CATEGORIE
  • CATEGORIE
  • Adviesorganen
  • Burgerrechten
  • Decentralisatie
  • Eigendom
  • Gelijkheid
  • Godsdienst en levensovertuiging
  • Grondwetsherziening
  • Internationale rechtsorde
  • Privacy
  • Rechtspleging
  • Rechtspraak
  • Regering, Koning
  • Sociale rechtsstaat
  • Staten-Generaal
  • Uitingsrechten
  • Wetgeving en bestuur
AUTEUR
  • AUTEUR
  • M. Adams
  • B.C. van Beers
  • A.A.L. Beers & K.T. Meijer
  • A.A.L. Beers & J.C.A. de Poorter
  • S.C. van Bijsterveld & B.P. Vermeulen
  • G. Boogaard
  • G. Boogaard & J. Uzman
  • S.S. Buisman & S.B.G. Kierkels
  • S. Daniëls
  • J.W.A. Fleuren
  • F. Fleurke
  • J.L.M. Gribnau & M.R.T Pauwels
  • M.M. Groothuis
  • E.M.H. Hirsch Ballin
  • H.G. Hoogers
  • M. Houwerzijl & N. Zekic
  • M. Houwerzijl & F. Vlemminx
  • P. Jacobs
  • N.M.C.P. Jägers & J.P. Loof
  • E.J. Janse de Jonge
  • S. Jellinghaus & E. Huisman
  • J. Kiewiet & G.F.M. van der Tang †
  • T. Kooijmans en J. van der Ham
  • E.J. Koops
  • G. Leenknegt
  • K.T. Meijer
  • D. Mentink, B.P. Vermeulen & P.J.J. Zoontjens
  • B.M.J. van der Meulen
  • F.C.M.A. Michiels
  • T. Peters
  • J.C.A. de Poorter
  • J.M. van Schooten, G. Leenknegt & M. Adams
  • G. van der Schyff
  • J. Uzman & G. Boogaard
  • J. Uzman
  • B.P. Vermeulen
  • F.M.C. Vlemminx
  • F.M.C. Vlemminx & A.C.M. Meuwese
  • W.J.M. Voermans
  • B.W.N. de Waard
  • W. van der Woude
ARTIKEL
  • ARTIKEL
  • Artikel 1  Gelijke behandeling
  • Artikel 2  Nederlandschap en vreemdelingen
  • Artikel 3  Gelijke benoembaarheid
  • Artikel 4  Kiesrecht
  • Artikel 5  Petitierecht
  • Artikel 6  Vrijheid van godsdienst en levensovertuiging
  • Artikel 7  Vrijheid van meningsuiting
  • Artikel 8  Recht tot vereniging
  • Artikel 9  Recht tot vergadering en betoging
  • Artikel 10  Eerbiediging en bescherming persoonlijke levenssfeer
  • Artikel 11  Onaantastbaarheid van het lichaam
  • Artikel 12  Binnentreden woning
  • Artikel 13  Vertrouwelijke communicatie
  • Artikel 14  Onteigening
  • Artikel 15  Vrijheidsontneming
  • Artikel 16  Nulla poena
  • Artikel 17  Wettelijk toegekende rechter
  • Artikel 18  Rechtsbijstand
  • Artikel 19  Werkgelegenheid en arbeidskeuze
  • Artikel 20  Bestaanszekerheid
  • Artikel 21  Milieubescherming
  • Artikel 22  Volksgezondheid en woongelegenheid
  • Artikel 23  Onderwijs
  • Artikel 24  Koningschap
  • Artikel 25  Erfopvolging
  • Artikel 26  Status ongeboren kind Koning
  • Artikel 27  Afstand koningschap
  • Artikel 28  Afstand koningschap door huwelijk
  • Artikel 29  Uitsluiting troonopvolging
  • Artikel 30  Benoemde Koning
  • Artikel 31  Erfopvolging benoemde koning
  • Artikel 32  Inhuldiging Koning
  • Artikel 33  Koningschap en meerderjarigheid
  • Artikel 34  Ouderlijk gezag minderjarige Koning
  • Artikel 35  Buiten staat verklaring
  • Artikel 36  Tijdelijke neerlegging koninklijk gezag
  • Artikel 37  Uitoefening koninklijk gezag door regent
  • Artikel 38  Uitoefening koninklijk gezag door RvS
  • Artikel 39  Lidmaatschap koninklijk huis
  • Artikel 40  Uitkering koninklijk huis
  • Artikel 41  Inrichting huis Koning
  • Artikel 42  Ministeriële verantwoordelijkheid
  • Artikel 43  Regering en ministers
  • Artikel 44  Ministeries
  • Artikel 45  Ministerraad
  • Artikel 46  Staatssecretarissen
  • Artikel 47  Ondertekening en contraseign
  • Artikel 48  Ontslag en benoeming ministers
  • Artikel 49  Ambtseed minister en staatssecretaris
  • Artikel 50  Vertegenwoordiging
  • Artikel 51  Eerste en Tweede Kamer
  • Artikel 52  Zittingsduur
  • Artikel 53  Evenredige vertegenwoordiging
  • Artikel 54  Verkiezing Tweede Kamer
  • Artikel 55  Verkiezing Eerste Kamer
  • Artikel 56  Vereisten voor lidmaatschap
  • Artikel 57  Incompatibiliteiten
  • Artikel 57a  Zwangerschap en ziekte
  • Artikel 58  Geloofsbrieven
  • Artikel 59  Kiesrecht en verkiezingen
  • Artikel 60  Ambtsaanvaarding
  • Artikel 61  Voorzitter en griffier
  • Artikel 62  Verenigde vergadering
  • Artikel 63  Geldelijke voorzieningen
  • Artikel 64  Ontbinding Kamers
  • Artikel 65  Troonrede
  • Artikel 66  Openbaarheid vergaderingen
  • Artikel 67  Quorum
  • Artikel 68  Inlichtingenplicht bewindslieden
  • Artikel 69  Aanwezigheid bewindslieden
  • Artikel 70  Recht van enquête
  • Artikel 71  Parlementaire onschendbaarheid
  • Artikel 72  Reglement van orde
  • Artikel 73  Taak Raad van State
  • Artikel 74  Rechtspositie leden
  • Artikel 75  Inrichting, samenstelling, bevoegdheid Raad van State
  • Artikel 76  Algemene rekenkamer
  • Artikel 77  Rechtpositie leden rekenkamer
  • Artikel 78  Inrichting, samenstelling, bevoegdheid Rekenkamer
  • Artikel 78a  Nationale ombudsman
  • Artikel 79  Vaste colleges van advies
  • Artikel 80  Openbaarmaking advies
  • Artikel 81  Wetgevende macht
  • Artikel 82  Indienen wetsvoorstel
  • Artikel 83  Toezending wetsvoorstel TK
  • Artikel 84  Wijziging wetsvoorstel
  • Artikel 85  Toezending wetsvoorstel EK
  • Artikel 86  Intrekking wetsvoorstel
  • Artikel 87  Aanneming en bekrachtiging
  • Artikel 88  Bekendmaking en inwerkingtreding
  • Artikel 89  Algemene maatregel van bestuur
  • Artikel 90  Bevordering internationale rechtsorde
  • Artikel 91  Goedkeuring verdrag
  • Artikel 92  Bevoegdheden volkenrechtelijke organisaties
  • Artikel 93  Verbindende kracht verdrag
  • Artikel 94  Verdrag boven wet
  • Artikel 95  Bekendmaking verdrag
  • Artikel 96  Oorlogsverklaring
  • Artikel 97  Krijgsmacht
  • Artikel 98  Samenstelling krijgsmacht
  • Artikel 99  Gewetensbezwaren militaire dienst
  • Artikel 99a  Civiele verdediging
  • Artikel 100  Inlichtingen over krijgsmacht
  • Artikel 101  [vervallen]
  • Artikel 102  [vervallen]
  • Artikel 103  Uitzonderingstoestand
  • Artikel 104  Belastingheffing
  • Artikel 105  Recht van begroting
  • Artikel 106  Geldstelsel
  • Artikel 107  Codificatie
  • Artikel 108  [vervallen]
  • Artikel 109  Rechtspositie ambtenaren
  • Artikel 110  Openbaarheid van bestuur
  • Artikel 111  Ridderorden
  • Artikel 112  Civiele en administratieve rechtspraak
  • Artikel 113  Strafrechtspraak
  • Artikel 114  Doodstraf
  • Artikel 115  Administratief beroep
  • Artikel 116  Rechterlijke macht
  • Artikel 117  Rechtspositie leden rechterlijke macht
  • Artikel 118  Hoge Raad
  • Artikel 119  Ambtsmisdrijven
  • Artikel 120  Toetsingsverbod
  • Artikel 121  Openbaarheid terechtzittingen
  • Artikel 122  Gratie
  • Artikel 123  Instelling provincies en gemeenten
  • Artikel 124  Autonomie en medebewind
  • Artikel 125  Organen decentrale besturen
  • Artikel 126  Ambtsinstructie commissaris koning
  • Artikel 127  Vaststelling verordening
  • Artikel 128  Toekenning bevoegdheden
  • Artikel 129  Verkiezing vertegenwoordigend orgaan
  • Artikel 130  Kiesrecht gemeenteraad niet-Nederlanders
  • Artikel 131  Aanstelling burgemeester en commissaris Koning
  • Artikel 132  Inrichting, samenstelling, bevoegdheid decentrale besturen
  • Artikel 132a  Caribische openbare lichamen
  • Artikel 133  Waterschappen
  • Artikel 134  Publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie
  • Artikel 135  Gemeenschappelijke regelingen
  • Artikel 136  Geschillen
  • Artikel 137  Grondwetswijziging
  • Artikel 138  Aanpassing niet gewijzigde bepalingen
  • Artikel 139  Bekendmaking en inwerkingtreding
  • Artikel 140  Handhaving bestaande regelgeving
  • Artikel 141  Bekendmaking herziene Grondwet
  • Artikel 142  Aanpassing Grondwet aan Statuut
  • Artikel IX - Berechting van misdrijven in oorlogstijd
  • Artikel XIX - Afkondigingsformulier
HOOFDSTUK
  • HOOFDSTUK
  • Hoofdstuk 1  Grondrechten
  • Hoofdstuk 2  Regering
  • Hoofdstuk 3  Staten-Generaal
  • Hoofdstuk 4  Adviesorganen
  • Hoofdstuk 5  Wetgeving en bestuur
  • Hoofdstuk 6  Rechtspraak
  • Hoofdstuk 7  Decentralisatie
  • Hoofdstuk 8  Herziening grondwet
  • Additionele artikelen

DE GRONDWET

Artikel 123 - Instelling provincies en gemeenten

  1. Bij de wet kunnen provincies en gemeenten worden opgeheven en nieuwe ingesteld.

  2. De wet regelt de wijziging van provinciale en gemeentelijke grenzen.

Artikel 124 - Autonomie en medebewind

  1. Voor provincies en gemeenten wordt de bevoegdheid tot regeling en bestuur inzake hun huishouding aan hun besturen overgelaten.

  2. Regeling en bestuur kunnen van de besturen van provincies en gemeenten worden gevorderd bij of krachtens de wet.

Artikel 125 - Organen decentrale besturen

  1. Aan het hoofd van de provincie en de gemeente staan provinciale staten onderscheidenlijk de gemeenteraad. Hun vergaderingen zijn openbaar, behoudens bij de wet te regelen uitzonderingen.

  2. Van het bestuur van de provincie maken ook deel uit gedeputeerde staten en de commissaris van de Koning, van het bestuur van de gemeente het college van burgemeester en wethouders en de burgemeester.

Artikel 126 - Ambtsinstructie commissaris koning

Bij de wet kan worden bepaald, dat de commissaris van de Koning wordt belast met de uitvoering van een door de regering te geven ambtsinstructie.

Artikel 127 - Vaststelling verordening

Provinciale staten en de gemeenteraad stellen, behoudens bij de wet of door hen krachtens de wet te bepalen uitzonderingen, de provinciale onderscheidenlijk de gemeentelijke verordeningen vast.

Artikel 128 - Toekenning bevoegdheden

Behoudens in de gevallen bedoeld in artikel 123, kan de toekenning van bevoegdheden, als bedoeld in artikel 124, eerste lid, aan andere organen dan die, genoemd in artikel 125, alleen door provinciale staten onderscheidenlijk de gemeenteraad geschieden.

Artikel 129 - Verkiezing vertegenwoordigend orgaan

  1. De leden van provinciale staten en van de gemeenteraad worden rechtstreeks gekozen door de Nederlanders, tevens ingezetenen van de provincie onderscheidenlijk de gemeente, die voldoen aan de vereisten die gelden voor de verkiezing van de Tweede Kamer der Staten-Generaal. Voor het lidmaatschap gelden dezelfde vereisten.
  2. De leden worden gekozen op de grondslag van evenredige vertegenwoordiging binnen door de wet te stellen grenzen.
  3. De artikelen 53, tweede lid, en 59 zijn van toepassing. Artikel 57a is van overeenkomstige toepassing.
  4. De zittingsduur van provinciale staten en de gemeenteraad is vier jaren, behoudens bij de wet te bepalen uitzonderingen.
  5. De wet bepaalt welke betrekkingen niet gelijktijdig met het lidmaatschap kunnen worden uitgeoefend. De wet kan bepalen, dat beletselen voor het lidmaatschap voortvloeien uit verwantschap of huwelijk en dat het verrichten van bij de wet aangewezen handelingen tot het verlies van het lidmaatschap kan leiden.
  6. De leden stemmen zonder last.

Artikel 130 - Kiesrecht gemeenteraad niet-Nederlanders

De wet kan het recht de leden van de gemeenteraad te kiezen en het recht lid van de gemeenteraad te zijn toekennen aan ingezetenen, die geen Nederlander zijn, mits zij tenminste voldoen aan de vereisten die gelden voor ingezetenen die tevens Nederlander zijn.

Artikel 131 - Aanstelling burgemeester en commissaris Koning

De commissaris van de Koning en de burgemeester worden aangesteld, geschorst en ontslagen op een bij de wet te bepalen wijze. Krachtens de wet kunnen nadere regels worden gesteld over de daarbij te volgen procedures.

Artikel 132 - Inrichting, samenstelling, bevoegdheid decentrale besturen

  1. De wet regelt de inrichting van provincies en gemeenten, alsmede de samenstelling en bevoegdheid van hun besturen.

  2. De wet regelt het toezicht op deze besturen.

  3. Besluiten van deze besturen kunnen slechts aan voorafgaand toezicht worden onderworpen in bij of krachtens de wet te bepalen gevallen.

  4. Vernietiging van besluiten van deze besturen kan alleen geschieden bij koninklijk besluit wegens strijd met het recht of het algemeen belang.

  5. De wet regelt de voorzieningen bij in gebreke blijven ten aanzien van regeling en bestuur, gevorderd krachtens artikel 124, tweede lid. Bij de wet kunnen met afwijking van de artikelen 125 en 127 voorzieningen worden getroffen voor het geval het bestuur van een provincie of een gemeente zijn taken grovelijk verwaarloost.

  6. De wet bepaalt welke belastingen door de besturen van provincies en gemeenten kunnen worden geheven en regelt hun financiële verhouding tot het Rijk.

Artikel 133 - Waterschappen

  1. De opheffing en instelling van waterschappen, de regeling van hun taken en inrichting, alsmede de samenstelling van hun besturen, geschieden volgens bij de wet te stellen regels bij provinciale verordening, voor zover bij of krachtens de wet niet anders is bepaald.

  2. De wet regelt de verordenende en andere bevoegdheden van de besturen van de waterschappen, alsmede de openbaarheid van hun vergaderingen.

  3. De wet regelt het provinciale en overige toezicht op deze besturen. Vernietiging van besluiten van deze besturen kan alleen geschieden wegens strijd met het recht of het algemeen belang.

Artikel 134 - Publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie

  1. Bij of krachtens de wet kunnen openbare lichamen voor beroep en bedrijf en andere openbare lichamen worden ingesteld en opgeheven.

  2. De wet regelt de taken en de inrichting van deze openbare lichamen, de samenstelling en bevoegdheid van hun besturen, alsmede de openbaarheid van hun vergaderingen. Bij of krachtens de wet kan aan hun besturen verordenende bevoegdheid worden verleend.

  3. De wet regelt het toezicht op deze besturen. Vernietiging van besluiten van deze besturen kan alleen geschieden wegens strijd met het recht of het algemeen belang.

Artikel 135 - Gemeenschappelijke regelingen

De wet geeft regels ter voorziening in zaken waarbij twee of meer openbare lichamen zijn betrokken. Daarbij kan in de instelling van een nieuw openbaar lichaam worden voorzien, in welk geval artikel 134, tweede en derde lid, van toepassing is.

Artikel 136 - Geschillen

De geschillen tussen openbare lichamen worden bij koninklijk besluit beslist, tenzij deze behoren tot de kennisneming van de rechterlijke macht of hun beslissing bij de wet aan anderen is opgedragen.

WETENSCHAPPELIJK COMMENTAAR

W. van der Woude

ARTIKEL 126 - Ambtsinstructie commissaris koning

INHOUD
  1. Historie en actuele betekenis
  2. Provinciaal orgaan of rijksorgaan?
  3. Ambtsinstructie
  4. Betrokkenheid van de formele wetgever
  5. Literatuur
  6. Historische versies
 

Editie december 2015

1. Historie en actuele betekenis

Artikel 126 Grondwet is geïntroduceerd via de algehele grondwetsherziening van 1983. Dit artikel grijpt niettemin terug op een langere voorgeschiedenis ten aanzien van de positie van het ambt commissaris van de Koning. Van oudsher heeft de commissaris twee ‘petten’. Sinds 1814 is hij orgaan van de provincie en uit dien hoofde onder meer voorzitter van zowel gedeputeerde staten als provinciale staten. Daarnaast vervult de commissaris taken op last van de centrale overheid. In de loop van de jaren is de onderlinge verdeling van deze taken gewijzigd. De nadruk ligt nu op de taken die de commissaris uit hoofde van zijn provinciale werkzaamheden verricht. Een deel van de rijkstaken is echter overeind gebleven en deze zijn middels dit artikel van een grondwettelijke grondslag voorzien.[1] In 2008 heeft dit artikel een kleine wijziging ondergaan.[2] Thans staat hierin niet langer dat bij wet “voorts [kan] worden bepaald […]”. Het vervallen van het woord “voorts” houdt verband met de schrapping van het derde lid van artikel 125, waardoor artikel 126 niet langer het tweede, maar het eerste artikel in de Grondwet is waarin aan de commissaris een taak wordt opgedragen.

2. Provinciaal orgaan of rijksorgaan?

Het is gebruikelijk om bij taakuitoefening door de commissaris op grond van dit artikel te spreken van de commissaris ‘als rijksorgaan’ en bij taakuitoefening uit anderen hoofde te spreken van de commissaris ‘als provinciaal orgaan’. Daar is tegenin te brengen dat de commissaris slechts één benoemingsbesluit ontvangt en zijn bezoldiging volledig uit provinciale middelen wordt uitgekeerd (artikel 65, eerste lid, Provinciewet). Toch is dit onderscheid handzaam, omdat daaruit duidelijkheid voortvloeit over het verschil tussen taakuitoefening op grond van dit artikel en taken die de commissaris uitoefent in medebewind. Deze duidelijkheid is gewenst nu aan dit verschil een rechtsgevolg verbonden is. Over de uitoefening van zijn medebewindstaken is de commissaris, evenals ten aanzien van zijn autonome taken, verantwoording schuldig aan provinciale staten op grond van artikel 179 juncto 79 Provinciewet. Voor zijn taken ‘als rijksorgaan’ sluit artikel 182, vijfde lid, Provinciewet deze verantwoordelijkheid uit. Waar de commissaris optreedt ‘als rijksorgaan’ is hij uitsluitend verantwoording schuldig aan de regering. Dit speelt bijvoorbeeld ten aanzien van de rol van de commissaris bij de benoeming, de herbenoeming en het ontslag van burgemeesters, waar hij optreedt als liaison tussen de gemeenteraden (die een voordracht doen) en de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties die (her)benoemings- en ontslagbesluiten medeondertekent.

3. Ambtsinstructie

De taken die de commissaris vervult ‘als rijksorgaan’ zijn opgesomd in de op grond van artikel 126 door de regering bij amvb vastgestelde Ambtsinstructie commissaris van de Koning (verder: Ambtsinstructie). Over de verhouding tussen deze Ambtsinstructie en de verschillende wetten waarin deze bevoegdheden van de commissaris worden opgevoerd volgen in de volgende paragraaf nog enige beschouwingen. Hieronder zal eerst worden bezien om welke taken het gaat. Als handvatten bij de toedeling van taken aan de commissaris ‘als rijksorgaan’ geldt volgens de regering dat:

- sprake moet zijn van een duidelijke taak of bevoegdheid van de rijksoverheid;
- noodzaak bestaat voor een nauwe samenhang tussen rijksbeleid en provinciaal beleid en
- het wenselijk is de commissaris te gebruiken als verbindingsschakel tussen de centrale overheid en de lokale overheid.[3]

Blijkens de Ambtsinstructie spelen deze belangen in ieder geval een rol ten aanzien van het inwinnen van inlichtingen en het plegen van overleg met in de provincie gestationeerde rijksambtenaren (waaronder personeel deel uitmakend van de krijgsmacht, artikel 2, eerste en tweede lid) en het geven van aanwijzingen aan deze functionarissen (met uitzondering van het openbaar ministerie) ingeval van een ramp, crisis of ordeverstoring van meer dan plaatselijke betekenis (artikel 2, derde lid). Daarbij aansluitend bieden de artikelen 5a tot en met 5d een nadere uitwerking van de taken die de commissaris op grond van de Wet veiligheidsregio’s uitoefent bij bovenlokale rampen en crises.
Verder is hij verplicht “met redelijke tussenpozen” bezoeken aan gemeenten te brengen en daarvan bij bijzonderheden verslag te doen aan de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (artikel 3). Ook overigens brengt hij uit eigen beweging of op verzoek advies uit aan de regering (artikel 4) en coördineert hij de voorbereiding van de civiele verdediging (maatregelen bedoeld ter bescherming van de bevolking en haar bezittingen wanneer zich een natuurramp, oorlogsgeweld of een andere noodtoestand voordoet, zie verder het commentaar bij artikel 99a) door de in de provincie werkzame rijksambtenaren, provinciale ambtenaren, alsmede ambtenaren van gemeenten en waterschappen (artikel 5).
 
Als gezegd vervult de commissaris een rol ‘als rijksorgaan’ bij de benoeming, de herbenoeming en het ontslag van burgemeesters (art. 6 tot en met 7a Ambtsinstructie, zie overigens ook artikel 61 e.v. Gemeentewet). Tot slot adviseert hij inzake koninklijke onderscheidingen (artikel 8).

4. Betrokkenheid van de formele wetgever

Deze wijze van bevoegdheidstoedeling in artikel 126 garandeert betrokkenheid van de formele wetgever (en dus eveneens van de Staten-Generaal). Voor een belangrijk deel van de taken die de commissaris op grond van de Ambtsinstructie vervult, krijgt de betrokkenheid van de wetgever gestalte in artikel 182 Provinciewet. Ten aanzien van de betrokkenheid van de commissaris bij de (her)benoeming en het ontslag van burgemeesters vindt deze wettelijke bevoegdheidstoedeling plaats via artikel 61d Gemeentewet. Verder kan worden gewezen op de artikelen 40, 41, 42 en 59 Wet veiligheidsregio’s. Daarvoor is veel te zeggen nu een bevoegdheidstoedeling aan de commissaris er op grond van artikel 126 Grondwet toe leidt dat de commissaris op deze terreinen buiten de reguliere democratische controle door provinciale staten komt te staan. Er schuilt niettemin iets omslachtigs in deze werkwijze nu dit er in de praktijk voor zorgt dat de Ambtsinstructie op sommige punten enerzijds dupliceert wat reeds in verschillende wetten is geregeld en daarvoor anderzijds een nadere uitwerking biedt. Hierdoor kan het voorkomen dat discrepanties ontstaan tussen wettelijke bepalingen en bepalingen van de Ambtsinstructie. De grondwettelijke regeling had eenvoudiger gekund door te bepalen  dat de Ambtsinstructie (al dan niet met de mogelijkheid van delegatie) bij (of krachtens) wet wordt vastgesteld.[4] Een dergelijke benadering zou grondwetsherziening behoeven.

5. Literatuur

- J.W. Janssens, De commissaris van de Koningin. Historie en functioneren, Den Haag, 1992, VNG Uitgeverij (proefschrift Rijksuniversiteit Leiden)
- Raad voor het openbaar bestuur, De burgemeester van de provincie? Advies Commissaris van de Koningin als rijksorgaan, Den Haag, 2006. 
- J. de Vries, Commissaris van de Koning of burgemeester van de provincie?, in Gst. 2006/140
- Bron bovenstaande literatuur: http://www.politiekcompendium.nl/9353000/1/j9vvjvgivn417wd/vhrfqsxwvexz
- Ambtsinstructie commissaris van de Koning (besluit, te vinden op wetten.overheid.nl)

6. Historische versies

Zie onder artikel 125, tweede lid Gw.

Noten

  1. Voor een beknopt historisch overzicht, zie Raad voor het openbaar bestuur, De burgmeester van de provincie? Advies Commissaris van de Koningin als rijksorgaan, Den Haag 2006, p.9 e.v.
  2. Wet van 27 juni 2008, Stb. 2008, 273.
  3. Zie Kamerstukken-II, 2008-2009, 31000 VII nr. 87, p.10.
  4. Zie ook Raad voor het openbaar bestuur, De burgmeester van de provincie? Advies Commissaris van de Koningin als rijksorgaan, Den Haag 2006, p. 55. De Rob stelt iets vergelijkbaars voor. Volgens de Rob zouden alle taken van de commissaris ‘als rijksorgaan’ moeten worden opgesomd in artikel 182 Grondwet, met mogelijkheid tot delegatie van de uitwerking daarvan. Het kabinet reageerde daarop in zijn reactie dat ook daarvoor grondwetsherziening noodzakelijk zou zijn, nu de Grondwet expliciet verlangt dat een ambtsinstructie door de regering wordt gegeven (zie Kamerstukken-II, 2008-2009, 31000 VII nr. 87, p. 7).

 

  • Citeer
    Citeer suggestie
    W. van der Woude, Commentaar op artikel 126 van de Grondwet, in: E.M.H. Hirsch Ballin en G. Leenknegt (red.), Artikelsgewijs commentaar op de Grondwet, webeditie 2020 (www.Nederlandrechtsstaat.nl).
  • Deel
  • PDF
  • Terug
MEER OVER DIT ONDERWERP
THEMA IN HET KORT
ACHTER-GRONDEN
Reageer!
Thema in het kort

Ambtsinstructie commissaris koning

De commissaris van de Koning is niet alleen een provinciaal orgaan, maar tegelijk ook een orgaan van de rijksoverheid. Naast de taken die de commissaris heeft op grond van de Provinciewet, oefent hij coördinerende en adviserende taken uit die hem zijn opgedragen in de Ambtsinstructie commissaris van de Koning.
 
De commissaris is onder meer belast met de coördinatie van werkzaamheden bij rampen, crises of ordeverstoringen en bij de voorbereiding van de civiele verdediging (artikel 99a Grondwet). Verder ziet hij toe op een ordelijk verloop van de benoeming, de herbenoeming en het ontslag van burgemeesters in de provincie en brengt hij daarover verslag uit aan de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

Plaats Uw Reactie

*Verplicht invulveld straks zijn alleen uw naam en reactie zichtbaar.

Er kan enige tijd overheengan tot uw reactie zichtbaar is.

Reageer!

Ambtsinstructie commissaris koning

0 reacties
Klassieke uitspraken
Recente Recht- spraak
Politiek
Klassieke uitspraken

Ambtsinstructie commissaris koning

Over dit artikel zijn ons geen belangrijke en ‘klassieke’ rechterlijke uitspraken bekend.
Recente rechtspraak

Ambtsinstructie commissaris koning

Over dit artikel zijn ons geen recente rechterlijke uitspraken bekend.
Politiek

Ambtsinstructie commissaris koning

Video
Blogs
IN DE WERELD
Blogs

Ambtsinstructie commissaris koning

In de wereld

Ambtsinstructie commissaris koning