CATEGORIE
  • CATEGORIE
  • Adviesorganen
  • Burgerrechten
  • Decentralisatie
  • Eigendom
  • Gelijkheid
  • Godsdienst en levensovertuiging
  • Grondwetsherziening
  • Internationale rechtsorde
  • Privacy
  • Rechtspleging
  • Rechtspraak
  • Regering, Koning
  • Sociale rechtsstaat
  • Staten-Generaal
  • Uitingsrechten
  • Wetgeving en bestuur
AUTEUR
  • AUTEUR
  • G. Leenknegt
  • A.A.L. Beers & J.C.A. de Poorter
  • A.A.L. Beers en K.T. Meijer
  • B.C. van Beers
  • B.M.J. van der Meulen
  • B.P. Vermeulen
  • B.W.N. de Waard
  • D. Mentink, B.P. Vermeulen & P.J.J. Zoontjens
  • E.J. Janse de Jonge
  • E.J. Koops
  • E.M.H. Hirsch Ballin
  • F. Fleurke
  • F.C.M.A. Michiels
  • F.M.C. Vlemminx
  • F.M.C. Vlemminx en A.C.M. Meuwese
  • G. Boogaard
  • G. Boogaard en J. Uzman
  • G. Leenknegt
  • G. Overkleeft-Verburg
  • G. van der Schyff en B.M.J. van der Meulen
  • J. Kiewiet en G.F.M. van der Tang †
  • J. Uzman
  • J. Uzman en G. Boogaard
  • J.C.A. de Poorter
  • J.L.M. Gribnau en M.R.T Pauwels
  • J.M. van Schooten, G. Leenknegt & M. Adams
  • J.W.A. Fleuren
  • K.T. Meijer
  • M. Adams
  • Mijke Houwerzijl & Nuna Zekic
  • Mijke Houwerzijl en Frank Vlemminx
  • P. Jacobs
  • S. Daniëls
  • S. Jellinghaus en E. Huisman
  • S.C. van Bijsterveld
  • S.C. van Bijsterveld en B.P. Vermeulen
  • S.S. Buisman & S.B.G. Kierkels
  • T. Kooijmans
  • T. Peters
  • W. van der Woude
  • W.J.M. Voermans
ARTIKEL
  • ARTIKEL
  • Artikel 1  Gelijke behandeling
  • Artikel 2  Nederlandschap en vreemdelingen
  • Artikel 3  Gelijke benoembaarheid
  • Artikel 4  Kiesrecht
  • Artikel 5  Petitierecht
  • Artikel 6  Vrijheid van godsdienst en levensovertuiging
  • Artikel 7  Vrijheid van meningsuiting
  • Artikel 8  Recht tot vereniging
  • Artikel 9  Recht tot vergadering en betoging
  • Artikel 10  Eerbiediging en bescherming persoonlijke levenssfeer
  • Artikel 11  Onaantastbaarheid van het lichaam
  • Artikel 12  Binnentreden woning
  • Artikel 13  Vertrouwelijke communicatie
  • Artikel 14  Onteigening
  • Artikel 15  Vrijheidsontneming
  • Artikel 16  Nulla poena
  • Artikel 17  Wettelijk toegekende rechter
  • Artikel 18  Rechtsbijstand
  • Artikel 19  Werkgelegenheid en arbeidskeuze
  • Artikel 20  Bestaanszekerheid
  • Artikel 21  Milieubescherming
  • Artikel 22  Volksgezondheid en woongelegenheid
  • Artikel 23  Onderwijs
  • Artikel 24  Koningschap
  • Artikel 25  Erfopvolging
  • Artikel 26  Status ongeboren kind Koning
  • Artikel 27  Afstand koningschap
  • Artikel 28  Afstand koningschap door huwelijk
  • Artikel 29  Uitsluiting troonopvolging
  • Artikel 30  Benoemde Koning
  • Artikel 31  Erfopvolging benoemde koning
  • Artikel 32  Inhuldiging Koning
  • Artikel 33  Koningschap en meerderjarigheid
  • Artikel 34  Ouderlijk gezag minderjarige Koning
  • Artikel 35  Buiten staat verklaring
  • Artikel 36  Tijdelijke neerlegging koninklijk gezag
  • Artikel 37  Uitoefening koninklijk gezag door regent
  • Artikel 38  Uitoefening koninklijk gezag door RvS
  • Artikel 39  Lidmaatschap koninklijk huis
  • Artikel 40  Uitkering koninklijk huis
  • Artikel 41  Inrichting huis Koning
  • Artikel 42  Ministeriële verantwoordelijkheid
  • Artikel 43  Regering en ministers
  • Artikel 44  Ministeries
  • Artikel 45  Ministerraad
  • Artikel 46  Staatssecretarissen
  • Artikel 47  Ondertekening en contraseign
  • Artikel 48  Ontslag en benoeming ministers
  • Artikel 49  Ambtseed minister en staatssecretaris
  • Artikel 50  Vertegenwoordiging
  • Artikel 51  Eerste en Tweede Kamer
  • Artikel 52  Zittingsduur
  • Artikel 53  Evenredige vertegenwoordiging
  • Artikel 54  Verkiezing Tweede Kamer
  • Artikel 55  Verkiezing Eerste Kamer
  • Artikel 56  Vereisten voor lidmaatschap
  • Artikel 57  Incompatibiliteiten
  • Artikel 57a  Zwangerschap en ziekte
  • Artikel 58  Geloofsbrieven
  • Artikel 59  Kiesrecht en verkiezingen
  • Artikel 60  Ambtsaanvaarding
  • Artikel 61  Voorzitter en griffier
  • Artikel 62  Verenigde vergadering
  • Artikel 63  Geldelijke voorzieningen
  • Artikel 64  Ontbinding Kamers
  • Artikel 65  Troonrede
  • Artikel 66  Openbaarheid vergaderingen
  • Artikel 67  Quorum
  • Artikel 68  Inlichtingenplicht bewindslieden
  • Artikel 69  Aanwezigheid bewindslieden
  • Artikel 70  Recht van enquête
  • Artikel 71  Parlementaire onschendbaarheid
  • Artikel 72  Reglement van orde
  • Artikel 73  Taak Raad van State
  • Artikel 74  Rechtspositie leden
  • Artikel 75  Inrichting, samenstelling, bevoegdheid Raad van State
  • Artikel 76  Algemene rekenkamer
  • Artikel 77  Rechtpositie leden rekenkamer
  • Artikel 78  Inrichting, samenstelling, bevoegdheid Rekenkamer
  • Artikel 78a  Nationale ombudsman
  • Artikel 79  Vaste colleges van advies
  • Artikel 80  Openbaarmaking advies
  • Artikel 81  Wetgevende macht
  • Artikel 82  Indienen wetsvoorstel
  • Artikel 83  Toezending wetsvoorstel TK
  • Artikel 84  Wijziging wetsvoorstel
  • Artikel 85  Toezending wetsvoorstel EK
  • Artikel 86  Intrekking wetsvoorstel
  • Artikel 87  Aanneming en bekrachtiging
  • Artikel 88  Bekendmaking en inwerkingtreding
  • Artikel 89  Algemene maatregel van bestuur
  • Artikel 90  Bevordering internationale rechtsorde
  • Artikel 91  Goedkeuring verdrag
  • Artikel 92  Bevoegdheden volkenrechtelijke organisaties
  • Artikel 93  Verbindende kracht verdrag
  • Artikel 94  Verdrag boven wet
  • Artikel 95  Bekendmaking verdrag
  • Artikel 96  Oorlogsverklaring
  • Artikel 97  Krijgsmacht
  • Artikel 98  Samenstelling krijgsmacht
  • Artikel 99  Gewetensbezwaren militaire dienst
  • Artikel 99a  Civiele verdediging
  • Artikel 100  Inlichtingen over krijgsmacht
  • Artikel 101  [vervallen]
  • Artikel 102  [vervallen]
  • Artikel 103  Uitzonderingstoestand
  • Artikel 104  Belastingheffing
  • Artikel 105  Recht van begroting
  • Artikel 106  Geldstelsel
  • Artikel 107  Codificatie
  • Artikel 108  [vervallen]
  • Artikel 109  Rechtspositie ambtenaren
  • Artikel 110  Openbaarheid van bestuur
  • Artikel 111  Ridderorden
  • Artikel 112  Civiele en administratieve rechtspraak
  • Artikel 113  Strafrechtspraak
  • Artikel 114  Doodstraf
  • Artikel 115  Administratief beroep
  • Artikel 116  Rechterlijke macht
  • Artikel 117  Rechtspositie leden rechterlijke macht
  • Artikel 118  Hoge Raad
  • Artikel 119  Ambtsmisdrijven
  • Artikel 120  Toetsingsverbod
  • Artikel 121  Openbaarheid terechtzittingen
  • Artikel 122  Gratie
  • Artikel 123  Instelling provincies en gemeenten
  • Artikel 124  Autonomie en medebewind
  • Artikel 125  Organen decentrale besturen
  • Artikel 126  Ambtsinstructie commissaris koning
  • Artikel 127  Vaststelling verordening
  • Artikel 128  Toekenning bevoegdheden
  • Artikel 129  Verkiezing vertegenwoordigend orgaan
  • Artikel 130  Kiesrecht gemeenteraad niet-Nederlanders
  • Artikel 131  Benoeming commissaris Koning
  • Artikel 132  Inrichting, samenstelling, bevoegdheid decentrale besturen
  • Artikel 133  Waterschappen
  • Artikel 134  Publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie
  • Artikel 135  Gemeenschappelijke regelingen
  • Artikel 136  Geschillen
  • Artikel 137  Grondwetswijziging
  • Artikel 138  Aanpassing niet gewijzigde bepalingen
  • Artikel 139  Bekendmaking en inwerkingtreding
  • Artikel 140  Handhaving bestaande regelgeving
  • Artikel 141  Bekendmaking herziene Grondwet
  • Artikel 142  Aanpassing Grondwet aan Statuut
  • Artikel IX - Berechting van misdrijven in oorlogstijd
  • Artikel XIX - Afkondigingsformulier
HOOFDSTUK
  • HOOFDSTUK
  • Hoofdstuk 1  Grondrechten
  • Hoofdstuk 2  Regering
  • Hoofdstuk 3  Staten-Generaal
  • Hoofdstuk 4  Adviesorganen
  • Hoofdstuk 5  Wetgeving en bestuur
  • Hoofdstuk 6  Rechtspraak
  • Hoofdstuk 7  Decentralisatie
  • Hoofdstuk 8  Herziening grondwet
  • Additionele artikelen

DE GRONDWET

HOOFDSTUK 1

Grondrechten

INLEIDING

Artikel 1 - Gelijke behandeling

Allen die zich in Nederland bevinden, worden in gelijke gevallen gelijk behandeld. Discriminatie wegens godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht of op welke grond dan ook, is niet toegestaan.

Artikel 2 - Nederlandschap en vreemdelingen

  1. De wet regelt wie Nederlander is.
  2. De wet regelt de toelating en de uitzetting van vreemdelingen.
  3. Uitlevering kan slechts geschieden krachtens verdrag. Verdere voorschriften omtrent uitlevering worden bij de wet gegeven.
  4. Ieder heeft het recht het land te verlaten, behoudens in de gevallen, bij de wet bepaald.

Artikel 3 - Gelijke benoembaarheid

Alle Nederlanders zijn op gelijke voet in openbare dienst benoembaar.

Artikel 4 - Kiesrecht

Iedere Nederlander heeft gelijkelijk recht de leden van algemeen vertegenwoordigende organen te verkiezen alsmede tot lid van deze organen te worden verkozen, behoudens bij de wet gestelde beperkingen en uitzonderingen.

Artikel 5 - Petitierecht

Ieder heeft het recht verzoeken schriftelijk bij het bevoegd gezag in te dienen.

Artikel 6 - Vrijheid van godsdienst en levensovertuiging

  1. Ieder heeft het recht zijn godsdienst of levensovertuiging, individueel of in gemeenschap met anderen, vrij te belijden, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet.
  2. De wet kan ter zake van de uitoefening van dit recht buiten gebouwen en besloten plaatsen regels stellen ter bescherming van de gezondheid, in het belang van het verkeer en ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden.

Artikel 7 - Vrijheid van meningsuiting

  1. Niemand heeft voorafgaand verlof nodig om door de drukpers gedachten of gevoelens te openbaren, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet.
  2. De wet stelt regels omtrent radio en televisie. Er is geen voorafgaand toezicht op de inhoud van een radio- of televisieuitzending.
  3. Voor het openbaren van gedachten of gevoelens door andere dan in de voorgaande leden genoemde middelen heeft niemand voorafgaand verlof nodig wegens de inhoud daarvan, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet. De wet kan het geven van vertoningen toegankelijk voor personen jonger dan zestien jaar regelen ter bescherming van de goede zeden.
  4. De voorgaande leden zijn niet van toepassing op het maken van handelsreclame.

Artikel 8 - Recht tot vereniging

Het recht tot vereniging wordt erkend. Bij de wet kan dit recht worden beperkt in het belang van de openbare orde.

Artikel 9 - Recht tot vergadering en betoging

  1. Het recht tot vergadering en betoging wordt erkend, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet.
  2. De wet kan regels stellen ter bescherming van de gezondheid, in het belang van het verkeer en ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden.

Artikel 10 - Eerbiediging en bescherming persoonlijke levenssfeer

  1. Ieder heeft, behoudens bij of krachtens de wet te stellen beperkingen, recht op eerbiediging van zijn persoonlijke levenssfeer.
  2. De wet stelt regels ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer in verband met het vastleggen en verstrekken van persoonsgegevens.
  3. De wet stelt regels inzake de aanspraken van personen op kennisneming van over hen vastgelegde gegevens en van het gebruik dat daarvan wordt gemaakt, alsmede op verbetering van zodanige gegevens.

Artikel 11 - Onaantastbaarheid van het lichaam

Ieder heeft, behoudens bij of krachtens de wet te stellen beperkingen, recht op onaantastbaarheid van zijn lichaam.

Artikel 12 - Binnentreden woning

  1. Het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner is alleen geoorloofd in de gevallen bij of krachtens de wet bepaald, door hen die daartoe bij of krachtens de wet zijn aangewezen.
  2. Voor het binnentreden overeenkomstig het eerste lid zijn voorafgaande legitimatie en mededeling van het doel van het binnentreden vereist, behoudens bij de wet gestelde uitzonderingen.
  3. Aan de bewoner wordt zo spoedig mogelijk een schriftelijk verslag van het binnentreden verstrekt. Indien het binnentreden in het belang van de nationale veiligheid of dat van de strafvordering heeft plaatsgevonden, kan volgens bij de wet te stellen regels de verstrekking van het verslag worden uitgesteld. In de bij de wet te bepalen gevallen kan de verstrekking achterwege worden gelaten, indien het belang van de nationale veiligheid zich tegen verstrekking blijvend verzet.

Artikel 13 - Vertrouwelijke communicatie

  1. Het briefgeheim is onschendbaar, behalve, in de gevallen bij de wet bepaald, op last van de rechter.
  2. Het telefoon- en telegraafgeheim is onschendbaar, behalve, in de gevallen bij de wet bepaald, door of met machtiging van hen die daartoe bij de wet zijn aangewezen.

Artikel 14 - Onteigening

  1. Onteigening kan alleen geschieden in het algemeen belang en tegen vooraf verzekerde schadeloosstelling, een en ander naar bij of krachtens de wet te stellen voorschriften.
  2. De schadeloosstelling behoeft niet vooraf verzekerd te zijn, wanneer in geval van nood onverwijld onteigening geboden is.
  3. In de gevallen bij of krachtens de wet bepaald bestaat recht op schadeloosstelling of tegemoetkoming in de schade, indien in het algemeen belang eigendom door het bevoegd gezag wordt vernietigd of onbruikbaar gemaakt of de uitoefening van het eigendomsrecht wordt beperkt.

Artikel 15 - Vrijheidsontneming

  1. Buiten de gevallen bij of krachtens de wet bepaald mag niemand zijn vrijheid worden ontnomen.
  2. Hij aan wie anders dan op rechterlijk bevel zijn vrijheid is ontnomen, kan aan de rechter zijn invrijheidstelling verzoeken. Hij wordt in dat geval door de rechter gehoord binnen een bij de wet te bepalen termijn. De rechter gelast de onmiddellijke invrijheidstelling, indien hij de vrijheidsontneming onrechtmatig oordeelt.
  3. De berechting van hem aan wie met het oog daarop zijn vrijheid is ontnomen, vindt binnen een redelijke termijn plaats.
  4. Hij aan wie rechtmatig zijn vrijheid is ontnomen, kan worden beperkt in de uitoefening van grondrechten voor zover deze zich niet met de vrijheidsontneming verdraagt.

Artikel 16 - Nulla poena

Geen feit is strafbaar dan uit kracht van een daaraan voorafgegane wettelijke strafbepaling.

Artikel 17 - Wettelijk toegekende rechter

Niemand kan tegen zijn wil worden afgehouden van de rechter die de wet hem toekent.

Artikel 18 - Rechtsbijstand

  1. Ieder kan zich in rechte en in administratief beroep doen bijstaan.
  2. De wet stelt regels omtrent het verlenen van rechtsbijstand aan minder draagkrachtigen.

Artikel 19 - Werkgelegenheid en arbeidskeuze

  1. Bevordering van voldoende werkgelegenheid is voorwerp van zorg der overheid.
  2. De wet stelt regels omtrent de rechtspositie van hen die arbeid verrichten en omtrent hun bescherming daarbij, alsmede omtrent medezeggenschap.
  3. Het recht van iedere Nederlander op vrije keuze van arbeid wordt erkend, behoudens de beperkingen bij of krachtens de wet gesteld.

Artikel 20 - Bestaanszekerheid

  1. De bestaanszekerheid der bevolking en spreiding van welvaart zijn voorwerp van zorg der overheid.
  2. De wet stelt regels omtrent de aanspraken op sociale zekerheid.
  3. Nederlanders hier te lande, die niet in het bestaan kunnen voorzien, hebben een bij de wet te regelen recht op bijstand van overheidswege.

Artikel 21 - Milieubescherming

De zorg van de overheid is gericht op de bewoonbaarheid van het land en de bescherming en verbetering van het leefmilieu.

Artikel 22 - Volksgezondheid en woongelegenheid

  1. De overheid treft maatregelen ter bevordering van de volksgezondheid.
  2. Bevordering van voldoende woongelegenheid is voorwerp van zorg der overheid.
  3. Zij schept voorwaarden voor maatschappelijke en culturele ontplooiing en voor vrijetijdsbesteding.

Artikel 23 - Onderwijs

  1. Het onderwijs is een voorwerp van de aanhoudende zorg der regering.
  2. Het geven van onderwijs is vrij, behoudens het toezicht van de overheid en, voor wat bij de wet aangewezen vormen van onderwijs betreft, het onderzoek naar de bekwaamheid en de zedelijkheid van hen die onderwijs geven, een en ander bij de wet te regelen.
  3. Het openbaar onderwijs wordt, met eerbiediging van ieders godsdienst of levensovertuiging, bij de wet geregeld.
  4. In elke gemeente wordt van overheidswege voldoend openbaar algemeen vormend lager onderwijs gegeven in een genoegzaam aantal openbare scholen. Volgens bij de wet te stellen regels kan afwijking van deze bepaling worden toegelaten, mits tot het ontvangen van zodanig onderwijs gelegenheid wordt gegeven, al dan niet in een openbare school.
  5. De eisen van deugdelijkheid, aan het geheel of ten dele uit de openbare kas te bekostigen onderwijs te stellen, worden bij de wet geregeld, met inachtneming, voor zover het bijzonder onderwijs betreft, van de vrijheid van richting.
  6. Deze eisen worden voor het algemeen vormend lager onderwijs zodanig geregeld, dat de deugdelijkheid van het geheel uit de openbare kas bekostigd bijzonder onderwijs en van het openbaar onderwijs even afdoende wordt gewaarborgd. Bij die regeling wordt met name de vrijheid van het bijzonder onderwijs betreffende de keuze der leermiddelen en de aanstelling der onderwijzers geëerbiedigd.
  7. Het bijzonder algemeen vormend lager onderwijs, dat aan de bij de wet te stellen voorwaarden voldoet, wordt naar dezelfde maatstaf als het openbaar onderwijs uit de openbare kas bekostigd. De wet stelt de voorwaarden vast, waarop voor het bijzonder algemeen vormend middelbaar en voorbereidend hoger onderwijs bijdragen uit de openbare kas worden verleend.
  8. De regering doet jaarlijks van de staat van het onderwijs verslag aan de Staten-Generaal.
HOOFDSTUK 2

Regering INLEIDING

Artikel 24 - Koningschap

Het koningschap wordt erfelijk vervuld door de wettige opvolgers van Koning Willem I, Prins van Oranje-Nassau.

Artikel 25 - Erfopvolging

Het koningschap gaat bij overlijden van de Koning krachtens erfopvolging over op zijn wettige nakomelingen, waarbij het oudste kind voorrang heeft, met plaatsvervulling volgens dezelfde regel. Bij gebreke van eigen nakomelingen gaat het koningschap op gelijke wijze over op de wettige nakomelingen eerst van zijn ouder, dan van zijn grootouder, in de lijn van erfopvolging, voor zover de overleden Koning niet verder bestaand dan in de derde graad van bloedverwantschap.

Artikel 26 - Status ongeboren kind Koning

Het kind, waarvan een vrouw zwanger is op het ogenblik van het overlijden van de Koning, wordt voor de erfopvolging als reeds geboren aangemerkt. Komt het dood ter wereld, dan wordt het geacht nooit te hebben bestaan.

Artikel 27 - Afstand koningschap

Afstand van het koningschap leidt tot erfopvolging overeenkomstig de regels in de voorgaande artikelen gesteld. Na de afstand geboren kinderen en hun nakomelingen zijn van de erfopvolging uitgesloten.

Artikel 28 - Afstand koningschap door huwelijk

  1. De Koning, een huwelijk aangaande buiten bij de wet verleende toestemming, doet daardoor afstand van het koningschap.
  2. Gaat iemand die het koningschap van de Koning kan beërven een zodanig huwelijk aan, dan is hij met de uit dit huwelijk geboren kinderen en hun nakomelingen van de erfopvolging uitgesloten.
  3. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake van een voorstel van wet, strekkende tot het verlenen van toestemming, in verenigde vergadering.

Artikel 29 - Uitsluiting troonopvolging

  1. Wanneer uitzonderlijke omstandigheden daartoe nopen, kunnen bij een wet een of meer personen van de erfopvolging worden uitgesloten.

  2. Het voorstel daartoe wordt door of vanwege de Koning ingediend. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering. Zij kunnen het voorstel alleen aannemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

Artikel 30 - Benoemde Koning

  1. Wanneer vooruitzicht bestaat dat een opvolger zal ontbreken, kan deze worden benoemd bij een wet. Het voorstel wordt door of vanwege de Koning ingediend. Na de indiening van het voorstel worden de kamers ontbonden. De nieuwe kamers beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering. Zij kunnen het voorstel alleen aannemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

  2. Indien bij overlijden van de Koning of bij afstand van het koningschap een opvolger ontbreekt, worden de kamers ontbonden. De nieuwe kamers komen binnen vier maanden na het overlijden of de afstand in verenigde vergadering bijeen ten einde te besluiten omtrent de benoeming van een Koning. Zij kunnen een opvolger alleen benoemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

Artikel 31 - Erfopvolging benoemde koning

  1. Een benoemde Koning kan krachtens erfopvolging alleen worden opgevolgd door zijn wettige nakomelingen.

  2. De bepalingen omtrent de erfopvolging en het eerste lid van dit artikel zijn van overeenkomstige toepassing op een benoemde opvolger, zolang deze nog geen Koning is.

Artikel 32 - Inhuldiging Koning

Nadat de Koning de uitoefening van het koninklijk gezag heeft aangevangen, wordt hij zodra mogelijk beëdigd en ingehuldigd in de hoofdstad Amsterdam in een openbare verenigde vergadering van de Staten-Generaal. Hij zweert of belooft trouw aan de Grondwet en een getrouwe vervulling van zijn ambt. De wet stelt nadere regels vast.

Artikel 33 - Koningschap en meerderjarigheid

De Koning oefent het koninklijk gezag eerst uit, nadat hij de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt.

Artikel 34 - Ouderlijk gezag minderjarige Koning

De wet regelt het ouderlijk gezag en de voogdij over de minderjarige Koning en het toezicht daarop. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

Artikel 35 - Buiten staat verklaring

  1. Wanneer de ministerraad van oordeel is dat de Koning buiten staat is het koninklijk gezag uit te oefenen, bericht hij dit onder overlegging van het daartoe gevraagde advies van de Raad van State aan de Staten-Generaal, die daarop in verenigde vergadering bijeenkomen.

  2. Delen de Staten-Generaal dit oordeel, dan verklaren zij dat de Koning buiten staat is het koninklijk gezag uit te oefenen. Deze verklaring wordt bekend gemaakt op last van de voorzitter der vergadering en treedt terstond in werking.

  3. Zodra de Koning weer in staat is het koninklijk gezag uit te oefenen, wordt dit bij de wet verklaard. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering. Terstond na de bekendmaking van deze wet hervat de Koning de uitoefening van het koninklijk gezag.

  4. De wet regelt zo nodig het toezicht over de persoon van de Koning indien hij buiten staat is verklaard het koninklijk gezag uit te oefenen. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

Artikel 36 - Tijdelijke neerlegging koninklijk gezag

De Koning kan de uitoefening van het koninklijk gezag tijdelijk neerleggen en die uitoefening hervatten krachtens een wet, waarvan het voorstel door of vanwege hem wordt ingediend. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

Artikel 37 - Uitoefening koninklijk gezag door regent

  1. Het koninklijk gezag wordt uitgeoefend door een regent:
    a. zolang de Koning de leeftijd van achttien jaar niet heeft bereikt;
    b. indien een nog niet geboren kind tot het koningschap geroepen kan zijn;
    c. indien de Koning buiten staat is verklaard het koninklijk gezag uit te oefenen;
    d. indien de Koning de uitoefening van het koninklijk gezag tijdelijk heeft neergelegd;
    e. zolang na het overlijden van de Koning of na diens afstand van het koningschap een opvolger ontbreekt.

  2. De regent wordt benoemd bij de wet. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

  3. In de gevallen, genoemd in het eerste lid onder c en d, is de nakomeling van de Koning die zijn vermoedelijke opvolger is, van rechtswege regent indien hij de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt.

  4. De regent zweert of belooft trouw aan de Grondwet en een getrouwe vervulling van zijn ambt, in een verenigde vergadering van de Staten-Generaal. De wet geeft nadere regels omtrent het regentschap en kan voorzien in de opvolging en de vervanging daarin. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

  5. Op de regent zijn de artikelen 35 en 36 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 38 - Uitoefening koninklijk gezag door RvS

Zolang niet in de uitoefening van het koninklijk gezag is voorzien, wordt dit uitgeoefend door de Raad van State.

Artikel 39 - Lidmaatschap koninklijk huis

De wet regelt, wie lid is van het koninklijk huis.

Artikel 40 - Uitkering koninklijk huis

  1. De Koning ontvangt jaarlijks ten laste van het Rijk uitkeringen naar regels bij de wet te stellen. Deze wet bepaalt aan welke andere leden van het koninklijk huis uitkeringen ten laste van het Rijk worden toegekend en regelt deze uitkeringen.

  2. De door hen ontvangen uitkeringen ten laste van het Rijk, alsmede de vermogensbestanddelen welke dienstbaar zijn aan de uitoefening van hun functie, zijn vrij van persoonlijke belastingen. Voorts is hetgeen de Koning of zijn vermoedelijke opvolger krachtens erfrecht of door schenking verkrijgt van een lid van het koninklijk huis vrij van de rechten van successie, overgang en schenking. Verdere vrijdom van belasting kan bij de wet worden verleend.

  3. De kamers der Staten-Generaal kunnen voorstellen van in de vorige leden bedoelde wetten alleen aannemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

Artikel 41 - Inrichting huis Koning

De Koning richt, met inachtneming van het openbaar belang, zijn Huis in.

Artikel 42 - Ministeriële verantwoordelijkheid

  1. De regering wordt gevormd door de Koning en de ministers.

  2. De Koning is onschendbaar; de ministers zijn verantwoordelijk.

Artikel 43 - Regering en ministers

De minister-president en de overige ministers worden bij koninklijk besluit benoemd en ontslagen.

Artikel 44 - Ministeries

  1. Bij koninklijk besluit worden ministeries ingesteld. Zij staan onder leiding van een minister.

  2. Ook kunnen ministers worden benoemd die niet belast zijn met de leiding van een ministerie.

Artikel 45 - Ministerraad

  1. De ministers vormen te zamen de ministerraad.

  2. De minister-president is voorzitter van de ministerraad.

  3. De ministerraad beraadslaagt en besluit over het algemeen regeringsbeleid en bevordert de eenheid van dat beleid.

Artikel 46 - Staatssecretarissen

  1. Bij koninklijk besluit kunnen staatssecretarissen worden benoemd en ontslagen.

  2. Een staatssecretaris treedt in de gevallen waarin de minister het nodig acht en met inachtneming van diens aanwijzingen, in zijn plaats als minister op. De staatssecretaris is uit dien hoofde verantwoordelijk, onverminderd de verantwoordelijkheid van de minister.

Artikel 47 - Ondertekening en contraseign

Alle wetten en koninklijke besluiten worden door de Koning en door een of meer ministers of staatssecretarissen ondertekend.

Artikel 48 - Ontslag en benoeming ministers

Het koninklijk besluit waarbij de minister-president wordt benoemd, wordt mede door hem ondertekend. De koninklijke besluiten waarbij de overige ministers en de staatssecretarissen worden benoemd of ontslagen, worden mede door de minister-president ondertekend.

Artikel 49 - Ambtseed minister en staatssecretaris

Op de wijze bij de wet voorgeschreven leggen de ministers en de staatssecretarissen bij de aanvaarding van hun ambt ten overstaan van de Koning een eed, dan wel verklaring en belofte, van zuivering af en zweren of beloven zij trouw aan de Grondwet en een getrouwe vervulling van hun ambt.
HOOFDSTUK 3

Staten-Generaal INLEIDING

Artikel 50 - Vertegenwoordiging

De Staten-Generaal vertegenwoordigen het gehele Nederlandse volk.

Artikel 51 - Eerste en Tweede Kamer

  1. De Staten-Generaal bestaan uit de Tweede Kamer en de Eerste Kamer.

  2. De Tweede Kamer bestaat uit honderdvijftig leden.

  3. De Eerste Kamer bestaat uit vijfenzeventig leden.

  4. Bij een verenigde vergadering worden de kamers als één beschouwd.

Artikel 52 - Zittingsduur

  1. De zittingsduur van beide kamers is vier jaren.
  2. Indien voor de provinciale staten bij de wet een andere zittingsduur dan vier jaren wordt vastgesteld, wordt daarbij de zittingsduur van de Eerste Kamer in overeenkomstige zin gewijzigd.

Artikel 53 - Evenredige vertegenwoordiging

  1. De leden van beide kamers worden gekozen op de grondslag van evenredige vertegenwoordiging binnen door de wet te stellen grenzen.
  2. De verkiezingen worden gehouden bij geheime stemming.

Artikel 54 - Verkiezing Tweede Kamer

  1. De leden van de Tweede Kamer worden rechtstreeks gekozen door de Nederlanders die de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt, behoudens bij de wet te bepalen uitzonderingen ten aanzien van Nederlanders die geen ingezetenen zijn.

  2. Van het kiesrecht is uitgesloten hij die wegens het begaan van een daartoe bij de wet aangewezen delict bij onherroepelijke rechterlijke uitspraak is veroordeeld tot een vrijheidsstraf van ten minste een jaar en hierbij tevens is ontzet van het kiesrecht.

Artikel 55 - Verkiezing Eerste Kamer

De leden van de Eerste Kamer worden gekozen door de leden van provinciale staten. De verkiezing wordt, behoudens in geval van ontbinding der kamer, gehouden binnen drie maanden na de verkiezing van de leden van provinciale staten.

Artikel 56 - Vereisten voor lidmaatschap

Om lid van de Staten-Generaal te kunnen zijn is vereist dat men Nederlander is, de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt en niet is uitgesloten van het kiesrecht.

Artikel 57 - Incompatibiliteiten

  1. Niemand kan lid van beide kamers zijn.

  2. Een lid van de Staten-Generaal kan niet tevens zijn minister, staatssecretaris, lid van de Raad van State, lid van de Algemene Rekenkamer, Nationale ombudsman of substituut-ombudsman, of lid van of procureur-generaal of advocaat-generaal bij de Hoge Raad.

  3. Niettemin kan een minister of staatssecretaris, die zijn ambt ter beschikking heeft gesteld, dit ambt verenigen met het lidmaatschap van de Staten-Generaal, totdat omtrent die beschikbaarstelling is beslist.

  4. De wet kan ten aanzien van andere openbare betrekkingen bepalen dat zij niet gelijktijdig met het lidmaatschap van de Staten-Generaal of van een der kamers kunnen worden uitgeoefend.

Artikel 57a - Zwangerschap en ziekte

De wet regelt de tijdelijke vervanging van een lid van de Staten-Generaal wegens zwangerschap en bevalling, alsmede wegens ziekte.

Artikel 58 - Geloofsbrieven

Elke kamer onderzoekt de geloofsbrieven van haar nieuwbenoemde leden en beslist met inachtneming van bij de wet te stellen regels de geschillen welke met betrekking tot de geloofsbrieven of de verkiezing zelf rijzen.

Artikel 59 - Kiesrecht en verkiezingen

Alles, wat verder het kiesrecht en de verkiezingen betreft, wordt bij de wet geregeld.

Artikel 60 - Ambtsaanvaarding

Op de wijze bij de wet voorgeschreven leggen de leden van de kamers bij de aanvaarding van hun ambt in de vergadering een eed, dan wel verklaring en belofte, van zuivering af en zweren of beloven zij trouw aan de Grondwet en een getrouwe vervulling van hun ambt.

Artikel 61 - Voorzitter en griffier

  1. Elk der kamers benoemt uit de leden een voorzitter.

  2. Elk der kamers benoemt een griffier. Deze en de overige ambtenaren van de kamers kunnen niet tevens lid van de Staten-Generaal zijn.

Artikel 62 - Verenigde vergadering

De voorzitter van de Eerste Kamer heeft de leiding van de verenigde vergadering.

Artikel 63 - Geldelijke voorzieningen

Geldelijke voorzieningen ten behoeve van leden en gewezen leden van de Staten-Generaal en van hun nabestaanden worden bij de wet geregeld. De kamers kunnen een voorstel van wet ter zake alleen aannemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

Artikel 64 - Ontbinding Kamers

  1. Elk der kamers kan bij koninklijk besluit worden ontbonden.

  2. Het besluit tot ontbinding houdt tevens de last in tot een nieuwe verkiezing voor de ontbonden kamer en tot het samenkomen van de nieuw gekozen kamer binnen drie maanden.

  3. De ontbinding gaat in op de dag waarop de nieuw gekozen kamer samenkomt.

  4. De wet stelt de zittingsduur van een na ontbinding optredende Tweede Kamer vast; de termijn mag niet langer zijn dan vijf jaren. De zittingsduur van een na ontbinding optredende Eerste Kamer eindigt op het tijdstip waarop de zittingsduur van de ontbonden kamer zou zijn geëindigd.

Artikel 65 - Troonrede

Jaarlijks op de derde dinsdag van september of op een bij de wet te bepalen eerder tijdstip wordt door of namens de Koning in een verenigde vergadering van de Staten-Generaal een uiteenzetting van het door de regering te voeren beleid gegeven.

Artikel 66 - Openbaarheid vergaderingen

  1. De vergaderingen van de Staten-Generaal zijn openbaar.

  2. De deuren worden gesloten, wanneer een tiende deel van het aantal aanwezige leden het vordert of de voorzitter het nodig oordeelt.

  3. Door de kamer, onderscheidenlijk de kamers in verenigde vergadering, wordt vervolgens beslist of met gesloten deuren zal worden beraadslaagd en besloten.

Artikel 67 - Quorum

  1. De kamers mogen elk afzonderlijk en in verenigde vergadering alleen beraadslagen of besluiten, indien meer dan de helft van het aantal zitting hebbende leden ter vergadering aanwezig is.

  2. Besluiten worden genomen bij meerderheid van stemmen.

  3. De leden stemmen zonder last.

  4. Over zaken wordt mondeling en bij hoofdelijke oproeping gestemd, wanneer één lid dit verlangt.

Artikel 68 - Inlichtingenplicht bewindslieden

De ministers en de staatssecretarissen geven de kamers elk afzonderlijk en in verenigde vergadering mondeling of schriftelijk de door een of meer leden verlangde inlichtingen waarvan het verstrekken niet in strijd is met het belang van de staat.

Artikel 69 - Aanwezigheid bewindslieden

  1. De ministers en de staatssecretarissen hebben toegang tot de vergaderingen en kunnen aan de beraadslaging deelnemen.

  2. Zij kunnen door de kamers elk afzonderlijk en in verenigde vergadering worden uitgenodigd om ter vergadering aanwezig te zijn.

  3. Zij kunnen zich in de vergaderingen doen bijstaan door de personen, daartoe door hen aangewezen.

Artikel 70 - Recht van enquête

Beide kamers hebben, zowel ieder afzonderlijk als in verenigde vergadering, het recht van onderzoek (enquête), te regelen bij de wet.

Artikel 71 - Parlementaire onschendbaarheid

De leden van de Staten-Generaal, de ministers, de staatssecretarissen en andere personen die deelnemen aan de beraadslaging, kunnen niet in rechte worden vervolgd of aangesproken voor hetgeen zij in de vergaderingen van de Staten-Generaal of van commissies daaruit hebben gezegd of aan deze schriftelijk hebben overgelegd.

Artikel 72 - Reglement van orde

De kamers stellen elk afzonderlijk en in verenigde vergadering een reglement van orde vast.

HOOFDSTUK 4

Adviesorganen INLEIDING

Artikel 73 - Taak Raad van State

  1. De Raad van State of een afdeling van de Raad wordt gehoord over voorstellen van wet en ontwerpen van algemene maatregelen van bestuur, alsmede over voorstellen tot goedkeuring van verdragen door de Staten-Generaal. In bij de wet te bepalen gevallen kan het horen achterwege blijven.

  2. De Raad of een afdeling van de Raad is belast met het onderzoek van de geschillen van bestuur die bij koninklijk besluit worden beslist en draagt de uitspraak voor.

  3. De wet kan aan de Raad of een afdeling van de Raad de uitspraak in geschillen van bestuur opdragen.

Artikel 74 - Rechtspositie leden

  1. De Koning is voorzitter van de Raad van State. De vermoedelijke opvolger van de Koning heeft na het bereiken van de leeftijd van achttien jaar van rechtswege zitting in de Raad. Bij of krachtens de wet kan aan andere leden van het koninklijk huis zitting in de Raad worden verleend.

  2. De leden van de Raad worden bij koninklijk besluit voor het leven benoemd.

  3. Op eigen verzoek en wegens het bereiken van een bij de wet te bepalen leeftijd worden zij ontslagen.

  4. In de gevallen bij de wet aangewezen kunnen zij door de Raad worden geschorst of ontslagen.

  5. De wet regelt overigens hun rechtspositie

Artikel 75 - Inrichting, samenstelling, bevoegdheid Raad van State

  1. De wet regelt de inrichting, samenstelling en bevoegdheid van de Raad van State.

  2. Bij de wet kunnen aan de Raad of een afdeling van de Raad ook andere taken worden opgedragen.

Artikel 76 - Algemene rekenkamer

De Algemene Rekenkamer is belast met het onderzoek van de ontvangsten en uitgaven van het Rijk.

Artikel 77 - Rechtpositie leden rekenkamer

  1. De leden van de Algemene Rekenkamer worden bij koninklijk besluit voor het leven benoemd uit een voordracht van drie personen, opgemaakt door de Tweede Kamer der Staten-Generaal.

  2. Op eigen verzoek en wegens het bereiken van een bij de wet te bepalen leeftijd worden zij ontslagen.

  3. In de gevallen bij de wet aangewezen kunnen zij door de Hoge Raad worden geschorst of ontslagen.

  4. De wet regelt overigens hun rechtspositie.

Artikel 78 - Inrichting, samenstelling, bevoegdheid Rekenkamer

  1. De wet regelt de inrichting, samenstelling en bevoegdheid van de Algemene Rekenkamer.

  2. Bij de wet kunnen aan de Algemene Rekenkamer ook andere taken worden opgedragen.

Artikel 78a - Nationale ombudsman

  1. De Nationale ombudsman verricht op verzoek of uit eigen beweging onderzoek naar gedragingen van bestuursorganen van het Rijk en van andere bij of krachtens de wet aangewezen bestuursorganen.
  2. De Nationale ombudsman en een substituut-ombudsman worden voor een bij de wet te bepalen termijn benoemd door de Tweede Kamer der Staten-Generaal. Op eigen verzoek en wegens het bereiken van een bij de wet te bepalen leeftijd worden zij ontslagen. In de gevallen bij de wet aangewezen kunnen zij door de Tweede Kamer der Staten-Generaal worden geschorst of ontslagen. De wet regelt overigens hun rechtspositie.
  3. De wet regelt de bevoegdheid en werkwijze van de Nationale ombudsman.
  4. Bij of krachtens de wet kunnen aan de Nationale ombudsman ook andere taken worden opgedragen.

Artikel 79 - Vaste colleges van advies

  1. Vaste colleges van advies in zaken van wetgeving en bestuur van het Rijk worden ingesteld bij of krachtens de wet.

  2. De wet regelt de inrichting, samenstelling en bevoegdheid van deze colleges.

  3. Bij of krachtens de wet kunnen aan deze colleges ook andere dan adviserende taken worden opgedragen.

Artikel 80 - Openbaarmaking advies

  1. De adviezen van de in dit hoofdstuk bedoelde colleges worden openbaar gemaakt volgens regels bij de wet te stellen.

  2. Adviezen, uitgebracht ter zake van voorstellen van wet die door of vanwege de Koning worden ingediend, worden, behoudens bij de wet te bepalen uitzonderingen, aan de Staten-Generaal overgelegd.

HOOFDSTUK 5

Wetgeving en bestuur INLEIDING

Artikel 81 - Wetgevende macht

De vaststelling van wetten geschiedt door de regering en de Staten-Generaal gezamenlijk.

Artikel 82 - Indienen wetsvoorstel

  1. Voorstellen van wet kunnen worden ingediend door of vanwege de Koning en door de Tweede Kamer der Staten-Generaal.

  2. Voorstellen van wet waarvoor behandeling door de Staten-Generaal in verenigde vergadering is voorgeschreven, kunnen worden ingediend door of vanwege de Koning en, voor zover de betreffende artikelen van hoofdstuk 2 dit toelaten, door de verenigde vergadering.

  3. Voorstellen van wet, in te dienen door de Tweede Kamer onderscheidenlijk de verenigde vergadering, worden bij haar door een of meer leden aanhangig gemaakt.

Artikel 83 - Toezending wetsvoorstel TK

Voorstellen van wet, ingediend door of vanwege de Koning, worden gezonden aan de Tweede Kamer of, indien daarvoor behandeling door de Staten-Generaal in verenigde vergadering is voorgeschreven, aan deze vergadering.

Artikel 84 - Wijziging wetsvoorstel

  1. Zolang een voorstel van wet, ingediend door of vanwege de Koning, niet door de Tweede Kamer onderscheidenlijk de verenigde vergadering is aangenomen, kan het door haar, op voorstel van een of meer leden, en vanwege de regering worden gewijzigd.

  2. Zolang de Tweede Kamer onderscheidenlijk de verenigde vergadering een door haar in te dienen voorstel van wet niet heeft aangenomen, kan het door haar, op voorstel van een of meer leden, en door het lid of de leden door wie het aanhangig is gemaakt, worden gewijzigd.

Artikel 85 - Toezending wetsvoorstel EK

Zodra de Tweede Kamer een voorstel van wet heeft aangenomen of tot indiening van een voorstel heeft besloten, zendt zij het aan de Eerste Kamer, die het voorstel overweegt zoals het door de Tweede Kamer aan haar is gezonden. De Tweede Kamer kan een of meer van haar leden opdragen een door haar ingediend voorstel in de Eerste Kamer te verdedigen.

Artikel 86 - Intrekking wetsvoorstel

  1. Zolang een voorstel van wet niet door de Staten-Generaal is aangenomen, kan het door of vanwege de indiener worden ingetrokken.

  2. Zolang de Tweede Kamer onderscheidenlijk de verenigde vergadering een door haar in te dienen voorstel van wet niet heeft aangenomen, kan het door het lid of de leden door wie het aanhangig is gemaakt, worden ingetrokken.

Artikel 87 - Aanneming en bekrachtiging

  1. Een voorstel wordt wet, zodra het door de Staten-Generaal is aangenomen en door de Koning is bekrachtigd.

  2. De Koning en de Staten-Generaal geven elkaar kennis van hun besluit omtrent enig voorstel van wet.

Artikel 88 - Bekendmaking en inwerkingtreding

De wet regelt de bekendmaking en de inwerkingtreding van de wetten. Zij treden niet in werking voordat zij zijn bekendgemaakt.

Artikel 89 - Algemene maatregel van bestuur

  1. Algemene maatregelen van bestuur worden bij koninklijk besluit vastgesteld.

  2. Voorschriften, door straffen te handhaven, worden daarin alleen gegeven krachtens de wet. De wet bepaalt de op te leggen straffen.

  3. De wet regelt de bekendmaking en de inwerkingtreding van de algemene maatregelen van bestuur. Zij treden niet in werking voordat zij zijn bekendgemaakt.

  4. Het tweede en derde lid zijn van overeenkomstige toepassing op andere vanwege het Rijk vastgestelde algemeen verbindende voorschriften.

Artikel 90 - Bevordering internationale rechtsorde

De regering bevordert de ontwikkeling van de internationale rechtsorde.

Artikel 91 - Goedkeuring verdrag

  1. Het Koninkrijk wordt niet aan verdragen gebonden en deze worden niet opgezegd zonder voorafgaande goedkeuring van de Staten-Generaal. De wet bepaalt de gevallen waarin geen goedkeuring is vereist.

  2. De wet bepaalt de wijze waarop de goedkeuring wordt verleend en kan voorzien in stilzwijgende goedkeuring.

  3. Indien een verdrag bepalingen bevat welke afwijken van de Grondwet dan wel tot zodanig afwijken noodzaken, kunnen de kamers de goedkeuring alleen verlenen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

Artikel 92 - Bevoegdheden volkenrechtelijke organisaties

Met inachtneming, zo nodig, van het bepaalde in artikel 91, derde lid, kunnen bij of krachtens verdrag aan volkenrechtelijke organisaties bevoegdheden tot wetgeving, bestuur en rechtspraak worden opgedragen.

Artikel 93 - Verbindende kracht verdrag

Bepalingen van verdragen en van besluiten van volkenrechtelijke organisaties, die naar haar inhoud een ieder kunnen verbinden, hebben verbindende kracht nadat zij zijn bekendgemaakt.

Artikel 94 - Verdrag boven wet

Binnen het Koninkrijk geldende wettelijke voorschriften vinden geen toepassing, indien deze toepassing niet verenigbaar is met een ieder verbindende bepalingen van verdragen en van besluiten van volkenrechtelijke organisaties.

Artikel 95 - Bekendmaking verdrag

De wet geeft regels omtrent de bekendmaking van verdragen en besluiten van volkenrechtelijke organisaties.

Artikel 96 - Oorlogsverklaring

  1. Het Koninkrijk wordt niet in oorlog verklaard dan na voorafgaande toestemming van de Staten-Generaal.

  2. De toestemming is niet vereist, wanneer het overleg met de Staten-Generaal ten gevolge van een feitelijk bestaande oorlogstoestand niet mogelijk is gebleken.

  3. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

  4. Het bepaalde in het eerste en het derde lid is van overeenkomstige toepassing voor een verklaring dat een oorlog beëindigd is.

Artikel 97 - Krijgsmacht

  1. Ten behoeve van de verdediging en ter bescherming van de belangen van het Koninkrijk, alsmede ten behoeve van de handhaving en de bevordering van de internationale rechtsorde, is er een krijgsmacht.

  2. De regering heeft het oppergezag over de krijgsmacht.

Artikel 98 - Samenstelling krijgsmacht

  1. De krijgsmacht bestaat uit vrijwillig dienenden en kan mede bestaan uit dienstplichtigen.

  2. De wet regelt de verplichte militaire dienst en de bevoegdheid tot opschorting van de oproeping in werkelijke dienst.

Artikel 99 - Gewetensbezwaren militaire dienst

De wet regelt vrijstelling van militaire dienst wegens ernstige gewetensbezwaren.

Artikel 99a - Civiele verdediging

Volgens bij de wet te stellen regels kunnen plichten worden opgelegd ten behoeve van de civiele verdediging.

Artikel 100 - Inlichtingen over krijgsmacht

  1. De regering verstrekt de Staten-Generaal vooraf inlichtingen over de inzet of het ter beschikking stellen van de krijgsmacht ter handhaving of bevordering van de internationale rechtsorde. Daaronder is begrepen het vooraf verstrekken van inlichtingen over de inzet of het ter beschikking stellen van de krijgsmacht voor humanitaire hulpverlening in geval van gewapend conflict.

  2. Het eerste lid geldt niet, indien dwingende redenen het vooraf verstrekken van inlichtingen verhinderen. In dat geval worden inlichtingen zo spoedig mogelijk verstrekt.

Artikel 101 - [vervallen]

Vervallen bij rijkswet van 20 juli 1995

Artikel 102 - [vervallen]

Vervallen bij rijkswet van 22 juni 2000

Artikel 103 - Uitzonderingstoestand

  1. De wet bepaalt in welke gevallen ter handhaving van de uit- of inwendige veiligheid bij koninklijk besluit een door de wet als zodanig aan te wijzen uitzonderingstoestand kan worden afgekondigd; zij regelt de gevolgen.

  2. Daarbij kan worden afgeweken van de grondwetsbepalingen inzake de bevoegdheden van de besturen van provincies, gemeenten en waterschappen, van de grondrechten geregeld in de artikelen 6, voor zover dit de uitoefening buiten gebouwen en besloten plaatsen van het in dit artikel omschreven recht betreft, 7, 8, 9, 12, tweede en derde lid, en 13, alsmede van artikel 113, eerste en derde lid.

  3. Terstond na de afkondiging van een uitzonderingstoestand en voorts, zolang deze niet bij koninklijk besluit is opgeheven, telkens wanneer zij zulks nodig oordelen beslissen de Staten-Generaal omtrent het voortduren daarvan; zij beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

Artikel 104 - Belastingheffing

Belastingen van het Rijk worden geheven uit kracht van een wet. Andere heffingen van het Rijk worden bij de wet geregeld.

 
 

Artikel 105 - Recht van begroting

  1. De begroting van de ontvangsten en de uitgaven van het Rijk wordt bij de wet vastgesteld.

  2. Jaarlijks worden voorstellen van algemene begrotingswetten door of vanwege de Koning ingediend op het in artikel 65 bedoelde tijdstip.

  3. De verantwoording van de ontvangsten en de uitgaven van het Rijk wordt aan de Staten-Generaal gedaan overeenkomstig de bepalingen van de wet. De door de Algemene Rekenkamer goedgekeurde rekening wordt aan de Staten-Generaal overgelegd.

  4. De wet stelt regels omtrent het beheer van de financiën van het Rijk.

Artikel 106 - Geldstelsel

De wet regelt het geldstelsel.

Artikel 107 - Codificatie

  1. De wet regelt het burgerlijk recht, het strafrecht en het burgerlijk en strafprocesrecht in algemene wetboeken, behoudens de bevoegdheid tot regeling van bepaalde onderwerpen in afzonderlijke wetten.

  2. De wet stelt algemene regels van bestuursrecht vast.

Artikel 108 - [vervallen]

Vervallen bij rijkswet van 25 februari 1999

Artikel 109 - Rechtspositie ambtenaren

De wet regelt de rechtspositie van de ambtenaren. Zij stelt tevens regels omtrent hun bescherming bij de arbeid en omtrent medezeggenschap.

 

Artikel 110 - Openbaarheid van bestuur

De overheid betracht bij de uitvoering van haar taak openbaarheid volgens regels bij de wet te stellen.

 

Artikel 111 - Ridderorden

Ridderorden worden bij de wet ingesteld.
HOOFDSTUK 6

Rechtspraak INLEIDING

Artikel 112 - Civiele en administratieve rechtspraak

  1. Aan de rechterlijke macht is opgedragen de berechting van geschillen over burgerlijke rechten en over schuldvorderingen.

  2. De wet kan de berechting van geschillen die niet uit burgerlijke rechtsbetrekkingen zijn ontstaan, opdragen hetzij aan de rechterlijke macht, hetzij aan gerechten die niet tot de rechterlijke macht behoren. De wet regelt de wijze van behandeling en de gevolgen van de beslissingen.

Artikel 113 - Strafrechtspraak

  1. Aan de rechterlijke macht is voorts opgedragen de berechting van strafbare feiten.

  2. Tuchtrechtspraak door de overheid ingesteld wordt bij de wet geregeld.

  3. Een straf van vrijheidsontneming kan uitsluitend door de rechterlijke macht worden opgelegd.

  4. Voor berechting buiten Nederland en voor het oorlogsstrafrecht kan de wet afwijkende regels stellen.

Artikel 114 - Doodstraf

De doodstraf kan niet worden opgelegd.

Artikel 115 - Administratief beroep

Ten aanzien van de in artikel 112, tweede lid, bedoelde geschillen kan administratief beroep worden opengesteld.

Artikel 116 - Rechterlijke macht

  1. De wet wijst de gerechten aan die behoren tot de rechterlijke macht.

  2. De wet regelt de inrichting, samenstelling en bevoegdheid van de rechterlijke macht.

  3. De wet kan bepalen, dat aan rechtspraak door de rechterlijke macht mede wordt deelgenomen door personen die niet daartoe behoren.

  4. De wet regelt het toezicht door leden van de rechterlijke macht met rechtspraak belast uit te oefenen op de ambtsvervulling door zodanige leden en door de personen bedoeld in het vorige lid.

Artikel 117 - Rechtspositie leden rechterlijke macht

  1. De leden van de rechterlijke macht met rechtspraak belast en de procureur-generaal bij de Hoge Raad worden bij koninklijk besluit voor het leven benoemd.

  2. Op eigen verzoek en wegens het bereiken van een bij de wet te bepalen leeftijd worden zij ontslagen.

  3. In de gevallen bij de wet bepaald kunnen zij door een bij de wet aangewezen, tot de rechterlijke macht behorend gerecht worden geschorst of ontslagen.

  4. De wet regelt overigens hun rechtspositie.

Artikel 118 - Hoge Raad

  1. De leden van de Hoge Raad der Nederlanden worden benoemd uit een voordracht van drie personen, opgemaakt door de Tweede Kamer der Staten-Generaal.

  2. De Hoge Raad is in de gevallen en binnen de grenzen bij de wet bepaald, belast met de cassatie van rechterlijke uitspraken wegens schending van het recht.

  3. Bij de wet kunnen aan de Hoge Raad ook andere taken worden opgedragen.

Artikel 119 - Ambtsmisdrijven

De leden van de Staten-Generaal, de ministers en de staatssecretarissen staan wegens ambtsmisdrijven in die betrekkingen gepleegd, ook na hun aftreden terecht voor de Hoge Raad. De opdracht tot vervolging wordt gegeven bij koninklijk besluit of bij een besluit van de Tweede Kamer.

Artikel 120 - Toetsingsverbod

De rechter treedt niet in de beoordeling van de grondwettigheid van wetten en verdragen.

Artikel 121 - Openbaarheid terechtzittingen

Met uitzondering van de gevallen bij de wet bepaald vinden de terechtzittingen in het openbaar plaats en houden de vonnissen de gronden in waarop zij rusten. De uitspraak geschiedt in het openbaar.

Artikel 122 - Gratie

  1. Gratie wordt verleend bij koninklijk besluit na advies van een bij de wet aangewezen gerecht en met inachtneming van bij of krachtens de wet te stellen voorschriften.

  2. Amnestie wordt bij of krachtens de wet verleend.

HOOFDSTUK 7

Decentralisatie INLEIDING

Artikel 123 - Instelling provincies en gemeenten

  1. Bij de wet kunnen provincies en gemeenten worden opgeheven en nieuwe ingesteld.

  2. De wet regelt de wijziging van provinciale en gemeentelijke grenzen.

Artikel 124 - Autonomie en medebewind

  1. Voor provincies en gemeenten wordt de bevoegdheid tot regeling en bestuur inzake hun huishouding aan hun besturen overgelaten.

  2. Regeling en bestuur kunnen van de besturen van provincies en gemeenten worden gevorderd bij of krachtens de wet.

Artikel 125 - Organen decentrale besturen

  1. Aan het hoofd van de provincie en de gemeente staan provinciale staten onderscheidenlijk de gemeenteraad. Hun vergaderingen zijn openbaar, behoudens bij de wet te regelen uitzonderingen.

  2. Van het bestuur van de provincie maken ook deel uit gedeputeerde staten en de commissaris van de Koning, van het bestuur van de gemeente het college van burgemeester en wethouders en de burgemeester.

Artikel 126 - Ambtsinstructie commissaris koning

Bij de wet kan worden bepaald, dat de commissaris van de Koning wordt belast met de uitvoering van een door de regering te geven ambtsinstructie.

Artikel 127 - Vaststelling verordening

Provinciale staten en de gemeenteraad stellen, behoudens bij de wet of door hen krachtens de wet te bepalen uitzonderingen, de provinciale onderscheidenlijk de gemeentelijke verordeningen vast.

Artikel 128 - Toekenning bevoegdheden

Behoudens in de gevallen bedoeld in artikel 123, kan de toekenning van bevoegdheden, als bedoeld in artikel 124, eerste lid, aan andere organen dan die, genoemd in artikel 125, alleen door provinciale staten onderscheidenlijk de gemeenteraad geschieden.

Artikel 129 - Verkiezing vertegenwoordigend orgaan

  1. De leden van provinciale staten en van de gemeenteraad worden rechtstreeks gekozen door de Nederlanders, tevens ingezetenen van de provincie onderscheidenlijk de gemeente, die voldoen aan de vereisten die gelden voor de verkiezing van de Tweede Kamer der Staten-Generaal. Voor het lidmaatschap gelden dezelfde vereisten.
  2. De leden worden gekozen op de grondslag van evenredige vertegenwoordiging binnen door de wet te stellen grenzen.
  3. De artikelen 53, tweede lid, en 59 zijn van toepassing. Artikel 57a is van overeenkomstige toepassing.
  4. De zittingsduur van provinciale staten en de gemeenteraad is vier jaren, behoudens bij de wet te bepalen uitzonderingen.
  5. De wet bepaalt welke betrekkingen niet gelijktijdig met het lidmaatschap kunnen worden uitgeoefend. De wet kan bepalen, dat beletselen voor het lidmaatschap voortvloeien uit verwantschap of huwelijk en dat het verrichten van bij de wet aangewezen handelingen tot het verlies van het lidmaatschap kan leiden.
  6. De leden stemmen zonder last.

Artikel 130 - Kiesrecht gemeenteraad niet-Nederlanders

De wet kan het recht de leden van de gemeenteraad te kiezen en het recht lid van de gemeenteraad te zijn toekennen aan ingezetenen, die geen Nederlander zijn, mits zij tenminste voldoen aan de vereisten die gelden voor ingezetenen die tevens Nederlander zijn.

Artikel 131 - Benoeming commissaris Koning

De commissaris van de Koning en de burgemeester worden bij koninklijk besluit benoemd.

Artikel 132 - Inrichting, samenstelling, bevoegdheid decentrale besturen

  1. De wet regelt de inrichting van provincies en gemeenten, alsmede de samenstelling en bevoegdheid van hun besturen.

  2. De wet regelt het toezicht op deze besturen.

  3. Besluiten van deze besturen kunnen slechts aan voorafgaand toezicht worden onderworpen in bij of krachtens de wet te bepalen gevallen.

  4. Vernietiging van besluiten van deze besturen kan alleen geschieden bij koninklijk besluit wegens strijd met het recht of het algemeen belang.

  5. De wet regelt de voorzieningen bij in gebreke blijven ten aanzien van regeling en bestuur, gevorderd krachtens artikel 124, tweede lid. Bij de wet kunnen met afwijking van de artikelen 125 en 127 voorzieningen worden getroffen voor het geval het bestuur van een provincie of een gemeente zijn taken grovelijk verwaarloost.

  6. De wet bepaalt welke belastingen door de besturen van provincies en gemeenten kunnen worden geheven en regelt hun financiële verhouding tot het Rijk.

Artikel 133 - Waterschappen

  1. De opheffing en instelling van waterschappen, de regeling van hun taken en inrichting, alsmede de samenstelling van hun besturen, geschieden volgens bij de wet te stellen regels bij provinciale verordening, voor zover bij of krachtens de wet niet anders is bepaald.

  2. De wet regelt de verordenende en andere bevoegdheden van de besturen van de waterschappen, alsmede de openbaarheid van hun vergaderingen.

  3. De wet regelt het provinciale en overige toezicht op deze besturen. Vernietiging van besluiten van deze besturen kan alleen geschieden wegens strijd met het recht of het algemeen belang.

Artikel 134 - Publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie

  1. Bij of krachtens de wet kunnen openbare lichamen voor beroep en bedrijf en andere openbare lichamen worden ingesteld en opgeheven.

  2. De wet regelt de taken en de inrichting van deze openbare lichamen, de samenstelling en bevoegdheid van hun besturen, alsmede de openbaarheid van hun vergaderingen. Bij of krachtens de wet kan aan hun besturen verordenende bevoegdheid worden verleend.

  3. De wet regelt het toezicht op deze besturen. Vernietiging van besluiten van deze besturen kan alleen geschieden wegens strijd met het recht of het algemeen belang.

Artikel 135 - Gemeenschappelijke regelingen

De wet geeft regels ter voorziening in zaken waarbij twee of meer openbare lichamen zijn betrokken. Daarbij kan in de instelling van een nieuw openbaar lichaam worden voorzien, in welk geval artikel 134, tweede en derde lid, van toepassing is.

Artikel 136 - Geschillen

De geschillen tussen openbare lichamen worden bij koninklijk besluit beslist, tenzij deze behoren tot de kennisneming van de rechterlijke macht of hun beslissing bij de wet aan anderen is opgedragen.
HOOFDSTUK 8

Herziening grondwet INLEIDING

Artikel 137 - Grondwetswijziging

  1. De wet verklaart, dat een verandering in de Grondwet, zoals zij die voorstelt, in overweging zal worden genomen.

  2. De Tweede Kamer kan, al dan niet op een daartoe door of vanwege de Koning ingediend voorstel, een voorstel voor zodanige wet splitsen.

  3. Na de bekendmaking van de wet, bedoeld in het eerste lid, wordt de Tweede Kamer ontbonden.

  4. Nadat de nieuwe Tweede Kamer is samengekomen, overwegen beide kamers in tweede lezing het voorstel tot verandering, bedoeld in het eerste lid. Zij kunnen dit alleen aannemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

  5. De Tweede Kamer kan, al dan niet op een daartoe door of vanwege de Koning ingediend voorstel, met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen een voorstel tot verandering splitsen.

Artikel 138 - Aanpassing niet gewijzigde bepalingen

  1. Voordat de in tweede lezing aangenomen voorstellen tot verandering in de Grondwet door de Koning worden bekrachtigd, kunnen bij de wet:

    a. de aangenomen voorstellen en de ongewijzigd gebleven bepalingen van de Grondwet voor zoveel nodig aan elkaar worden aangepast;

    b. de indeling in en de plaats van hoofdstukken, paragrafen en artikelen, alsmede de opschriften worden gewijzigd.

  2. Een voorstel van wet, houdende voorzieningen als bedoeld in het eerste lid onder a, kunnen de kamers alleen aannemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

Artikel 139 - Bekendmaking en inwerkingtreding

De veranderingen in de Grondwet, door de Staten-Generaal aangenomen en door de Koning bekrachtigd, treden terstond in werking, nadat zij zijn bekendgemaakt.

Artikel 140 - Handhaving bestaande regelgeving

Bestaande wetten en andere regelingen en besluiten die in strijd zijn met een verandering in de Grondwet, blijven gehandhaafd, totdat daarvoor overeenkomstig de Grondwet een voorziening is getroffen.

Artikel 141 - Bekendmaking herziene Grondwet

De tekst van de herziene Grondwet wordt bij koninklijk besluit bekendgemaakt, waarbij hoofdstukken, paragrafen en artikelen kunnen worden vernummerd en verwijzingen dienovereenkomstig kunnen worden veranderd.

Artikel 142 - Aanpassing Grondwet aan Statuut

De Grondwet kan bij de wet met het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden in overeenstemming worden gebracht. De artikelen 139, 140 en141 zijn van overeenkomstige toepassing.

WETENSCHAPPELIJK COMMENTAAR

W. van der Woude

ARTIKEL 129 - Verkiezing vertegenwoordigend orgaan

INHOUD
  1. Historische ontwikkeling en actuele betekenis
  2. Rechtstreekse verkiezingen door ingezetenen (eerste lid)
  3. Evenredige vertegenwoordiging (tweede lid)
  4. Stemgeheim, tijdelijke vervanging en overige bepalingen (derde lid)
  5. Zittingsduur (vierde lid)
  6. Incompatibiliteiten (vijfde lid)
  7. Verbod van last (zesde lid)
  8. Van constitutionele orde?
  9. Jurisprudentie
  10. Literatuur
  11. Historische versies
 

Editie december 2015

1 Historische ontwikkeling en actuele betekenis

Eerste lid
De strijd om het kiesrecht voor de Tweede Kamer, die gedurende de negentiende en het begin van de twintigste eeuw woedde, is niet aan de decentrale volksvertegenwoordigingen voorbij gegaan. Ook ten aanzien van deze organen valt een geleidelijke uitbreiding van de kring van kiesgerechtigden op, overigens pas nadat de Grondwet überhaupt zou bepalen dat deze organen rechtstreeks gekozen zouden worden. Voor zowel provinciale staten als de gemeenteraad breekt dat moment aan in 1848. Voor provincies betekent dit een breuk met de laatste restanten van een standenstelsel waarin ook de adellijke stand op eigen titel afvaardiging in provinciale staten had. Gemeenten en gemeenteraden komen pas in de huidige vorm sinds 1848 in onze Grondwet voor, zodat mede daaruit dit beginpunt te verklaren is. Voor wat betreft kiesgerechtigdheid werd destijds aangesloten bij het censuskiesrecht zoals dat ook voor de verkiezing van leden van de Tweede Kamer gold. Met dien verstande dat voor deelname aan gemeenteraadsverkiezingen het minimale bedrag dat aan belasting diende te worden betaald slechts de helft was van dat wat voor verkiezingen van de Tweede Kamer en provinciale staten gold. Het kan worden gezien als uiting van een lange traditie van een versoepeld regime voor verkiezingen van gemeenteraden dat ook thans (zie artikel 130) nog zichtbaar is. Net als op nationaal niveau wordt het censuskiesrecht in 1887 verlaten en vervangen door de bezweringsformule dat het kiesrecht zou toekomen aan “ingezetenen … die door de wet te bepalen kenteekenen van geschiktheid en maatschappelijken welstand bezitten en den door die wet te bepalen leeftijd (…) hebben bereikt”. Van die leeftijd bepaalde de Grondwet dat deze niet lager dan op 23 jaar zou mogen worden bepaald. Het passieve kiesrecht stond voor provinciale staten verkiezingen zelfs pas open vanaf 25 jaar. Ook hier was het gemeentelijke regime soepeler (23 jaar voor passief kiesrecht). De Grondwet van 1917 opent de deur naar het vrouwenkiesrecht zij het dat voor hun kiesgerechtigdheid eerst bij formele wet bekrachtigd diende te worden. Net als op nationaal niveau trekt de grondwetsherziening van 1922 dit recht door voor mannen en vrouwen hetzelfde regime af te kondigen. De laatste relevante wijzigingen betreffen de kiesgerechtigde leeftijd. Deze in 1963 daalt naar 21 jaar en in 1972 naar 18 jaar.
 
Tweede lid
Het opnemen van de eis van evenredige vertegenwoordiging hield gelijke tred met de invoering van dat stelsel op nationaal niveau. Zij is in de Grondwet opgenomen sinds de grondwetsherziening van 1917 en in de tussentijd vrijwel ongewijzigd gebleven. De enige wijziging van betekenis is de introductie van de uitzonderingsclausule in 1938. De grondwetsherziening van 1983 bracht hierin geen inhoudelijke verandering. Wel werd deze eis voor beide verkiezingen ondergebracht in dezelfde bepaling.
 
Derde lid
Met de verwijzing naar artikel 59 Grondwet bepaalt het derde lid onder meer dat bij wet nadere regels worden gesteld over het kiesrecht en de uitoefening daarvan. Vergelijkbare bepalingen komen voor zowel provincies als gemeenten voor sinds de Grondwet van 1848. Zij zijn in 1983 voor beide overheidsverbanden samengebracht in dit artikellid, waarin ook werd geregeld dat verkiezingen voor provinciale staten en de gemeenteraad middels geheime stemming geschieden (onder verwijzing naar artikel 53, tweede lid, Grondwet). De grondwettelijke erkenning hiervan was destijds nieuw. De derde verwijzing, die naar artikel 57a, is ingevoegd bij de grondwetsherziening van 2005 die, anders dan artikel 139 voorschrijft, pas een jaar later in werking trad.[1] Deze introductie van de vervanging bij zwangerschap, bevalling en ziekte hield gelijke tred met de erkenning van dat recht voor leden van de Staten-Generaal.
 
Vierde lid
De herziening van 1848 markeert de eerste maal dat de Grondwet melding maakt van een zittingsduur voor provinciale staten en de gemeenteraad. Voor gemeenteraden werd vastgesteld dat zij voor een ‘bepaald aantal jaren’ zouden worden gekozen. Hoewel de zittingsduur van vier jaar voor gemeenten sinds jaar en dag gebruikelijk is, duurde het tot 1983 alvorens dit grondwettelijk zou worden vastgelegd. De zittingsduur van provinciale staten werd in 1848 wel grondwettelijk vastgesteld en wel op zes jaren. In 1917 werd dit verlaagd naar vier jaren. Tussen 1956 en 1983 betrachtte de Grondwet eenzelfde onduidelijkheid omtrent de zittingsduur van provinciale staten als voor gemeenteraden (“De leden der Provinciale Staten worden voor een bij wet te bepalen aantal jaren rechtstreeks gekozen…”).
 
Vijfde lid
De grondwettelijke grondslag voor de regeling van incompatibiliteiten en verboden handelingen verscheen pas sinds 1983 in de Grondwet.
 
Zesde lid
Het verbod van last kan voor provinciale staten sinds 1815 in de Grondwet worden teruggevonden, met dien verstande dat daaraan tot 1983 eveneens het verbod van ruggespraak gekoppeld was. Voor gemeenteraden betekende die grondwetsherziening de eerste grondwettelijke erkenning van dit verbod.

2 Rechtstreekse verkiezingen door ingezetenen (eerste lid)

De rechtstreekse verkiezing door de ingezetenen van de provincie en de gemeente past bij het hoofdschap van de organen die door hen gekozen worden. Of beter, uit deze rechtstreekse verkiezing vloeit de ratio voor het hoofdschap voort. De eisen die het eerste lid aan actief en passief kiesrecht stelt, staan over het algemeen niet ter discussie. Voorafgaand aan de totstandkoming van dit artikel in 1983 is nog gesproken over het invoeren van een zogeheten ‘forensenkiesrecht’ bij gemeenteraadsverkiezingen. Met de invoering hiervan zouden niet-ingezetenen die hun voornaamste werkzaamheden in een andere gemeente hebben dan die waar zij wonen ervoor kunnen kiezen hun kiesrecht uit te oefenen in eerstgenoemde gemeente. De regering wees dit voorstel van hand.[2] Het artikel sluit verder aan bij de vereisten die gelden voor verkiezingen van de Tweede Kamer. Dit betekent dat voor zowel actief als passief kiesrecht vereist is dat betrokkenen 18 jaar of ouder zijn, dat zij niet ontzet zijn uit het kiesrecht door de strafrechter en dat zij Nederlander zijn. Die laatste eis geldt overigens niet voor gemeenteraadsverkiezingen. Artikel 130 opent voor deze verkiezingen de mogelijkheid van kiesrecht voor niet-Nederlanders (die mogelijkheid bestaat voor ingezetenen die afkomstig zijn uit andere EU-landen eveneens op grond van EU-recht, zie verder het commentaar bij artikel 130).

3 Evenredige vertegenwoordiging (tweede lid)

Het tweede lid van artikel 129 schrijft voor dat verkiezingen voor provinciale staten en de gemeenteraad worden gehouden op grondslag van evenredige vertegenwoordiging, behoudens bij de wet te bepalen uitzonderingen. Ook hier wordt aangesloten bij het systeem, alsmede bij de uitzondering, zoals die voor beide Kamers van de Staten-Generaal gelden (artikel 53, eerste lid). Evenredige vertegenwoordiging wordt in de Grondwet niet nader gedefinieerd. Gelet op landen om ons heen, blijkt dit stelsel op verschillende manieren te kunnen worden ingevuld.[3] Het uitgangspunt van evenredige vertegenwoordiging laat dan ook tamelijk grote keuzeruimte voor de wetgever, ook buiten de uitzonderingsclausule om. Wat in ieder geval uitgesloten moet worden geacht is een kiesstelsel dat uitsluitend gebaseerd is op enkelvoudige kiesdistricten. Wat wel door de beugel zou kunnen is een gemengd stelsel, waarbij de zetels worden verdeeld over de lijsten middels evenredige vertegenwoordiging en deze zetels vervolgens worden toegewezen aan kandidaten via enkelvoudige districten. Verder zou een stelsel met meervoudige districten kunnen worden geacht te voldoen aan dit artikellid, zolang de zetels binnen die districten worden verdeeld op basis van evenredige vertegenwoordiging en binnen deze districten een niet al te klein aantal zetels te verdelen zou zijn.
 
Wat betreft de mogelijke uitzonderingen op evenredige vertegenwoordiging moet hier vooral worden gedacht aan de mogelijkheid een (verhoogde) kiesdrempel in te voeren. Bij Tweede Kamerverkiezingen vloeit een dergelijke drempel voort uit de regel dat lijsten niet worden betrokken in de verdeling van restzetels als zij niet minstens eenmaal de kiesdeler hebben behaald. Voor provincies en het merendeel van de gemeenten geldt een dergelijke drempel momenteel niet. Alleen voor gemeenteraden met minder dan 19 leden geldt op dit punt een ander regime (zie paragraaf 5). 
 
Voor de bespreking van nadere aspecten met betrekking tot evenredige vertegenwoordiging en de mogelijke uitzonderingen hierop wordt hier verwezen naar het commentaar bij artikel 53 (eerste lid).

4 Stemgeheim, tijdelijke vervanging
   en overige bepalingen (derde lid)

Het derde lid van dit artikel bevat drie verwijzingen naar andere grondwetsbepalingen. Hiermee wordt ook voor provinciale staten en gemeenteraden de eis gesteld van geheime verkiezingen (artikel 53, tweede lid, Grondwet) en wordt aangegeven dat overige regelingen met betrekking tot het verkiezen van deze organen bij wet wordt geregeld (artikel 59 Grondwet). Deze kiesrechtelijke bepalingen konden vroeger worden gevonden in de Provincie- en Gemeentewet.  Sinds 1951 zijn deze opgenomen in de Kieswet en het daarop gebaseerde Kiesbesluit. Hierbij gelden grosso modo dezelfde voorschriften als ten aanzien van Tweede Kamerverkiezingen. Met de introductie van de vervangingsregeling bij zwangerschap, bevalling en ziekte (artikel 57a Grondwet) voor Tweede- en Eerste Kamerleden in 2005, is deze regeling van overeenkomstige toepassing verklaard op leden van provinciale staten en gemeenteraden. Voor een nadere inhoudelijke bespreking ten aanzien van het bovenstaande wordt verwezen naar het commentaar bij de artikelen 53, 57a en 59.
 
Hier rest slechts de opmerking dat de Kieswet op een aantal punten een ander regime aanhoudt voor gemeenteraden met minder dan negentien leden. Zo worden restzetels in deze gemeenten toegewezen op grond van het ‘stelsel van de grootste overschotten’ en niet op grond van het ‘stelsel van grootste gemiddelden’ dat bij grotere gemeenten, provincies en de beide Kamers der Staten-Generaal wordt gehanteerd.[4] Dit kan voor kleinere partijen met een groot overschot aan stemmen iets gunstiger uitpakken.  Verder geldt bij de toewijzing van zetels aan kandidaten op basis van ‘voorkeurstemmen’ dat hierbij op een kandidaat een aantal stemmen moet zijn uitgebracht dat hoger is dan de helft van de kiesdeler, waar dat bij grotere gemeenten, bij provincies en bij Tweede Kamerverkiezingen meer dan een kwart van de kiesdeler bedraagt.[5] Tot slot geldt voor deze kleine gemeenteraden wel een soort kiesdrempel. Lijsten komen in eerste instantie pas voor restzetels in dergelijke gemeenteraden in aanmerking als zij op zijn minst 75% van de kiesdeler behaald hebben.[6] De eerste twee afwijkingen van het reguliere regime kunnen worden verklaard door het kleine aantal stemmen dat in absolute zin wordt uitgebracht. Hierdoor is het systeem dat wordt gehanteerd voor grotere gemeenten minder bruikbaar. Een klein verschil in stemmen zou namelijk grote verschillen in percentages en gemiddelden kunnen betekenen. De laatste afwijking van het reguliere regime houdt verband met het erg kleine aantal stemmen dat nodig zou zijn om aan een zetel te komen als het stelsel van grootste overschotten onverkort zou worden toegepast, zeker in situaties waarin een gering aantal partijen aan de verkiezingen deelneemt.

5 Zittingsduur (vierde lid)

De zittingsduur van provinciale staten en gemeenteraden wordt in het vierde lid gefixeerd op vier jaren, behoudens bij de wet te bepalen uitzonderingen. Met de keuze voor vier jaren, wordt aangesloten bij de termijn zoals die geldt voor Tweede en Eerste Kamer. Voor provincies is aansluiting bij de termijn van de Eerste Kamer wenselijk nu deze Kamer in haar geheel door de leden van provinciale staten wordt gekozen (artikel 52, eerste lid, Grondwet). De grondwettelijke vastlegging van de termijn van vier jaren zorg ervoor dat verkiezingen voor provinciale staten en gemeenteraden voor alle provincies respectievelijk alle gemeenten gelijktijdig plaatsvinden.
 
De wettelijke uitzonderingsmogelijkheid speelt vooral bij gemeentelijke herindelingen als bedoeld in artikel 123, eerste lid, Grondwet. Hierbij moet immers geregeld worden dat zittende gemeenteraden van te fuseren gemeenten een kortere (of in sommige gevallen iets langere) zittingsduur kennen, waardoor hun zittingstermijn eindigt wanneer die van de nieuw gekozen, heringedeelde gemeente begint. Deze nieuw te kiezen gemeenteraden kennen dan weer een langere (of in sommige gevallen iets kortere) zittingsduur om ervoor te zorgen dat deze gemeenteraden op een zeker moment weer binnen het reguliere stramien van gelijktijdige gemeenteraadsverkiezingen komen te vallen. Voorheen werd dit per geval geregeld in de specifieke herindelingswetten. Sinds 2014 is hiervoor een algemene regeling gegeven in de wet algemene regels herindeling (Wet arhi).[7] Bij dezelfde wetswijziging is bepaald dat bij grenscorrecties als bedoeld in het tweede lid van artikel 123 geen nieuwe verkiezingen worden gehouden.[8]
 
Overige uitzonderingen komen in de praktijk niet voor, zij het dat de toepassing van het vijfde lid (tweede volzin) van artikel 132 ertoe kan leiden dat een gemeenteraad bij wet op ‘non-actief’ gesteld zou worden en eventueel wordt voorzien in nieuwe verkiezingen. In dat geval moet sprake zijn van grovelijke verwaarlozing van taken door het gemeentebestuur. Deze toezichtsmaatregel wordt vrijwel nooit toegepast (zie het commentaar bij artikel 132).
 
De vaste termijn van vier jaren betekent dat noch provinciale staten, noch de gemeenteraad – behoudens gevallen als hierboven beschreven – om politieke redenen tussentijds kunnen worden ontbonden. Hiermee wordt afgeweken van de systematiek op nationaal niveau, waarvoor artikel 64 Grondwet die mogelijkheid wel biedt.[9] Een aan dat grondwetsartikel analoge regeling, ligt op principiële gronden niet voor de hand. Het zou immers merkwaardig zijn als het orgaan dat op grond van artikel 125, eerste lid, als hoogste orgaan van de provincie of gemeente heeft te gelden zou kunnen worden ontbonden door een daaraan ondergeschikt orgaan (zoals gedeputeerde staten respectievelijk het college van burgemeester en wethouders). Het hoofdschap zou daarentegen niet in de weg staan aan het toekennen van een recht tot ‘zelfontbinding’. Voor provincies zou nog steeds het bezwaar gelden dat de verkiezingen van provinciale staten zijn gekoppeld aan die van de Eerste Kamer, maar bij gemeenten zou een dergelijk recht meerwaarde kunnen hebben bij het adresseren van aanhoudende bestuurlijke crises. Doordat de mogelijkheid van tussentijdse ontbinding thans ontbreekt, zijn gemeenteraadsfracties bij de ‘val’ van een college verplicht nieuwe politieke samenwerkingen aan te gaan op basis van oorspronkelijke verkiezingsuitslag. Dat is niet altijd even eenvoudig. Dat een dergelijk recht niet lichtvaardig zou moeten worden gebruikt, zou kunnen worden ondervangen door een voorschrift dat hiertoe een versterkte meerderheid van de leden van de raad (bijvoorbeeld twee derden) en/of de eis van provinciale of ministeriële goedkeuring. Aan een dergelijke constructie staat eigenlijk alleen de wens van gelijktijdige gemeenteraadsverkiezingen in de weg.

6 Incompatibiliteiten (vijfde lid)

Het vijfde lid biedt de grondslag voor de regeling van incompatibiliteiten (betrekkingen die niet gelijktijdig door dezelfde persoon mogen worden vervuld). Hierin moet worden voorzien bij formele wetgeving. Deze regeling heeft voornamelijk gestalte gekregen in de Provinciewet en de Gemeentewet.[10] Het voert binnen het bestek van dit artikelsgewijs commentaar te ver om alle incompatibiliteiten op te sommen, laat staan te bespreken. Een aantal algemene observaties kan wel worden gemaakt.
 
Binnen het constitutionele recht vormen incompatibiliteiten de voornaamste manier om scheiding van machten te bewerkstelligen. Door combinatie van vervulling van bepaalde taken uit te sluiten, wordt getracht te voorkomen dat decentrale volksvertegenwoordigers zich in hun gedachten- en besluitvorming laten leiden door aan hun functie vreemde belangen. De machtenscheiding die blijkens de uitwerking in Provincie- en Gemeentewet wordt nagestreefd, heeft in ieder geval – en sinds de dualisering van het decentrale bestuur in sterkere mate – betrekking op de onderlinge verhoudingen binnen de overheidslaag. Leden van provinciale staten kunnen niet tegelijkertijd commissaris van de Koning zijn en sinds de dualisering evenmin gedeputeerde. Ten aanzien van deze laatste incompatibiliteit kent de Provinciewet een vergelijkbare regeling als artikel 57, derde lid, Grondwet. Dit maakt het mogelijk dat ‘demissionaire’ gedeputeerden tijdelijk lid van provinciale staten zijn. Overige onverenigbaarheden binnen de provinciale bestuursorganisatie betreffen het lidmaatschap van de provinciale rekenkamer (echter alleen als in de betreffende provincie gekozen is voor een onafhankelijke rekenkamer en niet voor een (mede) uit statenleden bestaande rekenkamercommissie)[11] en de functie van provinciale ombudsman, dan wel het lidmaatschap van de provinciale ombudscommissie. Ook kunnen zij niet zijn aangesteld als ambtenaar van de provincie waarvan zij statenlid zijn. Zij kunnen wel ambtenaar zijn van een andere provincie (zolang zij maar ingezetene blijven van de provincie waarvan zij lid van provinciale staten zijn). Dit laatste is in de praktijk niet zeldzaam. Voor gemeenten geldt, mutatis mutandis, hetzelfde.
 
Een tweede categorie incompatibiliteiten ziet op verticale machtenscheiding. Vanuit deze gedachte kunnen leden van provinciale staten niet gelijktijdig minister of staatssecretaris zijnVoor gemeenten gelden ook hier vergelijkbare incompatibiliteiten, zij het dat aan dit lijstje ook de provinciale bekleders van de uitvoerende macht (gedeputeerden, de commissaris van de Koning, maar ook de secretaris en de griffier van de provincie) zijn toegevoegd. Hier spelen vooral toezichtverhoudingen een rol.  Zo hebben gedeputeerden soms een rol bij het toezicht op gemeentelijke besluitvorming. Als zij tegelijkertijd lid zouden zijn van de gemeenteraad, kan een verhoogd risico gelden van oneigenlijk gebruik van bevoegdheden (van de bevoegdheden van GS, maar ook van de bevoegdheden als raadslid). Opvallend is dat de verticale machtenscheiding niet zo ver gaat dat onverenigbaarheden zouden bestaan tussen het lidmaatschap van de volksvertegenwoordigingen binnen de verschillende overheidslagen. Leden van gemeenteraden kunnen daardoor tegelijkertijd lid van provinciale staten en lid van ofwel het Europees parlement,[12] ofwel de Tweede ofwel de Eerste Kamer zijn.[13] De laatste jaren wordt van deze mogelijkheid veelvuldig gebruik gemaakt.
 
Voorts bestaat een aantal incompatibiliteiten ten aanzien van leden van hoge colleges van Staat. Aldus is het lidmaatschap van de Raad van State, de Algemene Rekenkamer en het bekleden van de functie van (substituut-)Ombudsman voor decentrale volksvertegenwoordigers niet weggelegd. De ratio is hier dat deze organen hun adviserende functie niet naar behoren zouden kunnen vervullen als zij tegelijkertijd het belang van ‘hun’ provincie of gemeente in het oog moeten houden. Opvallend is dat geen incompatibiliteit bestaat ten opzichte van de rechterlijke macht. Er wordt kennelijk van uitgegaan dat op deze rechters toepasselijke regelingen rondom verschoning en wraking toereikend zijn.
 
De tweede volzin opent de mogelijkheid van onverenigbaarheden die we op nationaal niveau niet kennen. Zo is het mogelijk dat bij wet wordt bepaald dat familieleden (via bloedverwantschap of huwelijk) niet tegelijkertijd zitting kunnen nemen in dezelfde decentrale volksvertegenwoordiging. Een dergelijke regeling heeft in zowel de Provinciewet als de Gemeentewet bestaan. Daarin was bloedverwantschap of zwagerschap in de eerste of tweede graad, alsmede huwelijk tussen leden van dezelfde provinciale staten of dezelfde gemeenteraad uitgesloten. Deze regeling was bedoeld om te voorkomen dat een select aantal families binnen een provincie of gemeente de dienst zouden uitmaken. Thans bestaat een dergelijke regeling alleen nog voor leden van de bestuurscolleges van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, zij het dat deze regeling niet gebaseerd is op dit grondwetsartikel.[14]
 
Ten slotte moet aandacht worden gevestigd op zogenaamde ‘verboden handelingen’ die eveneens op grond van de tweede volzin van dit artikellid bij wet kunnen worden vastgesteld. Ook hier voert het te ver deze alle te benoemen en te bespreken.[15] Bij wijze van voorbeeld wordt hier gewezen op het optreden als advocaat of procureur in rechtszaken (voor dan wel tegen de provincie of gemeente) en het aangaan van overeenkomsten waardoor werk wordt aangenomen ten behoeve van de provincie of gemeente.[16] Belangrijk is hier dat leden van provinciale staten of de gemeenteraad niet in een bevoorrechte positie worden gebracht bij het acquireren van werkzaamheden. De gevolgen van het verrichten van dergelijke handelingen kunnen zwaar zijn. Op grond van artikel X7 en X8 van de Kieswet kan het verrichten van dergelijke handelingen leiden tot vervallenverklaring van het lidmaatschap van provinciale staten of de gemeenteraad.

7 Verbod van last (zesde lid)

Het in het zesde lid opgenomen verbod van last komt overeen met de regeling die in artikel 67, derde lid, Grondwet wordt gegeven voor leden van de Staten-Generaal. Het verbod strekt ertoe leden van decentrale volksvertegenwoordigingen een onafhankelijke positie te garanderen. Deze onafhankelijkheid geldt in beginsel iedereen, maar wordt voornamelijk onder druk gezet door het bestaan van politieke fracties en daarbinnen bestaande fractiediscipline. Voor zover binnen fracties afspraken worden gemaakt over het al dan niet steunen van ter tafel komende voorstellen, volgt uit het verbod van last dat deze niet juridisch bindend zijn. Dit geldt ook voor tussen fracties gesloten (coalitie)akkoorden.
 
Het verbod van last wordt wel in verband gebracht met het recht dat leden van decentrale volksvertegenwoordigers hebben om lid te blijven van het orgaan waarin ze gekozen zijn, nadat zij het politieke verband hebben verlaten van de lijst waarop zij gekozen zijn. Hier bestaat inderdaad een verband, zij het dat deze mogelijkheid niet rechtstreeks uit het verbod van last voortvloeit. Dit volgt veeleer uit de omstandigheid dat uit Provincie-, Gemeente- en Kieswet een limitatieve hoeveelheid gevallen voortvloeit waarin het lidmaatschap van provinciale staten of de gemeenteraad vervalt. Het gaat daarbij bijvoorbeeld om het verlies van het ingezetenschap of (in het geval van leden van provinciale staten) het Nederlanderschap, ontzetting uit het kiesrecht of overlijden, maar uitdrukkelijk niet om het al dan niet verbonden zijn aan een (bepaalde) politieke partij.[17] Daarmee is niet gezegd dat er geen verband zou bestaan tussen deze twee leerstukken. Beide kunnen worden gezien als uitvloeisels van het algemene uitgangspunt dat volksvertegenwoordigers, ook op decentraal niveau, beschikken over een ‘vrij mandaat’. Voor al hetgeen overigens verbonden is aan het verbod van last wordt verwezen naar het commentaar bij artikel 67.

8 Van constitutionele orde?

De bepalingen over het tweekamerstelsel, de Eerste Kamer en de verenigde vergadering latend voor wat ze zijn, valt op dat artikel 129 veel overneemt van de bepalingen die de eerste paragraaf van hoofdstuk 3 van de Grondwet ten aanzien van de inrichting van de Tweede Kamer biedt. Wat niet (ook niet elders in hoofdstuk 7) terugkomt, is de algemene vertegenwoordigingstaakstelling (artikel 50), de vaststelling van het aantal leden (artikel 51), het onderzoek van de geloofsbrieven (artikel 58), eedaflegging (artikel 60), het kiezen van de voorzitter en het benoemen van een griffier (artikel 61), een regeling voor geldelijke voorzieningen (artikel 63) en een regeling met betrekking tot ontbinding (artikel 64). Ook ontbreekt een grondwettelijke erkenning van de onschendbaarheid van decentrale volksvertegenwoordigers die voor leden van de Staten-Generaal is opgenomen in de tweede paragraaf van hoofdstuk 3 (artikel 71). In de meeste gevallen kunnen deze bepalingen worden teruggevonden in de Provincie- respectievelijk Gemeentewet. Op twee punten verschilt ook de uitwerking in formele wetgeving wezenlijk van de regeling op nationaal niveau. Dit betreft het ontbreken van een ontbindingsrecht (zie daarvoor paragraaf 5) en het kunnen bepalen wie de eigen voorzitter is. Dat laatste gebeurt door de wetgever (zie in dit verband de  commentaren bij artikel 125 en artikel 131).
 
Op grond van het bovenstaande rijst de vraag waarom bepaalde onderdelen van de grondwettelijke regeling voor de Staten-Generaal wel zijn overgenomen en andere niet. Is een grondwettelijke waarborg van de zittingsduur belangrijker dan de vertegenwoordigingstaakstelling? Is het verbod van last wel van constitutionele orde en de onschendbaarheid niet? Eén en ander wordt opvallender als de constitutionele normen rondom waterschappen (artikel 133) in het geheel worden betrokken. Ten aanzien van deze rechtsgemeenschappen bevat de Grondwet geen enkele inhoudelijke norm ten aanzien van de inrichting van de binnen de waterschappen opererende bestuursorganen.
 
Geredeneerd vanuit de gedachte dat provincie- en gemeentebesturen niet zelfstandig zouden mogen besluiten tot het overboord zetten van bepaalde democratische waarborgen, maakt het niet uit of deze in de Grondwet of in ‘gewone’ formele wetgeving gegeven worden. Beide zijn door provincie noch gemeente te wijzigen. De waarborg die aldus geboden wordt, geldt vooral tegen de formele wetgever zelf. Wellicht gelden deze waarborgen niet vanwege angst voor antidemocratische sentimenten bij de formele wetgever, maar wel ter voorkoming van al te grote experimenteerdrift. Het is aan de grondwetgever om te bepalen of dat nodig is. Momenteel lopen er geen grote discussies over het anders inrichten van het provinciale of gemeentelijke kiesstelsel, zodat niet kan worden gezegd dat de huidige grondwettelijke regeling hierbij als hinderpaal fungeert.[18]

9 Jurisprudentie

- HR 26 maart 1971, AB 1971, 135 (Verkiezingsafspraak Elsloo)
- HR 18 november 1988, AB 1989, 185 (Arubaanse verkiezingsafspraak)

10 Literatuur

Aan artikel 129 Grondwet wordt de nodige aandacht besteed in de algemene gemeenterechtelijke literatuur, zoals opgesomd in de algemene inleiding bij dit hoofdstuk van de Grondwet. Kernpublicaties die specifiek handelen over aspecten die in dit commentaar aan de orde zijn gesteld, zijn nauwelijks voorhanden. Interessant zijn:
 
- C.A.J.M. Kortmann, Is wetsvoorstel 30229 grondwettig?, in: NJB nr. 14, 7 april 2006
- H.R.B.M. Kummeling en H. van der Kolk, LinkLokale kiesstelsels vergeleken : over de vormgeving, het gebruik en de consequenties van lokale kiesstelsels, VNG Uitgeverij, Den Haag 2002
- C.J.N. Versteden, Politieambtenaren in de gemeenteraad onder de nieuwe Politiewet: een zeldzaam verschijnsel, in: Gst. 2013/2

11 Historische versies

Provinciale staten:
Art. 73 Gw. 1814: Er zullen zijn Staten van de Provincien of Landschappen.
Art. 74 Gw. 1814: Derzelver zamenstelling wordt, naar aanleiding van deze grondwet, geregeld door den Souvereinen Vorst, die uit elke Provincie of Landschap eene commissie benoemt, om Hem dienaangaande te dienen van advies.
Art. 6 Gw. 1815: De oefening van het stemregt in de steden en ten platten lande, zoo wel als de bevoegdheid om deel te nemen aan de provinciale en plaatselijke besturen, wordt bij de provinciale en plaatselijke reglementen geregeld.
Art. 129 Gw. 1815: De Staten der Provincien zijn zamengesteld uit leden, gekozen door de volgende drie standen, namelijk:
‑ Door de Edelen of Ridderschappen,
‑ Door de Steden,
‑ Door den Landelijken Stand (art. 127 Gw. 1840).
Art. 130 Gw. 1815: Het getal van de leden der provinciale Staten‑Vergadering en de evenredigheid der verschillende standen, wordt geregeld door den Koning, die uit elke provincie eene commissie benoemt, om Hem dienaangaande te dienen van advies (art. 128, lid 1, Gw. 1840).
Art. 6 Gw. 1840: De oefening van het stemregt in de steden en ten platten lande, zoo wel als de bevoegdheid, om deel te nemen aan de provinciale en plaatselijke Besturen, wordt bij de wet geregeld.
Art. 128, tweede lid, Gw. 1840: Wijzigingen of veranderingen in de eenmaal bestaande regeling worden, na ingenomen advies van de Staten der provincie, door de wet vastgesteld.
Art. 131 Gw. 1815: In elke provincie maken de edelen of een ligchaam van ridderschap uit of niet, naar mate zulks het voegelijkst geoordeeld wordt.
De eerste bijeenroeping der edelen of ridderschappen en de eerste admisssie tot dezelve, wordt door den Koning gedaan en verleend.
Zij ontwerpen zoodanige reglementen als zij, behoudens deze grondwet, noodig oordelen, en zenden dezelve aan den Koning ter bekrachtiging (art. 129 Gw. 1840).
Art. 123 Gw. 1848: De leden der Provinciale Staten worden voor zes jaren, onmiddellijk door de ingezetenen, bezittende de vereischten in art. 76 vermeld, naar de bepalingen der wet gekozen.
De helft dier leden treedt om de drie jaren af.
Art. 127 Gw. 1887: De leden der Provinciale Staten worden voor zes jaren regtstreeks gekozen door de mannelijke ingezetenen der provincie, tevens Nederlanders, die de door de wet te bepalen kenteekenen van geschiktheid en maatschappelijken welstand bezitten en den door die wet te bepalen leeftijd, welke niet beneden drie en twintig jaren mag zijn, hebben bereikt.
Het tweede en derde lid van art. 80 zijn hierbij van toepassing.
De helft dier leden treedt om de drie jaren af.
Om lid der Provinciale Staten te kunnen zijn wordt vereischt, dat men mannelijk Nederlander en ingezetene der provincie zij, niet bij regterlijke uitspraak de beschikking of het beheer over zijne goederen hebbe verloren, noch van de verkiesbaarheid ontzet zij en den ouderdom van vijf en twintig jaren vervuld hebbe. De verkiezing van de leden der Provinciale Staten heeft plaats op de wijze door de wet te regelen.
Art. 127 Gw. 1917: De leden der Provinciale Staten worden voor vier jaren rechtstreeks gekozen door de mannelijke ingezetenen der provincie, tevens Nederlanders of door de wet als Nederlandsche onderdanen erkend, die den door de wet te bepalen leeftijd, welke niet beneden drie en twintig jaren mag zijn, hebben bereikt en door de vrouwelijke ingezetenen der provincie, die aan gelijke voorwaarden voldoen, indien en voor zoover de wet haar, niet uit hoofde van aan het bezit van maatschappelijken welstand ontleende redenen, kiesbevoegd verklaart. De verkiezing geschiedt op den grondslag van evenredige vertegenwoordiging.
De laatste zinsnede van het eerste lid, het tweede, derde en vierde lid van artikel 80 zijn van toepassing.
Zij treden te gelijk af en zijn dadelijk herkiesbaar.
Om lid der Provinciale Staten te kunnen zijn wordt vereischt, dat men Nederlander of door de wet als Nederlandsch onderdaan erkend en ingezeten der provincie zij, niet krachtens onherroepelijke rechterlijke uitspraak wegens krankzinnigheid of zwakheid van vermogens, de beschikking of het beheer over zijne goederen hebbe verloren, noch van de verkiesbaarheid ontzet zij en den ouderdom van vijf en twintig jaren vervuld hebbe. De verkiezing van de leden der Provinciale Staten heeft plaats op de wijze door de wet te regelen.
Art. 128 Gw. 1922: De leden der Provinciale Staten worden voor vier jaren rechtstreeks gekozen door de ingezetenen der provincie, tevens Nederlanders, of door de wet als Nederlandsche onderdanen erkend, die den door de wet te bepalen leeftijd, welke niet beneden drie en twintig jaren mag zijn, hebben bereikt. De verkiezing geschiedt op den grondslag van evenredige vertegenwoordiging.
De laatste zinsnede van het eerste lid, het tweede en derde lid van artikel 81 zijn van toepassing.
Zij treden tegelijk af en zijn dadelijk herkiesbaar.
Om lid der Provinciale Staten te kunnen zijn wordt vereischt, dat men Nederlander of door de wet als Nederlandsch onderdaan erkend en ingezeten der provincie zij, den ouderdom van vijf en twintig jaren vervuld hebbe, niet van de verkiesbaarheid ontzet zij, noch van de uitoefening van het kiesrecht zij uitgesloten krachtens de daaromtrent ingevolge artikel 81, derde lid, getroffen regeling, met uitzondering van gerechtelijke vrijheidsberoving en veroordeling tot een vrijheidsstraf anders dan wegens bedelarij of landlooperij of wegens een feit, waaruit openbare dronkenschap blijkt.
De verkiezing van de leden der Provinciale Staten heeft plaats op de wijze door de wet te regelen (art. 130 Gw. 1938, behoudens dat i.p.v. `art. 81' wordt gelezen `art. 83'; art. 137 Gw. 1953, behoudens dat i.p.v. `art. 83' wordt gelezen `art. 90').
Art. 137 Gw. 1956: De leden der Provinciale Staten worden voor een bij de wet te bepalen aantal jaren rechtstreeks gekozen door de ingezetenen der provincie, tevens Nederlanders, of door de wet als Nederlandse onderdanen erkend, die de door de wet te bepalen leeftijd, welke niet beneden drie en twintig jaren mag zijn, hebben bereikt. De verkiezing geschiedt op de grondslag van evenredige vertegenwoordiging binnen door de wet te stellen grenzen.
De laatste zinsnede van het eerste lid, het tweede en derde lid van artikel 90 zijn van toepassing.
Zij treden tegelijk af en zijn dadelijk herkiesbaar.
Om lid der Provinciale te kunnen zijn wordt vereist, dat men Nederlander of door de wet als Nederlands onderdaan erkend en ingezeten der provincie zij, de ouderdom van vijf en twintig jaren vervuld hebbe, niet van de verkiesbaarheid ontzet zij, noch van de uitoefening van het kiesrecht zij uitgesloten krachtens de daaromtrent ingevolge artikel 90, derde lid, getroffen regeling, met uitzondering van gerechtelijke vrijheidsberoving en veroordeling tot een vrijheidsstraf anders dan wegens bedelarij of landloperij of wegens een feit, waaruit openbare dronkenschap blijkt.
De verkiezing van de leden der Provinciale Staten heeft plaats op de wijze door de wet te regelen (art. 137 Gw. 1963, behoudens dat in eerste lid i.p.v. `drie en twintig jaren' wordt gelezen `eenentwintig jaren'; art. 137 Gw. 1972, behoudens dat in eerste lid i.p.v. `eenentwintig jaren' wordt gelezen `achttien jaren').
Art. 140 Gw. 1815: De leden der Staten stemmen ieder voor zich zelven en zonder ruggespraak met de vergadering die hen benoemd heeft (art. 138 Gw. 1840).
Art. 127 Gw. 1848: De leden der Staten stemmen, elk volgens eed en geweten, zonder last van of ruggespraak met hen die benoemen.
Art. 131 Gw. 1887: De leden der Staten stemmen zonder last van of ruggespraak met hen die benoemen (art. 133 Gw. 1938, art. 140 Gw. 1953).
 
Gemeenteraad:
Art. 79 Gw. 1814: In alle Steden worden ingevoerd Kiezerskollegien, gelijk van oud in vele Steden bestonden. Zij worden eenmaal in het jaar door de Regering bijeen geroepen, alleenlijk tot het bedoelde einde, om de Raadplaatsen, in dien tusschentijd open gevallen, door bevoegde personen te vervullen (art. 133 Gw. 1815, behoudens, dat de zinsnede `gelijk van oud in vele steden bestonden' komt te vervallen; art. 131 Gw. 1840).
Art. 80 Gw. 1814: De open vallende plaatsen in de Kiezers‑kollegien worden vervuld bij meerderheid van stemmen der gezeten burgeren, eene zekere, in elke stad bij het stedelijk reglement te bepalen, som betalende in de beschreven middelen. Daarover brengt elk dier burgeren eens in het jaar zijne stem uit bij behoorlijk geteekende en gesloten briefjes, die aan de huizen opgehaald worden van wege de Regering (art. 134 Gw. 1815; art. 132 Gw. 1840).
Art. 6 Gw. 1815: De oefening van het stemregt in de steden en ten platte lande, zoo wel als de bevoegdheid om deel te nemen aan de provinciale en plaatselijke besturen, wordt bij de provinciale en plaatselijke reglementen geregeld (art. 6 Gw. 1840, behoudens dat i.p.v. `provinciale en plaatselijke reglementen' wordt gelezen `wet').
Art. 133 Gw. 1815: In alle steden worden ingevoerd kiezers‑kollegien. Zij worden eenmaal in het jaar door de regering bijeengeroepen, alleenlijk tot het bedoelde einde, om de raadplaatsen, in dien tusschentijd opengevallen, door bevoegde personen te vervullen (art. 131 Gw. 1840).
Art. 134 Gw. 1815: De openvallende plaatsen in de kiezerskollegien, worden vervuld bij meerderheid van stemmen der gezeten burgeren, eene zekere, in iedere stad bij het stedelijk reglement te bepalen som betalende in de beschrevene middelen. Daar over brengt elk dier burgeren eens in het jaar zijne stem uit, bij behoorlijk geteekende en gesloten briefjes, die aan de huizen opgehaald worden van wege de regering (art. 132 Gw. 1840, behoudens dat de woorden `het stedelijk reglement' worden vervangen door `de wet').
Art. 139, eerste lid en derde lid, Gw. 1848: Aan het hoofd der gemeente staat een raad, welks leden onmiddellijk door de ingezetenen, op de wijze door de wet te regelen, voor een bepaald aantal jaren worden verkozen.
Om kiezer in eene gemeente te zijn, moet men de vereischten bezitten in art. 76 gevorderd; de belastingsom, daar bepaald, wordt echter op de helft gebragt.
Art. 143 Gw. 1887 (m.u.v. vijfde lid): Aan het hoofd der gemeente staat een raad, welks leden regtstreeks voor een bepaald aantal jaren worden gekozen door de mannelijke ingezetenen der gemeente, tevens Nederlanders, die de door de wet te bepalen kentee‑kenen van geschiktheid en maatschappelijken welstand bezitten en den door die wet te bepalen leeftijd, welke niet beneden drie en twintig jaren mag zijn, hebben bereikt.
Het tweede en het derde lid van art. 80 zijn hierbij van toepassing.
Om lid van den raad te kunnen zijn wordt vereischt dat men mannelijk Nederlander en ingezeten der gemeente zij, niet bij regterlijke uitspraak de beschikking of het beheer over zijne goederen hebbe verloren, noch van de verkiesbaarheid ontzet zij en den ouderdom van drie en twintig jaren vervuld hebbe.
De verkiezing van den raad heeft plaats op de wijze door de wet te regelen.
Art. 143 Gw. 1917 (m.u.v. vijfde lid): Aan het hoofd der gemeente staat een raad, welks leden rechtstreeks voor een bepaald aantal jaren worden gekozen door de mannelijke ingezetenen der gemeente, tevens Nederlanders of door de wet als Nederlandsche onderdanen erkend, die den door de wet te bepalen leeftijd, welke niet beneden drie en twintig jaren mag zijn, hebben bereikt en door de vrouwelijke ingezetenen der gemeente, die aan gelijke voorwaarden voldoen, indien en voor zoover de wet haar, niet uit hoofde van aan het bezit van maatschappelijken welstand ontleende redenen, kiesbevoegd verklaart. De verkiezing geschiedt op den grondslag van evenredige vertegenwoordiging.
De laatste zinsnede van het eerste lid, het tweede, derde en vierde lid van artikel 80 zijn van toepassing.
Om lid van den raad te kunnen zijn wordt vereischt, dat men Nederlander of door de wet als Nederlandsch onderdaan erkend en ingezeten der gemeente zij, niet krachtens onherroepelijke rechterlijke uitspraak wegens krankzinnigheid of zwakheid van vermogens, de beschikking of het beheer over zijne goederen hebbe verloren, noch van de verkiesbaarheid ontzet zij en den ouderdom van drie en twintig jaren vervuld hebbe.
De verkiezing van den raad heeft plaats op de wijze door de wet regelen.
Art. 143 Gw. 1922 (m.u.v. vijfde lid): Aan het hoofd der gemeente staat een raad, welks leden rechtstreeks voor een bepaald aantal jaren worden gekozen door de ingezetenen der gemeente, tevens Nederlanders of door de wet als Nederlandsche onderdanen erkend, die den door de wet te bepalen leeftijd, welke niet beneden drie en twintig jaren mag zijn, hebben bereikt. De verkiezing geschiedt op den grondslag van evenredige vertegenwoordiging.
De laatste zinsnede van het eerste lid, het tweede en derde lid van artikel 81 zijn van toepassing.
Om lid van den raad te kunnen zijn wordt vereischt, dat men Nederlander of door de wet als Nederlandsch onderdaan erkend en ingezeten der gemeente zij, den ouderdom van drie en twintig jaren vervuld hebbe, niet van de verkiesbaarheid ontzet zij, noch van de uitoefening van het kiesrecht zij uitgesloten krachtens de daaromtrent ingevolge artikel 81, derde lid, getroffen regeling, met uitzondering van gerechtelijke vrijheidsberooving en veroordeeling tot eene vrijheidsstraf anders dan wegens bedelarij of landlooperij of wegens een feit, waaruit openbare dronkenschap blijkt.
De verkiezing van den raad heeft plaats op de wijze door de wet te regelen (art. 145 Gw. 1938, m.u.v. vijfde lid, en behoudens dat in de laatste zinsnede van eerste lid moet worden toegevoegd `binnen door de wet te stellen grenzen' en in tweede lid en derde lid i.p.v. `art. 81' wordt gelezen `art. 83'; art. 152 Gw. 1953, m.u.v. vijfde lid, en behoudens dat in tweede lid en derde lid i.p.v. `art. 83' wordt gelezen `art. 90'; art. 152 Gw. 1963, m.u.v. vijfde lid, en behoudens dat in eerste lid i.p.v. `drie en twintig jaar' wordt gelezen `eenentwintig jaar'; art. 152 Gw. 1972, m.u.v. vijfde lid, en behoudens dat in eerste lid i.p.v. `eenentwintig jaar' wordt gelezen `achttien jaar').
   

Noten

  1. Wet van 20 januari 2005, Stb. 2005, 52. Middels de gelijktijdige invoering van een additioneel artikel (artikel I) van de Grondwet werd bepaald dat deze bepaling niet terstond in werking zou treden, maar op bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Het artikel is in werking getreden in 2006 met de gelijktijdige inwerkingtreding van de wijziging van de Kieswet ter zake (Wet van 7 september 2006, Stb. 2006, 418).
  2. Kamerstukken II, 1975-1976, 13 990 nr. 3, p. 17-18.
  3. Zie H.R.B.M. Kummeling en H. van der Kolk, Lokale kiesstelsels vergeleken. over de vormgeving, het gebruik en de consequenties van lokale kiesstelsels, VNG Uitgeverij – Den Haag, 2002.
  4. Artikel P8 Kieswet.
  5. Artikel P15, tweede lid, Kieswet. Ook voor Eerste Kamerverkiezingen geldt een ander regime. Zie artikel U15 Kieswet.
  6. Artikel P8, tweede lid, Kieswet.
  7. Deze wijziging van de Wet arhi is tot stand gekomen via de Wet van 9 juli 2014, Stb. 2014, 308.
  8. Zulks was in de praktijk van vóór 2014 al het geval, zij het dat de Wet arhi een bepaling bevatte die het uitschrijven van tussentijdse verkiezingen mogelijk maakte als het inwonertal van een gemeente met 10% zou toe of afnemen of als een gemeente door een grenscorrectie een vermeerdering of vermindering van het aantal inwoners zou krijgen, waarmee de gemeente een hoger of lager aantal gemeenteraadsleden zou moeten hebben.
  9. Zij het dat daarvan ten aanzien van de Eerste Kamer geen betekenisvol gebruik wordt gemaakt, vanwege de omstandigheid dat deze Kamer wordt gekozen door provinciale staten en voor deze staten een vaste termijn geldt.
  10. Zie vooral artikel 13 van zowel de Provincie- als de Gemeentewet.
  11. Zie verder W. van der Woude, Financiële controle in het gemeenterecht. Een juridisch onderzoek naar de ‘dualisering van de financiële functie’, Kluwer – Deventer 2011, hoofdstuk 7.
  12. Zie hiervoor vooral de Wet Incompatibiliteiten Staten-Generaal en Europees Parlement.
  13. Gelijktijdig lidmaatschap van twee of meer van deze vertegenwoordigende organen. Zie artikel 57, eerste lid.
  14. Zie artikel 41 Wet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba.
  15. Zie verder artikel 15 van zowel de Provincie- als de Gemeentewet.
  16. Artikel 15 van zowel de Provincie- als de Gemeentewet.
  17. Zie HR 18 november 1988, AB 1989, 185 (Arubaanse verkiezingsafspraak).
  18. Zulks wordt wel volgehouden ten aanzien van de discussie rondom de burgemeestersbenoeming. Zie daarvoor het commentaar bij artikel 131.

 

  • Citeer
    Citeer suggestie
    W. van der Woude, Commentaar op artikel 129 van de Grondwet, in: E.M.H. Hirsch Ballin en G. Leenknegt (red.), Artikelsgewijs commentaar op de Grondwet, webeditie 2017 (www.Nederlandrechtsstaat.nl).
  • Deel
  • PDF
  • Terug
MEER OVER DIT ONDERWERP
THEMA IN HET KORT
ACHTER-GRONDEN
Reageer!
Thema in het kort

Verkiezing vertegenwoordigend orgaan

Om een goede werking van de democratie binnen het provinciaal en gemeentelijk bestuur te verzekeren, biedt de Grondwet een aantal waarborgen. Om te beginnen hebben alle Nederlanders die voldoen aan de eisen voor het actief en passief kiesrecht voor de Staten-Generaal ook actief en passief kiesrecht voor de leden van de vertegenwoordigende organen van de provincie en de gemeente waarin zij wonen.
 
De verkiezingen vinden plaats volgens het stelsel van evenredige vertegenwoordiging: het aantal zetels dat elke kandidatenlijst krijgt toegewezen, is evenredig aan haar aandeel in het totaal aantal uitgebrachte stemmen. De zittingsduur van de gekozen vertegenwoordigers is vier jaar, tenzij eerder verkiezingen nodig zijn, bijvoorbeeld wegens een gemeentelijke herindeling.
 
In de Provinciewet en de Gemeentewet is een aantal incompatibiliteiten – met het lidmaatschap van de provinciale staten en de gemeenteraad onverenigbare betrekkingen – neergelegd om botsende belangen bij het vertegenwoordigende werk te voorkomen. Een lid van provinciale staten of een gemeenteraadslid mag onder meer niet tegelijkertijd minister, staatssecretaris, lid van de Raad van State of provinciaal respectievelijk gemeentelijk ambtenaar zijn. Het komt wel voor dat een gemeenteraadslid tegelijk Tweede Kamerlid is, hetgeen niet is verboden, maar de drukte van beide betrekkingen maakt het lastig ze te combineren.
 
Evenals kamerleden (artikel 67 Grondwet) stemmen de leden van provinciale staten en gemeenteraden zonder last. Zij zijn juridisch niet gebonden aan de opdrachten van een achterban of partijbestuur, maar bepalen in vrijheid hun positie en stemgedrag.

Plaats Uw Reactie

*Verplicht invulveld straks zijn alleen uw naam en reactie zichtbaar.

Er kan enige tijd overheengan tot uw reactie zichtbaar is.

Reageer!

Verkiezing vertegenwoordigend orgaan

0 reacties
Klassieke uitspraken
Recente Recht- spraak
Politiek
Klassieke uitspraken

Verkiezing vertegenwoordigend orgaan

Over dit artikel zijn ons geen belangrijke en ‘klassieke’ rechterlijke uitspraken bekend.
Recente rechtspraak

Verkiezing vertegenwoordigend orgaan

Over dit artikel zijn ons geen recente rechterlijke uitspraken bekend.
Politiek

Verkiezing vertegenwoordigend orgaan

Video
Blogs
IN DE WERELD
Video

Verkiezing vertegenwoordigend orgaan

  • Verkiezingen Provinciale Staten
Verkiezingen Provinciale Staten
Blogs

Verkiezing vertegenwoordigend orgaan

In de wereld

Verkiezing vertegenwoordigend orgaan