CATEGORIE
  • CATEGORIE
  • Adviesorganen
  • Burgerrechten
  • Decentralisatie
  • Eigendom
  • Gelijkheid
  • Godsdienst en levensovertuiging
  • Grondwetsherziening
  • Internationale rechtsorde
  • Privacy
  • Rechtspleging
  • Rechtspraak
  • Regering, Koning
  • Sociale rechtsstaat
  • Staten-Generaal
  • Uitingsrechten
  • Wetgeving en bestuur
AUTEUR
  • AUTEUR
  • M. Adams
  • B.C. van Beers
  • A.A.L. Beers & K.T. Meijer
  • A.A.L. Beers & J.C.A. de Poorter
  • S.C. van Bijsterveld & B.P. Vermeulen
  • G. Boogaard
  • G. Boogaard & J. Uzman
  • S.S. Buisman & S.B.G. Kierkels
  • S. Daniëls
  • J.W.A. Fleuren
  • F. Fleurke
  • J.L.M. Gribnau & M.R.T Pauwels
  • M.M. Groothuis
  • E.M.H. Hirsch Ballin
  • H.G. Hoogers
  • M. Houwerzijl & N. Zekic
  • M. Houwerzijl & F. Vlemminx
  • P. Jacobs
  • N.M.C.P. Jägers & J.P. Loof
  • E.J. Janse de Jonge
  • S. Jellinghaus & E. Huisman
  • J. Kiewiet & G.F.M. van der Tang †
  • T. Kooijmans en J. van der Ham
  • E.J. Koops
  • G. Leenknegt
  • K.T. Meijer
  • D. Mentink, B.P. Vermeulen & P.J.J. Zoontjens
  • B.M.J. van der Meulen
  • F.C.M.A. Michiels
  • T. Peters
  • J.C.A. de Poorter
  • J.M. van Schooten, G. Leenknegt & M. Adams
  • G. van der Schyff
  • J. Uzman & G. Boogaard
  • J. Uzman
  • B.P. Vermeulen
  • F.M.C. Vlemminx
  • F.M.C. Vlemminx & A.C.M. Meuwese
  • W.J.M. Voermans
  • B.W.N. de Waard
  • W. van der Woude
ARTIKEL
  • ARTIKEL
  • Artikel 1  Gelijke behandeling
  • Artikel 2  Nederlandschap en vreemdelingen
  • Artikel 3  Gelijke benoembaarheid
  • Artikel 4  Kiesrecht
  • Artikel 5  Petitierecht
  • Artikel 6  Vrijheid van godsdienst en levensovertuiging
  • Artikel 7  Vrijheid van meningsuiting
  • Artikel 8  Recht tot vereniging
  • Artikel 9  Recht tot vergadering en betoging
  • Artikel 10  Eerbiediging en bescherming persoonlijke levenssfeer
  • Artikel 11  Onaantastbaarheid van het lichaam
  • Artikel 12  Binnentreden woning
  • Artikel 13  Vertrouwelijke communicatie
  • Artikel 14  Onteigening
  • Artikel 15  Vrijheidsontneming
  • Artikel 16  Nulla poena
  • Artikel 17  Wettelijk toegekende rechter
  • Artikel 18  Rechtsbijstand
  • Artikel 19  Werkgelegenheid en arbeidskeuze
  • Artikel 20  Bestaanszekerheid
  • Artikel 21  Milieubescherming
  • Artikel 22  Volksgezondheid en woongelegenheid
  • Artikel 23  Onderwijs
  • Artikel 24  Koningschap
  • Artikel 25  Erfopvolging
  • Artikel 26  Status ongeboren kind Koning
  • Artikel 27  Afstand koningschap
  • Artikel 28  Afstand koningschap door huwelijk
  • Artikel 29  Uitsluiting troonopvolging
  • Artikel 30  Benoemde Koning
  • Artikel 31  Erfopvolging benoemde koning
  • Artikel 32  Inhuldiging Koning
  • Artikel 33  Koningschap en meerderjarigheid
  • Artikel 34  Ouderlijk gezag minderjarige Koning
  • Artikel 35  Buiten staat verklaring
  • Artikel 36  Tijdelijke neerlegging koninklijk gezag
  • Artikel 37  Uitoefening koninklijk gezag door regent
  • Artikel 38  Uitoefening koninklijk gezag door RvS
  • Artikel 39  Lidmaatschap koninklijk huis
  • Artikel 40  Uitkering koninklijk huis
  • Artikel 41  Inrichting huis Koning
  • Artikel 42  Ministeriële verantwoordelijkheid
  • Artikel 43  Regering en ministers
  • Artikel 44  Ministeries
  • Artikel 45  Ministerraad
  • Artikel 46  Staatssecretarissen
  • Artikel 47  Ondertekening en contraseign
  • Artikel 48  Ontslag en benoeming ministers
  • Artikel 49  Ambtseed minister en staatssecretaris
  • Artikel 50  Vertegenwoordiging
  • Artikel 51  Eerste en Tweede Kamer
  • Artikel 52  Zittingsduur
  • Artikel 53  Evenredige vertegenwoordiging
  • Artikel 54  Verkiezing Tweede Kamer
  • Artikel 55  Verkiezing Eerste Kamer
  • Artikel 56  Vereisten voor lidmaatschap
  • Artikel 57  Incompatibiliteiten
  • Artikel 57a  Zwangerschap en ziekte
  • Artikel 58  Geloofsbrieven
  • Artikel 59  Kiesrecht en verkiezingen
  • Artikel 60  Ambtsaanvaarding
  • Artikel 61  Voorzitter en griffier
  • Artikel 62  Verenigde vergadering
  • Artikel 63  Geldelijke voorzieningen
  • Artikel 64  Ontbinding Kamers
  • Artikel 65  Troonrede
  • Artikel 66  Openbaarheid vergaderingen
  • Artikel 67  Quorum
  • Artikel 68  Inlichtingenplicht bewindslieden
  • Artikel 69  Aanwezigheid bewindslieden
  • Artikel 70  Recht van enquête
  • Artikel 71  Parlementaire onschendbaarheid
  • Artikel 72  Reglement van orde
  • Artikel 73  Taak Raad van State
  • Artikel 74  Rechtspositie leden
  • Artikel 75  Inrichting, samenstelling, bevoegdheid Raad van State
  • Artikel 76  Algemene rekenkamer
  • Artikel 77  Rechtpositie leden rekenkamer
  • Artikel 78  Inrichting, samenstelling, bevoegdheid Rekenkamer
  • Artikel 78a  Nationale ombudsman
  • Artikel 79  Vaste colleges van advies
  • Artikel 80  Openbaarmaking advies
  • Artikel 81  Wetgevende macht
  • Artikel 82  Indienen wetsvoorstel
  • Artikel 83  Toezending wetsvoorstel TK
  • Artikel 84  Wijziging wetsvoorstel
  • Artikel 85  Toezending wetsvoorstel EK
  • Artikel 86  Intrekking wetsvoorstel
  • Artikel 87  Aanneming en bekrachtiging
  • Artikel 88  Bekendmaking en inwerkingtreding
  • Artikel 89  Algemene maatregel van bestuur
  • Artikel 90  Bevordering internationale rechtsorde
  • Artikel 91  Goedkeuring verdrag
  • Artikel 92  Bevoegdheden volkenrechtelijke organisaties
  • Artikel 93  Verbindende kracht verdrag
  • Artikel 94  Verdrag boven wet
  • Artikel 95  Bekendmaking verdrag
  • Artikel 96  Oorlogsverklaring
  • Artikel 97  Krijgsmacht
  • Artikel 98  Samenstelling krijgsmacht
  • Artikel 99  Gewetensbezwaren militaire dienst
  • Artikel 99a  Civiele verdediging
  • Artikel 100  Inlichtingen over krijgsmacht
  • Artikel 101  [vervallen]
  • Artikel 102  [vervallen]
  • Artikel 103  Uitzonderingstoestand
  • Artikel 104  Belastingheffing
  • Artikel 105  Recht van begroting
  • Artikel 106  Geldstelsel
  • Artikel 107  Codificatie
  • Artikel 108  [vervallen]
  • Artikel 109  Rechtspositie ambtenaren
  • Artikel 110  Openbaarheid van bestuur
  • Artikel 111  Ridderorden
  • Artikel 112  Civiele en administratieve rechtspraak
  • Artikel 113  Strafrechtspraak
  • Artikel 114  Doodstraf
  • Artikel 115  Administratief beroep
  • Artikel 116  Rechterlijke macht
  • Artikel 117  Rechtspositie leden rechterlijke macht
  • Artikel 118  Hoge Raad
  • Artikel 119  Ambtsmisdrijven
  • Artikel 120  Toetsingsverbod
  • Artikel 121  Openbaarheid terechtzittingen
  • Artikel 122  Gratie
  • Artikel 123  Instelling provincies en gemeenten
  • Artikel 124  Autonomie en medebewind
  • Artikel 125  Organen decentrale besturen
  • Artikel 126  Ambtsinstructie commissaris koning
  • Artikel 127  Vaststelling verordening
  • Artikel 128  Toekenning bevoegdheden
  • Artikel 129  Verkiezing vertegenwoordigend orgaan
  • Artikel 130  Kiesrecht gemeenteraad niet-Nederlanders
  • Artikel 131  Aanstelling burgemeester en commissaris Koning
  • Artikel 132  Inrichting, samenstelling, bevoegdheid decentrale besturen
  • Artikel 132a  Caribische openbare lichamen
  • Artikel 133  Waterschappen
  • Artikel 134  Publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie
  • Artikel 135  Gemeenschappelijke regelingen
  • Artikel 136  Geschillen
  • Artikel 137  Grondwetswijziging
  • Artikel 138  Aanpassing niet gewijzigde bepalingen
  • Artikel 139  Bekendmaking en inwerkingtreding
  • Artikel 140  Handhaving bestaande regelgeving
  • Artikel 141  Bekendmaking herziene Grondwet
  • Artikel 142  Aanpassing Grondwet aan Statuut
  • Artikel IX - Berechting van misdrijven in oorlogstijd
  • Artikel XIX - Afkondigingsformulier
HOOFDSTUK
  • HOOFDSTUK
  • Hoofdstuk 1  Grondrechten
  • Hoofdstuk 2  Regering
  • Hoofdstuk 3  Staten-Generaal
  • Hoofdstuk 4  Adviesorganen
  • Hoofdstuk 5  Wetgeving en bestuur
  • Hoofdstuk 6  Rechtspraak
  • Hoofdstuk 7  Decentralisatie
  • Hoofdstuk 8  Herziening grondwet
  • Additionele artikelen

DE GRONDWET

Artikel 123 - Instelling provincies en gemeenten

  1. Bij de wet kunnen provincies en gemeenten worden opgeheven en nieuwe ingesteld.

  2. De wet regelt de wijziging van provinciale en gemeentelijke grenzen.

Artikel 124 - Autonomie en medebewind

  1. Voor provincies en gemeenten wordt de bevoegdheid tot regeling en bestuur inzake hun huishouding aan hun besturen overgelaten.

  2. Regeling en bestuur kunnen van de besturen van provincies en gemeenten worden gevorderd bij of krachtens de wet.

Artikel 125 - Organen decentrale besturen

  1. Aan het hoofd van de provincie en de gemeente staan provinciale staten onderscheidenlijk de gemeenteraad. Hun vergaderingen zijn openbaar, behoudens bij de wet te regelen uitzonderingen.

  2. Van het bestuur van de provincie maken ook deel uit gedeputeerde staten en de commissaris van de Koning, van het bestuur van de gemeente het college van burgemeester en wethouders en de burgemeester.

Artikel 126 - Ambtsinstructie commissaris koning

Bij de wet kan worden bepaald, dat de commissaris van de Koning wordt belast met de uitvoering van een door de regering te geven ambtsinstructie.

Artikel 127 - Vaststelling verordening

Provinciale staten en de gemeenteraad stellen, behoudens bij de wet of door hen krachtens de wet te bepalen uitzonderingen, de provinciale onderscheidenlijk de gemeentelijke verordeningen vast.

Artikel 128 - Toekenning bevoegdheden

Behoudens in de gevallen bedoeld in artikel 123, kan de toekenning van bevoegdheden, als bedoeld in artikel 124, eerste lid, aan andere organen dan die, genoemd in artikel 125, alleen door provinciale staten onderscheidenlijk de gemeenteraad geschieden.

Artikel 129 - Verkiezing vertegenwoordigend orgaan

  1. De leden van provinciale staten en van de gemeenteraad worden rechtstreeks gekozen door de Nederlanders, tevens ingezetenen van de provincie onderscheidenlijk de gemeente, die voldoen aan de vereisten die gelden voor de verkiezing van de Tweede Kamer der Staten-Generaal. Voor het lidmaatschap gelden dezelfde vereisten.
  2. De leden worden gekozen op de grondslag van evenredige vertegenwoordiging binnen door de wet te stellen grenzen.
  3. De artikelen 53, tweede lid, en 59 zijn van toepassing. Artikel 57a is van overeenkomstige toepassing.
  4. De zittingsduur van provinciale staten en de gemeenteraad is vier jaren, behoudens bij de wet te bepalen uitzonderingen.
  5. De wet bepaalt welke betrekkingen niet gelijktijdig met het lidmaatschap kunnen worden uitgeoefend. De wet kan bepalen, dat beletselen voor het lidmaatschap voortvloeien uit verwantschap of huwelijk en dat het verrichten van bij de wet aangewezen handelingen tot het verlies van het lidmaatschap kan leiden.
  6. De leden stemmen zonder last.

Artikel 130 - Kiesrecht gemeenteraad niet-Nederlanders

De wet kan het recht de leden van de gemeenteraad te kiezen en het recht lid van de gemeenteraad te zijn toekennen aan ingezetenen, die geen Nederlander zijn, mits zij tenminste voldoen aan de vereisten die gelden voor ingezetenen die tevens Nederlander zijn.

Artikel 131 - Aanstelling burgemeester en commissaris Koning

De commissaris van de Koning en de burgemeester worden aangesteld, geschorst en ontslagen op een bij de wet te bepalen wijze. Krachtens de wet kunnen nadere regels worden gesteld over de daarbij te volgen procedures.

Artikel 132 - Inrichting, samenstelling, bevoegdheid decentrale besturen

  1. De wet regelt de inrichting van provincies en gemeenten, alsmede de samenstelling en bevoegdheid van hun besturen.

  2. De wet regelt het toezicht op deze besturen.

  3. Besluiten van deze besturen kunnen slechts aan voorafgaand toezicht worden onderworpen in bij of krachtens de wet te bepalen gevallen.

  4. Vernietiging van besluiten van deze besturen kan alleen geschieden bij koninklijk besluit wegens strijd met het recht of het algemeen belang.

  5. De wet regelt de voorzieningen bij in gebreke blijven ten aanzien van regeling en bestuur, gevorderd krachtens artikel 124, tweede lid. Bij de wet kunnen met afwijking van de artikelen 125 en 127 voorzieningen worden getroffen voor het geval het bestuur van een provincie of een gemeente zijn taken grovelijk verwaarloost.

  6. De wet bepaalt welke belastingen door de besturen van provincies en gemeenten kunnen worden geheven en regelt hun financiële verhouding tot het Rijk.

Artikel 133 - Waterschappen

  1. De opheffing en instelling van waterschappen, de regeling van hun taken en inrichting, alsmede de samenstelling van hun besturen, geschieden volgens bij de wet te stellen regels bij provinciale verordening, voor zover bij of krachtens de wet niet anders is bepaald.

  2. De wet regelt de verordenende en andere bevoegdheden van de besturen van de waterschappen, alsmede de openbaarheid van hun vergaderingen.

  3. De wet regelt het provinciale en overige toezicht op deze besturen. Vernietiging van besluiten van deze besturen kan alleen geschieden wegens strijd met het recht of het algemeen belang.

Artikel 134 - Publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie

  1. Bij of krachtens de wet kunnen openbare lichamen voor beroep en bedrijf en andere openbare lichamen worden ingesteld en opgeheven.

  2. De wet regelt de taken en de inrichting van deze openbare lichamen, de samenstelling en bevoegdheid van hun besturen, alsmede de openbaarheid van hun vergaderingen. Bij of krachtens de wet kan aan hun besturen verordenende bevoegdheid worden verleend.

  3. De wet regelt het toezicht op deze besturen. Vernietiging van besluiten van deze besturen kan alleen geschieden wegens strijd met het recht of het algemeen belang.

Artikel 135 - Gemeenschappelijke regelingen

De wet geeft regels ter voorziening in zaken waarbij twee of meer openbare lichamen zijn betrokken. Daarbij kan in de instelling van een nieuw openbaar lichaam worden voorzien, in welk geval artikel 134, tweede en derde lid, van toepassing is.

Artikel 136 - Geschillen

De geschillen tussen openbare lichamen worden bij koninklijk besluit beslist, tenzij deze behoren tot de kennisneming van de rechterlijke macht of hun beslissing bij de wet aan anderen is opgedragen.

WETENSCHAPPELIJK COMMENTAAR

W. van der Woude

ARTIKEL 128 - Toekenning bevoegdheden

INHOUD
  1. Historische ontwikkeling en actuele betekenis
  2. Algemeen
  3. 'Toekenning van bevoegdheden als bedoeld in artikel 124, eerste lid'
  4. 'Aan andere organen dan die, genoemd in artikel 125’
  5. 'Behoudens in de gevallen als bedoeld in artikel 123'
  6. Jurisprudentie
  7. Literatuur
  8. Historische versies
 

Editie december 2015

1. Historische ontwikkeling en actuele betekenis

Artikel 128 is in zijn huidige redactie in de Grondwet gekomen middels de grondwetsherziening van 1983. Dit artikel was voor provincies nieuw. Voor gemeenten kan worden gewezen op de grondwetsherziening van 1922. In dat jaar werd aan het ‘autonomie-artikel’ voor gemeenten de zin toegevoegd: "Hij (lees: de gemeenteraad – WvdW) kan in te bepalen gevallen, met inachtneming van te stellen regels, onder zijn toezicht het bestuur van te bepalen takken van de huishouding der gemeente geheel of ten deele aan andere organen opdragen”. Evenals het huidige artikel 128 handelde het hier om het toekennen van bevoegdheden uit de eigen huishouding. Anders dan het huidige artikel 128 beperkte zijn voorganger zich tot bestuursbevoegdheden.[1]
 
In het oorspronkelijke wetsvoorstel dat zou leiden tot de grondwetsherziening van 1983, kwam dit artikel niet langer voor.[2] Het is bij amendement – een van de vele amendementen van het Tweede Kamerlid Faber dat een meerderheid wist te verwerven – in de verklaringswet terechtgekomen.[3]

2. Algemeen

Met zijn drie verwijzingen naar voorafgaande grondwetsartikelen is artikel 128 een fraai staaltje ontoegankelijke wetgeving.[4] In volgende paragrafen zal op de verschillende verwijzingen nader worden ingegaan. In de kern beoogt dit artikel te voorkomen dat autonome bevoegdheidsuitoefening zou worden ondergraven door de wetgever. Dat risico zou inderdaad bestaan als de wetgever de mogelijkheid hebben autonome bevoegdheden onder provinciale staten en de gemeenteraad ‘weg te trekken’ en deze zou kunnen onderbrengen bij nieuwe, bij wet in te stellen, organen. Om dit te voorkomen, volgt uit artikel 128 dat de wetgever enkel bevoegd is autonome bevoegdheden toe te kennen aan de decentrale volksvertegenwoordigingen (provinciale staten en de gemeenteraad), de bestuurscolleges (gedeputeerde staten en het college van burgemeester en wethouders), de commissaris van Koning of de burgemeester. Toekenning van autonome bevoegdheden aan andere dan deze organen is volgens dit artikel alleen toegestaan door provinciale staten of de gemeenteraad zelf.
 
Bij de totstandkoming van deze bepaling werd gevaar vooral verwacht van ‘binnengemeentelijke decentralisatie’, met name in de vorm van deelgemeenten (die waren vormgegeven als gemeentelijke commissies en daarmee behoorden tot de groep van ‘andere organen, dan die genoemd in artikel 125’). Het zou steeds aan de raad en niet aan de wetgever zijn om te bepalen welke bevoegdheden hij aan deze organen zou willen toekennen. Voor zover dit een realistisch gevaar was, is het inmiddels geweken. De mogelijkheid om deelprovincies en deelgemeenten in te stellen is in 2013 afgeschaft.[5] In de praktijk hadden alleen de gemeenten Amsterdam en Rotterdam hiervan betekenisvol gebruik gemaakt. Dat de directe aanleiding voor artikel 128 is weggevallen, wil niet zeggen het alle betekenis verloren zou hebben. De formulering van artikel 128 is immers niet tot deelgemeenten beperkt.

3. 'Toekenning van bevoegdheden als bedoeld
   in artikel 124, eerste lid'

Artikel 128 ziet op de toekenning van de bevoegdheden tot ‘regeling en bestuur’ als bedoeld  in artikel 124, eerste lid. Voor de toekenning van verordenende bevoegdheden (‘regeling’) geldt dit artikel als een precisering van de uitzonderingsclausule in artikel 127. Waar artikel 127 de mogelijkheid opent om de verordenende bevoegdheid bij wet toe te kennen aan andere organen, moet dit voor autonome verordeningen zo worden gelezen dat dit alleen mogelijk is aan de in artikel 125 genoemde organen. De toekenning van verordenende bevoegdheid in noodsituaties aan de burgemeester voldoet aan deze eis.
 
Voor wat betreft bestuursbevoegdheden is rondom dit artikel discussie ontstaan bij de totstandkoming van de Wet dualisering provinciebesturen. In deze wet (en overigens ook in de daaraan voorafgaande Wet dualisering gemeentebesturen, waarvoor mutatis mutandis hetzelfde geldt) werd een bepaling in de Provinciewet geïntroduceerd die gedeputeerde staten bevoegd maakte bestuurscommissies in te stellen waaraan zij een deel van hun bestuursbevoegdheden – waaronder autonome bestuursbevoegdheden – konden overdragen.[6] Volgens een aantal Eerste Kamerfracties verdroeg deze wetswijziging zich niet met artikel 128, omdat een dergelijke overdracht volgens dit artikel door provinciale staten zou moeten geschieden. De regering redde zich hieruit door te stellen dat artikel 128 met het gebruik van het woord ‘toekennen’ alleen ziet op attributie van bevoegdheden aan andere organen (zoals commissies) en niet op delegatie. Het ‘overdragen’ van reeds in de wet of in een verordening geattribueerde bevoegdheden is in de optiek van de wetgever derhalve toegestaan. In de parlementaire geschiedenis van artikel 128 kunnen voor deze benadering weinig aanknopingspunten worden gevonden. Hiermee wordt aangesloten bij de na 1983 tot stand gekomen terminologie van de Algemene wet bestuursrecht.
 
De regering stuurt hiermee maar net langs de vraag wat de omvang is van bevoegdheden als bedoeld in het eerste lid van artikel 124. Bij het commentaar op dat artikel is de vraag aan de orde gesteld of dit alleen de niet in de wet benoemde bevoegdheden betreft, of dat daaronder ook de in de Provincie- en Gemeentewet benoemde bevoegdheden moeten worden gerekend. Door zich te concentreren op de betekenis van het woord ”toekennen”, heeft de regering die vraag niet expliciet beantwoord. Voor de praktijk is echter duidelijk dat aan gedeputeerde staten of het college van burgemeester en wethouders in de Provincie- of de Gemeentewet toegekende bevoegdheden niet onder de werking van dit artikel vallen. Deze kunnen derhalve straffeloos worden overgedragen door andere organen dan provinciale staten of de gemeenteraad. Daarmee heeft artikel 128 vooral betekenis voor die (autonome) bevoegdheden die (nog) niet in nationale wetgeving zijn benoemd.

Ook op dat vlak gebeuren overigens opmerkelijke dingen. Zo kan worden gewezen op de bij dezelfde dualiseringsoperatie ingevoerde rekenkamers. Aan deze rekenkamers worden wel degelijk door de wetgever bevoegdheden toegekend, zoals het onderzoeken van documenten en het vorderen van inlichtingen. Deze bevoegdheden kunnen worden gezien als autonome bevoegdheden, die in sommige gemeenten reeds voor de dualisering op grond van autonome verordeningen aan op rekenkamers gelijkende instituten werden toebedeeld.[7] Hoewel het erop lijkt dat deze bevoegdheden zonder meer vallen onder de reikwijdte van het eerste lid van artikel 124 en dat deze bevoegdheden duidelijk zijn ‘toegekend’ en niet ‘overgedragen’, heeft de wetgever zonder enige discussie aangenomen dat zij bevoegd was over de toedeling van deze bevoegdheden te beslissen.

Gelet op het bovenstaande komt aan artikel 128 in de praktijk dan ook weinig betekenis toe. De directe aanleiding voor het artikel is komen te vervallen (binnengemeentelijke decentralisatie). Daar waar het artikel nog betekenis zou kunnen hebben, wordt het ‘weggedefinieerd’ (bestuurscommissies) of simpelweg genegeerd (rekenkamers).

4. 'Aan andere organen dan die, genoemd
   in artikel 125’

Artikel 128 ligt nadrukkelijk in het verlengde van artikel 124. Het kan echter ook worden gezien als een nadere uitwerking van het hoofdschap uit het eerste lid van artikel 125. Dit doet de vraag rijzen waarom het de wetgever wel is toegestaan autonome bevoegdheden toe te kennen aan gedeputeerde staten en de commissaris van de Koning respectievelijk het college van burgemeester en wethouders en de burgemeester. Bedacht moet echter worden dat ook deze organen onder democratische controle staan van provinciale staten en de gemeenteraad. Hierdoor kan worden gegarandeerd dat laatstgenoemden, als ‘hoofd’ van de provincie respectievelijk de gemeente, de mogelijkheid hebben vinger aan de pols te houden, waar zij dat ten aanzien van andere (nieuw te introduceren) organen niet noodzakelijkerwijs hebben.
 
Ook dat laatste kan worden geïllustreerd aan de hand van de introductie van provinciale en gemeentelijke rekenkamers en de daarop volgende (Kroon)jurisprudentie daaromtrent.[8] De mogelijkheid van de provinciale staten en de raad om zeggenschap uit te oefenen over de werkzaamheden van deze rekenkamers is hierin ernstig aan banden gelegd.[9] Hoewel daarvoor goede redenen te geven zijn, correspondeert dit niet met de strekking van artikel 128.

5. 'Behoudens in de gevallen als bedoeld
   in artikel 123'

Artikel 128 kent een categorische uitzondering ten aanzien van provincies en gemeenten die een proces van herindeling doormaken (artikel 123). Deze uitzondering hield wederom verband met binnenprovinciale en -gemeentelijke decentralisatie. Ingeval van gedwongen herindeling bood deze clausule de wetgever de mogelijkheid het ‘leed’ te verzachten door voor een geannexeerde gemeente voor te schrijven dat voormalige gemeenten in de vorm van deelgemeenten konden blijven voortbestaan, zonder dit over te laten aan de gemeenteraad.[10] Met het verdwijnen van deelgemeenten, lijkt dit ook deel van artikel 128 een dode letter te zijn geworden.

6. Jurisprudentie

- KB 10 mei 2005, Stb. 2005/270 (Lelystad)
- KB 26 oktober 2005, Stb. 205/556 (Oirschot-I, schorsing)
- KB 1 november 2006, Stb. 2006/572 (Oirschot-II, vernietiging)
- KB 1 november 2006, Stb. 2006/573 (Gorinchem)
- ABRvS 27 juni 2007, Gst. 2007/120 (ECLI:NL:RVS:2007:BA8145)

7. Literatuur

Over artikel 128 Grondwet wordt nauwelijks geschreven. Ook over de thans niet meer bestaande mogelijkheid deelgemeenten in te stellen, is amper gepubliceerd. Gewezen kan worden op:
- M. Oosterhagen, Het ‘wetsvoorstel afschaffing deelgemeenten’, in: Gst. 2012/39
 
Voorts is enige aandacht geweest voor de introductie van gemeentelijke rekenkamers (die in verband kan worden gebracht met dit artikel, zij het dat dit meestal wordt nagelaten). Zie:
- H.G. Warmelink, Introductie gemeentelijke rekenkamers, in: P.P.T. Bovend’Eert e.a., Constitutionele normen en decentralisatie. Een evaluatie van Hoofdstuk 7 Grondwet, Kluwer: Deventer 2011

8. Historische versies

Art. 144, eerste lid, Gw. 1922: Aan den raad wordt de regeling en het bestuur van de huishouding der gemeente overgelaten. Hij kan in te bepalen gevallen, met inachtneming van te stellen regels, onder zijn toezicht het bestuur van te bepalen takken van de huishouding der gemeente geheel of ten deele aan andere organen opdragen (art. 146, eerste lid, Gw. 1938; art. 153, eerste lid, Gw. 1953).

Noten

  1. Zie F.J.A. Huart, Grondwetsherziening 1917 en 1922, Gouda Quint – Arnhem, 1925, p. 265 e.v.
  2. Kamerstukken II, 1975-1976, 13 990 nr. 2.
  3. Kamerstukken II, 1978-1979, 13 990 nr. 22.
  4. Holterman noemt het treffend een ‘lintwormbepaling’. Zie Th. Holterman, Artikel 128, in: A.K. Koekkoek (red.), De Grondwet. Een artikelsgewijs commentaar, W.E.J. Tjeenk Willink - Deventer, derde druk 2000, p. 583.
  5. Wet van 7 februari 2013, Stb. 2013, 76.
  6. Artikel 81 Provinciewet.
  7. Zie voor de praktijk van vóór de dualisering rondom decentrale rekenkamers: A.J. Bultena, B. Thomas e.a., Onderzoekscommissies en Rekenkamercommissies in gemeente en provincie, SOG-brochurereeks nr. 8, Universtietisdrukkerij Groningen, 1999.
  8. Zie KB 10 mei 2005, Stb. 2005/270 (Lelystad), KB 26 oktober 2005, Stb. 205/556 (Oirschot-I, schorsing), KB 1 november 2006, Stb. 2006/572 (Oirschot-II, vernietiging) en KB 1 november 2006, Stb. 2006/573 (Gorinchem). De gemeenten Oirschot en Gorinchem stelden beroep in. Zie ABRvS 27 juni 2007, Gst. 2007/120 (ECLI:NL:RVS:2007:BA8145) voor de behandeling van het door de gemeente Oirschot ingestelde beroep.
  9. Zie voor een overzicht H.G. Warmelink, Introductie gemeentelijke rekenkamers, in: P.P.T. Bovend’Eert e.a., Constitutionele normen en decentralisatie. Een evaluatie van Hoofdstuk 7 Grondwet, Kluwer – Deventer 2011, p. 153-159.
  10. Zie W.G. Verkruisen, Artikel 128, in: Akkermans/Koekkoek, De Grondwet. Een artikelsgewijs commentaar, W.E.J. Tjeenk Willink - Zwolle, tweede druk 1992, p. 1111-1112.

 

  • Citeer
    Citeer suggestie
    W. van der Woude, Commentaar op artikel 128 van de Grondwet, in: E.M.H. Hirsch Ballin en G. Leenknegt (red.), Artikelsgewijs commentaar op de Grondwet, webeditie 2020 (www.Nederlandrechtsstaat.nl).
  • Deel
  • PDF
  • Terug
MEER OVER DIT ONDERWERP
THEMA IN HET KORT
ACHTER-GRONDEN
Reageer!
Thema in het kort

Toekenning bevoegdheden

De Grondwet bepaalt in artikel 125 welke organen in elk geval onderdeel zijn van het provincie- en gemeentebestuur. Maar provinciale staten en gemeenteraden kunnen daarnaast zelf nog andere organen instellen dan de in artikel 125 genoemde. Zo kunnen zij commissies instellen die de vertegenwoordigende organen en bestuurscolleges ondersteunen en deze commissies uitrusten met regelgevende of bestuurlijke bevoegdheden. Daarnaast zijn er vaak klachtencommissies en adviescommissies, zoals een commissie voor de behandeling van tegen het bestuur ingediende bezwaarschriften.
 
De vertegenwoordigende organen bepalen, met inachtneming van de regels in de Provinciewet en de Gemeentewet, zelf welke commissies zij willen instellen en welke bevoegdheden die zullen hebben. De Grondwet sluit alleen het beslissen over grenswijzigingen (artikel 123 Grondwet) van deze mogelijkheid uit.

Plaats Uw Reactie

*Verplicht invulveld straks zijn alleen uw naam en reactie zichtbaar.

Er kan enige tijd overheengan tot uw reactie zichtbaar is.

Reageer!

Toekenning bevoegdheden

0 reacties
Klassieke uitspraken
Recente Recht- spraak
Politiek
Klassieke uitspraken

Toekenning bevoegdheden

Over dit artikel zijn ons geen belangrijke en ‘klassieke’ rechterlijke uitspraken bekend.
Recente rechtspraak

Toekenning bevoegdheden

Over dit artikel zijn ons geen recente rechterlijke uitspraken bekend.
Politiek

Toekenning bevoegdheden

Video
Blogs
IN DE WERELD
Blogs

Toekenning bevoegdheden

In de wereld

Toekenning bevoegdheden