale staten.

Artikel 56 - Vereisten voor lidmaatschap

Om lid van de Staten-Generaal te kunnen zijn is vereist dat men Nederlander is, de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt en niet is uitgesloten van het kiesrecht.

Artikel 57 - Incompatibiliteiten

  1. Niemand kan lid van beide kamers zijn.

  2. Een lid van de Staten-Generaal kan niet tevens zijn minister, staatssecretaris, lid van de Raad van State, lid van de Algemene Rekenkamer, Nationale ombudsman of substituut-ombudsman, of lid van of procureur-generaal of advocaat-generaal bij de Hoge Raad.

  3. Niettemin kan een minister of staatssecretaris, die zijn ambt ter beschikking heeft gesteld, dit ambt verenigen met het lidmaatschap van de Staten-Generaal, totdat omtrent die beschikbaarstelling is beslist.

  4. De wet kan ten aanzien van andere openbare betrekkingen bepalen dat zij niet gelijktijdig met het lidmaatschap van de Staten-Generaal of van een der kamers kunnen worden uitgeoefend.

Artikel 57a - Zwangerschap en ziekte

De wet regelt de tijdelijke vervanging van een lid van de Staten-Generaal wegens zwangerschap en bevalling, alsmede wegens ziekte.

Artikel 58 - Geloofsbrieven

Elke kamer onderzoekt de geloofsbrieven van haar nieuwbenoemde leden en beslist met inachtneming van bij de wet te stellen regels de geschillen welke met betrekking tot de geloofsbrieven of de verkiezing zelf rijzen.

Artikel 59 - Kiesrecht en verkiezingen

Alles, wat verder het kiesrecht en de verkiezingen betreft, wordt bij de wet geregeld.

Artikel 60 - Ambtsaanvaarding

Op de wijze bij de wet voorgeschreven leggen de leden van de kamers bij de aanvaarding van hun ambt in de vergadering een eed, dan wel verklaring en belofte, van zuivering af en zweren of beloven zij trouw aan de Grondwet en een getrouwe vervulling van hun ambt.

Artikel 61 - Voorzitter en griffier

  1. Elk der kamers benoemt uit de leden een voorzitter.

  2. Elk der kamers benoemt een griffier. Deze en de overige ambtenaren van de kamers kunnen niet tevens lid van de Staten-Generaal zijn.

Artikel 62 - Verenigde vergadering

De voorzitter van de Eerste Kamer heeft de leiding van de verenigde vergadering.

Artikel 63 - Geldelijke voorzieningen

Geldelijke voorzieningen ten behoeve van leden en gewezen leden van de Staten-Generaal en van hun nabestaanden worden bij de wet geregeld. De kamers kunnen een voorstel van wet ter zake alleen aannemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

Artikel 64 - Ontbinding Kamers

  1. Elk der kamers kan bij koninklijk besluit worden ontbonden.

  2. Het besluit tot ontbinding houdt tevens de last in tot een nieuwe verkiezing voor de ontbonden kamer en tot het samenkomen van de nieuw gekozen kamer binnen drie maanden.

  3. De ontbinding gaat in op de dag waarop de nieuw gekozen kamer samenkomt.

  4. De wet stelt de zittingsduur van een na ontbinding optredende Tweede Kamer vast; de termijn mag niet langer zijn dan vijf jaren. De zittingsduur van een na ontbinding optredende Eerste Kamer eindigt op het tijdstip waarop de zittingsduur van de ontbonden kamer zou zijn geëindigd.

Artikel 65 - Troonrede

Jaarlijks op de derde dinsdag van september of op een bij de wet te bepalen eerder tijdstip wordt door of namens de Koning in een verenigde vergadering van de Staten-Generaal een uiteenzetting van het door de regering te voeren beleid gegeven.

Artikel 66 - Openbaarheid vergaderingen

  1. De vergaderingen van de Staten-Generaal zijn openbaar.

  2. De deuren worden gesloten, wanneer een tiende deel van het aantal aanwezige leden het vordert of de voorzitter het nodig oordeelt.

  3. Door de kamer, onderscheidenlijk de kamers in verenigde vergadering, wordt vervolgens beslist of met gesloten deuren zal worden beraadslaagd en besloten.

Artikel 67 - Quorum

  1. De kamers mogen elk afzonderlijk en in verenigde vergadering alleen beraadslagen of besluiten, indien meer dan de helft van het aantal zitting hebbende leden ter vergadering aanwezig is.

  2. Besluiten worden genomen bij meerderheid van stemmen.

  3. De leden stemmen zonder last.

  4. Over zaken wordt mondeling en bij hoofdelijke oproeping gestemd, wanneer één lid dit verlangt.

Artikel 68 - Inlichtingenplicht bewindslieden

De ministers en de staatssecretarissen geven de kamers elk afzonderlijk en in verenigde vergadering mondeling of schriftelijk de door een of meer leden verlangde inlichtingen waarvan het verstrekken niet in strijd is met het belang van de staat.

Artikel 69 - Aanwezigheid bewindslieden

  1. De ministers en de staatssecretarissen hebben toegang tot de vergaderingen en kunnen aan de beraadslaging deelnemen.

  2. Zij kunnen door de kamers elk afzonderlijk en in verenigde vergadering worden uitgenodigd om ter vergadering aanwezig te zijn.

  3. Zij kunnen zich in de vergaderingen doen bijstaan door de personen, daartoe door hen aangewezen.

Artikel 70 - Recht van enquête

Beide kamers hebben, zowel ieder afzonderlijk als in verenigde vergadering, het recht van onderzoek (enquête), te regelen bij de wet.

Artikel 71 - Parlementaire onschendbaarheid

De leden van de Staten-Generaal, de ministers, de staatssecretarissen en andere personen die deelnemen aan de beraadslaging, kunnen niet in rechte worden vervolgd of aangesproken voor hetgeen zij in de vergaderingen van de Staten-Generaal of van commissies daaruit hebben gezegd of aan deze schriftelijk hebben overgelegd.

Artikel 72 - Reglement van orde

De kamers stellen elk afzonderlijk en in verenigde vergadering een reglement van orde vast.

HOOFDSTUK 4

Adviesorganen INLEIDING

Artikel 73 - Taak Raad van State

  1. De Raad van State of een afdeling van de Raad wordt gehoord over voorstellen van wet en ontwerpen van algemene maatregelen van bestuur, alsmede over voorstellen tot goedkeuring van verdragen door de Staten-Generaal. In bij de wet te bepalen gevallen kan het horen achterwege blijven.

  2. De Raad of een afdeling van de Raad is belast met het onderzoek van de geschillen van bestuur die bij koninklijk besluit worden beslist en draagt de uitspraak voor.

  3. De wet kan aan de Raad of een afdeling van de Raad de uitspraak in geschillen van bestuur opdragen.

Artikel 74 - Rechtspositie leden

  1. De Koning is voorzitter van de Raad van State. De vermoedelijke opvolger van de Koning heeft na het bereiken van de leeftijd van achttien jaar van rechtswege zitting in de Raad. Bij of krachtens de wet kan aan andere leden van het koninklijk huis zitting in de Raad worden verleend.

  2. De leden van de Raad worden bij koninklijk besluit voor het leven benoemd.

  3. Op eigen verzoek en wegens het bereiken van een bij de wet te bepalen leeftijd worden zij ontslagen.

  4. In de gevallen bij de wet aangewezen kunnen zij door de Raad worden geschorst of ontslagen.

  5. De wet regelt overigens hun rechtspositie

Artikel 75 - Inrichting, samenstelling, bevoegdheid Raad van State

  1. De wet regelt de inrichting, samenstelling en bevoegdheid van de Raad van State.

  2. Bij de wet kunnen aan de Raad of een afdeling van de Raad ook andere taken worden opgedragen.

Artikel 76 - Algemene rekenkamer

De Algemene Rekenkamer is belast met het onderzoek van de ontvangsten en uitgaven van het Rijk.

Artikel 77 - Rechtpositie leden rekenkamer

  1. De leden van de Algemene Rekenkamer worden bij koninklijk besluit voor het leven benoemd uit een voordracht van drie personen, opgemaakt door de Tweede Kamer der Staten-Generaal.

  2. Op eigen verzoek en wegens het bereiken van een bij de wet te bepalen leeftijd worden zij ontslagen.

  3. In de gevallen bij de wet aangewezen kunnen zij door de Hoge Raad worden geschorst of ontslagen.

  4. De wet regelt overigens hun rechtspositie.

Artikel 78 - Inrichting, samenstelling, bevoegdheid Rekenkamer

  1. De wet regelt de inrichting, samenstelling en bevoegdheid van de Algemene Rekenkamer.

  2. Bij de wet kunnen aan de Algemene Rekenkamer ook andere taken worden opgedragen.

Artikel 78a - Nationale ombudsman

  1. De Nationale ombudsman verricht op verzoek of uit eigen beweging onderzoek naar gedragingen van bestuursorganen van het Rijk en van andere bij of krachtens de wet aangewezen bestuursorganen.
  2. De Nationale ombudsman en een substituut-ombudsman worden voor een bij de wet te bepalen termijn benoemd door de Tweede Kamer der Staten-Generaal. Op eigen verzoek en wegens het bereiken van een bij de wet te bepalen leeftijd worden zij ontslagen. In de gevallen bij de wet aangewezen kunnen zij door de Tweede Kamer der Staten-Generaal worden geschorst of ontslagen. De wet regelt overigens hun rechtspositie.
  3. De wet regelt de bevoegdheid en werkwijze van de Nationale ombudsman.
  4. Bij of krachtens de wet kunnen aan de Nationale ombudsman ook andere taken worden opgedragen.

Artikel 79 - Vaste colleges van advies

  1. Vaste colleges van advies in zaken van wetgeving en bestuur van het Rijk worden ingesteld bij of krachtens de wet.

  2. De wet regelt de inrichting, samenstelling en bevoegdheid van deze colleges.

  3. Bij of krachtens de wet kunnen aan deze colleges ook andere dan adviserende taken worden opgedragen.

Artikel 80 - Openbaarmaking advies

  1. De adviezen van de in dit hoofdstuk bedoelde colleges worden openbaar gemaakt volgens regels bij de wet te stellen.

  2. Adviezen, uitgebracht ter zake van voorstellen van wet die door of vanwege de Koning worden ingediend, worden, behoudens bij de wet te bepalen uitzonderingen, aan de Staten-Generaal overgelegd.

HOOFDSTUK 5

Wetgeving en bestuur INLEIDING

Artikel 81 - Wetgevende macht

De vaststelling van wetten geschiedt door de regering en de Staten-Generaal gezamenlijk.

Artikel 82 - Indienen wetsvoorstel

  1. Voorstellen van wet kunnen worden ingediend door of vanwege de Koning en door de Tweede Kamer der Staten-Generaal.

  2. Voorstellen van wet waarvoor behandeling door de Staten-Generaal in verenigde vergadering is voorgeschreven, kunnen worden ingediend door of vanwege de Koning en, voor zover de betreffende artikelen van hoofdstuk 2 dit toelaten, door de verenigde vergadering.

  3. Voorstellen van wet, in te dienen door de Tweede Kamer onderscheidenlijk de verenigde vergadering, worden bij haar door een of meer leden aanhangig gemaakt.

Artikel 83 - Toezending wetsvoorstel TK

Voorstellen van wet, ingediend door of vanwege de Koning, worden gezonden aan de Tweede Kamer of, indien daarvoor behandeling door de Staten-Generaal in verenigde vergadering is voorgeschreven, aan deze vergadering.

Artikel 84 - Wijziging wetsvoorstel

  1. Zolang een voorstel van wet, ingediend door of vanwege de Koning, niet door de Tweede Kamer onderscheidenlijk de verenigde vergadering is aangenomen, kan het door haar, op voorstel van een of meer leden, en vanwege de regering worden gewijzigd.

  2. Zolang de Tweede Kamer onderscheidenlijk de verenigde vergadering een door haar in te dienen voorstel van wet niet heeft aangenomen, kan het door haar, op voorstel van een of meer leden, en door het lid of de leden door wie het aanhangig is gemaakt, worden gewijzigd.

Artikel 85 - Toezending wetsvoorstel EK

Zodra de Tweede Kamer een voorstel van wet heeft aangenomen of tot indiening van een voorstel heeft besloten, zendt zij het aan de Eerste Kamer, die het voorstel overweegt zoals het door de Tweede Kamer aan haar is gezonden. De Tweede Kamer kan een of meer van haar leden opdragen een door haar ingediend voorstel in de Eerste Kamer te verdedigen.

Artikel 86 - Intrekking wetsvoorstel

  1. Zolang een voorstel van wet niet door de Staten-Generaal is aangenomen, kan het door of vanwege de indiener worden ingetrokken.

  2. Zolang de Tweede Kamer onderscheidenlijk de verenigde vergadering een door haar in te dienen voorstel van wet niet heeft aangenomen, kan het door het lid of de leden door wie het aanhangig is gemaakt, worden ingetrokken.

Artikel 87 - Aanneming en bekrachtiging

  1. Een voorstel wordt wet, zodra het door de Staten-Generaal is aangenomen en door de Koning is bekrachtigd.

  2. De Koning en de Staten-Generaal geven elkaar kennis van hun besluit omtrent enig voorstel van wet.

Artikel 88 - Bekendmaking en inwerkingtreding

De wet regelt de bekendmaking en de inwerkingtreding van de wetten. Zij treden niet in werking voordat zij zijn bekendgemaakt.

Artikel 89 - Algemene maatregel van bestuur

  1. Algemene maatregelen van bestuur worden bij koninklijk besluit vastgesteld.

  2. Voorschriften, door straffen te handhaven, worden daarin alleen gegeven krachtens de wet. De wet bepaalt de op te leggen straffen.

  3. De wet regelt de bekendmaking en de inwerkingtreding van de algemene maatregelen van bestuur. Zij treden niet in werking voordat zij zijn bekendgemaakt.

  4. Het tweede en derde lid zijn van overeenkomstige toepassing op andere vanwege het Rijk vastgestelde algemeen verbindende voorschriften.

Artikel 90 - Bevordering internationale rechtsorde

De regering bevordert de ontwikkeling van de internationale rechtsorde.

Artikel 91 - Goedkeuring verdrag

  1. Het Koninkrijk wordt niet aan verdragen gebonden en deze worden niet opgezegd zonder voorafgaande goedkeuring van de Staten-Generaal. De wet bepaalt de gevallen waarin geen goedkeuring is vereist.

  2. De wet bepaalt de wijze waarop de goedkeuring wordt verleend en kan voorzien in stilzwijgende goedkeuring.

  3. Indien een verdrag bepalingen bevat welke afwijken van de Grondwet dan wel tot zodanig afwijken noodzaken, kunnen de kamers de goedkeuring alleen verlenen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

Artikel 92 - Bevoegdheden volkenrechtelijke organisaties

Met inachtneming, zo nodig, van het bepaalde in artikel 91, derde lid, kunnen bij of krachtens verdrag aan volkenrechtelijke organisaties bevoegdheden tot wetgeving, bestuur en rechtspraak worden opgedragen.

Artikel 93 - Verbindende kracht verdrag

Bepalingen van verdragen en van besluiten van volkenrechtelijke organisaties, die naar haar inhoud een ieder kunnen verbinden, hebben verbindende kracht nadat zij zijn bekendgemaakt.

Artikel 94 - Verdrag boven wet

Binnen het Koninkrijk geldende wettelijke voorschriften vinden geen toepassing, indien deze toepassing niet verenigbaar is met een ieder verbindende bepalingen van verdragen en van besluiten van volkenrechtelijke organisaties.

Artikel 95 - Bekendmaking verdrag

De wet geeft regels omtrent de bekendmaking van verdragen en besluiten van volkenrechtelijke organisaties.

Artikel 96 - Oorlogsverklaring

  1. Het Koninkrijk wordt niet in oorlog verklaard dan na voorafgaande toestemming van de Staten-Generaal.

  2. De toestemming is niet vereist, wanneer het overleg met de Staten-Generaal ten gevolge van een feitelijk bestaande oorlogstoestand niet mogelijk is gebleken.

  3. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

  4. Het bepaalde in het eerste en het derde lid is van overeenkomstige toepassing voor een verklaring dat een oorlog beëindigd is.

Artikel 97 - Krijgsmacht

  1. Ten behoeve van de verdediging en ter bescherming van de belangen van het Koninkrijk, alsmede ten behoeve van de handhaving en de bevordering van de internationale rechtsorde, is er een krijgsmacht.

  2. De regering heeft het oppergezag over de krijgsmacht.

Artikel 98 - Samenstelling krijgsmacht

  1. De krijgsmacht bestaat uit vrijwillig dienenden en kan mede bestaan uit dienstplichtigen.

  2. De wet regelt de verplichte militaire dienst en de bevoegdheid tot opschorting van de oproeping in werkelijke dienst.

Artikel 99 - Gewetensbezwaren militaire dienst

De wet regelt vrijstelling van militaire dienst wegens ernstige gewetensbezwaren.

Artikel 99a - Civiele verdediging

Volgens bij de wet te stellen regels kunnen plichten worden opgelegd ten behoeve van de civiele verdediging.

Artikel 100 - Inlichtingen over krijgsmacht

  1. De regering verstrekt de Staten-Generaal vooraf inlichtingen over de inzet of het ter beschikking stellen van de krijgsmacht ter handhaving of bevordering van de internationale rechtsorde. Daaronder is begrepen het vooraf verstrekken van inlichtingen over de inzet of het ter beschikking stellen van de krijgsmacht voor humanitaire hulpverlening in geval van gewapend conflict.

  2. Het eerste lid geldt niet, indien dwingende redenen het vooraf verstrekken van inlichtingen verhinderen. In dat geval worden inlichtingen zo spoedig mogelijk verstrekt.

Artikel 101 - [vervallen]

Vervallen bij rijkswet van 20 juli 1995

Artikel 102 - [vervallen]

Vervallen bij rijkswet van 22 juni 2000

Artikel 103 - Uitzonderingstoestand

  1. De wet bepaalt in welke gevallen ter handhaving van de uit- of inwendige veiligheid bij koninklijk besluit een door de wet als zodanig aan te wijzen uitzonderingstoestand kan worden afgekondigd; zij regelt de gevolgen.

  2. Daarbij kan worden afgeweken van de grondwetsbepalingen inzake de bevoegdheden van de besturen van provincies, gemeenten en waterschappen, van de grondrechten geregeld in de artikelen 6, voor zover dit de uitoefening buiten gebouwen en besloten plaatsen van het in dit artikel omschreven recht betreft, 7, 8, 9, 12, tweede en derde lid, en 13, alsmede van artikel 113, eerste en derde lid.

  3. Terstond na de afkondiging van een uitzonderingstoestand en voorts, zolang deze niet bij koninklijk besluit is opgeheven, telkens wanneer zij zulks nodig oordelen beslissen de Staten-Generaal omtrent het voortduren daarvan; zij beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

Artikel 104 - Belastingheffing

Belastingen van het Rijk worden geheven uit kracht van een wet. Andere heffingen van het Rijk worden bij de wet geregeld.

 
 

Artikel 105 - Recht van begroting

  1. De begroting van de ontvangsten en de uitgaven van het Rijk wordt bij de wet vastgesteld.

  2. Jaarlijks worden voorstellen van algemene begrotingswetten door of vanwege de Koning ingediend op het in artikel 65 bedoelde tijdstip.

  3. De verantwoording van de ontvangsten en de uitgaven van het Rijk wordt aan de Staten-Generaal gedaan overeenkomstig de bepalingen van de wet. De door de Algemene Rekenkamer goedgekeurde rekening wordt aan de Staten-Generaal overgelegd.

  4. De wet stelt regels omtrent het beheer van de financiën van het Rijk.

Artikel 106 - Geldstelsel

De wet regelt het geldstelsel.

Artikel 107 - Codificatie

  1. De wet regelt het burgerlijk recht, het strafrecht en het burgerlijk en strafprocesrecht in algemene wetboeken, behoudens de bevoegdheid tot regeling van bepaalde onderwerpen in afzonderlijke wetten.

  2. De wet stelt algemene regels van bestuursrecht vast.

Artikel 108 - [vervallen]

Vervallen bij rijkswet van 25 februari 1999

Artikel 109 - Rechtspositie ambtenaren

De wet regelt de rechtspositie van de ambtenaren. Zij stelt tevens regels omtrent hun bescherming bij de arbeid en omtrent medezeggenschap.

 

Artikel 110 - Openbaarheid van bestuur

De overheid betracht bij de uitvoering van haar taak openbaarheid volgens regels bij de wet te stellen.

 

Artikel 111 - Ridderorden

Ridderorden worden bij de wet ingesteld.
HOOFDSTUK 6

Rechtspraak INLEIDING

Artikel 112 - Civiele en administratieve rechtspraak

  1. Aan de rechterlijke macht is opgedragen de berechting van geschillen over burgerlijke rechten en over schuldvorderingen.

  2. De wet kan de berechting van geschillen die niet uit burgerlijke rechtsbetrekkingen zijn ontstaan, opdragen hetzij aan de rechterlijke macht, hetzij aan gerechten die niet tot de rechterlijke macht behoren. De wet regelt de wijze van behandeling en de gevolgen van de beslissingen.

Artikel 113 - Strafrechtspraak

  1. Aan de rechterlijke macht is voorts opgedragen de berechting van strafbare feiten.

  2. Tuchtrechtspraak door de overheid ingesteld wordt bij de wet geregeld.

  3. Een straf van vrijheidsontneming kan uitsluitend door de rechterlijke macht worden opgelegd.

  4. Voor berechting buiten Nederland en voor het oorlogsstrafrecht kan de wet afwijkende regels stellen.

Artikel 114 - Doodstraf

De doodstraf kan niet worden opgelegd.

Artikel 115 - Administratief beroep

Ten aanzien van de in artikel 112, tweede lid, bedoelde geschillen kan administratief beroep worden opengesteld.

Artikel 116 - Rechterlijke macht

  1. De wet wijst de gerechten aan die behoren tot de rechterlijke macht.

  2. De wet regelt de inrichting, samenstelling en bevoegdheid van de rechterlijke macht.

  3. De wet kan bepalen, dat aan rechtspraak door de rechterlijke macht mede wordt deelgenomen door personen die niet daartoe behoren.

  4. De wet regelt het toezicht door leden van de rechterlijke macht met rechtspraak belast uit te oefenen op de ambtsvervulling door zodanige leden en door de personen bedoeld in het vorige lid.

Artikel 117 - Rechtspositie leden rechterlijke macht

  1. De leden van de rechterlijke macht met rechtspraak belast en de procureur-generaal bij de Hoge Raad worden bij koninklijk besluit voor het leven benoemd.

  2. Op eigen verzoek en wegens het bereiken van een bij de wet te bepalen leeftijd worden zij ontslagen.

  3. In de gevallen bij de wet bepaald kunnen zij door een bij de wet aangewezen, tot de rechterlijke macht behorend gerecht worden geschorst of ontslagen.

  4. De wet regelt overigens hun rechtspositie.

Artikel 118 - Hoge Raad

  1. De leden van de Hoge Raad der Nederlanden worden benoemd uit een voordracht van drie personen, opgemaakt door de Tweede Kamer der Staten-Generaal.

  2. De Hoge Raad is in de gevallen en binnen de grenzen bij de wet bepaald, belast met de cassatie van rechterlijke uitspraken wegens schending van het recht.

  3. Bij de wet kunnen aan de Hoge Raad ook andere taken worden opgedragen.

Artikel 119 - Ambtsmisdrijven

De leden van de Staten-Generaal, de ministers en de staatssecretarissen staan wegens ambtsmisdrijven in die betrekkingen gepleegd, ook na hun aftreden terecht voor de Hoge Raad. De opdracht tot vervolging wordt gegeven bij koninklijk besluit of bij een besluit van de Tweede Kamer.

Artikel 120 - Toetsingsverbod

De rechter treedt niet in de beoordeling van de grondwettigheid van wetten en verdragen.

Artikel 121 - Openbaarheid terechtzittingen

Met uitzondering van de gevallen bij de wet bepaald vinden de terechtzittingen in het openbaar plaats en houden de vonnissen de gronden in waarop zij rusten. De uitspraak geschiedt in het openbaar.

Artikel 122 - Gratie

  1. Gratie wordt verleend bij koninklijk besluit na advies van een bij de wet aangewezen gerecht en met inachtneming van bij of krachtens de wet te stellen voorschriften.

  2. Amnestie wordt bij of krachtens de wet verleend.

HOOFDSTUK 7

Decentralisatie INLEIDING

Artikel 123 - Instelling provincies en gemeenten

  1. Bij de wet kunnen provincies en gemeenten worden opgeheven en nieuwe ingesteld.

  2. De wet regelt de wijziging van provinciale en gemeentelijke grenzen.

Artikel 124 - Autonomie en medebewind

  1. Voor provincies en gemeenten wordt de bevoegdheid tot regeling en bestuur inzake hun huishouding aan hun besturen overgelaten.

  2. Regeling en bestuur kunnen van de besturen van provincies en gemeenten worden gevorderd bij of krachtens de wet.

Artikel 125 - Organen decentrale besturen

  1. Aan het hoofd van de provincie en de gemeente staan provinciale staten onderscheidenlijk de gemeenteraad. Hun vergaderingen zijn openbaar, behoudens bij de wet te regelen uitzonderingen.

  2. Van het bestuur van de provincie maken ook deel uit gedeputeerde staten en de commissaris van de Koning, van het bestuur van de gemeente het college van burgemeester en wethouders en de burgemeester.

Artikel 126 - Ambtsinstructie commissaris koning

Bij de wet kan worden bepaald, dat de commissaris van de Koning wordt belast met de uitvoering van een door de regering te geven ambtsinstructie.

Artikel 127 - Vaststelling verordening

Provinciale staten en de gemeenteraad stellen, behoudens bij de wet of door hen krachtens de wet te bepalen uitzonderingen, de provinciale onderscheidenlijk de gemeentelijke verordeningen vast.

Artikel 128 - Toekenning bevoegdheden

Behoudens in de gevallen bedoeld in artikel 123, kan de toekenning van bevoegdheden, als bedoeld in artikel 124, eerste lid, aan andere organen dan die, genoemd in artikel 125, alleen door provinciale staten onderscheidenlijk de gemeenteraad geschieden.

Artikel 129 - Verkiezing vertegenwoordigend orgaan

  1. De leden van provinciale staten en van de gemeenteraad worden rechtstreeks gekozen door de Nederlanders, tevens ingezetenen van de provincie onderscheidenlijk de gemeente, die voldoen aan de vereisten die gelden voor de verkiezing van de Tweede Kamer der Staten-Generaal. Voor het lidmaatschap gelden dezelfde vereisten.
  2. De leden worden gekozen op de grondslag van evenredige vertegenwoordiging binnen door de wet te stellen grenzen.
  3. De artikelen 53, tweede lid, en 59 zijn van toepassing. Artikel 57a is van overeenkomstige toepassing.
  4. De zittingsduur van provinciale staten en de gemeenteraad is vier jaren, behoudens bij de wet te bepalen uitzonderingen.
  5. De wet bepaalt welke betrekkingen niet gelijktijdig met het lidmaatschap kunnen worden uitgeoefend. De wet kan bepalen, dat beletselen voor het lidmaatschap voortvloeien uit verwantschap of huwelijk en dat het verrichten van bij de wet aangewezen handelingen tot het verlies van het lidmaatschap kan leiden.
  6. De leden stemmen zonder last.

Artikel 130 - Kiesrecht gemeenteraad niet-Nederlanders

De wet kan het recht de leden van de gemeenteraad te kiezen en het recht lid van de gemeenteraad te zijn toekennen aan ingezetenen, die geen Nederlander zijn, mits zij tenminste voldoen aan de vereisten die gelden voor ingezetenen die tevens Nederlander zijn.

Artikel 131 - Benoeming commissaris Koning

De commissaris van de Koning en de burgemeester worden bij koninklijk besluit benoemd.

Artikel 132 - Inrichting, samenstelling, bevoegdheid decentrale besturen

  1. De wet regelt de inrichting van provincies en gemeenten, alsmede de samenstelling en bevoegdheid van hun besturen.

  2. De wet regelt het toezicht op deze besturen.

  3. Besluiten van deze besturen kunnen slechts aan voorafgaand toezicht worden onderworpen in bij of krachtens de wet te bepalen gevallen.

  4. Vernietiging van besluiten van deze besturen kan alleen geschieden bij koninklijk besluit wegens strijd met het recht of het algemeen belang.

  5. De wet regelt de voorzieningen bij in gebreke blijven ten aanzien van regeling en bestuur, gevorderd krachtens artikel 124, tweede lid. Bij de wet kunnen met afwijking van de artikelen 125 en 127 voorzieningen worden getroffen voor het geval het bestuur van een provincie of een gemeente zijn taken grovelijk verwaarloost.

  6. De wet bepaalt welke belastingen door de besturen van provincies en gemeenten kunnen worden geheven en regelt hun financiële verhouding tot het Rijk.

Artikel 133 - Waterschappen

  1. De opheffing en instelling van waterschappen, de regeling van hun taken en inrichting, alsmede de samenstelling van hun besturen, geschieden volgens bij de wet te stellen regels bij provinciale verordening, voor zover bij of krachtens de wet niet anders is bepaald.

  2. De wet regelt de verordenende en andere bevoegdheden van de besturen van de waterschappen, alsmede de openbaarheid van hun vergaderingen.

  3. De wet regelt het provinciale en overige toezicht op deze besturen. Vernietiging van besluiten van deze besturen kan alleen geschieden wegens strijd met het recht of het algemeen belang.

Artikel 134 - Publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie

  1. Bij of krachtens de wet kunnen openbare lichamen voor beroep en bedrijf en andere openbare lichamen worden ingesteld en opgeheven.

  2. De wet regelt de taken en de inrichting van deze openbare lichamen, de samenstelling en bevoegdheid van hun besturen, alsmede de openbaarheid van hun vergaderingen. Bij of krachtens de wet kan aan hun besturen verordenende bevoegdheid worden verleend.

  3. De wet regelt het toezicht op deze besturen. Vernietiging van besluiten van deze besturen kan alleen geschieden wegens strijd met het recht of het algemeen belang.

Artikel 135 - Gemeenschappelijke regelingen

De wet geeft regels ter voorziening in zaken waarbij twee of meer openbare lichamen zijn betrokken. Daarbij kan in de instelling van een nieuw openbaar lichaam worden voorzien, in welk geval artikel 134, tweede en derde lid, van toepassing is.

Artikel 136 - Geschillen

De geschillen tussen openbare lichamen worden bij koninklijk besluit beslist, tenzij deze behoren tot de kennisneming van de rechterlijke macht of hun beslissing bij de wet aan anderen is opgedragen.
HOOFDSTUK 8

Herziening grondwet INLEIDING

Artikel 137 - Grondwetswijziging

  1. De wet verklaart, dat een verandering in de Grondwet, zoals zij die voorstelt, in overweging zal worden genomen.

  2. De Tweede Kamer kan, al dan niet op een daartoe door of vanwege de Koning ingediend voorstel, een voorstel voor zodanige wet splitsen.

  3. Na de bekendmaking van de wet, bedoeld in het eerste lid, wordt de Tweede Kamer ontbonden.

  4. Nadat de nieuwe Tweede Kamer is samengekomen, overwegen beide kamers in tweede lezing het voorstel tot verandering, bedoeld in het eerste lid. Zij kunnen dit alleen aannemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

  5. De Tweede Kamer kan, al dan niet op een daartoe door of vanwege de Koning ingediend voorstel, met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen een voorstel tot verandering splitsen.

Artikel 138 - Aanpassing niet gewijzigde bepalingen

  1. Voordat de in tweede lezing aangenomen voorstellen tot verandering in de Grondwet door de Koning worden bekrachtigd, kunnen bij de wet:

    a. de aangenomen voorstellen en de ongewijzigd gebleven bepalingen van de Grondwet voor zoveel nodig aan elkaar worden aangepast;

    b. de indeling in en de plaats van hoofdstukken, paragrafen en artikelen, alsmede de opschriften worden gewijzigd.

  2. Een voorstel van wet, houdende voorzieningen als bedoeld in het eerste lid onder a, kunnen de kamers alleen aannemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

Artikel 139 - Bekendmaking en inwerkingtreding

De veranderingen in de Grondwet, door de Staten-Generaal aangenomen en door de Koning bekrachtigd, treden terstond in werking, nadat zij zijn bekendgemaakt.

Artikel 140 - Handhaving bestaande regelgeving

Bestaande wetten en andere regelingen en besluiten die in strijd zijn met een verandering in de Grondwet, blijven gehandhaafd, totdat daarvoor overeenkomstig de Grondwet een voorziening is getroffen.

Artikel 141 - Bekendmaking herziene Grondwet

De tekst van de herziene Grondwet wordt bij koninklijk besluit bekendgemaakt, waarbij hoofdstukken, paragrafen en artikelen kunnen worden vernummerd en verwijzingen dienovereenkomstig kunnen worden veranderd.

Artikel 142 - Aanpassing Grondwet aan Statuut

De Grondwet kan bij de wet met het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden in overeenstemming worden gebracht. De artikelen 139, 140 en141 zijn van overeenkomstige toepassing.

WETENSCHAPPELIJK COMMENTAAR

W. van der Woude

ARTIKEL 132 - Inrichting, samenstelling, bevoegdheid decentrale besturen

INHOUD
1.    Historische ontwikkeling en actuele betekenis
2.    Eerste lid
3.    Toezicht: algemeen (tweede lid)
4.    Voorafgaand toezicht (derde lid)
5.    Vernietiging (vierde lid)
6.    Taakverwaarlozingsregelingen (vijfde lid)
7.    Financiën (zesde lid)
8.    Jurisprudentie
9.    Literatuur
10. Historische versies

Editie mei 2016

1. Historische ontwikkeling en actuele betekenis

Nederland is een gedecentraliseerde eenheidsstaat. Hoewel de in het bijvoeglijk naamwoord bij deze uitdrukking besloten decentralisatie in veel artikelen van hoofdstuk 7 Grondwet nadrukkelijk op de voorgrond treedt, blijft ook het eenheidsstatelijke karakter van de Nederlandse staat in dit hoofdstuk niet onderbelicht. Artikel 132 Grondwet kan in dat verband worden gezien als het vlaggenschip, nu dit eenheidsstatelijke karakter in elk lid doorklinkt. Het artikel biedt een grondslag voor achtereenvolgens de (nadere) inrichting van provincies en gemeenten, het toezicht op hun besturen en de invloed van rijk op hun financiën (met name op hun inkomsten).
 
Omdat artikel 132 een samenstel van verschillende bevoegdheden betreft, is de geschiedenis van deze bepalingen omvangrijk. Voor een overzicht van de verschillende bepalingen en hun tussentijdse wijzigingen zij verwezen naar paragraaf 10. Hieronder wordt volstaan met het schetsen van een aantal algemene lijnen.
 
Dat de wet een (nadere) regeling biedt van de inrichting en de bevoegdheden, is voor provincies sinds 1848 het uitgangspunt geweest. Daarvóór bepaalden provinciale staten zulks in belangrijke mate zelf, zij het dat de Koning daarop voorafgaand toezicht kon uitoefenen. Dit betekende zonder meer een verlies aan autonomie. Bedacht moet echter worden dat de Grondwet in het tijdvak tussen 1814 en 1848 een al aanzienlijk gedetailleerder regeling gaf van die inrichting en bevoegdheden dan zij in ieder geval tegenwoordig doet. Ook de inrichting van het plaatselijke bestuur was – in ieder geval op papier – tot 1848 een provinciale aangelegenheid. Omdat de plaatselijke besturen zich vóór 1848 in een aanzienlijk geringere grondwettelijke aandacht mochten verheugen, zou men denken dat de vrijheid van provincies hier groot was. In de praktijk viel dit tegen. De reglementen die de verschillende provincies opstelden verschilden namelijk niet wezenlijk van elkaar, nu deze werden beïnvloed door een model dat afkomstig was van de Raad van State waarin op 94 punten een regeling werd vastgesteld waarvan nauwelijks kon worden afgeweken.[1] Sinds 1848 bepaalt de Grondwet voor zowel provincies als gemeenten dat deze nadere regeling door de wet wordt geregeld. Sinds 1983 staat dit in één en hetzelfde artikel.
 
Wat betreft het toezicht valt sinds 1814 met name ten aanzien van provincies een bonte verzameling van verschillende grondwettelijke toezichtsmodaliteiten op. Hierbij kan het gaan om goedkeuring van de begroting of vernietiging en schorsing van besluiten. Alleen een taakverwaarlozingsregeling als in het huidige vijfde lid ontbrak. Deze is pas in 1983 in de Grondwet opgenomen. Ter gelegenheid van diezelfde grondwetsherziening is een aantal andere toezichtsmodaliteiten (met name het goedkeuringsrecht) algemener geformuleerd en is het tweede lid – een algemene opdracht aan de wetgever ter regeling van het toezicht – opgenomen. Voor gemeenten kan worden gewezen op een vergelijkbare ontwikkeling met dien verstande dat een grondwettelijke regeling voor taakverwaarlozing reeds bestond sinds 1887.
 
Ten aanzien van de financiën geldt dat dit voor zowel gemeenten als provincies uitgebreider geregeld was dan thans het geval is. Zo voorzag de Grondwet lange tijd ook in regels omtrent de begroting en jaarrekening. Bepalingen over het heffen van belastingen bestonden ook al. Ook ten aanzien van de belastingen bevatte de Grondwet sinds 1814 bepalingen. Vanaf 1848 beginnen deze vormen aan te nemen die vergelijkbaar zijn met het huidige artikel 132, zesde lid, met dien verstande dat nieuw te heffen provinciale belastingen wettelijke goedkeuring en gemeentelijke belastingen Koninklijke goedkeuring behoefden. De bepaling over de financiële verhouding tot het Rijk is ingevoegd in 1983. Dat was een meer declaratoire bezigheid nu het Gemeentefonds al bestond sinds 1929.
 

2. Eerste lid

Het eerste lid van artikel 132 is in zekere zin een vangnetbepaling, nu belangrijke aspecten van de inrichting van en de bevoegdheidsuitoefening door (organen van) provincies en gemeenten reeds geregeld zijn in de artikelen 123 tot en met 131. Ten aanzien van die aspecten die in de voorgaande artikelen niet of niet uitputtend geregeld zijn, biedt het eerste lid van artikel 132 een grondwettelijke basis. De wijze waarop dat gebeurt is bovendien niet zonder betekenis. Het artikel maakt namelijk in niet mis te verstane bewoordingen duidelijk dat dit eerst en vooral een bevoegdheid van de nationale overheid is. Voor zover provincies en gemeenten de ruimte hebben om hun eigen inrichting en bevoegdheden te organiseren, kan dit niet anders dan gebaseerd zijn op andere grondwetsartikelen (ten aanzien van de bevoegdheden kan dit gebaseerd zijn op het eerste lid van artikel 124) of op delegatiebepalingen in formele wetgeving die gebaseerd is op artikel 132, zesde lid.
 
De soep wordt daarbij overigens niet zo heet gegeten als deze wordt opgediend. In de praktijk blijkt er voor provincies en gemeenten behoorlijk wat ruimte eigen afwegingen te maken ten aanzien van de inrichting van hun besturen. Voor een belangrijk deel wordt dit in de hand gewerkt door de mogelijkheid die de Provinciewet en de Gemeentewet bieden voor de invulling van het commissiestelsel (en de daaraan verwante mogelijkheid bevoegdheden aan commissies te delegeren).[2] Op basis hiervan bleek het bijvoorbeeld mogelijk ruim voor de wettelijke verplichtstelling daarvan over te gaan tot de introductie (bij verordening) van gemeentelijke rekenkamers of rekenkamercommissies.[3] Ook bood dit commissiestelsel de gemeente Amsterdam de mogelijkheid via bestuurscommissies een zekere vorm van binnengemeentelijke decentralisatie in stand te houden, nadat de wetgever de expliciete mogelijkheid daartoe uit de Gemeentewet geschrapt had.[4] Ook buiten het commissiestelsel kan worden gewezen op eigen afwegingen ten aanzien van de inrichting van het provincie- of gemeentebestuur die buiten het bestek van een vooraf gegeven wettelijke machtiging vielen. Te denken valt aan de introductie van gemeentelijke ombudsfunctionarissen, ruimschoots vóór de verplichting daartoe via de Wet extern klachtrecht[5] en op de introductie van – weliswaar niet bindende – referenda in verschillende gemeenten.[6] Deze laatste ‘eigen afwegingen’ kunnen niet anders dan het gevolg zijn van een impliciet beroep op gemeentelijke autonomie (artikel 124, eerste lid).
 

3. Toezicht: algemeen (tweede lid)

Als gezegd, provincies en gemeenten functioneren binnen de context van een eenheidsstaat. Deze context houdt in dat hun organen niet in alle gevallen volledig vrij zijn in hun handelen.[7] Een belangrijk om provinciale en gemeentelijke gehoorzaamheid te bewerkstelligen, is gelegen in het toezicht. Voor de afbakening van de in dit kader te behandelen toezichtsmechanismen wordt aangehaakt bij het Handboek van het Nederlandse gemeenterecht. Dit handboek geeft de volgende definitie van toezicht:
 
“Toezicht is de wettelijke bevoegdheid van bestuursorganen en ambten die deel uitmaken van zelfstandige publiekrechtelijke lichamen om het handelen en nalaten van andere bestuursorganen of ambten van zelfstandige publiekrechtelijke lichamen te onderzoeken, te toetsen en daaraan desgewenst de wettelijk mogelijk gemaakte rechtsgevolgen te verbinden die het onder toezicht staande orgaan – behoudens het inzetten van rechtsmiddelen – moet dulden of waaraan het gevolg moet geven”.[8]
 
Toezicht wordt wel onderverdeeld in repressief toezicht (toezichtsvarianten waarbij een genomen besluit of een verrichtte (rechts)handeling achteraf op juistheid wordt gecontroleerd), preventief toezicht (toezichtsvarianten waarbij dergelijke handelingen vooraf worden getoetst) en positief toezicht (toezichtsvarianten waarbij handelingen moeten worden verricht in opdracht van het toezichthoudende orgaan of dit toezichthoudende orgaan optreedt in plaats van het onder toezicht staande orgaan).[9] Het tweede lid van artikel 132 ziet in beginsel op al deze vormen. Bedacht moet bovendien worden dat hierachter een rijkere variëteit schuilgaat dan slechts die vormen van toezicht die in de navolgende drie leden wordt behandeld. Gedacht kan bijvoorbeeld worden aan bepaalde meldings- en informatieplichten of de verplichting tot het meewerken aan inspecties.
 
Voor die vormen van toezicht die nader worden uitgewerkt in de leden 3 tot en met 5, geldt artikel 132 eveneens als de grondwettelijke grondslag. Ten aanzien van deze instrumenten heeft de grondwetgever het echter nodig geacht nadere voorschriften te geven, gelet op de ingrijpende aard die sommige van deze instrumenten kenmerkt.[10]
 
Generiek en specifiek toezicht
Een ander belangrijk onderscheid betreft dat tussen specifiek en generiek toezicht. Het belangrijkste verschil tussen beide vormen van toezicht ligt erin dat generieke toezichtsinstrumenten juridisch zo zijn gepositioneerd dat zij kunnen worden toegepast in uiteenlopende contexten. Een voorbeeld van generiek toezicht is het vernietigingsrecht, dat zodanig geformuleerd is dat het op besluiten en andere handelingen kan worden toegepast binnen een breed spectrum van beleidsterreinen. Specifieke vormen van toezicht zijn juist toegesneden op bepaalde situaties binnen bepaalde deelterreinen van het recht (te denken valt aan een wettelijk omschreven goedkeuringsrecht ten aanzien van de verordenende bevoegdheid van een gemeenteraad ten aanzien van een specifiek beleidsterrein). In 2007 constateerde de Commissie Doorlichting Interbestuurlijke Toezichtsarrangementen (commissie-Oosting) dat een wildgroei was ontstaan van het specifieke toezicht.[11] Gelet daarop werd gepleit voor een ‘revitalisering van het generieke toezicht’. Aanzienlijke hoeveelheden specifieke toezichtsbevoegdheden zouden moeten worden geschrapt ten faveure van de toepassing van generieke toezichtsarrangementen. Dit zou de overzichtelijkheid van het toezicht voor zowel de toezichthouders als de onder toezicht gestelden vergroten en zou leiden tot minder ‘stapeling’ van toezichtsarrangementen. De voorstellen van de commissie-Oosting vonden weerklank bij de wetgever. In 2012 kwam de Wet revitalisering generiek toezicht tot stand, die in belangrijke mate uitvoering gaf aan de door de commissie-Oosting ontwikkelde voorstellen.[12]
 
Omdat dit een grondwetscommentaar betreft, zullen de wettelijke uitwerkingen van de verschillende toezichtsvarianten slechts op hoofdlijnen worden weergegeven. De revitalisering van het generieke toezicht is echter gepaard gegaan met een zodanig ingrijpende wijziging van vele bijzondere en algemene wetten dat bij elk van de in de navolgende paragrafen te bespreken toezichtsmodaliteiten kort zal worden stilgestaan bij de betekenis van de revitaliseringsoperatie daarvoor.
 

4. Voorafgaand toezicht (derde lid)

Het voorafgaande toezicht waaraan het derde lid refereert krijgt vooral gestalte via goedkeuringsregimes. Dit is een vorm van toezicht die erin voorziet dat een provinciaal of gemeentelijk besluit geen rechtskracht krijgt alvorens het door een ander orgaan (in de regel een orgaan van een ander openbaar lichaam) is goedgekeurd. Het derde lid van artikel 135 bepaalt dat dergelijke constructies uitsluitend mogelijk zijn in bij of krachtens de wet te bepalen gevallen. Het oorspronkelijke wetsvoorstel dat aan de basis lag van de grondwetsherziening van 1983 bevatte geen specifieke bepaling over voorafgaand toezicht.[13] Zij brak daarmee met eerdere versies van de Grondwet, die vooral ten aanzien van provincies een groot aantal specifieke goedkeuringsregelingen kenden. Bij verschillende Tweede Kamerfracties stuitte dit op bezwaren.[14] Hoewel de aard van deze bezwaren leek te leiden tot de opvatting dat de Grondwet alsnog zelf zou moeten bepalen ten aanzien van welke onderwerpen een goedkeuringsregime mogelijk zou zijn, schaarde zij zich in meerderheid achter een amendement (wederom ingediend door Tweede Kamerlid Faber) waarin de tamelijk algemene regeling die thans in het derde lid is opgenomen werd geformuleerd.[15] De meerwaarde van juist deze toevoeging moet echter worden betwijfeld. Door de grondslag voor goedkeuring zo algemeen te formuleren, lijkt zij geen enkele waarborg toe te voegen aan de algemene bepaling uit het tweede lid. Immers, beide artikelleden geven niet aan door wie het toezicht wordt uitgeoefend; beide artikelleden geven geen inhoudelijke maatstaven waarlangs het (voorafgaande) toezicht moet worden uitgeoefend.[16] en zelfs de mogelijkheid van delegatie bestaat in beide artikelleden.
 
Het is derhalve aan de wetgever om te bepalen in welke gevallen moet worden voorzien in een regime van voorafgaand toezicht. De wetgever bepaalt door wie het toezicht wordt uitgeoefend en de wetgever bepaalt welke maatstaven daarbij worden gehanteerd. Enige mate van uniformering ten aanzien van goedkeuringsregimes wordt betracht in afdeling 10.2.1 Awb waarin een aantal algemene bepalingen over goedkeuring is opgenomen.
 
Goedkeuring en de revitalisering van het generieke toezicht
Uit de aard der zaak heeft voorafgaand toezicht iets specifieks. Dergelijke constructies kunnen namelijk uitsluitend werken indien bestuursorganen van tevoren – op grond van een wettelijke regeling – kunnen nagaan welke specifieke besluiten zij voorafgaand aan het toezicht van een ander bestuursorgaan zullen moeten onderwerpen. Het mag dan ook niet verbazen dat in het kader van de revitalisering van het generieke toezicht – en daarmee de opschoning van het specifieke toezicht – veel goedkeuringsregimes zijn gesneuveld.
 

5. Vernietiging (vierde lid)

In tegenstelling tot het derde lid heeft de grondwettelijke regeling van het vernietigingsrecht overduidelijk meerwaarde ten opzichte van de algemene toezichtsgrondslag in het tweede lid. Ten aanzien van het vernietigingsrecht wijst het vierde lid expliciet aan wie hiertoe bevoegd is en geeft het tevens de gronden voor toepassing van het recht. Het bevoegde orgaan is de regering (‘bij koninklijk besluit’) en de vernietigingsgronden zijn ‘strijd met het recht’ of ‘strijd met het algemeen belang’. In de hoofdstuk XVIII van de Provinciewet, hoofdstuk XVII van de Gemeentewet en in afdeling 10.2.2 van de Awb wordt dit recht verder uitgewerkt. De genoemde hoofdstukken uit de Provincie- en Gemeentewet geven, samen met afdeling 10.2.3 Awb, bovendien een regeling voor schorsing. Nu het vierde lid van artikel 132 schorsing niet noemt, moet de grondwettelijke basis voor schorsing worden gevonden in het tweede lid. Schorsing is echter zodanig nauw verbonden met het vernietigingsrecht, dat hieraan bij de bespreking van het vierde lid niet voorbij kan worden gegaan. Schorsing is namelijk accessoir aan vernietiging, omdat het een tijdelijke voorziening beoogt te bieden in die gevallen waarin nader onderzoek nodig is om te beslissen of vernietiging noodzakelijk is (artikel 10:43 Awb).
 
Een belangrijk aspect van de wettelijke uitwerking van het vernietigingsrecht (en daarmee ook van het schorsingsrecht) is dat hierin een interpretatie kan worden gevonden van het begrip ‘besluiten’ in het vierde lid. Dit lid stamt van voor de invoering van de Awb (en is bovendien van hogere rang), zodat aansluiting bij het besluitbegrip in deze wet niet kan worden verwacht. De artikelen 261 Provinciewet respectievelijk 268 Gemeentewet verstaan hieronder niet alleen besluiten in de zin van de Awb, maar ook niet-schriftelijke beslissingen die gericht zijn op enig rechtsgevolg.[17]
 
Vernietiging en de revitalisering van het generieke toezicht
Vernietiging komt niet vaak voor. Sinds 2000 is slechts elf maal een besluit van een provincie of gemeente vernietigd.[18] Hierin heeft ook de Wet revitalisering generiek toezicht geen verandering gebracht. Dat laatste is overigens opmerkelijk. De verwachting van de regering ten tijde van de totstandkoming van deze wet was namelijk dat het vernietigingsrecht aanzienlijk vaker zou worden gebruikt, nadat veel vormen van specifiek toezicht zouden zijn geschrapt.[19]
 
Vernietiging wegens strijd met het algemeen belang
Waar het schorsings- en vernietigingsrecht in kwantitatief opzicht op zijn retour lijkt, valt er in kwalitatief opzicht nog wel wat over te zeggen. Dit betreft vooral het gebruik van de vernietigingsgrond ‘strijd met het algemeen belang’. De mogelijkheid van vernietiging van autonome besluiten wegens strijd met het algemeen belang is in strijd met het in artikel 8, tweede lid, van het Europees Handvest inzake Lokale Autonomie (EHLA) geformuleerde uitgangspunt dat luidt:
 
“Elk administratief toezicht op de activiteiten van de lokale autoriteiten dient in de regel slechts gericht te zijn op het verzekeren van de naleving van de wet en de grondwettelijke beginselen. Administratief toezicht mag echter met betrekking tot doelmatigheid door hogere autoriteiten uitgeoefend worden inzake taken waarvan de uitoefening aan de lokale autoriteiten is gedelegeerd.”
 
De ratio achter deze bepaling is gelegen in de bescherming van de autonomie van lokale overheden. Door bij de autonome taakvervulling uitsluitend toezichtsbevoegdheden toe te kennen voor zover het toezicht op de naleving van de wet betreft, wordt ertegen gewaakt dat nationale overheden om beleidsinhoudelijke redenen ingrijpen in de autonomie van de lokale overheden. Om de mogelijkheid van vernietiging wegens strijd met het algemeen belang overeind te houden, heeft Nederland bij deze bepaling een voorbehoud gemaakt.
 
Lange tijd leek het erop dat dit voorbehoud uiteindelijk zou kunnen komen te vervallen. De vernietigingsgrond ‘strijd met het algemeen belang’ werd nauwelijks meer gebruikt en zou bij een volgende grondwetsherziening kunnen verdwijnen.[20] Inmiddels kan dit niet meer worden volgehouden. Van de acht vernietigingen die tussen 2005 en 2016 zijn voorgevallen, hebben slechts twee uitsluitend wegens strijd met het recht plaatsgevonden.[21] In vier gevallen betrof het een vernietiging wegens strijd met het recht èn het algemeen belang[22] en in twee gevallen was de strijd met het algemeen belang de enige vernietigingsgrond.[23] Bij schorsingen komen de gronden ‘strijd met het recht’ en ‘strijd met het algemeen belang’ vrijwel standaard beide voor, maar dit kan worden verklaard uit het gegeven dat nader onderzocht moet worden of vernietiging noodzakelijk is en de regering er tot het moment van definitieve besluitvorming hieromtrent goed aan doet beide opties open te houden.
 
Rechtsbescherming
Provincies en gemeenten kunnen tegen vernietiging beroep instellen.[24] Tegen schorsing kan dit niet. Een gemeentebestuur dat een besluit geschorst ziet, zou zich nog kunnen wenden tot de burgerlijke rechter. Deze zal echter uiterst terughoudend toetsen, hetgeen bijvoorbeeld blijkt uit het kort geding dat de gemeente Haarlemmermeer aanspande tegen de Staat der Nederlanden naar aanleiding van de schorsing van het besluit tot intrekking van de gebruikersvergunningen van een cellencomplex na  de ‘Schipholbrand’ op 27 oktober 2007. De rechtbank oordeelde dat het niet de taak is van de (burgerlijke) rechter om politieke afwegingen te maken en toetste de rechtmatigheid van het schorsingsbesluit zeer marginaal.[25]
 
Wanneer een vernietiging uitsluitend geschiedt wegens strijd met het algemeen belang, doet dat vermoeden dat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in een voorkomend geval tamelijk marginaal zal toetsen. Deze stelling is zowel juist als onjuist. Dit valt het beste te illustreren aan de hand van de Landsbanki-zaak. In het beroep tegen de vernietiging oordeelde de Afdeling inderdaad dat het past de beleidsinhoudelijke afweging van de regering zoveel mogelijk marginaal te toetsen. Niettemin vond wel een ‘volle’ toetsing plaats aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur en dan met name aan het motiveringsbeginsel. Omdat de Afdeling de motivering van het vernietigingsbesluit niet afdoende vond, werd de vernietiging ongedaan gemaakt.[26] De afbakening tussen de beleidsinhoudelijke afweging en de motivering van het besluit zal in de praktijk echter moeilijk te trekken zijn, omdat de motivering juist bedoeld is om inzicht te bieden in de ratio achter de beleidsinhoudelijke afweging.
 

6. Taakverwaarlozingsregelingen (vijfde lid)

Een derde vorm van toezicht die hier nadere bespreking verdient, is het bestuurlijk ingrijpen bij taakverwaarlozing. Dit kan gebeuren ten aanzien incidentele beslissingen (vooral in medebewind), maar ook bij structurele problemen. Een taakverwaarlozingsregeling houdt in dat de uitoefening van bevoegdheden in bijzondere gevallen kan worden overgenomen door een ander orgaan – soms zelfs een orgaan van een ander overheidslichaam – dan het oorspronkelijk bevoegde. Zij verschilt van preventieve toezichtsmechanismen zoals goedkeuring, doordat zij kan worden ingezet zonder dat het oorspronkelijk bevoegde orgaan eerst zelf een (voorlopige) beslissing genomen heeft. Zo bestaat de goedkeuring van een gemeentelijke begroting ex artikel 203 Gemeentewet bij de gratie van het feit dat een gemeenteraad eerst zelf een voorlopige begroting heeft vastgesteld. Doet een gemeenteraad dit niet, dan ontbreekt het gedeputeerde staten aan een voor goedkeuring vatbare beslissing. Art. 203 Gemeentewet kan dan niet worden toegepast. In dergelijke gevallen kan alleen een taakverwaarlozingsregeling uitkomst bieden.
 
Dat laatste heeft de grondwetgever bewust ingewikkeld gemaakt. Daarbij kan bovendien één van de weinige expliciet juridische verschillen tussen autonomie en medebewind worden aangetroffen. In de eerste volzin van het vijfde lid wordt de hoofdregel geformuleerd voor besluitvorming in medebewind. Volgens deze volzin is in medebewind een enkel ‘in gebreke blijven’ van gemeentelijke organen genoeg om het overnemen van de besluitvorming door een ander orgaan te rechtvaardigen, mits dit laatste bij wet is voorzien. De Provinciewet en de Gemeentewet kennen in artikel 120 e.v. respectievelijk 123 e.v. een dergelijke regeling. De in deze artikelen gebezigde zinsnede ‘krachtens een andere dan deze wet gevorderde beslissingen’ geeft aan dat het hier om medebewind gaat (zie ook het commentaar bij artikel 124). De mogelijkheid van het hanteren van dergelijke regelingen bij een enkel ‘in gebreke blijven’ geldt alleen in medebewind. De tweede volzin van het vijfde geeft een tweede modaliteit van taakverwaarlozingsregelingen die toepasbaar is ten aanzien van autonome taakuitoefening. Ingrijpen ten aanzien van deze categorie is uitsluitend mogelijk bij grovelijke verwaarlozing.[27] Het ligt voor de hand dat bij autonomie niet lichtvaardig kan worden besloten tot een taakverwaarlozingsregeling. Als de grovelijke verwaarlozing zich echter voordoet, kan uitsluitend de wetgever zelf (maar dan ook hard) ingrijpen. In formele wetgeving die op de specifieke provincie of gemeente van toepassing is, kan in dat geval zelfs voorbij worden gegaan aan het hoofdschap van provinciale staten en de gemeenteraad (artikel 125 Grondwet) en hun verordenende bevoegdheid (artikel 127 Grondwet). De zeer geringe praktijk van deze ad-hocregelingen geeft al aan hoe terughoudend de wetgever is in het oordeel dat sprake is van grovelijke verwaarlozing. Een dergelijke regeling is slechts vijf keer toegepast.[28] In drie van die vijf gevallen was het niet vaststellen van een voor goedkeuring door gedeputeerde staten vatbare begroting (mede) aanleiding tot een taakverwaarlozingswet. Bij het niet vaststellen van een begroting ligt dit ook voor de hand. De aard van de begroting is die van een machtiging. Zonder die machtiging kunnen gemeenten in beginsel geen uitgaven doen, hetgeen effectief tot ontwrichting van het gemeentebestuur kan leiden. De noodzaak voor een mogelijke taakverwaarlozingsregeling is in een dergelijk geval acuut.
 
Grondwettelijke interpretatieproblemen
Dat het ingrijpen bij grovelijke taakverwaarlozing in de geschiedenis gepaard is gegaan met het vaststellen van ad-hocwetgeving, betekent niet dat dit niet anders kan. Sterker nog, er kan op minstens twee voorbeelden worden gewezen waarin sprake lijkt te zijn van een generieke regeling voor taakverwaarlozing ten aanzien van aangelegenheden die autonoom te achten zijn. Dit betreft de regeling van artikel 205 Provinciewet respectievelijk 201 Gemeentewet en de aanwijzingsbevoegdheden op grond van de Wet naleving Europese regelgeving publieke entiteiten (Wet NErpe). In de praktijk levert dit echter de nodige grondwettelijke interpretatieproblemen op.
 
De eerste situatie betreft het niet (tijdig) vaststellen van een provinciale of gemeentelijke jaarrekening.[29] Van belang is om in ieder geval vast te stellen dat ook in dit geval de tweede volzin van art. 132 lid 5 GW van toepassing is. Van mening kan worden verschild over de vraag of het vaststellen van een jaarrekening een autonome daad of een verplichting uit de gemeentewet is. Duidelijk is in ieder geval dat het hier niet gaat om medebewind.[30] Dit betekent dat van een taakverwaarlozingsregeling alleen sprake zou kunnen zijn, als het niet vaststellen van een jaarrekening zou worden aangemerkt als grovelijke verwaarlozing. Het is maar de vraag of dat ook het geval is. Op zich staat een dergelijk nalaten het functioneren van een gemeente als zodanig niet in de weg. Vooral vóór 1992 was het zeer gebruikelijk dat jaarrekeningen soms pas na jaren werden vastgesteld.[31] In die zin is het niet vaststellen van een jaarrekening aanzienlijk minder problematisch dan het niet vaststellen van een begroting. Als een begroting niet (tijdig) wordt vastgesteld, kan een provincie- of gemeentebestuur slechts in zeer beperkte mate verplichtingen aangaan en dus nauwelijks beleid voeren; als een jaarrekening niet (tijdig) wordt vastgesteld, wordt er niet (of iets later) décharge verleend. Omdat décharge vooral politieke – en nog nauwelijks juridische – betekenis heeft,[32] is dat laatste minder bezwaarlijk.
 
De Wet NErpe voorziet – onder meer – in een taakverwaarlozingsregeling die het voor ministers mogelijk maakt namens een provincie of gemeente publiekrechtelijke of privaatrechtelijke rechtshandelingen, alsmede feitelijke handelingen te verrichten. Dit kan wanneer een provincie- of gemeentebestuur niet of niet naar behoren voldoet aan een rechtsplicht die voortvloeit uit het Europese recht (art. 5 Wet NErpe). De wet voorziet in zoverre in een escalatiemodel dat in dergelijke gevallen eerst een aanwijzingen ter zake zal worden gegeven (artikel 2 Wet NErpe), maar zelfs het geven van bindende aanwijzingen kan worden gezien als een voorziening in het kader van het vijfde lid van artikel 132. Opvallend genoeg maakt dit voorgestelde artikel geen onderscheid tussen gemeentelijk nalaten in autonomie dan wel in medebewind. Sterker nog: als het reguliere – op medebewind toegespitste – taakverwaarlozingsregime uit Provincie- en Gemeentewet toereikend is, dient het laatstgenoemde regime te worden toegepast (artikel 2, vierde lid). Dat betekent dat de artikelen 2 en 5 van de Wet NErpe vooral van toepassing zullen zijn bij autonome taakverwaarlozing. Dit stuit op dezelfde bezwaren die kunnen worden ingebracht tegen artikel 205 Provinciewet respectievelijk 201 Gemeentewet. Het punt is namelijk dat artikel 2 noch artikel 5 Wet NErpe op enigerlei wijze duidelijk maakt dat de in dat artikel vervatte mogelijkheden tot ingrijpen alleen zullen worden toegepast bij grovelijke verwaarlozing. Hieruit moet worden geconcludeerd dat de Wet NErpe het mogelijk maakt voor de nationale overheid om in te grijpen ten aanzien van autonome aangelegenheden, zelfs als slechts sprake is van eenvoudig ‘in gebreke blijven’. Alleen voor wie aanneemt dat elk in gebreke blijven ten aanzien van Europese verplichtingen per definitie resulteert in grovelijke verwaarlozing, zal deze constructie grondwettelijk door de beugel kunnen.[33]
 
Taakverwaarlozing en de revitalisering van het generieke toezicht
Ten tijde van de invoering van de revitalisering van het generieke toezicht werd er kennelijk nogal wat verwacht van de taakverwaarlozingsregelingen in medebewind. Provincie- en Gemeentewet werden op dit punt althans grondig aangescherpt. Daarnaast ontwikkelde de regering hiertoe een algemeen beleidskader.[34] Hoewel dit algemene beleidskader een sfeer van terughoudendheid ademt, is het enkele gegeven dat het noodzakelijk werd geacht dit op te stellen een aanwijzing dat in ieder geval bij de regering de verwachting bestond dat het instrument van indeplaatsstelling bij taakverwaarlozing in medebewind op zijn minst met enige regelmaat zal worden gebruikt. In de praktijk blijkt daarvan weinig.
 

7. Financiën (zesde lid)

Provinciale en gemeentelijke belastingen
Autonomie ten aanzien van regeling en bestuur (artikel 124, eerste lid) betekent weinig als daarmee niet ook een zekere mate van financiële autonomie gepaard gaat.[35] Zonder geld kunnen immers weinig van het zelfstandig ontwikkelde beleid ten uitvoer worden gebracht. Zo beschouwd kan ook de bevoegdheid om belasting te heffen worden gezien als een autonome bevoegdheid.[36] Voor de ontwikkeling van de lokale autonomie lijkt deze bevoegdheid zelfs zo belangrijk dat het Europees Handvest inzake lokale autonomie (EHLA) in artikel 9, derde lid bepaalt:
 
“Ten minste een deel van de financiële middelen van de lokale autoriteiten dient te worden verkregen uit lokale belastingen en heffingen waarover zij, binnen de grenzen bij de wet gesteld, de bevoegdheid hebben de hoogte vast te stellen.”
 
Dat betekent echter niet dat deze autonome bevoegdheid ongeclausuleerd kan worden uitgeoefend. Derhalve beperkt het zesde lid van artikel 132 Grondwet de bevoegdheid tot het heffen van belastingen tot die belastingen waarin de wet voorziet. Voor gemeenten betreft dit een aantal verschillende in de Gemeentewet (hoofdstuk XV) opgesomde belastingen, zoals de hondenbelasting, de parkeerbelasting en vooral de onroerendezaakbelasting. Voor provincies bestaat het belastinggebied vooral uit de opcenten op de motorrijtuigenbelasting (artikel 222 e.v. Provinciewet) De ratio achter de inperking van de provinciale en gemeentelijke belastingautonomie ligt in de afstemming die ten aanzien hiervan noodzakelijk is tussen de verschillende bestuurslagen. Het zou immers merkwaardig aandoen als drie verschillende overheidslagen ten aanzien van hetzelfde (bijvoorbeeld inkomen) belasting zouden heffen. De wettelijke inkadering van de bevoegdheid tot het heffen van belastingen heeft echter ook een keerzijde. Het gemeentelijke en vooral het provinciale ‘belastinggebied’ is zo beperkt, dat de vraag kan worden gesteld hoeveel financiële autonomie beide bestuurslagen – in ieder geval waar het de mogelijkheden tot het zelfstandig beïnvloeden van het volume van de inkomsten betreft – nog hebben.[37]
 
De hierboven geciteerde norm uit het EHLA voegt in ieder geval de facto weinig autonomie toe. Dit bleek toen de VNG en enkele gemeenten procedeerden tegen de afschaffing van het gebruikersdeel van de onroerendezaakbelasting. Zowel bij de rechtbank[38] als bij het gerechtshof[39] vond de stelling dat de wet waarmee deze afschaffing werd bewerkstelligd in strijd zou zijn met het EHLA geen weerklank. In beide gevallen werd geoordeeld dat de in artikel 9, derde lid, EHLA geformuleerde norm zodanig vaag is dat zij niet geschikt is om door de rechter als rechtsnorm te worden toegepast. [40]
 
De financiële verhouding
Wat betreft inkomsten moet het voor zowel provincies als gemeenten sowieso in belangrijke mate van het Rijk komen. In 2013 keerde het Rijk € 18 miljard uit aan algemene uitkeringen via het Gemeentefonds en werd vanuit de verschillende departement bij elkaar voor ongeveer € 9,6 miljard aan specifieke uitkeringen van Rijkswege uitgekeerd. De totale opbrengst van gemeentelijke belastingen en heffingen bedroeg daartegenover € 8,3 miljard.[41] Vanuit dat oogpunt is het niet onbegrijpelijk dat de Grondwet in het zesde lid van artikel 132 aandacht besteed aan de financiële verhouding tot het rijk. Tegelijkertijd is in paragraaf 1 reeds opgemerkt dat deze financiële verhouding al ruim voor de grondwettelijke erkenning daarvan in 1983 bestond. Vanuit een oogpunt van grondwettelijke soberheid is de vraag derhalve gerechtvaardigd in hoeverre de zinsnede “[de wet] regelt hun financiële verhouding tot het rijk” juridische meerwaarde heeft.
 
De financiële verhouding wordt voornamelijk geregeld in de Financiële verhoudingswet (Fvw). Voorop staat daarin de algemene uitkering uit het Provincie- respectievelijk Gemeentefonds (artikel 6 e.v. Fvw). Besteding van deze uitkering is in beginsel niet doelgebonden. In beginsel staat het provincies en gemeenten vrij te bepalen welke van hun autonome taken en medebewindstaken zij financieren uit deze inkomsten en welke (bijvoorbeeld) uit de opbrengsten van lokale belastingen en heffingen. Daarmee is niet gezegd dat bij de vaststelling van de hoogte van het Provincie- en Gemeentefonds geen rekening wordt gehouden met het soort financiële verplichtingen dat een provincie of een gemeente heeft. Zo zullen gemeenten op grond van artikel 8 Fvw en de daarop gebaseerde algemene maatregelen van bestuur een grotere algemene uitkering ontvangen naarmate zij meer inwoners, een grotere oppervlakte, een grotere hoeveelheid uitkeringsgerechtigden, een grotere hoeveelheid historische kernen etc. hebben. Ook de belastingcapaciteit van provincies en gemeenten speelt een belangrijke rol bij de vaststelling van de hoogte van de algemene uitkering. De fondsen beogen in die zin ook een zekere nivellering teweeg te brengen door compensatie te bieden aan die provincies en gemeenten die minder belastinginkomsten kunnen genereren dan anderen (bijvoorbeeld – ten aanzien van gemeenten – omdat de gemiddelde huizenprijs lager is dan elders in het land).
 
Een algemeen kader voor specifieke uitkeringen wordt gegeven in artikel 15a e.v. Fvw, de uit te keren afzonderlijke specifieke uitkeringen worden doorgaans geregeld in ministeriële regelingen. Besteding van de specifieke uitkeringen is wel doelgebonden (het gaat om ‘geoormerkt’ geld). Deze doelgebondenheid beknot de financiële autonomie van provincies en gemeenten enigszins. Er moet derhalve van worden uitgegaan, dat slechts voor specifieke uitkeringen wordt gekozen als het om wat voor reden dan ook van wezenlijk belang moet worden geacht dat provincies en gemeenten het via specifieke uitkeringen binnenkomende geld ook daadwerkelijk besteden aan het doel waarvoor het gegeven is (artikel 16, tweede lid, Fvw stelt dat het gebruik van een specifieke uitkering alleen toegestaan is als zulks ‘bijzonder aangewezen moet worden geacht’). Om wildgroei van specifieke uitkeringen tegen te gaan is in artikel 16a Fvw de mogelijkheid gecreëerd van zogenaamde ‘verzameluitkerigen’ deze verzameluitkeringen maken het mogelijk verschillende geldstromen vanuit één departement te bundelen in één uitkering. Dit verkleint het doelgebonden karakter van de specifieke uitkering enigszins, aangezien het uitgekeerde geld kan worden besteed aan verschillende in de verzameluitkering opgenomen doelen. De vrijheid van besteding gaat met verzameluitkeringen echter nooit zo ver dat het geld dat via een specifieke uitkering vanuit het ene ministerie richting decentrale overheden vloeit, wordt besteed om de beleidsdoelen van een ander ministerie te verwezenlijken. Voor andere ministeries zullen namelijk andere specifieke (verzamel)uitkeringen gelden.
 

8. Jurisprudentie en Regelgeving

Koninklijk Besluit van 10 mei 2005, Stb. 2005/270 (gemeente Lelystad)
Koninklijk Besluit van 1 november 2006, Stb. 2006/572 (gemeente Oirschot)
Koninklijk Besluit van 1 november 2006, Stb. 2006/573 (gemeente Gorinchem)
Koninklijk Besluit van 12 december 2006, Stb. 2006/692 (provincie Limburg).
Koninklijk Besluit van 20 november 2006, Stb. 2006/615 (gemeente Amsterdam)
Koninklijk Besluit van 31 oktober 2008, Stb. 2008/443 (meerdere decentrale overheden, Landsbanki)
Koninklijk Besluit van 22 maart 2010, Stb. 2010/138 (gemeente Westland)
Koninklijk Besluit van 25 maart 2011, Stb. 2011/154 (wederom gemeente Westland)
Rb ’s-Gravenhage (kg) 23 december 2005, ECLI:NL:RBSGR:2005:AU8652 (Haarlemmermeer)
Rb ‘s-Gravenhage 18 april 2007, ECLI:NL:RBSGR:2007:BA3438 (VNG/Staat der Nederlanden)
Hof ‘s-Gravenhage 10 juli 2008, zaaknummer 105.005.799/01 (VNG/Staat der Nederlanden, niet gepubliceerd)
ABRvS 22 april 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BI1842 (Landsbanki)
 

9. Literatuur 

Over de wijze waarop de wetgever gevolg heeft gegeven aan de verschillende leden van dit artikel zijn boekenkasten volgeschreven. De regeling van de (nadere) inrichting en de bevoegdheden van het provincie- en gemeentebestuur, alsmede het op deze besturen uitgeoefende toezicht wordt natuurlijk uitgebreid besproken in de standaardwerken die betrekking hebben op het Provincie- en Gemeenterecht.[42] Ook over provinciale en (vooral) gemeentelijke financiën wordt veel geschreven. Enigszins recente literatuur die specifiek handelt over de grondwettelijke regeling van deze onderwerpen bestaat evenzeer, maar is iets minder omvangrijk. Gewezen kan in ieder geval worden op:
 
- J.L.W. Broeksteeg, De gemeentelijke financiële autonomie, in: P.P.T. Bovend’Eert e.a., Constitutionele normen en decentralisatie. Een evaluatie van Hoofdstuk 7 Grondwet, Kluwer – Deventer 2011
- J.W.M. Engels, Lokaal bestuur en financiële autonomie, in: Gst. 2007/39
M.A.D.W. de Jong, Toezicht, in: P.P.T. Bovend’Eert e.a., Constitutionele normen en decentralisatie. Een evaluatie van Hoofdstuk 7 Grondwet, Kluwer – Deventer 2011
- C. de Kruif, De Wet Naleving Europese regelgeving publieke entiteiten: ongrondwettig?, in: NJB afl. 2011/6
- W. van der Woude, Financiële controle in het gemeenterecht. Een juridisch onderzoek naar de ‘dualisering van de financiële functie’, Kluwer – Deventer, 2011
 

10. Historische versies

Eerste lid (provincies):
 
Art. 75 Gw. 1814: De werkzaamheden der Staten worden, behoudens de voorschriften daaromtrent bij deze grondwet vastgesteld, geregeld door zoodanige bepalingen, als zij noodig oordeelen, en door den Souvereinen Vorst, in geval van goedkeuring, bekrachtigd worden. Zij maken hun eerste werk van het ontwerpen dezer reglementen.
Art. 152 Gw. 1815: De wijze waarop het gezag en de magt, aan de Provinciale Staten bij en ten gevolge van deze grondwet gegeven, wordt geoefend, wordt geregeld bij zoodanige reglementen, als door de Staten der Provincien gemaakt en door den Koning goedgekeurd worden (art. 150 Gw. 1840).
Art. 135 Gw. 1848: De wijze waarop het gezag en de magt, aan de Provinciale Staten opgedragen, worden uitgeoefend, wordt door de wet geregeld.
Art. 133 Gw. 1887: Het gezag en de magt van de Staten worden door de wet geregeld met inachtneming van de voorschriften in de volgende artikelen dezer afdeeling vervat (art. 135 Gw. 1938; art. 142 Gw. 1953).
 
Eerste lid (gemeenten):
 
Art. 78, eerste lid, Gw. 1814: De Stedelijke Regeringen zullen zijn zamengesteld op zoodanige wijze en belast met zulke werkzaamheden, als noodig geoordeeld wordt bij de reglementen, welke de bestaande Regeringen, of bijzondere daartoe door den Souvereinen Vorst te benoemen Commissien, behoudens deze grondwet, zullen ontwerpen.
Art. 81 Gw. 1814: De besturen van Heerlijkheden, Districten en Dorpen zullen worden ingerigt op zoodanigen voet, als met de bijzondere omstandigheden van elk derzelve, met de belangen der ingezetenen en het verkregen regt der belanghebbenden onderling bestaanbaar geoordeeld zal worden, alles in overeenstemming met deze grondwet en volgens nadere reglementen op last van de Staten te maken, welke dezelve, in gevalle van goedkeuring, aan de bekrachtiging van den Souvereinen Vorst onderwerpen.
Art. 132, eerste lid, Gw. 1815: De stedelijke regeringen zijn zamengesteld op zoodanige wijze als noodig wordt geoordeeld bij de reglementen, door de bestaande regeringen of bijzondere commissien door den Koning te benoemen, ontworpen (art. 130, eerste lid, Gw. 1840).
Art. 154 Gw. 1815: De besturen ten platte lande, hetzij van heerlijkheden, districten of dorpen, worden ingerigt op zoodanigen voet, als met de bijzondere omstandigheden van elk derzelven, met de belangen der ingezetenen en het wettig verkregen regt der belanghebbenden onderling bestaanbaar geoordeeld wordt, alles in overeenstemming met deze grondwet, en volgens nadere reglementen op last der Staten te maken, welke dezelve met hunne consideratien aan de bekrachtiging van den Koning onderwerpen (art. 152 Gw. 1840).
Art. 138 Gw. 1848: De zamenstelling, inrigting en bevoegdheid der gemeentebesturen worden, nadat de Provinciale Staten zijn gehoord, door de wet geregeld, met inachtneming der voorschriften, in de volgende artikelen vervat.
Art. 142 Gw. 1887: De zamenstelling, inrigting en bevoegdheid der gemeentebesturen worden door de wet geregeld met inachtneming der voorschriften in de volgende artikelen dezer afdeeling vervat (art. 144 Gw. 1938; art. 151 Gw. 1953).
 
Tweede lid:
 
Geen historie.
 
Derde lid (provincies):
 
Art. 84 Gw. 1814: Zij dragen de kosten van hun bestuur voor aan den Souvereinen vorst, die dezelve, ingevalle van goedkeuring, op de begrooting der staatsbehoeften brengt.
Art. 88, tweede lid, Gw. 1814: Zij maken hieromtrent (...) zoodanige ordonnantiën en reglementen, als zij ten meeste nutte hunner Ingezetenen oorbaar achten, behoudens deze grondwet, en onder goedkeuring van den Souvereinen Vorst.
Art. 143 Gw. 1815: De Staten dragen de kosten van hun bestuur voor aan den Koning, die dezelve in gevalle van goedkeuring op de begrooting der staatsbehoeften brengt.
Art. 146, tweede volzin, Gw. 1815: Alle zoodanige reglementen en ordonnantien, als zij voor het algemeen provinciaal belang noodig oordelen te maken, moeten alvorens haar beslag te hebben, aan de goedkeuring van den Koning worden onderworpen (art. 144, tweede volzin, Gw. 1840).
Art. 150 Gw. 1815: De Staten dragen aan den Koning voor het onderhouden en aanleggen van zoodanige werken, als zij voor het belang van hunne Provincie nuttig oordeelen. Zij kunnen de middelen daarbij voordragen, om daarin geheel of ten deele ten koste der Provincie te voorzien. In geval van goedkeuring, wordt aan hun het bestuur der werken en de beheering der penningen opgedragen, onder de verpligting tot rekening en verantwoording.
Art. 129 Gw. 1848: De Staten dragen jaarlijks de kosten van hun bestuur, voor zooveel het rijks‑bestuur is, aan den Koning voor, die ze, ingeval van goedkeuring, op de begrooting der staatsbehoeften brengt.
De begrooting der enkel provinciale en huishoudelijke inkomsten en uitgaven, door de Staten mede jaarlijks opgemaakt, vereischt 's Konings goedkeuring.
Provinciale belastingen tot dekking dezer uitgaven, door de Staten aan den Koning voorgedragen, vereischen bekrachtiging door de wet.
Art. 131, tweede lid, Gw. 1848: Behoudens de voorschriften in art. 129 moeten alle zoodanige reglementen en verordeningen, als zij voor het provinciaal belang noodig oordeelen te maken, aan de goedkeuring van den Koning worden onderworpen.
Art. 134, derde lid, Gw. 1887: Die verordeningen behoeven de goedkeuring des Konings; deze kan niet worden geweigerd dan bij een met redenen omkleed besluit, den Raad van State gehoord (art. 136, derde lid, Gw. 1938; art. 143, derde lid, Gw. 1953).
Art. 136, eerste lid, Gw. 1887: Elk besluit der Staten tot het invoeren, wijzigen of afschaffen van eene provinciale belasting, behoeft de goedkeuring des Konings.
Art. 137, eerste lid, Gw. 1887: De begrooting der provinciale inkomsten en uitgaven, jaarlijks door de Staten op te maken, behoeft de goedkeuring des Konings.
Art. 145, eerste en tweede lid, Gw. 1956: Elk besluit der Staten tot het invoeren, wijzigen of afschaffen van een provinciale belasting, behoeft de goedkeuring des Konings.
De wet kan bepalen, dat ook andere besluiten volgens door haar te stellen regels aan de goedkeuring des Konings zijn onderworpen; de goedkeuring van deze besluiten kan niet worden geweigerd dan bij een met redenen omkleed besluit, de Raad van State gehoord.
 
Derde lid (gemeenten):
 
Art. 95 Gw. 1814: Het regelen der plaatselijke belangen, ingevolge het voorgaande artikel aan de gemelde plaatselijke besturen zijnde overgelaten, blijven deze nogtans gehouden en verpligt de begrooting hunner inkomsten en uitgaven aan de Staten overteleggen, en gedragen zich naar het geen dienaangaande door gemelde Staten zal worden noodig geoordeeld.
Art. 96, tweede lid, Gw. 1814: Alvorens dezelve belastingen intevoeren, zenden zij de daaromtrent gemaakte ontwerpen ter goedkeuring aan de Staten der Provincien of Landschappen, met overlegging tevens van eenen juisten staat hunner behoeften.
Art. 156 Gw. 1815: De plaatselijke besturen zijn gehouden en verpligt de begrooting hunner inkomsten en uitgaven aan de Staten overteleggen, en gedragen zich naar hetgeen dien aangaande door gemelde Staten noodig geoordeeld wordt (art. 154 Gw. 1840).
Art. 157, tweede lid, Gw. 1815: Alvorens deze belastingen intevoeren, zenden zij de daaromtrent gemaakte ontwerpen, ter goedkeuring aan de Staten der Provincien, met overlegging tevens van eenen juisten staat hunner behoeften (art. 155, tweede lid, Gw. 1840).
Art. 158 Gw. 1815: Geene nieuwe plaatselijke belastingen kunnen worden ingevoerd, zonder voorafgaande goedkeuring des Konings (art. 156 Gw. 1840).
Art. 141 Gw. 1848: De besluiten der gemeentebesturen, rakende de beschikking over gemeente‑eigendom, en zoodanige andere burgerlijke regtshandelingen welke de wet aanwijst, alsmede de begrootingen van inkomsten en uitgaven, worden aan de goedkeuring der Provinciale Staten onderworpen (art. 146, eerste lid, Gw. 1887; art. 148, eerste lid, Gw. 1938; art. 155, eerste lid, Gw. 1953).
Art. 142, eerste lid, Gw. 1848: Het besluit van een gemeentebestuur tot het invoeren, wijzigen of afschaffen eener plaatselijke belasting, wordt voorgedragen aan de Staten zijner provincie, die daarvan verslag doen aan den Koning, zonder wiens goedkeuring daaraan geen gevolg mag worden gegeven.
Art. 147, eerste lid, Gw. 1847: Het besluit van een gemeentebestuur tot het invoeren, wijzigen of afschaffen eener plaatselijke belasting, wordt voorgedragen aan de Gedeputeerde Staten, die daarvan verslag doen aan den Koning, zonder Wiens goedkeuring daaraan geen gevolg mag worden gegeven.
Art. 147, eerste lid, Gw. 1922: De besluiten der gemeentebesturen rakende het invoeren, wijzigen of afschaffen van eene plaatselijke belasting behoeven de goedkeuring des Konings (art. 149, eerste lid, Gw. 1938; art. 156, eerste lid, Gw. 1953).
 
Vierde lid (provincies):
 
Art. 91 Gw. 1814: Zij mogen geene besluiten nemen strijdig met de algemeene wetten of het algemeen belang der Vereenigde Nederlanden. In geval zulks mogt gebeuren, heeft de Souvereine Vorst het vermogen die besluiten te schorsen en buiten effect te stellen.
Art. 149 Gw. 1815: De Koning heeft het vermogen de besluiten der Staten, die met de algemeene wetten of het algemeen belang strijdig mogten zijn, te schorsen en buiten effect te stellen (art. 147 Gw. 1840).
Art. 133 Gw. 1848: De Koning heeft het vermogen de besluiten der Staten, die met de wetten of het algemeen belang strijdig zijn, te schorsen of te vernietigen. De wet regelt de gevolgen.
Art. 140 Gw. 1887: De magt des Konings om de besluiten van Provinciale Staten of van Gedeputeerde Staten, die met de wet of het algemeen belang strijdig zijn, te schorsen en te vernietigen, wordt bij de wet geregeld (art. 142 Gw. 1938; art. 149 Gw. 1953).
 
Vierde lid (gemeenten):
 
Art. 94, tweede lid, Gw. 1814: Deze bepalingen echter mogen niet strijdig zijn met de algemeene wetten of het algemeen belang der Ingezetenen.
Art. 155, eerste lid, Gw. 1815: De plaatselijke besturen hebben (...) en maken daaromtrent de vereischte plaatselijke verordeningen, welke echter in geen geval met de algemeene wetten of het algemeen belang strijdig mogen zijn ( art. 153, eerste lid, Gw. 1840).
Art. 140, tweede volzin, Gw. 1848: Op de verordeningen, welke hij te dien aanzien maakt en aan de Provinciale Staten moet mededeelen, is art. 133 van toepassing.
Art. 145 Gw. 1887: De magt des Konings om de besluiten van gemeentebesturen, die met de wet of het algemeen belang strijdig zijn, te schorsen en te vernietigen, wordt bij de wet geregeld.
Die magt is onbeperkt ten aanzien van de plaatselijke verordeningen en reglementen.
Art. 145 Gw. 1922: De macht des Konings om de besluiten van gemeentebesturen, die met de wet of het algemeen belang strijdig zijn, te schorsen en te vernietigen, wordt bij de wet geregeld (art. 147 Gw. 1938; art. 154 Gw. 1953).
 
Vijfde lid:
 
Art. 144, vierde en vijfde lid, Gw. 1887: Wanneer de regeling en het bestuur van de huishouding eener gemeente door den gemeenteraad grovelijk worden verwaarloosd, kan eene wet de wijze bepalen, waarop in het bestuur dier gemeente, met afwijking van de beide eerste zinsneden van dit artikel, wordt voorzien.
De wet bepaalt, welk gezag het gemeentebestuur vervangt, wanneer dit in gebreke blijft in de uitvoering der wetten, der algemeene maatregelen van bestuur of der provinciale verordeningen te voorzien (art. 144 , vierde en vijfde lid, Gw. 1922, behoudens dat in vierde lid komt te vervallen `door den gemeenteraad' en dat voor `de beide eerste zinsneden' wordt gelezen `het eerste en tweede lid'; art. 146, vierde en vijfde lid, Gw. 1938; art. 153, vierde en vijfde lid, Gw. 1953).
 
Zesde lid (provincies):
 
Art. 89 Gw. 1814: Zij zorgen, dat de doorvoer door, de uitvoer naar, of de invoer uit eenige andere Provincien of Landschappen geene belemmering ondergaan, voor zoo verre bij de algemeene wetten dien aangaande geene bijzondere voorzieningen gemaakt zijn.
Art. 84 Gw. 1814: Zij dragen de kosten van hun bestuur voor aan den Souvereinen Vorst, die dezelve, ingevalle van goedkeuring, op de begrooting der staatsbehoeften brengt.
Art. 147 Gw. 1815: Zij zorgen dat de doorvoer door, de uitvoer naar of de invoer uit eenige andere Provincien geene belemmering ondergaan, voor zoo verre bij de algemeene wetten dienaangaande geene bijzondere voorzieningen mogten zijn gemaakt (art. 145 Gw. 1840).
Art. 143 Gw. 1815: De Staten dragen de kosten van hun bestuur voor aan den Koning, die dezelve in gevalle van goedkeuring op de begrooting der staatsbehoeften brengt.
Art. 129 Gw. 1848: De Staten dragen jaarlijks de kosten van hun bestuur, voor zooveel het rijks‑bestuur is, aan den Koning voor, die ze, ingeval van goedkeuring, op de begrooting der staatsbehoeften brengt.
De begrooting der enkel provinciale en huishoudelijke inkomsten en uitgaven, door de Staten mede jaarlijks opgemaakt, vereischt 's Konings goedkeuring.
Provinciale belastingen tot dekking dezer uitgaven, door de Staten aan den Koning voorgedragen, vereischen bekrachtiging door de wet.
Art. 131, derde lid, Gw. 1848: Zij zorgen dat de doorvoer, en de uitvoer naar en invoer uit andere provincien geene belemmering ondergaan
Art. 136 Gw. 1887: Elk besluit der Staten tot het invoeren, wijzigen of afschaffen van eene provinciale belasting, behoeft de goedkeuring des Konings.
De wet geeft algemeene regels ten aanzien van de provinciale belastingen.
Deze belastingen mogen den doorvoer, den uitvoer naar en den invoer uit andere provincien niet belemmeren (art. 138 Gw. 1938; art. 145 Gw. 1953).
Art. 137 Gw. 1887: De begrooting der provinciale inkomsten en uitgaven, jaarlijks door de Staten op te maken, behoeft de goedkeuring des Konings.
De wet regelt het vaststellen van de provinciale rekening.;
Art. 145 Gw. 1956: Elk besluit der Staten tot het invoeren, wijzigen of afschaffen van een provinciale belasting, behoeft de goedkeuring des Konings.
De wet kan bepalen, dat ook andere besluiten volgens door haar te stellen regels aan de goedkeuring des Konings zijn onderworpen; de goedkeuring van deze besluiten kan niet worden geweigerd dan bij een met redenen omkleed besluit, de Raad van State gehoord.
De wet geeft algemene regels ten aanzien van de provinciale belastingen.
Deze belastingen mogen de doorvoer, de uitvoer naar en de invoer uit andere provinciën niet belemmeren.
 
Zesde lid (gemeenten):
 
Art. 96, eerste en derde lid, Gw. 1814: Voor zooverre, tot goedmaking der plaatselijke uitgaven, boven de gewone inkomsten, eenige belastingen mogten noodig zijn, gedragen dezelve besturen zich stiptelijk naar hetgeen deswege bij de algemeene financiële wetten, ordonnancien en bepalingen is vastgesteld.
Bij het onderzoek daarvan houden de Staten ook bijzonderlijk in het oog, dat de voorgedragen belastingen nimmer bezwaren den vrijen invoer en doorvoer van producten van den grond of voortbrengsels van industrie van andere Provincien, Steden of Plaatsen boven die van de Plaats zelve, waar de belasting gelegd wordt.
Art. 157, eerste en derde lid, Gw. 1815: Voor zoo verre tot goedmaking der plaatselijke uitgaven eenige belastingen mogten noodig zijn, gedragen dezelve besturen zich stiptelijk naar hetgeen deswege bij de algemeene financiële wetten, ordonnantiën en bepalingen is vastgesteld.
Bij het onderzoek daarvan, houden de Staten ook bijzonderlijk in het oog, dat de voorgedragene belastingen nimmer bezwaren den vrijen invoer en doorvoer van producten van den grond of voortbrengsels van nijverheid van andere Provincien, steden of plaatsen, boven die van de plaats zelve waar de belasting gelegd wordt (art. 155, eerste en derde lid, Gw. 1840).
Art. 142 Gw. 1848: Het besluit van een gemeentebestuur tot het invoeren, wijzigen of afschaffen eener plaatselijke belasting, wordt voorgedragen aan de Staten zijner provincie, die daarvan verslag doen aan den Koning, zonder wiens goedkeuring daaraan geen gevolg mag worden gegeven.
De wet geeft algemeene regels ten aanzien der plaatselijke belastingen.
Zij mogen den doorvoer, en den uitvoer naar en invoer uit andere gemeenten niet belemmeren (art. 147 Gw. 1887, behoudens dat i.p.v. `Staten zijner provincie' gelezen wordt `Gedeputeerde Staten').
Art. 147 Gw. 1922: De besluiten der gemeentebesturen rakende het invoeren, wijzigen of afschaffen van eene plaatselijke belasting behoeven de goedkeuring des Konings.
De wet geeft algemeene regels ten aanzien der plaatselijke belastingen.
Deze belastingen mogen den doorvoer, den uitvoer naar en den invoer uit andere gemeenten niet belemmeren (art. 149 Gw. 1938; art. 156 Gw. 1953).
    

Noten

  1. Zie voor een uitgebreide bespreking van deze geschiedenis W. van der Woude, Financiële controle in het gemeenterecht. Een juridisch onderzoek naar de ‘dualisering van de financiële functie’, Kluwer – Deventer, 2011, p. 12 e.v.
  2. Zie hoofdstuk V van zowel de Provincie- als de Gemeentewet, alsmede artikel 152 Provinciewet respectievelijk 156 Gemeentewet.
  3. Zie voor de praktijk van vóór de dualisering rondom decentrale rekenkamers: A.J. Bultena, B. Thomas e.a., Onderzoekscommissies en Rekenkamercommissies in gemeente en provincie, SOG-brochurereeks nr. 8, Universteitsdrukkerij Groningen, 1999.
  4. Zie ook S.E. Zijlstra, R.J.M.H. de Greef & S.A.J. Munneke, Binnengemeentelijke decentralisatie na afschaffing van de deelgemeenten en deelgemeentebesturen. (Adviesrapport). Amsterdam: Vrije Universiteit 2012.
  5. Wet van 3 februari 2005, Stb. 2005/71.
  6. Zie voor deze praktijk A.H.M. Dölle, Het labyrint van het lokale referendum, in: Gst. 2007, 15.
  7. Het lijkt erop dat, ondanks het uitgangspunt van de gedecentraliseerde eenheidsstaat, er in ‘Haagse’ kringen weinig animo bestaat de verhouding tussen de centrale overheid en de decentrale overheden te beschouwen als een hiërarchische. Zie bijvoorbeeld TK 32389 nr. 3, p. 2. Zijlstra spreekt wel van een hiërarchische relatie, zie S.E. Zijlstra, Bestuurlijk organisatierecht, Kluwer, Deventer 2009, p. 64.
  8. A.H.M. Dölle en D.J. Elzinga, Handboek van het Nederlandse gemeenterecht, W.E.J. Tjeenk Willink, Deventer, derde druk, 2004, p. 688.
  9. Er bestaat discussie over de vraag of indeplaatsstellingsregeling een vorm van positief toezicht is. Gelet op de etymologie van het woord positief (‘hetgeen gesteld is’), lijkt de stelling verdedigbaar dat zulks zonder meer het geval is. Anders A.H.M. Dölle en D.J. Elzinga, Handboek van het Nederlandse gemeenterecht, W.E.J. Tjeenk Willink, Deventer, derde druk, 2004 en weer anders R. Kegge, Interbestuurlijk toezicht in de ruimtelijke ordening. Een juridisch onderzoek naar het nut en de noodzaak van de reactieve aanwijzing als toezichtinstrument in de ruimtelijke ordening, Stichting Instituut voor Bouwrecht 2015, p. 200. Nu aan het gebruik van de term geen (rechts)gevolgen verbonden zijn, maakt het uiteindelijk niet uit voor welke ‘leer’ gekozen wordt.
  10. Het is overigens de vraag in hoeverre het derde lid ten aanzien van voorafgaand toezicht überhaupt waarborgen toevoegt aan het tweede lid. Zie daarvoor paragraaf 4.
  11. Commissie Doorlichting Interbestuurlijke Toezichtsarrangementen, Van specifiek naar generiek. Doorlichting en beoordeling van interbestuurlijke toezichtsarrangementen, Den Haag Koninklijke Broese & Peereboom, Breda 2007.
  12. Wet van 24 mei 2012, Stb. 2012/233.
  13. Kamerstukken II, 1975-1976, 13990 nr. 2, artikel 7.9.
  14. Kamerstukken II, 1976-1977, 13990 nr. 5, p. 58.
  15. Kamerstukken II, 1978-1979, 13990 nr. 23. Zie voor een uitgebreide bespreking van de parlementaire geschiedenis vooral M.A.D.W. de Jong, Toezicht, in: P.P.T. Bovend’Eert e.a., Constitutionele normen en decentralisatie. Een evaluatie van Hoofdstuk 7 Grondwet, Kluwer – Deventer 2011.
  16. Artikel 10:27 Awb beantwoordt deze vraag voor goedkeuringsregimes als volgt: “De goedkeuring kan slechts worden onthouden wegens strijd met het recht of op een grond, neergelegd in de wet waarin of krachtens welke de goedkeuring is voorgeschreven”.
  17. De bepalingen uit de Awb die betrekking hebben op de vernietiging (en overigens ook schorsing) van besluiten worden in de tweede leden van deze bepalingen van overeenkomstige toepassing verklaard op vernietiging (en schorsing) van deze niet-schriftelijke beslissingen.
  18. Zie voor de drie vernietigingen tussen 2000 en 2004 R.J.M.H. de Greef, Inventarisatie spontane vernietigingsbesluiten van de Kroon 1993 – 2004, in: Gst. 2006/55. De acht vernietigingen in de jaren daarna kunnen de vernietigingsbesluiten worden gevonden via het Staatsblad. Het betreft: Besluit van 10 mei 2005, Stb. 2005/270 (gemeente Lelystad) Besluit van 1 november 2006, Stb. 2006/572 (gemeente Oirschot) Besluit van 1 november 2006, Stb. 2006/573 (Gorinchem) Besluit van 12 december 2006, Stb. 2006/692 (gemeente Limburg). Besluit van 20 november 2006, Stb. 2006/615 (gemeente Amsterdam) Besluit van 31 oktober 2008, Stb. 2008/443 (meerdere decentrale overheden (Landsbanki)) Besluit van 22 maart 2010, Stb. 2010/138 (gemeente Westland) Besluit van 25 maart 2011, Stb. 2011/154 (wederom gemeente Westland)
  19. Kamerstukken II, 2009-2010, 32389 nr. 3, p. 20.
  20. Zie J. Th. J. van den Berg, De strenge blik van Europa. Kritische stemmen uit Straatsburg over de lokale democratie in Nederland, in: Representatie: de internationale ervaring, Jaarboek van de Vereniging van Griffiers 2006, Sdu 2006, p. 56-57.
  21. Besluit van 22 maart 2010, Stb. 2010/138 (gemeente Westland) en Besluit van 25 maart 2011, Stb. 2011/154 (wederom gemeente Westland).
  22. Besluit van 10 mei 2005, Stb. 2005/270 (Lelystad); Besluit van 1 november 2006, Stb. 2006/572 (Oirschot); Besluit van 1 november 2006, Stb. 2006/573 (Gorinchem) en het Besluit van 12 december 2006, Stb. 2006/692 (Limburg).
  23. Besluit van 20 november 2006, Stb. 2006/615 (Amsterdam) en het Besluit van 31 oktober 2008, Stb. 2008/443 (meerdere decentrale overheden (Landsbanki)).
  24. Vernietigingen van besluiten hebben te gelden als beschikking in de zin van de Awb. Voor de vernietiging van niet-schriftelijke beslissingen wordt de beroepsmogelijkheid van overeenkomstige toepassing verklaard in de artikelen 274a Provinciewet en 281a Gemeentewet.
  25. Zie Rb ’s-Gravenhage (kg) 23 december 2005, LJN AU8652 (Haarlemmermeer).
  26. ABRvS 22 april 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BI1842 (Landsbanki).
  27. Omdat in deze volzin geen onderscheid wordt gemaakt tussen autonomie en medebewind, kunnen dergelijke regelingen in beide situaties gelden. Aangezien in medebewind ook al eerder kan worden ingegrepen, heeft de tweede volzin echter vooral betekenis bij autonome gemeentelijke taakvervulling.
  28. Het ging daarbij om de gemeenten Opsterland en Weststellingwerf (1895), Beerta (1933), nogmaals Opsterland (1946) en Finsterwolde (1951). Zie voor een uitgebreide bespreking W. Konijnenbelt, De heerschappij van de gemeenteraad, VUGA-Boekerij, tweede druk 1978, p. 8-10 en A.H.M. Dölle en D.J. Elzinga, Handboek van het Nederlandse gemeenterecht, W.E.J. Tjeenk Willink, Deventer, derde druk, 2004, p. 732-733.
  29. Alsmede voor indemniteitsbesluiten, maar deze worden hieronder verder buiten beschouwing gelaten.
  30. Het is immers geen krachtens een andere wet dan de Provinciewet of Gemeentewet gevorderde beslissing.
  31. Zie vooral W. van der Woude, Financiële controle in het gemeenterecht. Een juridisch onderzoek naar de ‘dualisering van de financiële functie’, Kluwer – Deventer, 2011, p. 151-153.
  32. Zie vooral W. van der Woude, Financiële controle in het gemeenterecht. Een juridisch onderzoek naar de ‘dualisering van de financiële functie’, Kluwer – Deventer, 2011, p. 253 e.v.
  33. Zie ten aanzien van de Wet NErpe vooral C. de Kruif, De Wet Naleving Europese regelgeving publieke entiteiten: ongrondwettig?, in: NJB afl. 2011/6.
  34. Te raadplegen via https://www.rijksoverheid.nl/documenten/beleidsnota-s/2011/03/08/algemeen-beleidskader-indeplaatsstelling-bij-taakverwaarlozing.
  35. Zie hierover vooral J.L.W. Broeksteeg, De gemeentelijke financiële autonomie, in: P.P.T. Bovend’Eert e.a., Constitutionele normen en decentralisatie. Een evaluatie van Hoofdstuk 7 Grondwet, Kluwer – Deventer 2011.
  36. De plaatsing van deze bevoegdheid in de Provincie- respectievelijk Gemeentewet lijkt deze veronderstelling te bevestigen (zie ook het commentaar bij artikel 124 Grondwet). Zie verder ook J.W.M. Engels, Lokaal bestuur en financiële autonomie, in: Gst. 2007/39.
  37. Zo ook R. Nehmelman, De Staat achter de dijken, Universiteit Utrecht, 2015, p. 19 e.v.
  38. Rb ‘s-Gravenhage 18 april 2007, ECLI:NL:RBSGR:2007:BA3438.
  39. Hof ‘s-Gravenhage 10 juli 2008, zaaknummer 105.005.799/01 (niet gepubliceerd).
  40. In tegenstelling tot het gerechtshof brengt de rechtbank dit expliciet in verband met artikel 94 Grondwet. De rechtbank gaat er daarmee van uit dat artikel 9, derde lid EHLA niet ‘eenieder verbindend’ is.
  41. Zie de Kennisbank Openbaar Bestuur, raadpleegbaar via http://kennisopenbaarbestuur.nl/thema/inkomsten-van-gemeenten. Gemeenten hadden in 2013 ook andere mogelijkheden om inkomsten te verwerven. Zo haalden gemeenten in 2013 in het totaal voor € 5,6 miljard op aan de exploitatie van (bouw)grond en wisten ze € 10,7 miljard te verwerven uit overige middelen (onder meer de verkoop van goederen en diensten, rente, de opbrengsten uit huur- en pachtovereenkomsten en subsidies). Deze inkomsten zijn in het geheel niet grondwettelijk gereguleerd.
  42. Zie ook de algemene inleiding bij dit hoofdstuk van de Grondwet.

 

  • Citeer
    Citeer suggestie
    W. van der Woude, Commentaar op artikel 132 van de Grondwet, in: E.M.H. Hirsch Ballin en G. Leenknegt (red.), Artikelsgewijs commentaar op de Grondwet, webeditie 2017 (www.Nederlandrechtsstaat.nl).
  • Deel
  • PDF
  • Terug
MEER OVER DIT ONDERWERP
THEMA IN HET KORT
ACHTER-GRONDEN
Reageer!
Thema in het kort

Inrichting, samenstelling, bevoegdheid decentrale besturen

enmerkend voor onze gedecentraliseerde eenheidsstaat zijn de mechanismen waarmee de rijksoverheid de eenheid van haar beleid bewaakt tegenover de decentrale besturen.
 
Om te beginnen worden de inrichting, samenstelling en bevoegdheden van de provinciale en gemeentelijke besturen door de wetgever geregeld. Verder zijn er vormen van bestuurlijk toezicht. Besluiten van decentrale besturen kunnen te allen tijde door de regering worden vernietigd of geschorst wanneer ze in strijd zijn met het recht of het algemeen belang – het zogenoemde repressief toezicht. Soms bepaalt de wetgever dat een provinciaal of gemeentelijk bestuursorgaan pas een besluit kan nemen na de instemming van een ander, hoger bestuur te hebben verkregen – het preventief toezicht. Ook provinciale staten kunnen, wanneer de wetgever dat mogelijk maakt, gemeentelijke besluiten aan preventief toezicht onderwerpen. Verder is er een voorziening voor het geval decentrale besturen in gebreke blijven, dat wil zeggen: geen besluiten nemen of regels vaststellen, terwijl dat wel zou moeten – een taakverwaarlozingsregeling. Op deze wijze worden de verschillende bestuurslagen nauw met elkaar verweven.
 
Ten slotte dient de wetgever de heffing van belastingen door decentrale besturen en de financiële verhoudingen tussen decentrale besturen en de rijksoverheid te regelen. Provinciale en gemeentelijke belastingen vormen een belangrijke bron van inkomsten voor deze besturen; daarnaast ontvangen zij algemene en specifieke uitkeringen van het rijk.

Plaats Uw Reactie

*Verplicht invulveld straks zijn alleen uw naam en reactie zichtbaar.

Er kan enige tijd overheengan tot uw reactie zichtbaar is.

Reageer!

Inrichting, samenstelling, bevoegdheid decentrale besturen

0 reacties
Klassieke uitspraken
Recente Recht- spraak
Politiek
Klassieke uitspraken

Inrichting, samenstelling, bevoegdheid decentrale besturen

Over dit artikel zijn ons geen belangrijke en ‘klassieke’ rechterlijke uitspraken bekend.
Recente rechtspraak

Inrichting, samenstelling, bevoegdheid decentrale besturen

Recente uitspraken

Hier leest u de recente uitspraken over artikel 132 van de Grondwet


Westland

ABRvS 02-03-2011
De Kroon (de regering) mag een vrijstellingsbesluit op een verbod op zondagsopstelling vernietigen. 
Politiek

Inrichting, samenstelling, bevoegdheid decentrale besturen

Video
Blogs
IN DE WERELD
Blogs

Inrichting, samenstelling, bevoegdheid decentrale besturen

In de wereld

Inrichting, samenstelling, bevoegdheid decentrale besturen