CATEGORIE
  • CATEGORIE
  • Adviesorganen
  • Burgerrechten
  • Decentralisatie
  • Eigendom
  • Gelijkheid
  • Godsdienst en levensovertuiging
  • Grondwetsherziening
  • Internationale rechtsorde
  • Privacy
  • Rechtspleging
  • Rechtspraak
  • Regering, Koning
  • Sociale rechtsstaat
  • Staten-Generaal
  • Uitingsrechten
  • Wetgeving en bestuur
AUTEUR
  • AUTEUR
  • G. Leenknegt
  • A.A.L. Beers & J.C.A. de Poorter
  • A.A.L. Beers en K.T. Meijer
  • B.C. van Beers
  • B.M.J. van der Meulen
  • B.P. Vermeulen
  • B.W.N. de Waard
  • D. Mentink, B.P. Vermeulen & P.J.J. Zoontjens
  • E.J. Janse de Jonge
  • E.J. Koops
  • E.M.H. Hirsch Ballin
  • F. Fleurke
  • F.C.M.A. Michiels
  • F.M.C. Vlemminx
  • F.M.C. Vlemminx en A.C.M. Meuwese
  • G. Boogaard
  • G. Boogaard en J. Uzman
  • G. Leenknegt
  • G. Overkleeft-Verburg
  • G. van der Schyff en B.M.J. van der Meulen
  • J. Kiewiet en G.F.M. van der Tang †
  • J. Uzman
  • J. Uzman en G. Boogaard
  • J.C.A. de Poorter
  • J.L.M. Gribnau en M.R.T Pauwels
  • J.M. van Schooten, G. Leenknegt & M. Adams
  • J.W.A. Fleuren
  • K.T. Meijer
  • M. Adams
  • Mijke Houwerzijl & Nuna Zekic
  • Mijke Houwerzijl en Frank Vlemminx
  • P. Jacobs
  • S. Daniëls
  • S. Jellinghaus en E. Huisman
  • S.C. van Bijsterveld
  • S.C. van Bijsterveld en B.P. Vermeulen
  • S.S. Buisman & S.B.G. Kierkels
  • T. Kooijmans
  • T. Peters
  • W. van der Woude
  • W.J.M. Voermans
ARTIKEL
  • ARTIKEL
  • Artikel 1  Gelijke behandeling
  • Artikel 2  Nederlandschap en vreemdelingen
  • Artikel 3  Gelijke benoembaarheid
  • Artikel 4  Kiesrecht
  • Artikel 5  Petitierecht
  • Artikel 6  Vrijheid van godsdienst en levensovertuiging
  • Artikel 7  Vrijheid van meningsuiting
  • Artikel 8  Recht tot vereniging
  • Artikel 9  Recht tot vergadering en betoging
  • Artikel 10  Eerbiediging en bescherming persoonlijke levenssfeer
  • Artikel 11  Onaantastbaarheid van het lichaam
  • Artikel 12  Binnentreden woning
  • Artikel 13  Vertrouwelijke communicatie
  • Artikel 14  Onteigening
  • Artikel 15  Vrijheidsontneming
  • Artikel 16  Nulla poena
  • Artikel 17  Wettelijk toegekende rechter
  • Artikel 18  Rechtsbijstand
  • Artikel 19  Werkgelegenheid en arbeidskeuze
  • Artikel 20  Bestaanszekerheid
  • Artikel 21  Milieubescherming
  • Artikel 22  Volksgezondheid en woongelegenheid
  • Artikel 23  Onderwijs
  • Artikel 24  Koningschap
  • Artikel 25  Erfopvolging
  • Artikel 26  Status ongeboren kind Koning
  • Artikel 27  Afstand koningschap
  • Artikel 28  Afstand koningschap door huwelijk
  • Artikel 29  Uitsluiting troonopvolging
  • Artikel 30  Benoemde Koning
  • Artikel 31  Erfopvolging benoemde koning
  • Artikel 32  Inhuldiging Koning
  • Artikel 33  Koningschap en meerderjarigheid
  • Artikel 34  Ouderlijk gezag minderjarige Koning
  • Artikel 35  Buiten staat verklaring
  • Artikel 36  Tijdelijke neerlegging koninklijk gezag
  • Artikel 37  Uitoefening koninklijk gezag door regent
  • Artikel 38  Uitoefening koninklijk gezag door RvS
  • Artikel 39  Lidmaatschap koninklijk huis
  • Artikel 40  Uitkering koninklijk huis
  • Artikel 41  Inrichting huis Koning
  • Artikel 42  Ministeriële verantwoordelijkheid
  • Artikel 43  Regering en ministers
  • Artikel 44  Ministeries
  • Artikel 45  Ministerraad
  • Artikel 46  Staatssecretarissen
  • Artikel 47  Ondertekening en contraseign
  • Artikel 48  Ontslag en benoeming ministers
  • Artikel 49  Ambtseed minister en staatssecretaris
  • Artikel 50  Vertegenwoordiging
  • Artikel 51  Eerste en Tweede Kamer
  • Artikel 52  Zittingsduur
  • Artikel 53  Evenredige vertegenwoordiging
  • Artikel 54  Verkiezing Tweede Kamer
  • Artikel 55  Verkiezing Eerste Kamer
  • Artikel 56  Vereisten voor lidmaatschap
  • Artikel 57  Incompatibiliteiten
  • Artikel 57a  Zwangerschap en ziekte
  • Artikel 58  Geloofsbrieven
  • Artikel 59  Kiesrecht en verkiezingen
  • Artikel 60  Ambtsaanvaarding
  • Artikel 61  Voorzitter en griffier
  • Artikel 62  Verenigde vergadering
  • Artikel 63  Geldelijke voorzieningen
  • Artikel 64  Ontbinding Kamers
  • Artikel 65  Troonrede
  • Artikel 66  Openbaarheid vergaderingen
  • Artikel 67  Quorum
  • Artikel 68  Inlichtingenplicht bewindslieden
  • Artikel 69  Aanwezigheid bewindslieden
  • Artikel 70  Recht van enquête
  • Artikel 71  Parlementaire onschendbaarheid
  • Artikel 72  Reglement van orde
  • Artikel 73  Taak Raad van State
  • Artikel 74  Rechtspositie leden
  • Artikel 75  Inrichting, samenstelling, bevoegdheid Raad van State
  • Artikel 76  Algemene rekenkamer
  • Artikel 77  Rechtpositie leden rekenkamer
  • Artikel 78  Inrichting, samenstelling, bevoegdheid Rekenkamer
  • Artikel 78a  Nationale ombudsman
  • Artikel 79  Vaste colleges van advies
  • Artikel 80  Openbaarmaking advies
  • Artikel 81  Wetgevende macht
  • Artikel 82  Indienen wetsvoorstel
  • Artikel 83  Toezending wetsvoorstel TK
  • Artikel 84  Wijziging wetsvoorstel
  • Artikel 85  Toezending wetsvoorstel EK
  • Artikel 86  Intrekking wetsvoorstel
  • Artikel 87  Aanneming en bekrachtiging
  • Artikel 88  Bekendmaking en inwerkingtreding
  • Artikel 89  Algemene maatregel van bestuur
  • Artikel 90  Bevordering internationale rechtsorde
  • Artikel 91  Goedkeuring verdrag
  • Artikel 92  Bevoegdheden volkenrechtelijke organisaties
  • Artikel 93  Verbindende kracht verdrag
  • Artikel 94  Verdrag boven wet
  • Artikel 95  Bekendmaking verdrag
  • Artikel 96  Oorlogsverklaring
  • Artikel 97  Krijgsmacht
  • Artikel 98  Samenstelling krijgsmacht
  • Artikel 99  Gewetensbezwaren militaire dienst
  • Artikel 99a  Civiele verdediging
  • Artikel 100  Inlichtingen over krijgsmacht
  • Artikel 101  [vervallen]
  • Artikel 102  [vervallen]
  • Artikel 103  Uitzonderingstoestand
  • Artikel 104  Belastingheffing
  • Artikel 105  Recht van begroting
  • Artikel 106  Geldstelsel
  • Artikel 107  Codificatie
  • Artikel 108  [vervallen]
  • Artikel 109  Rechtspositie ambtenaren
  • Artikel 110  Openbaarheid van bestuur
  • Artikel 111  Ridderorden
  • Artikel 112  Civiele en administratieve rechtspraak
  • Artikel 113  Strafrechtspraak
  • Artikel 114  Doodstraf
  • Artikel 115  Administratief beroep
  • Artikel 116  Rechterlijke macht
  • Artikel 117  Rechtspositie leden rechterlijke macht
  • Artikel 118  Hoge Raad
  • Artikel 119  Ambtsmisdrijven
  • Artikel 120  Toetsingsverbod
  • Artikel 121  Openbaarheid terechtzittingen
  • Artikel 122  Gratie
  • Artikel 123  Instelling provincies en gemeenten
  • Artikel 124  Autonomie en medebewind
  • Artikel 125  Organen decentrale besturen
  • Artikel 126  Ambtsinstructie commissaris koning
  • Artikel 127  Vaststelling verordening
  • Artikel 128  Toekenning bevoegdheden
  • Artikel 129  Verkiezing vertegenwoordigend orgaan
  • Artikel 130  Kiesrecht gemeenteraad niet-Nederlanders
  • Artikel 131  Benoeming commissaris Koning
  • Artikel 132  Inrichting, samenstelling, bevoegdheid decentrale besturen
  • Artikel 133  Waterschappen
  • Artikel 134  Publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie
  • Artikel 135  Gemeenschappelijke regelingen
  • Artikel 136  Geschillen
  • Artikel 137  Grondwetswijziging
  • Artikel 138  Aanpassing niet gewijzigde bepalingen
  • Artikel 139  Bekendmaking en inwerkingtreding
  • Artikel 140  Handhaving bestaande regelgeving
  • Artikel 141  Bekendmaking herziene Grondwet
  • Artikel 142  Aanpassing Grondwet aan Statuut
  • Artikel IX - Berechting van misdrijven in oorlogstijd
  • Artikel XIX - Afkondigingsformulier
HOOFDSTUK
  • HOOFDSTUK
  • Hoofdstuk 1  Grondrechten
  • Hoofdstuk 2  Regering
  • Hoofdstuk 3  Staten-Generaal
  • Hoofdstuk 4  Adviesorganen
  • Hoofdstuk 5  Wetgeving en bestuur
  • Hoofdstuk 6  Rechtspraak
  • Hoofdstuk 7  Decentralisatie
  • Hoofdstuk 8  Herziening grondwet
  • Additionele artikelen

DE GRONDWET

HOOFDSTUK 1

Grondrechten

INLEIDING

Artikel 1 - Gelijke behandeling

Allen die zich in Nederland bevinden, worden in gelijke gevallen gelijk behandeld. Discriminatie wegens godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht of op welke grond dan ook, is niet toegestaan.

Artikel 2 - Nederlandschap en vreemdelingen

  1. De wet regelt wie Nederlander is.
  2. De wet regelt de toelating en de uitzetting van vreemdelingen.
  3. Uitlevering kan slechts geschieden krachtens verdrag. Verdere voorschriften omtrent uitlevering worden bij de wet gegeven.
  4. Ieder heeft het recht het land te verlaten, behoudens in de gevallen, bij de wet bepaald.

Artikel 3 - Gelijke benoembaarheid

Alle Nederlanders zijn op gelijke voet in openbare dienst benoembaar.

Artikel 4 - Kiesrecht

Iedere Nederlander heeft gelijkelijk recht de leden van algemeen vertegenwoordigende organen te verkiezen alsmede tot lid van deze organen te worden verkozen, behoudens bij de wet gestelde beperkingen en uitzonderingen.

Artikel 5 - Petitierecht

Ieder heeft het recht verzoeken schriftelijk bij het bevoegd gezag in te dienen.

Artikel 6 - Vrijheid van godsdienst en levensovertuiging

  1. Ieder heeft het recht zijn godsdienst of levensovertuiging, individueel of in gemeenschap met anderen, vrij te belijden, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet.
  2. De wet kan ter zake van de uitoefening van dit recht buiten gebouwen en besloten plaatsen regels stellen ter bescherming van de gezondheid, in het belang van het verkeer en ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden.

Artikel 7 - Vrijheid van meningsuiting

  1. Niemand heeft voorafgaand verlof nodig om door de drukpers gedachten of gevoelens te openbaren, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet.
  2. De wet stelt regels omtrent radio en televisie. Er is geen voorafgaand toezicht op de inhoud van een radio- of televisieuitzending.
  3. Voor het openbaren van gedachten of gevoelens door andere dan in de voorgaande leden genoemde middelen heeft niemand voorafgaand verlof nodig wegens de inhoud daarvan, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet. De wet kan het geven van vertoningen toegankelijk voor personen jonger dan zestien jaar regelen ter bescherming van de goede zeden.
  4. De voorgaande leden zijn niet van toepassing op het maken van handelsreclame.

Artikel 8 - Recht tot vereniging

Het recht tot vereniging wordt erkend. Bij de wet kan dit recht worden beperkt in het belang van de openbare orde.

Artikel 9 - Recht tot vergadering en betoging

  1. Het recht tot vergadering en betoging wordt erkend, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet.
  2. De wet kan regels stellen ter bescherming van de gezondheid, in het belang van het verkeer en ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden.

Artikel 10 - Eerbiediging en bescherming persoonlijke levenssfeer

  1. Ieder heeft, behoudens bij of krachtens de wet te stellen beperkingen, recht op eerbiediging van zijn persoonlijke levenssfeer.
  2. De wet stelt regels ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer in verband met het vastleggen en verstrekken van persoonsgegevens.
  3. De wet stelt regels inzake de aanspraken van personen op kennisneming van over hen vastgelegde gegevens en van het gebruik dat daarvan wordt gemaakt, alsmede op verbetering van zodanige gegevens.

Artikel 11 - Onaantastbaarheid van het lichaam

Ieder heeft, behoudens bij of krachtens de wet te stellen beperkingen, recht op onaantastbaarheid van zijn lichaam.

Artikel 12 - Binnentreden woning

  1. Het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner is alleen geoorloofd in de gevallen bij of krachtens de wet bepaald, door hen die daartoe bij of krachtens de wet zijn aangewezen.
  2. Voor het binnentreden overeenkomstig het eerste lid zijn voorafgaande legitimatie en mededeling van het doel van het binnentreden vereist, behoudens bij de wet gestelde uitzonderingen.
  3. Aan de bewoner wordt zo spoedig mogelijk een schriftelijk verslag van het binnentreden verstrekt. Indien het binnentreden in het belang van de nationale veiligheid of dat van de strafvordering heeft plaatsgevonden, kan volgens bij de wet te stellen regels de verstrekking van het verslag worden uitgesteld. In de bij de wet te bepalen gevallen kan de verstrekking achterwege worden gelaten, indien het belang van de nationale veiligheid zich tegen verstrekking blijvend verzet.

Artikel 13 - Vertrouwelijke communicatie

  1. Het briefgeheim is onschendbaar, behalve, in de gevallen bij de wet bepaald, op last van de rechter.
  2. Het telefoon- en telegraafgeheim is onschendbaar, behalve, in de gevallen bij de wet bepaald, door of met machtiging van hen die daartoe bij de wet zijn aangewezen.

Artikel 14 - Onteigening

  1. Onteigening kan alleen geschieden in het algemeen belang en tegen vooraf verzekerde schadeloosstelling, een en ander naar bij of krachtens de wet te stellen voorschriften.
  2. De schadeloosstelling behoeft niet vooraf verzekerd te zijn, wanneer in geval van nood onverwijld onteigening geboden is.
  3. In de gevallen bij of krachtens de wet bepaald bestaat recht op schadeloosstelling of tegemoetkoming in de schade, indien in het algemeen belang eigendom door het bevoegd gezag wordt vernietigd of onbruikbaar gemaakt of de uitoefening van het eigendomsrecht wordt beperkt.

Artikel 15 - Vrijheidsontneming

  1. Buiten de gevallen bij of krachtens de wet bepaald mag niemand zijn vrijheid worden ontnomen.
  2. Hij aan wie anders dan op rechterlijk bevel zijn vrijheid is ontnomen, kan aan de rechter zijn invrijheidstelling verzoeken. Hij wordt in dat geval door de rechter gehoord binnen een bij de wet te bepalen termijn. De rechter gelast de onmiddellijke invrijheidstelling, indien hij de vrijheidsontneming onrechtmatig oordeelt.
  3. De berechting van hem aan wie met het oog daarop zijn vrijheid is ontnomen, vindt binnen een redelijke termijn plaats.
  4. Hij aan wie rechtmatig zijn vrijheid is ontnomen, kan worden beperkt in de uitoefening van grondrechten voor zover deze zich niet met de vrijheidsontneming verdraagt.

Artikel 16 - Nulla poena

Geen feit is strafbaar dan uit kracht van een daaraan voorafgegane wettelijke strafbepaling.

Artikel 17 - Wettelijk toegekende rechter

Niemand kan tegen zijn wil worden afgehouden van de rechter die de wet hem toekent.

Artikel 18 - Rechtsbijstand

  1. Ieder kan zich in rechte en in administratief beroep doen bijstaan.
  2. De wet stelt regels omtrent het verlenen van rechtsbijstand aan minder draagkrachtigen.

Artikel 19 - Werkgelegenheid en arbeidskeuze

  1. Bevordering van voldoende werkgelegenheid is voorwerp van zorg der overheid.
  2. De wet stelt regels omtrent de rechtspositie van hen die arbeid verrichten en omtrent hun bescherming daarbij, alsmede omtrent medezeggenschap.
  3. Het recht van iedere Nederlander op vrije keuze van arbeid wordt erkend, behoudens de beperkingen bij of krachtens de wet gesteld.

Artikel 20 - Bestaanszekerheid

  1. De bestaanszekerheid der bevolking en spreiding van welvaart zijn voorwerp van zorg der overheid.
  2. De wet stelt regels omtrent de aanspraken op sociale zekerheid.
  3. Nederlanders hier te lande, die niet in het bestaan kunnen voorzien, hebben een bij de wet te regelen recht op bijstand van overheidswege.

Artikel 21 - Milieubescherming

De zorg van de overheid is gericht op de bewoonbaarheid van het land en de bescherming en verbetering van het leefmilieu.

Artikel 22 - Volksgezondheid en woongelegenheid

  1. De overheid treft maatregelen ter bevordering van de volksgezondheid.
  2. Bevordering van voldoende woongelegenheid is voorwerp van zorg der overheid.
  3. Zij schept voorwaarden voor maatschappelijke en culturele ontplooiing en voor vrijetijdsbesteding.

Artikel 23 - Onderwijs

  1. Het onderwijs is een voorwerp van de aanhoudende zorg der regering.
  2. Het geven van onderwijs is vrij, behoudens het toezicht van de overheid en, voor wat bij de wet aangewezen vormen van onderwijs betreft, het onderzoek naar de bekwaamheid en de zedelijkheid van hen die onderwijs geven, een en ander bij de wet te regelen.
  3. Het openbaar onderwijs wordt, met eerbiediging van ieders godsdienst of levensovertuiging, bij de wet geregeld.
  4. In elke gemeente wordt van overheidswege voldoend openbaar algemeen vormend lager onderwijs gegeven in een genoegzaam aantal openbare scholen. Volgens bij de wet te stellen regels kan afwijking van deze bepaling worden toegelaten, mits tot het ontvangen van zodanig onderwijs gelegenheid wordt gegeven, al dan niet in een openbare school.
  5. De eisen van deugdelijkheid, aan het geheel of ten dele uit de openbare kas te bekostigen onderwijs te stellen, worden bij de wet geregeld, met inachtneming, voor zover het bijzonder onderwijs betreft, van de vrijheid van richting.
  6. Deze eisen worden voor het algemeen vormend lager onderwijs zodanig geregeld, dat de deugdelijkheid van het geheel uit de openbare kas bekostigd bijzonder onderwijs en van het openbaar onderwijs even afdoende wordt gewaarborgd. Bij die regeling wordt met name de vrijheid van het bijzonder onderwijs betreffende de keuze der leermiddelen en de aanstelling der onderwijzers geëerbiedigd.
  7. Het bijzonder algemeen vormend lager onderwijs, dat aan de bij de wet te stellen voorwaarden voldoet, wordt naar dezelfde maatstaf als het openbaar onderwijs uit de openbare kas bekostigd. De wet stelt de voorwaarden vast, waarop voor het bijzonder algemeen vormend middelbaar en voorbereidend hoger onderwijs bijdragen uit de openbare kas worden verleend.
  8. De regering doet jaarlijks van de staat van het onderwijs verslag aan de Staten-Generaal.
HOOFDSTUK 2

Regering INLEIDING

Artikel 24 - Koningschap

Het koningschap wordt erfelijk vervuld door de wettige opvolgers van Koning Willem I, Prins van Oranje-Nassau.

Artikel 25 - Erfopvolging

Het koningschap gaat bij overlijden van de Koning krachtens erfopvolging over op zijn wettige nakomelingen, waarbij het oudste kind voorrang heeft, met plaatsvervulling volgens dezelfde regel. Bij gebreke van eigen nakomelingen gaat het koningschap op gelijke wijze over op de wettige nakomelingen eerst van zijn ouder, dan van zijn grootouder, in de lijn van erfopvolging, voor zover de overleden Koning niet verder bestaand dan in de derde graad van bloedverwantschap.

Artikel 26 - Status ongeboren kind Koning

Het kind, waarvan een vrouw zwanger is op het ogenblik van het overlijden van de Koning, wordt voor de erfopvolging als reeds geboren aangemerkt. Komt het dood ter wereld, dan wordt het geacht nooit te hebben bestaan.

Artikel 27 - Afstand koningschap

Afstand van het koningschap leidt tot erfopvolging overeenkomstig de regels in de voorgaande artikelen gesteld. Na de afstand geboren kinderen en hun nakomelingen zijn van de erfopvolging uitgesloten.

Artikel 28 - Afstand koningschap door huwelijk

  1. De Koning, een huwelijk aangaande buiten bij de wet verleende toestemming, doet daardoor afstand van het koningschap.
  2. Gaat iemand die het koningschap van de Koning kan beërven een zodanig huwelijk aan, dan is hij met de uit dit huwelijk geboren kinderen en hun nakomelingen van de erfopvolging uitgesloten.
  3. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake van een voorstel van wet, strekkende tot het verlenen van toestemming, in verenigde vergadering.

Artikel 29 - Uitsluiting troonopvolging

  1. Wanneer uitzonderlijke omstandigheden daartoe nopen, kunnen bij een wet een of meer personen van de erfopvolging worden uitgesloten.

  2. Het voorstel daartoe wordt door of vanwege de Koning ingediend. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering. Zij kunnen het voorstel alleen aannemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

Artikel 30 - Benoemde Koning

  1. Wanneer vooruitzicht bestaat dat een opvolger zal ontbreken, kan deze worden benoemd bij een wet. Het voorstel wordt door of vanwege de Koning ingediend. Na de indiening van het voorstel worden de kamers ontbonden. De nieuwe kamers beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering. Zij kunnen het voorstel alleen aannemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

  2. Indien bij overlijden van de Koning of bij afstand van het koningschap een opvolger ontbreekt, worden de kamers ontbonden. De nieuwe kamers komen binnen vier maanden na het overlijden of de afstand in verenigde vergadering bijeen ten einde te besluiten omtrent de benoeming van een Koning. Zij kunnen een opvolger alleen benoemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

Artikel 31 - Erfopvolging benoemde koning

  1. Een benoemde Koning kan krachtens erfopvolging alleen worden opgevolgd door zijn wettige nakomelingen.

  2. De bepalingen omtrent de erfopvolging en het eerste lid van dit artikel zijn van overeenkomstige toepassing op een benoemde opvolger, zolang deze nog geen Koning is.

Artikel 32 - Inhuldiging Koning

Nadat de Koning de uitoefening van het koninklijk gezag heeft aangevangen, wordt hij zodra mogelijk beëdigd en ingehuldigd in de hoofdstad Amsterdam in een openbare verenigde vergadering van de Staten-Generaal. Hij zweert of belooft trouw aan de Grondwet en een getrouwe vervulling van zijn ambt. De wet stelt nadere regels vast.

Artikel 33 - Koningschap en meerderjarigheid

De Koning oefent het koninklijk gezag eerst uit, nadat hij de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt.

Artikel 34 - Ouderlijk gezag minderjarige Koning

De wet regelt het ouderlijk gezag en de voogdij over de minderjarige Koning en het toezicht daarop. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

Artikel 35 - Buiten staat verklaring

  1. Wanneer de ministerraad van oordeel is dat de Koning buiten staat is het koninklijk gezag uit te oefenen, bericht hij dit onder overlegging van het daartoe gevraagde advies van de Raad van State aan de Staten-Generaal, die daarop in verenigde vergadering bijeenkomen.

  2. Delen de Staten-Generaal dit oordeel, dan verklaren zij dat de Koning buiten staat is het koninklijk gezag uit te oefenen. Deze verklaring wordt bekend gemaakt op last van de voorzitter der vergadering en treedt terstond in werking.

  3. Zodra de Koning weer in staat is het koninklijk gezag uit te oefenen, wordt dit bij de wet verklaard. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering. Terstond na de bekendmaking van deze wet hervat de Koning de uitoefening van het koninklijk gezag.

  4. De wet regelt zo nodig het toezicht over de persoon van de Koning indien hij buiten staat is verklaard het koninklijk gezag uit te oefenen. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

Artikel 36 - Tijdelijke neerlegging koninklijk gezag

De Koning kan de uitoefening van het koninklijk gezag tijdelijk neerleggen en die uitoefening hervatten krachtens een wet, waarvan het voorstel door of vanwege hem wordt ingediend. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

Artikel 37 - Uitoefening koninklijk gezag door regent

  1. Het koninklijk gezag wordt uitgeoefend door een regent:
    a. zolang de Koning de leeftijd van achttien jaar niet heeft bereikt;
    b. indien een nog niet geboren kind tot het koningschap geroepen kan zijn;
    c. indien de Koning buiten staat is verklaard het koninklijk gezag uit te oefenen;
    d. indien de Koning de uitoefening van het koninklijk gezag tijdelijk heeft neergelegd;
    e. zolang na het overlijden van de Koning of na diens afstand van het koningschap een opvolger ontbreekt.

  2. De regent wordt benoemd bij de wet. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

  3. In de gevallen, genoemd in het eerste lid onder c en d, is de nakomeling van de Koning die zijn vermoedelijke opvolger is, van rechtswege regent indien hij de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt.

  4. De regent zweert of belooft trouw aan de Grondwet en een getrouwe vervulling van zijn ambt, in een verenigde vergadering van de Staten-Generaal. De wet geeft nadere regels omtrent het regentschap en kan voorzien in de opvolging en de vervanging daarin. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

  5. Op de regent zijn de artikelen 35 en 36 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 38 - Uitoefening koninklijk gezag door RvS

Zolang niet in de uitoefening van het koninklijk gezag is voorzien, wordt dit uitgeoefend door de Raad van State.

Artikel 39 - Lidmaatschap koninklijk huis

De wet regelt, wie lid is van het koninklijk huis.

Artikel 40 - Uitkering koninklijk huis

  1. De Koning ontvangt jaarlijks ten laste van het Rijk uitkeringen naar regels bij de wet te stellen. Deze wet bepaalt aan welke andere leden van het koninklijk huis uitkeringen ten laste van het Rijk worden toegekend en regelt deze uitkeringen.

  2. De door hen ontvangen uitkeringen ten laste van het Rijk, alsmede de vermogensbestanddelen welke dienstbaar zijn aan de uitoefening van hun functie, zijn vrij van persoonlijke belastingen. Voorts is hetgeen de Koning of zijn vermoedelijke opvolger krachtens erfrecht of door schenking verkrijgt van een lid van het koninklijk huis vrij van de rechten van successie, overgang en schenking. Verdere vrijdom van belasting kan bij de wet worden verleend.

  3. De kamers der Staten-Generaal kunnen voorstellen van in de vorige leden bedoelde wetten alleen aannemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

Artikel 41 - Inrichting huis Koning

De Koning richt, met inachtneming van het openbaar belang, zijn Huis in.

Artikel 42 - Ministeriële verantwoordelijkheid

  1. De regering wordt gevormd door de Koning en de ministers.

  2. De Koning is onschendbaar; de ministers zijn verantwoordelijk.

Artikel 43 - Regering en ministers

De minister-president en de overige ministers worden bij koninklijk besluit benoemd en ontslagen.

Artikel 44 - Ministeries

  1. Bij koninklijk besluit worden ministeries ingesteld. Zij staan onder leiding van een minister.

  2. Ook kunnen ministers worden benoemd die niet belast zijn met de leiding van een ministerie.

Artikel 45 - Ministerraad

  1. De ministers vormen te zamen de ministerraad.

  2. De minister-president is voorzitter van de ministerraad.

  3. De ministerraad beraadslaagt en besluit over het algemeen regeringsbeleid en bevordert de eenheid van dat beleid.

Artikel 46 - Staatssecretarissen

  1. Bij koninklijk besluit kunnen staatssecretarissen worden benoemd en ontslagen.

  2. Een staatssecretaris treedt in de gevallen waarin de minister het nodig acht en met inachtneming van diens aanwijzingen, in zijn plaats als minister op. De staatssecretaris is uit dien hoofde verantwoordelijk, onverminderd de verantwoordelijkheid van de minister.

Artikel 47 - Ondertekening en contraseign

Alle wetten en koninklijke besluiten worden door de Koning en door een of meer ministers of staatssecretarissen ondertekend.

Artikel 48 - Ontslag en benoeming ministers

Het koninklijk besluit waarbij de minister-president wordt benoemd, wordt mede door hem ondertekend. De koninklijke besluiten waarbij de overige ministers en de staatssecretarissen worden benoemd of ontslagen, worden mede door de minister-president ondertekend.

Artikel 49 - Ambtseed minister en staatssecretaris

Op de wijze bij de wet voorgeschreven leggen de ministers en de staatssecretarissen bij de aanvaarding van hun ambt ten overstaan van de Koning een eed, dan wel verklaring en belofte, van zuivering af en zweren of beloven zij trouw aan de Grondwet en een getrouwe vervulling van hun ambt.
HOOFDSTUK 3

Staten-Generaal INLEIDING

Artikel 50 - Vertegenwoordiging

De Staten-Generaal vertegenwoordigen het gehele Nederlandse volk.

Artikel 51 - Eerste en Tweede Kamer

  1. De Staten-Generaal bestaan uit de Tweede Kamer en de Eerste Kamer.

  2. De Tweede Kamer bestaat uit honderdvijftig leden.

  3. De Eerste Kamer bestaat uit vijfenzeventig leden.

  4. Bij een verenigde vergadering worden de kamers als één beschouwd.

Artikel 52 - Zittingsduur

  1. De zittingsduur van beide kamers is vier jaren.
  2. Indien voor de provinciale staten bij de wet een andere zittingsduur dan vier jaren wordt vastgesteld, wordt daarbij de zittingsduur van de Eerste Kamer in overeenkomstige zin gewijzigd.

Artikel 53 - Evenredige vertegenwoordiging

  1. De leden van beide kamers worden gekozen op de grondslag van evenredige vertegenwoordiging binnen door de wet te stellen grenzen.
  2. De verkiezingen worden gehouden bij geheime stemming.

Artikel 54 - Verkiezing Tweede Kamer

  1. De leden van de Tweede Kamer worden rechtstreeks gekozen door de Nederlanders die de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt, behoudens bij de wet te bepalen uitzonderingen ten aanzien van Nederlanders die geen ingezetenen zijn.

  2. Van het kiesrecht is uitgesloten hij die wegens het begaan van een daartoe bij de wet aangewezen delict bij onherroepelijke rechterlijke uitspraak is veroordeeld tot een vrijheidsstraf van ten minste een jaar en hierbij tevens is ontzet van het kiesrecht.

Artikel 55 - Verkiezing Eerste Kamer

De leden van de Eerste Kamer worden gekozen door de leden van provinciale staten. De verkiezing wordt, behoudens in geval van ontbinding der kamer, gehouden binnen drie maanden na de verkiezing van de leden van provinciale staten.

Artikel 56 - Vereisten voor lidmaatschap

Om lid van de Staten-Generaal te kunnen zijn is vereist dat men Nederlander is, de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt en niet is uitgesloten van het kiesrecht.

Artikel 57 - Incompatibiliteiten

  1. Niemand kan lid van beide kamers zijn.

  2. Een lid van de Staten-Generaal kan niet tevens zijn minister, staatssecretaris, lid van de Raad van State, lid van de Algemene Rekenkamer, Nationale ombudsman of substituut-ombudsman, of lid van of procureur-generaal of advocaat-generaal bij de Hoge Raad.

  3. Niettemin kan een minister of staatssecretaris, die zijn ambt ter beschikking heeft gesteld, dit ambt verenigen met het lidmaatschap van de Staten-Generaal, totdat omtrent die beschikbaarstelling is beslist.

  4. De wet kan ten aanzien van andere openbare betrekkingen bepalen dat zij niet gelijktijdig met het lidmaatschap van de Staten-Generaal of van een der kamers kunnen worden uitgeoefend.

Artikel 57a - Zwangerschap en ziekte

De wet regelt de tijdelijke vervanging van een lid van de Staten-Generaal wegens zwangerschap en bevalling, alsmede wegens ziekte.

Artikel 58 - Geloofsbrieven

Elke kamer onderzoekt de geloofsbrieven van haar nieuwbenoemde leden en beslist met inachtneming van bij de wet te stellen regels de geschillen welke met betrekking tot de geloofsbrieven of de verkiezing zelf rijzen.

Artikel 59 - Kiesrecht en verkiezingen

Alles, wat verder het kiesrecht en de verkiezingen betreft, wordt bij de wet geregeld.

Artikel 60 - Ambtsaanvaarding

Op de wijze bij de wet voorgeschreven leggen de leden van de kamers bij de aanvaarding van hun ambt in de vergadering een eed, dan wel verklaring en belofte, van zuivering af en zweren of beloven zij trouw aan de Grondwet en een getrouwe vervulling van hun ambt.

Artikel 61 - Voorzitter en griffier

  1. Elk der kamers benoemt uit de leden een voorzitter.

  2. Elk der kamers benoemt een griffier. Deze en de overige ambtenaren van de kamers kunnen niet tevens lid van de Staten-Generaal zijn.

Artikel 62 - Verenigde vergadering

De voorzitter van de Eerste Kamer heeft de leiding van de verenigde vergadering.

Artikel 63 - Geldelijke voorzieningen

Geldelijke voorzieningen ten behoeve van leden en gewezen leden van de Staten-Generaal en van hun nabestaanden worden bij de wet geregeld. De kamers kunnen een voorstel van wet ter zake alleen aannemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

Artikel 64 - Ontbinding Kamers

  1. Elk der kamers kan bij koninklijk besluit worden ontbonden.

  2. Het besluit tot ontbinding houdt tevens de last in tot een nieuwe verkiezing voor de ontbonden kamer en tot het samenkomen van de nieuw gekozen kamer binnen drie maanden.

  3. De ontbinding gaat in op de dag waarop de nieuw gekozen kamer samenkomt.

  4. De wet stelt de zittingsduur van een na ontbinding optredende Tweede Kamer vast; de termijn mag niet langer zijn dan vijf jaren. De zittingsduur van een na ontbinding optredende Eerste Kamer eindigt op het tijdstip waarop de zittingsduur van de ontbonden kamer zou zijn geëindigd.

Artikel 65 - Troonrede

Jaarlijks op de derde dinsdag van september of op een bij de wet te bepalen eerder tijdstip wordt door of namens de Koning in een verenigde vergadering van de Staten-Generaal een uiteenzetting van het door de regering te voeren beleid gegeven.

Artikel 66 - Openbaarheid vergaderingen

  1. De vergaderingen van de Staten-Generaal zijn openbaar.

  2. De deuren worden gesloten, wanneer een tiende deel van het aantal aanwezige leden het vordert of de voorzitter het nodig oordeelt.

  3. Door de kamer, onderscheidenlijk de kamers in verenigde vergadering, wordt vervolgens beslist of met gesloten deuren zal worden beraadslaagd en besloten.

Artikel 67 - Quorum

  1. De kamers mogen elk afzonderlijk en in verenigde vergadering alleen beraadslagen of besluiten, indien meer dan de helft van het aantal zitting hebbende leden ter vergadering aanwezig is.

  2. Besluiten worden genomen bij meerderheid van stemmen.

  3. De leden stemmen zonder last.

  4. Over zaken wordt mondeling en bij hoofdelijke oproeping gestemd, wanneer één lid dit verlangt.

Artikel 68 - Inlichtingenplicht bewindslieden

De ministers en de staatssecretarissen geven de kamers elk afzonderlijk en in verenigde vergadering mondeling of schriftelijk de door een of meer leden verlangde inlichtingen waarvan het verstrekken niet in strijd is met het belang van de staat.

Artikel 69 - Aanwezigheid bewindslieden

  1. De ministers en de staatssecretarissen hebben toegang tot de vergaderingen en kunnen aan de beraadslaging deelnemen.

  2. Zij kunnen door de kamers elk afzonderlijk en in verenigde vergadering worden uitgenodigd om ter vergadering aanwezig te zijn.

  3. Zij kunnen zich in de vergaderingen doen bijstaan door de personen, daartoe door hen aangewezen.

Artikel 70 - Recht van enquête

Beide kamers hebben, zowel ieder afzonderlijk als in verenigde vergadering, het recht van onderzoek (enquête), te regelen bij de wet.

Artikel 71 - Parlementaire onschendbaarheid

De leden van de Staten-Generaal, de ministers, de staatssecretarissen en andere personen die deelnemen aan de beraadslaging, kunnen niet in rechte worden vervolgd of aangesproken voor hetgeen zij in de vergaderingen van de Staten-Generaal of van commissies daaruit hebben gezegd of aan deze schriftelijk hebben overgelegd.

Artikel 72 - Reglement van orde

De kamers stellen elk afzonderlijk en in verenigde vergadering een reglement van orde vast.

HOOFDSTUK 4

Adviesorganen INLEIDING

Artikel 73 - Taak Raad van State

  1. De Raad van State of een afdeling van de Raad wordt gehoord over voorstellen van wet en ontwerpen van algemene maatregelen van bestuur, alsmede over voorstellen tot goedkeuring van verdragen door de Staten-Generaal. In bij de wet te bepalen gevallen kan het horen achterwege blijven.

  2. De Raad of een afdeling van de Raad is belast met het onderzoek van de geschillen van bestuur die bij koninklijk besluit worden beslist en draagt de uitspraak voor.

  3. De wet kan aan de Raad of een afdeling van de Raad de uitspraak in geschillen van bestuur opdragen.

Artikel 74 - Rechtspositie leden

  1. De Koning is voorzitter van de Raad van State. De vermoedelijke opvolger van de Koning heeft na het bereiken van de leeftijd van achttien jaar van rechtswege zitting in de Raad. Bij of krachtens de wet kan aan andere leden van het koninklijk huis zitting in de Raad worden verleend.

  2. De leden van de Raad worden bij koninklijk besluit voor het leven benoemd.

  3. Op eigen verzoek en wegens het bereiken van een bij de wet te bepalen leeftijd worden zij ontslagen.

  4. In de gevallen bij de wet aangewezen kunnen zij door de Raad worden geschorst of ontslagen.

  5. De wet regelt overigens hun rechtspositie

Artikel 75 - Inrichting, samenstelling, bevoegdheid Raad van State

  1. De wet regelt de inrichting, samenstelling en bevoegdheid van de Raad van State.

  2. Bij de wet kunnen aan de Raad of een afdeling van de Raad ook andere taken worden opgedragen.

Artikel 76 - Algemene rekenkamer

De Algemene Rekenkamer is belast met het onderzoek van de ontvangsten en uitgaven van het Rijk.

Artikel 77 - Rechtpositie leden rekenkamer

  1. De leden van de Algemene Rekenkamer worden bij koninklijk besluit voor het leven benoemd uit een voordracht van drie personen, opgemaakt door de Tweede Kamer der Staten-Generaal.

  2. Op eigen verzoek en wegens het bereiken van een bij de wet te bepalen leeftijd worden zij ontslagen.

  3. In de gevallen bij de wet aangewezen kunnen zij door de Hoge Raad worden geschorst of ontslagen.

  4. De wet regelt overigens hun rechtspositie.

Artikel 78 - Inrichting, samenstelling, bevoegdheid Rekenkamer

  1. De wet regelt de inrichting, samenstelling en bevoegdheid van de Algemene Rekenkamer.

  2. Bij de wet kunnen aan de Algemene Rekenkamer ook andere taken worden opgedragen.

Artikel 78a - Nationale ombudsman

  1. De Nationale ombudsman verricht op verzoek of uit eigen beweging onderzoek naar gedragingen van bestuursorganen van het Rijk en van andere bij of krachtens de wet aangewezen bestuursorganen.
  2. De Nationale ombudsman en een substituut-ombudsman worden voor een bij de wet te bepalen termijn benoemd door de Tweede Kamer der Staten-Generaal. Op eigen verzoek en wegens het bereiken van een bij de wet te bepalen leeftijd worden zij ontslagen. In de gevallen bij de wet aangewezen kunnen zij door de Tweede Kamer der Staten-Generaal worden geschorst of ontslagen. De wet regelt overigens hun rechtspositie.
  3. De wet regelt de bevoegdheid en werkwijze van de Nationale ombudsman.
  4. Bij of krachtens de wet kunnen aan de Nationale ombudsman ook andere taken worden opgedragen.

Artikel 79 - Vaste colleges van advies

  1. Vaste colleges van advies in zaken van wetgeving en bestuur van het Rijk worden ingesteld bij of krachtens de wet.

  2. De wet regelt de inrichting, samenstelling en bevoegdheid van deze colleges.

  3. Bij of krachtens de wet kunnen aan deze colleges ook andere dan adviserende taken worden opgedragen.

Artikel 80 - Openbaarmaking advies

  1. De adviezen van de in dit hoofdstuk bedoelde colleges worden openbaar gemaakt volgens regels bij de wet te stellen.

  2. Adviezen, uitgebracht ter zake van voorstellen van wet die door of vanwege de Koning worden ingediend, worden, behoudens bij de wet te bepalen uitzonderingen, aan de Staten-Generaal overgelegd.

HOOFDSTUK 5

Wetgeving en bestuur INLEIDING

Artikel 81 - Wetgevende macht

De vaststelling van wetten geschiedt door de regering en de Staten-Generaal gezamenlijk.

Artikel 82 - Indienen wetsvoorstel

  1. Voorstellen van wet kunnen worden ingediend door of vanwege de Koning en door de Tweede Kamer der Staten-Generaal.

  2. Voorstellen van wet waarvoor behandeling door de Staten-Generaal in verenigde vergadering is voorgeschreven, kunnen worden ingediend door of vanwege de Koning en, voor zover de betreffende artikelen van hoofdstuk 2 dit toelaten, door de verenigde vergadering.

  3. Voorstellen van wet, in te dienen door de Tweede Kamer onderscheidenlijk de verenigde vergadering, worden bij haar door een of meer leden aanhangig gemaakt.

Artikel 83 - Toezending wetsvoorstel TK

Voorstellen van wet, ingediend door of vanwege de Koning, worden gezonden aan de Tweede Kamer of, indien daarvoor behandeling door de Staten-Generaal in verenigde vergadering is voorgeschreven, aan deze vergadering.

Artikel 84 - Wijziging wetsvoorstel

  1. Zolang een voorstel van wet, ingediend door of vanwege de Koning, niet door de Tweede Kamer onderscheidenlijk de verenigde vergadering is aangenomen, kan het door haar, op voorstel van een of meer leden, en vanwege de regering worden gewijzigd.

  2. Zolang de Tweede Kamer onderscheidenlijk de verenigde vergadering een door haar in te dienen voorstel van wet niet heeft aangenomen, kan het door haar, op voorstel van een of meer leden, en door het lid of de leden door wie het aanhangig is gemaakt, worden gewijzigd.

Artikel 85 - Toezending wetsvoorstel EK

Zodra de Tweede Kamer een voorstel van wet heeft aangenomen of tot indiening van een voorstel heeft besloten, zendt zij het aan de Eerste Kamer, die het voorstel overweegt zoals het door de Tweede Kamer aan haar is gezonden. De Tweede Kamer kan een of meer van haar leden opdragen een door haar ingediend voorstel in de Eerste Kamer te verdedigen.

Artikel 86 - Intrekking wetsvoorstel

  1. Zolang een voorstel van wet niet door de Staten-Generaal is aangenomen, kan het door of vanwege de indiener worden ingetrokken.

  2. Zolang de Tweede Kamer onderscheidenlijk de verenigde vergadering een door haar in te dienen voorstel van wet niet heeft aangenomen, kan het door het lid of de leden door wie het aanhangig is gemaakt, worden ingetrokken.

Artikel 87 - Aanneming en bekrachtiging

  1. Een voorstel wordt wet, zodra het door de Staten-Generaal is aangenomen en door de Koning is bekrachtigd.

  2. De Koning en de Staten-Generaal geven elkaar kennis van hun besluit omtrent enig voorstel van wet.

Artikel 88 - Bekendmaking en inwerkingtreding

De wet regelt de bekendmaking en de inwerkingtreding van de wetten. Zij treden niet in werking voordat zij zijn bekendgemaakt.

Artikel 89 - Algemene maatregel van bestuur

  1. Algemene maatregelen van bestuur worden bij koninklijk besluit vastgesteld.

  2. Voorschriften, door straffen te handhaven, worden daarin alleen gegeven krachtens de wet. De wet bepaalt de op te leggen straffen.

  3. De wet regelt de bekendmaking en de inwerkingtreding van de algemene maatregelen van bestuur. Zij treden niet in werking voordat zij zijn bekendgemaakt.

  4. Het tweede en derde lid zijn van overeenkomstige toepassing op andere vanwege het Rijk vastgestelde algemeen verbindende voorschriften.

Artikel 90 - Bevordering internationale rechtsorde

De regering bevordert de ontwikkeling van de internationale rechtsorde.

Artikel 91 - Goedkeuring verdrag

  1. Het Koninkrijk wordt niet aan verdragen gebonden en deze worden niet opgezegd zonder voorafgaande goedkeuring van de Staten-Generaal. De wet bepaalt de gevallen waarin geen goedkeuring is vereist.

  2. De wet bepaalt de wijze waarop de goedkeuring wordt verleend en kan voorzien in stilzwijgende goedkeuring.

  3. Indien een verdrag bepalingen bevat welke afwijken van de Grondwet dan wel tot zodanig afwijken noodzaken, kunnen de kamers de goedkeuring alleen verlenen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

Artikel 92 - Bevoegdheden volkenrechtelijke organisaties

Met inachtneming, zo nodig, van het bepaalde in artikel 91, derde lid, kunnen bij of krachtens verdrag aan volkenrechtelijke organisaties bevoegdheden tot wetgeving, bestuur en rechtspraak worden opgedragen.

Artikel 93 - Verbindende kracht verdrag

Bepalingen van verdragen en van besluiten van volkenrechtelijke organisaties, die naar haar inhoud een ieder kunnen verbinden, hebben verbindende kracht nadat zij zijn bekendgemaakt.

Artikel 94 - Verdrag boven wet

Binnen het Koninkrijk geldende wettelijke voorschriften vinden geen toepassing, indien deze toepassing niet verenigbaar is met een ieder verbindende bepalingen van verdragen en van besluiten van volkenrechtelijke organisaties.

Artikel 95 - Bekendmaking verdrag

De wet geeft regels omtrent de bekendmaking van verdragen en besluiten van volkenrechtelijke organisaties.

Artikel 96 - Oorlogsverklaring

  1. Het Koninkrijk wordt niet in oorlog verklaard dan na voorafgaande toestemming van de Staten-Generaal.

  2. De toestemming is niet vereist, wanneer het overleg met de Staten-Generaal ten gevolge van een feitelijk bestaande oorlogstoestand niet mogelijk is gebleken.

  3. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

  4. Het bepaalde in het eerste en het derde lid is van overeenkomstige toepassing voor een verklaring dat een oorlog beëindigd is.

Artikel 97 - Krijgsmacht

  1. Ten behoeve van de verdediging en ter bescherming van de belangen van het Koninkrijk, alsmede ten behoeve van de handhaving en de bevordering van de internationale rechtsorde, is er een krijgsmacht.

  2. De regering heeft het oppergezag over de krijgsmacht.

Artikel 98 - Samenstelling krijgsmacht

  1. De krijgsmacht bestaat uit vrijwillig dienenden en kan mede bestaan uit dienstplichtigen.

  2. De wet regelt de verplichte militaire dienst en de bevoegdheid tot opschorting van de oproeping in werkelijke dienst.

Artikel 99 - Gewetensbezwaren militaire dienst

De wet regelt vrijstelling van militaire dienst wegens ernstige gewetensbezwaren.

Artikel 99a - Civiele verdediging

Volgens bij de wet te stellen regels kunnen plichten worden opgelegd ten behoeve van de civiele verdediging.

Artikel 100 - Inlichtingen over krijgsmacht

  1. De regering verstrekt de Staten-Generaal vooraf inlichtingen over de inzet of het ter beschikking stellen van de krijgsmacht ter handhaving of bevordering van de internationale rechtsorde. Daaronder is begrepen het vooraf verstrekken van inlichtingen over de inzet of het ter beschikking stellen van de krijgsmacht voor humanitaire hulpverlening in geval van gewapend conflict.

  2. Het eerste lid geldt niet, indien dwingende redenen het vooraf verstrekken van inlichtingen verhinderen. In dat geval worden inlichtingen zo spoedig mogelijk verstrekt.

Artikel 101 - [vervallen]

Vervallen bij rijkswet van 20 juli 1995

Artikel 102 - [vervallen]

Vervallen bij rijkswet van 22 juni 2000

Artikel 103 - Uitzonderingstoestand

  1. De wet bepaalt in welke gevallen ter handhaving van de uit- of inwendige veiligheid bij koninklijk besluit een door de wet als zodanig aan te wijzen uitzonderingstoestand kan worden afgekondigd; zij regelt de gevolgen.

  2. Daarbij kan worden afgeweken van de grondwetsbepalingen inzake de bevoegdheden van de besturen van provincies, gemeenten en waterschappen, van de grondrechten geregeld in de artikelen 6, voor zover dit de uitoefening buiten gebouwen en besloten plaatsen van het in dit artikel omschreven recht betreft, 7, 8, 9, 12, tweede en derde lid, en 13, alsmede van artikel 113, eerste en derde lid.

  3. Terstond na de afkondiging van een uitzonderingstoestand en voorts, zolang deze niet bij koninklijk besluit is opgeheven, telkens wanneer zij zulks nodig oordelen beslissen de Staten-Generaal omtrent het voortduren daarvan; zij beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

Artikel 104 - Belastingheffing

Belastingen van het Rijk worden geheven uit kracht van een wet. Andere heffingen van het Rijk worden bij de wet geregeld.

 
 

Artikel 105 - Recht van begroting

  1. De begroting van de ontvangsten en de uitgaven van het Rijk wordt bij de wet vastgesteld.

  2. Jaarlijks worden voorstellen van algemene begrotingswetten door of vanwege de Koning ingediend op het in artikel 65 bedoelde tijdstip.

  3. De verantwoording van de ontvangsten en de uitgaven van het Rijk wordt aan de Staten-Generaal gedaan overeenkomstig de bepalingen van de wet. De door de Algemene Rekenkamer goedgekeurde rekening wordt aan de Staten-Generaal overgelegd.

  4. De wet stelt regels omtrent het beheer van de financiën van het Rijk.

Artikel 106 - Geldstelsel

De wet regelt het geldstelsel.

Artikel 107 - Codificatie

  1. De wet regelt het burgerlijk recht, het strafrecht en het burgerlijk en strafprocesrecht in algemene wetboeken, behoudens de bevoegdheid tot regeling van bepaalde onderwerpen in afzonderlijke wetten.

  2. De wet stelt algemene regels van bestuursrecht vast.

Artikel 108 - [vervallen]

Vervallen bij rijkswet van 25 februari 1999

Artikel 109 - Rechtspositie ambtenaren

De wet regelt de rechtspositie van de ambtenaren. Zij stelt tevens regels omtrent hun bescherming bij de arbeid en omtrent medezeggenschap.

 

Artikel 110 - Openbaarheid van bestuur

De overheid betracht bij de uitvoering van haar taak openbaarheid volgens regels bij de wet te stellen.

 

Artikel 111 - Ridderorden

Ridderorden worden bij de wet ingesteld.
HOOFDSTUK 6

Rechtspraak INLEIDING

Artikel 112 - Civiele en administratieve rechtspraak

  1. Aan de rechterlijke macht is opgedragen de berechting van geschillen over burgerlijke rechten en over schuldvorderingen.

  2. De wet kan de berechting van geschillen die niet uit burgerlijke rechtsbetrekkingen zijn ontstaan, opdragen hetzij aan de rechterlijke macht, hetzij aan gerechten die niet tot de rechterlijke macht behoren. De wet regelt de wijze van behandeling en de gevolgen van de beslissingen.

Artikel 113 - Strafrechtspraak

  1. Aan de rechterlijke macht is voorts opgedragen de berechting van strafbare feiten.

  2. Tuchtrechtspraak door de overheid ingesteld wordt bij de wet geregeld.

  3. Een straf van vrijheidsontneming kan uitsluitend door de rechterlijke macht worden opgelegd.

  4. Voor berechting buiten Nederland en voor het oorlogsstrafrecht kan de wet afwijkende regels stellen.

Artikel 114 - Doodstraf

De doodstraf kan niet worden opgelegd.

Artikel 115 - Administratief beroep

Ten aanzien van de in artikel 112, tweede lid, bedoelde geschillen kan administratief beroep worden opengesteld.

Artikel 116 - Rechterlijke macht

  1. De wet wijst de gerechten aan die behoren tot de rechterlijke macht.

  2. De wet regelt de inrichting, samenstelling en bevoegdheid van de rechterlijke macht.

  3. De wet kan bepalen, dat aan rechtspraak door de rechterlijke macht mede wordt deelgenomen door personen die niet daartoe behoren.

  4. De wet regelt het toezicht door leden van de rechterlijke macht met rechtspraak belast uit te oefenen op de ambtsvervulling door zodanige leden en door de personen bedoeld in het vorige lid.

Artikel 117 - Rechtspositie leden rechterlijke macht

  1. De leden van de rechterlijke macht met rechtspraak belast en de procureur-generaal bij de Hoge Raad worden bij koninklijk besluit voor het leven benoemd.

  2. Op eigen verzoek en wegens het bereiken van een bij de wet te bepalen leeftijd worden zij ontslagen.

  3. In de gevallen bij de wet bepaald kunnen zij door een bij de wet aangewezen, tot de rechterlijke macht behorend gerecht worden geschorst of ontslagen.

  4. De wet regelt overigens hun rechtspositie.

Artikel 118 - Hoge Raad

  1. De leden van de Hoge Raad der Nederlanden worden benoemd uit een voordracht van drie personen, opgemaakt door de Tweede Kamer der Staten-Generaal.

  2. De Hoge Raad is in de gevallen en binnen de grenzen bij de wet bepaald, belast met de cassatie van rechterlijke uitspraken wegens schending van het recht.

  3. Bij de wet kunnen aan de Hoge Raad ook andere taken worden opgedragen.

Artikel 119 - Ambtsmisdrijven

De leden van de Staten-Generaal, de ministers en de staatssecretarissen staan wegens ambtsmisdrijven in die betrekkingen gepleegd, ook na hun aftreden terecht voor de Hoge Raad. De opdracht tot vervolging wordt gegeven bij koninklijk besluit of bij een besluit van de Tweede Kamer.

Artikel 120 - Toetsingsverbod

De rechter treedt niet in de beoordeling van de grondwettigheid van wetten en verdragen.

Artikel 121 - Openbaarheid terechtzittingen

Met uitzondering van de gevallen bij de wet bepaald vinden de terechtzittingen in het openbaar plaats en houden de vonnissen de gronden in waarop zij rusten. De uitspraak geschiedt in het openbaar.

Artikel 122 - Gratie

  1. Gratie wordt verleend bij koninklijk besluit na advies van een bij de wet aangewezen gerecht en met inachtneming van bij of krachtens de wet te stellen voorschriften.

  2. Amnestie wordt bij of krachtens de wet verleend.

HOOFDSTUK 7

Decentralisatie INLEIDING

Artikel 123 - Instelling provincies en gemeenten

  1. Bij de wet kunnen provincies en gemeenten worden opgeheven en nieuwe ingesteld.

  2. De wet regelt de wijziging van provinciale en gemeentelijke grenzen.

Artikel 124 - Autonomie en medebewind

  1. Voor provincies en gemeenten wordt de bevoegdheid tot regeling en bestuur inzake hun huishouding aan hun besturen overgelaten.

  2. Regeling en bestuur kunnen van de besturen van provincies en gemeenten worden gevorderd bij of krachtens de wet.

Artikel 125 - Organen decentrale besturen

  1. Aan het hoofd van de provincie en de gemeente staan provinciale staten onderscheidenlijk de gemeenteraad. Hun vergaderingen zijn openbaar, behoudens bij de wet te regelen uitzonderingen.

  2. Van het bestuur van de provincie maken ook deel uit gedeputeerde staten en de commissaris van de Koning, van het bestuur van de gemeente het college van burgemeester en wethouders en de burgemeester.

Artikel 126 - Ambtsinstructie commissaris koning

Bij de wet kan worden bepaald, dat de commissaris van de Koning wordt belast met de uitvoering van een door de regering te geven ambtsinstructie.

Artikel 127 - Vaststelling verordening

Provinciale staten en de gemeenteraad stellen, behoudens bij de wet of door hen krachtens de wet te bepalen uitzonderingen, de provinciale onderscheidenlijk de gemeentelijke verordeningen vast.

Artikel 128 - Toekenning bevoegdheden

Behoudens in de gevallen bedoeld in artikel 123, kan de toekenning van bevoegdheden, als bedoeld in artikel 124, eerste lid, aan andere organen dan die, genoemd in artikel 125, alleen door provinciale staten onderscheidenlijk de gemeenteraad geschieden.

Artikel 129 - Verkiezing vertegenwoordigend orgaan

  1. De leden van provinciale staten en van de gemeenteraad worden rechtstreeks gekozen door de Nederlanders, tevens ingezetenen van de provincie onderscheidenlijk de gemeente, die voldoen aan de vereisten die gelden voor de verkiezing van de Tweede Kamer der Staten-Generaal. Voor het lidmaatschap gelden dezelfde vereisten.
  2. De leden worden gekozen op de grondslag van evenredige vertegenwoordiging binnen door de wet te stellen grenzen.
  3. De artikelen 53, tweede lid, en 59 zijn van toepassing. Artikel 57a is van overeenkomstige toepassing.
  4. De zittingsduur van provinciale staten en de gemeenteraad is vier jaren, behoudens bij de wet te bepalen uitzonderingen.
  5. De wet bepaalt welke betrekkingen niet gelijktijdig met het lidmaatschap kunnen worden uitgeoefend. De wet kan bepalen, dat beletselen voor het lidmaatschap voortvloeien uit verwantschap of huwelijk en dat het verrichten van bij de wet aangewezen handelingen tot het verlies van het lidmaatschap kan leiden.
  6. De leden stemmen zonder last.

Artikel 130 - Kiesrecht gemeenteraad niet-Nederlanders

De wet kan het recht de leden van de gemeenteraad te kiezen en het recht lid van de gemeenteraad te zijn toekennen aan ingezetenen, die geen Nederlander zijn, mits zij tenminste voldoen aan de vereisten die gelden voor ingezetenen die tevens Nederlander zijn.

Artikel 131 - Benoeming commissaris Koning

De commissaris van de Koning en de burgemeester worden bij koninklijk besluit benoemd.

Artikel 132 - Inrichting, samenstelling, bevoegdheid decentrale besturen

  1. De wet regelt de inrichting van provincies en gemeenten, alsmede de samenstelling en bevoegdheid van hun besturen.

  2. De wet regelt het toezicht op deze besturen.

  3. Besluiten van deze besturen kunnen slechts aan voorafgaand toezicht worden onderworpen in bij of krachtens de wet te bepalen gevallen.

  4. Vernietiging van besluiten van deze besturen kan alleen geschieden bij koninklijk besluit wegens strijd met het recht of het algemeen belang.

  5. De wet regelt de voorzieningen bij in gebreke blijven ten aanzien van regeling en bestuur, gevorderd krachtens artikel 124, tweede lid. Bij de wet kunnen met afwijking van de artikelen 125 en 127 voorzieningen worden getroffen voor het geval het bestuur van een provincie of een gemeente zijn taken grovelijk verwaarloost.

  6. De wet bepaalt welke belastingen door de besturen van provincies en gemeenten kunnen worden geheven en regelt hun financiële verhouding tot het Rijk.

Artikel 133 - Waterschappen

  1. De opheffing en instelling van waterschappen, de regeling van hun taken en inrichting, alsmede de samenstelling van hun besturen, geschieden volgens bij de wet te stellen regels bij provinciale verordening, voor zover bij of krachtens de wet niet anders is bepaald.

  2. De wet regelt de verordenende en andere bevoegdheden van de besturen van de waterschappen, alsmede de openbaarheid van hun vergaderingen.

  3. De wet regelt het provinciale en overige toezicht op deze besturen. Vernietiging van besluiten van deze besturen kan alleen geschieden wegens strijd met het recht of het algemeen belang.

Artikel 134 - Publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie

  1. Bij of krachtens de wet kunnen openbare lichamen voor beroep en bedrijf en andere openbare lichamen worden ingesteld en opgeheven.

  2. De wet regelt de taken en de inrichting van deze openbare lichamen, de samenstelling en bevoegdheid van hun besturen, alsmede de openbaarheid van hun vergaderingen. Bij of krachtens de wet kan aan hun besturen verordenende bevoegdheid worden verleend.

  3. De wet regelt het toezicht op deze besturen. Vernietiging van besluiten van deze besturen kan alleen geschieden wegens strijd met het recht of het algemeen belang.

Artikel 135 - Gemeenschappelijke regelingen

De wet geeft regels ter voorziening in zaken waarbij twee of meer openbare lichamen zijn betrokken. Daarbij kan in de instelling van een nieuw openbaar lichaam worden voorzien, in welk geval artikel 134, tweede en derde lid, van toepassing is.

Artikel 136 - Geschillen

De geschillen tussen openbare lichamen worden bij koninklijk besluit beslist, tenzij deze behoren tot de kennisneming van de rechterlijke macht of hun beslissing bij de wet aan anderen is opgedragen.
HOOFDSTUK 8

Herziening grondwet INLEIDING

Artikel 137 - Grondwetswijziging

  1. De wet verklaart, dat een verandering in de Grondwet, zoals zij die voorstelt, in overweging zal worden genomen.

  2. De Tweede Kamer kan, al dan niet op een daartoe door of vanwege de Koning ingediend voorstel, een voorstel voor zodanige wet splitsen.

  3. Na de bekendmaking van de wet, bedoeld in het eerste lid, wordt de Tweede Kamer ontbonden.

  4. Nadat de nieuwe Tweede Kamer is samengekomen, overwegen beide kamers in tweede lezing het voorstel tot verandering, bedoeld in het eerste lid. Zij kunnen dit alleen aannemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

  5. De Tweede Kamer kan, al dan niet op een daartoe door of vanwege de Koning ingediend voorstel, met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen een voorstel tot verandering splitsen.

Artikel 138 - Aanpassing niet gewijzigde bepalingen

  1. Voordat de in tweede lezing aangenomen voorstellen tot verandering in de Grondwet door de Koning worden bekrachtigd, kunnen bij de wet:

    a. de aangenomen voorstellen en de ongewijzigd gebleven bepalingen van de Grondwet voor zoveel nodig aan elkaar worden aangepast;

    b. de indeling in en de plaats van hoofdstukken, paragrafen en artikelen, alsmede de opschriften worden gewijzigd.

  2. Een voorstel van wet, houdende voorzieningen als bedoeld in het eerste lid onder a, kunnen de kamers alleen aannemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

Artikel 139 - Bekendmaking en inwerkingtreding

De veranderingen in de Grondwet, door de Staten-Generaal aangenomen en door de Koning bekrachtigd, treden terstond in werking, nadat zij zijn bekendgemaakt.

Artikel 140 - Handhaving bestaande regelgeving

Bestaande wetten en andere regelingen en besluiten die in strijd zijn met een verandering in de Grondwet, blijven gehandhaafd, totdat daarvoor overeenkomstig de Grondwet een voorziening is getroffen.

Artikel 141 - Bekendmaking herziene Grondwet

De tekst van de herziene Grondwet wordt bij koninklijk besluit bekendgemaakt, waarbij hoofdstukken, paragrafen en artikelen kunnen worden vernummerd en verwijzingen dienovereenkomstig kunnen worden veranderd.

Artikel 142 - Aanpassing Grondwet aan Statuut

De Grondwet kan bij de wet met het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden in overeenstemming worden gebracht. De artikelen 139, 140 en141 zijn van overeenkomstige toepassing.

WETENSCHAPPELIJK COMMENTAAR

W. van der Woude

ARTIKEL 125 - Organen decentrale besturen

INHOUD
  1. Historische ontwikkeling en actuele betekenis
  2. Samenstelling
  3. Hoofdschap
  4. Artikel 125 en de dualisering van het gemeentebestuur
  5. Bevoegdheidsverdeling
  6. Openbaarheid
  7. Schrapping derde lid
  8. Jurisprudentie
  9. Literatuur
  10. Historische versies
 

Editie december 2015

1 Historische ontwikkeling en actuele betekenis

Eerste lid
Met betrekking tot de provinciale organisatie heeft de Grondwet nooit twijfel laten bestaan over de vraag wie daarbinnen het primaat heeft. Tot 1983 bepaalde de Grondwet weliswaar niet dat provinciale staten “aan het hoofd” stonden, maar uit diverse bepalingen waarin aan provinciale staten vrijwel alle belangrijke bevoegdheden werden toegekend, bleek dat dit zonder twijfel het geval was: aan hen werd de regeling en het bestuur van de provinciale huishouding overgelaten. Gedeputeerde staten worden al vanaf de Grondwet van 1815 genoemd (toen nog het college van gedeputeerde staten),[1] maar voor dit college restte vooral het dagelijks bestuur. Aan het ambt van commissaris worden sinds de Grondwet van 1814 bevoegdheden toegekend, zij het dat dit voornamelijk geschiedt in zijn hoedanigheid ‘als rijksorgaan’ (zie het commentaar bij artikel 126 Grondwet). Bij de grondwetsherziening van 1983 wordt het hoofdschap van provinciale staten voor het eerst woordelijk in de Grondwet verankerd.

Aldus werd aangesloten bij een typering die voor gemeenteraden al sinds 1848 in de Grondwet was opgenomen. Daarvóór gaf de Grondwet geen indicatie uit welke organen de plaatselijke of stedelijke besturen bestonden, zodat evenmin kon worden aangegeven wie daarvan aan het hoofd stond. De uniformering van het gemeentebestuur bij de Thorbeckeaanse Grondwet van 1848 maakte zulks wel mogelijk. De Grondwet van 1983 veranderde hieraan alleen dat het hoofdschap van de gemeenteraad in dezelfde bepaling werd opgenomen als die waarin dat voor provinciale staten voor het eerst geschiedde.

De in de tweede volzin van het eerste lid geëiste openbaarheid is voor gemeenteraden in 1983 tot grondwettelijke norm verheven (de Gemeentewet bevatte deze norm sinds 1851). Voor provinciale staten kan de eis van openbaarheid sinds 1848 in de Grondwet worden aangetroffen.

Tweede lid
Het tweede lid van artikel 125 introduceert de overige principale organen van provincies en gemeenten. Als gezegd gebeurde dit voor de commissaris van de Koning en (het college van) gedeputeerde staten al sinds de Grondwetten 1814 en 1815. De figuur van burgemeester bestaat sinds de Grondwet van 1848 in de hoedanigheid van de bij koninklijk besluit benoemde “Voorzitter” van de gemeenteraad. Hoewel het pas tot de grondwetsherziening van 1983 zou duren, alvorens de burgemeester met zoveel woorden zou worden genoemd, werd deze voorzitter al vanaf Gemeentewet van 1851 aangeduid als burgemeester. Voor de wethouders markeert de herziening van 1983 de eerste grondwettelijke erkenning van hun bestaan.[2] Ook voor hen geldt dat zij al waren opgenomen in de gemeentelijke organisatie van de Gemeentewet van 1851 en dat het wethouder zich zeker in de eerste helft van de twintigste eeuw – met de opkomst van de verzorgingsstaat en de groeiende taak van de gemeentelijke overheid – zich ontwikkelde tot de belangrijkste decentrale beleidskracht.[3]

Derde lid
Tot voor relatief kort bevatte artikel 125 Grondwet een derde lid dat bepaalde dat de commissaris van de Koning en de burgemeester voorzitter zijn van de vergaderingen van provinciale staten respectievelijk de gemeenteraad. Voor provincies werd dit reeds vanaf de Grondwet van 1814 bepaald. Als gezegd, noemde de Grondwet van 1848 de burgemeester nog niet, maar kende zij wel de figuur van de bij koninklijk besluit benoemde “Voorzitter” van de gemeenteraad. In de Grondwet werd deze voorzitter pas na 1983 aangeduid als burgemeester. De expliciete regeling van het voorzitterschap van de commissaris respectievelijk de burgemeester is in 2008 uit de Grondwet geschrapt (doch niet uit de Provincie- respectievelijk de Gemeentewet; zie hierover paragraaf 7).[4]

2 Samenstelling

De in dit artikel geïntroduceerde organen worden op verschillende wijze samengesteld. Provinciale staten en de gemeenteraad worden rechtstreeks gekozen (zie verder het commentaar bij artikel 129 en 130). Afhankelijk van het aantal inwoners bestaan provinciale staten uit minimaal 41 en maximaal 55 leden.[5] Voor gemeenteraden ligt het minimum op 9 leden en het maximum op 45.[6] De commissaris van de Koning en de burgemeester worden bij koninklijk besluit benoemd, zij het dat provinciale staten en gemeenteraden hierbij een doorslaggevende stem hebben (zie verder het commentaar bij artikel 131). Gedeputeerden en wethouders worden benoemd en ontslagen door provinciale staten dan wel de gemeenteraad.[7] Het aantal gedeputeerden is minimaal drie en maximaal zeven.[8] Het aantal wethouders is afhankelijk van het aantal leden van de gemeenteraad.[9]

3 Hoofdschap

Anders dan op het nationale niveau voorziet het eerste lid van dit artikel de provinciale en gemeentelijke bestuursorganisatie van een bepaalde mate van interne hiërarchie. Immers, het aanduiden van een ‘hoofd’ is slechts mogelijk bij de gratie van het bestaan van entiteiten die hieraan op enigerlei wijze ondergeschikt zijn. De precieze inhoud van dit hoofdschap is moeilijk te definiëren. Bij de totstandkoming van de Grondwet van 1983 is opgemerkt dat met de term “hoofd” wordt bedoeld aan te geven dat provinciale staten en de gemeenteraad het “hoogste orgaan” van de provincie respectievelijk de gemeente zijn.[10] Voorts werd aangegeven “dat het laatste woord omtrent de hoofdlijnen van het te voeren beleid toekomt” aan deze organen.[11] De ratio hierachter is dat alleen deze organen rechtstreeks worden gekozen door de provinciale of gemeentelijke ingezetenen. Het grondwettelijk bestel ten aanzien van provincies en gemeenten is daarmee in zijn kern democratischer dan dat ten aanzien van de nationale overheid. Hoewel alleen de Staten-Generaal (en dan met name de Tweede Kamer) over een dergelijke democratische legitimatie beschikt, wordt hieruit op nationaal niveau geen vergelijkbare conclusie getrokken.

De algemene norm van het hoofdschap wordt van nadere uitwerking voorzien in zowel de Grondwet als in overige vormen van nationale wetgeving. Omdat dit artikellid noch de hierboven weergegeven toelichting daarop onderscheid maakt tussen ‘regeling’ en ‘bestuur’, moet worden aangenomen dat het hoofdschap zich over beide uitstrekt (zie onder paragraaf 5). Hierbij past niettemin de relativering dat het lidmaatschap van provinciale staten of de gemeenteraad geen voltijdsbetrekking is. Voor plenaire vergaderingen van deze organen is een vergaderfrequentie van eens per maand geen uitzondering. Het is derhalve in de praktijk ondoenlijk om deze organen alle besluiten zelf te laten nemen. Hieraan wordt tegemoet gekomen door deze organen – eveneens uit het hoofdschap voorvloeiende – controlerende bevoegdheden toe te kennen ten aanzien van de organen die in de dagelijkse praktijk het provinciale en gemeentelijke beleid vormgeven. Deze controlerende bevoegdheden kunnen bovendien worden gesanctioneerd door de bevoegdheid van provinciale staten en de gemeenteraad om het ontslag van gedeputeerden respectievelijk wethouders (en in materiële zin ook commissarissen van de Koning en burgemeesters, zie het commentaar bij artikel 131) te bewerkstelligen.

4 Artikel 125 en de dualisering van het gemeentebestuur

Er kan worden gesteld dat het hoofdschap, evenals de bij het vorige artikel behandelde autonomie,  een beginselmatig karakter heeft. Het hoofdschap wordt in de toepasselijke wetgeving echter in veel sterkere mate geoperationaliseerd. Een belangrijk deel van deze operationalisering vindt plaats in Provincie- en Gemeentewet. Aan het begin van deze eeuw zijn deze wetten ingrijpend gewijzigd onder de noemer van de ‘dualisering van het decentrale bestuur’.[12] Alvorens in te gaan op de precieze uitwerking van het hoofdschap voor wat betreft de bevoegdheden van provinciale staten en de gemeenteraad, moet kort worden stilgestaan bij deze dualisering.

Monisme en dualisme zijn termen waarmee de verhouding tussen vertegenwoordigende organen (zoals provinciale staten en de gemeenteraad) en de executieve organen (zoals gedeputeerde staten en het college van burgemeester en wethouders) kunnen worden geduid. Dit onderscheid kan worden gebruikt in een meer politieke en in meer juridisch-institutionele betekenis. In deze laatste betekenis betreft het descriptieve termen waarbij een monistische verhouding ideaaltypisch staat voor een situatie waarin het executieve orgaan voor wat betreft zowel legitimatie als bevoegdheden afhankelijk is van het vertegenwoordigende orgaan. De leden van het executieve orgaan worden door het vertegenwoordigende orgaan benoemd en ontslagen en de bevoegdheden die het executieve orgaan uitoefent, ontleent hij aan het vertegenwoordigende orgaan. Het eerstgenoemde orgaan is daarmee duidelijk ondergeschikt aan het laatstgenoemde. In een dualistisch stelsel is veeleer sprake van nevenschikking. Beide organen beschikken over een eigen (kiezers)legitimatie en oefenen eigen, niet tot elkaar herleidbare, taken en bevoegdheden uit.[13]

Om uiteenlopende redenen kan worden gesteld dat de provinciale en gemeentelijke bestuursorganisatie van vóór de dualisering niet zuiver monistisch was (bijvoorbeeld vanwege de eigenstandige positie van de commissaris respectievelijk de burgemeester), net zoals om uiteenlopende redenen evenmin kan worden gesteld dat de nationale verhouding tussen regering en parlement zuiver dualistisch is (bijvoorbeeld vanwege het proces van kabinetsformatie).[14] Niettemin kan worden volgehouden dat het stelsel op nationaal niveau dualistischer is dan het stelsel op provinciaal en gemeentelijk niveau was.

De herzieningen van Provincie- en Gemeentewet aan begin van deze eeuw waren erop gericht het bestuursmodel dat werd gehanteerd op decentraal niveau te hervormen tot een meer dualistisch stelsel. Een volwaardig dualistisch stelsel behoorde daarbij niet tot de mogelijkheden. Overgang naar een dergelijk stelsel wordt in belangrijke mate tegengehouden door het in dit artikel neergelegde hoofdschap. Dit laat zich immers niet rijmen met volstrekte nevenschikking in de relatie tussen provinciale staten en gedeputeerde staten respectievelijk tussen gemeenteraad en college van burgemeester en wethouders. Dit betekent dat het voor de wetgever wel mogelijk was te bepalen dat gedeputeerden en wethouders niet langer tegelijkertijd lid zouden zijn van provinciale staten respectievelijk de gemeenteraad, maar dat de veranderdrift niet zo ver reikte dat deze niet langer door hun respectievelijke volksvertegenwoordigingen zouden worden benoemd en ontslagen. Het is nog altijd eerder monistisch dan dualistisch te noemen dat de meeste leden van gedeputeerde staten en het college van burgemeester en wethouders voor hun legitimatie aangewezen zijn op het ‘hoofd’ van hun overheidslaag.[15] Voor wat betreft de onderlinge verdeling van (bestuurs)bevoegdheden heeft de dualiseringsoperatie een belangrijke accentverschuiving richting de executieve organen teweeggebracht. Ook hier stond echter het hoofdschap van provinciale staten en de gemeenteraad aan een volledige verschuiving van bevoegdheden in de weg. Anders dan op nationaal niveau beschikken provinciale staten en de gemeenteraad niet uitsluitend over wetgevende en controlerende taken (zoals de Tweede Kamer), maar wordt ook een aantal zware bestuursbevoegdheden nog steeds rechtstreeks door hen uitgeoefend (zie paragraaf 5). In dat verband worden de nieuwe verhoudingen op decentraal niveau ook wel aangeduid als ‘dualisme light’.[61] Als de huidige stand van zaken zou worden afgezet tegen de modellen die werden gehanteerd door de Staatscommissie die de Provincie- en Gemeentewetsherziening voorbereidde, kan zelfs worden gesteld dat het eindresultaat het beste lijkt op wat deze Staatscommissie zelf een ‘monistische variant met dualistische elementen’ noemde.[17]

Dat de ‘nieuwe’ verhouding door velen toch als dualistisch heeft bestempeld, houdt eerder verband met het gebruik van de begrippen monisme en dualisme in hun meer politieke betekenis. In die betekenis staat dualisme voor een onafhankelijker relatie tussen de raad en (met name) de wethouders. Deze onafhankelijkheid wordt benadrukt door de invoering van de onverenigbaarheid van het wethouderschap met het raadlidmaatschap. Vanuit politiek oogpunt ligt het doorgaans voor de hand dat oppositieleden in gemeenteraden sowieso een betrekkelijk onafhankelijke positie hebben ten opzichte van wethouders. De mate waarin het politieke dualisme kan worden bewerkstelligd hangt vooral af van de wijze waarop coalitiefracties hun ‘bevriende’ wethouders benaderen (onafhankelijk of juist niet). 

5 Bevoegdheidsverdeling

Het verdelen van bevoegdheden tussen de in dit artikel genoemde organen is in principe aan de formele wetgever. Hierbij zijn niet alleen Provincie- en Gemeentewet, maar ook de vele medebewindsvorderende wetten doorslaggevend. Daarmee is echter niet gezegd dat uit het eerste lid van dit artikel (in samenhang gelezen met artikel 127) geen richtsnoeren vallen te destilleren voor de wijze waarop de formele wetgever hieraan invulling geeft. Op grond van artikel 127 Grondwet komt de verordenende bevoegdheid in beginsel toe aan provinciale staten respectievelijk de gemeenteraad, ongeacht of dit autonome verordeningen of verordeningen uit hoofde van medebewind betreft. De uitzonderingen die hierop mogelijk zijn komen aan de orde in het commentaar bij dat artikel.
Ten aanzien van de bestuurlijke bevoegdheden is het zinvol een vergelijkbaar onderscheid aan te houden als in het commentaar bij artikel 124. Het gaat daarbij om de volgende categorieën:

1. bestuursbevoegdheden zonder grondslag in nationale wetgeving
2. bestuursbevoegdheden met een grondslag in nationale wetgeving, niet zijnde de Provincie- respectievelijk de Gemeentewet
3. bestuursbevoegdheden met een grondslag in de Provincie- respectievelijk de Gemeentewet.

Ad 1. Over de eerste categorie bevoegdheden is bij de totstandkoming van de dualiseringswetgeving debat geweest. Deze niet in de wet benoemde, autonome bestuursbevoegdheden werden geacht uit de aard der zaak toe te komen aan provinciale staten respectievelijk de gemeenteraad. Daarbij werd het eerste lid van artikel 124 doorgaans aangehaald om het constitutionele argument kracht bij te zetten.[18] Dit artikellid specificeert echter sinds 1983 niet aan welk provinciaal of gemeentelijk orgaan de ‘huishouding’ wordt overgelaten. Het argument moet derhalve zo worden begrepen dat hierin ook een impliciet, maar doorslaggevend, beroep op het hoofdschap uit het eerste lid van artikel 125 wordt gedaan.[19] Wat betreft de grote autonome gemeentelijke bestuurshandelingen (bijvoorbeeld besluitvorming omtrent de bouw van een nieuwe schouwburg, voetbalstadion of ondergrondse parkeergarage) worden deze autonome bestuursbevoegdheden dan ook door of met de expliciete instemming van gemeenteraden uitgeoefend. Ten aanzien van ‘kleinere’ bestuurshandelingen, zoals subsidies aan het plaatselijke verenigingsleven, kan gelden dat gedeputeerde staten of het college van burgemeester en wethouders daarmee worden belast. Zulks geschiedt dan wel op grond van een autonome subsidieverordening, die door provinciale staten respectievelijk de gemeenteraad wordt vastgesteld.[20]

Ad 2. Bestuursbevoegdheden in medebewind (waaronder de bevoegdheden in deze categorie voornamelijk vallen) berusten van oudsher voornamelijk bij gedeputeerde staten en het college van burgemeester en wethouders. Zeker waar het gaat om de vele beschikkingen in de sfeer van milieu, ruimtelijke ordening, sociale zekerheid, zorg en welzijn geldt dat dit praktisch alleen uit te voeren is door deze colleges en het onder hun verantwoordelijkheid opererende ambtenarenapparaat. In het kielzog van de dualiseringsoperatie is de betrokkenheid van deze colleges vergroot, door een nog groter aantal medebewindsbevoegdheden expliciet bij hen onder te brengen.[21] Daar waar eenhoofdige besluitvorming gewenst is, worden op gemeentelijk niveau eveneens medebewindsbevoegdheden toegekend aan de burgemeester. Zo kan worden gedacht aan het sluiten van drugspanden op grond van de Opiumwet,[22] het opleggen van tijdelijke huisverboden,[23] gedwongen opname in psychiatrische ziekenhuizen[24] of bepaalde bevoegdheden in de sfeer van de Kernenergiewet. Niettemin komt een aantal gemeentelijke bestuursbevoegdheden in medebewind toe aan de gemeenteraad. Voorbeelden zijn een groot aantal bevoegdheden met betrekking tot het primair en voortgezet onderwijs (bijvoorbeeld rondom samenwerkingsscholen),[25] het instemmingsrecht bij de vestiging van speelcasino’s,[26] het aanwijzen van wegen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen[27] of het vastleggen van de grenzen van bebouwde kommen.[28]

Ad 3. De bestuursbevoegdheden in de laatste categorie komen hoofdzakelijk toe aan gedeputeerde staten respectievelijk het college van burgemeester en wethouders. Meestal betreft dit bevoegdheden die kunnen worden geschaard onder de noemer ‘dagelijks bestuur’. Ook hier heeft de dualisering een verschuiving van bestuursbevoegdheden richting executieve organen teweeggebracht. Het meest in het oog springend is de bevoegdheid namens de provincie of gemeente te besluiten tot deelneming in privaatrechtelijke samenwerkingsverbanden wanneer dat “in het bijzonder aangewezen moet worden geacht voor de behartiging van het daarmee te dienen openbaar belang”.[29] Afhankelijk van het soort werkzaamheden waartoe dergelijke rechtspersonen in het leven worden geroepen, kan dit worden gezien als een zware bevoegdheid. Een voorbeeld hiervan is het namens een gemeente aangaan van een ‘joint venture’ met projectontwikkelaars en bouwbedrijven (publiek-private samenwerking) ter exploitatie en ontwikkeling van een gemeentelijk gebied. Ook bij de herverkaveling van deze bevoegdheid speelde het hoofdschap een rol in de zin dat deze niet kan worden uitgeoefend zonder provinciale staten respectievelijk de gemeenteraad in de gelegenheid te stellen “wensen en bedenkingen”[30] naar voren te brengen. Naast een omvangrijke bevoegdheidstoedeling aan het college van burgemeester en wethouders kent de Gemeentewet een groot aantal bepalingen waarin bestuursbevoegdheden worden opgedragen aan de burgemeester. Dit betreft vooral bevoegdheden ter handhaving van de openbare orde.[31] Evenals hierboven kan de keuze voor de burgemeester in dit geval worden verklaard door de behoefte aan eenhoofdig gezag in dergelijke gevallen.

De drie categorieën overziend, kan worden vastgesteld dat bestuurlijke bevoegdheden op decentraal niveau vanuit uiteenlopende rationes (hoofdschap, beschikking over een ambtenarenapparaat, behoefte aan eenhoofdig gezag) bij verschillende organen zijn ondergebracht. Daar waar deze niet zijn ondergebracht bij provinciale staten of de gemeenteraad, geldt dat deze over belangrijke sturings- en controlemiddelen beschikken. Het recht dat zij hebben om gedeputeerden en wethouders te benoemen en te ontslaan, alsmede doorslaggevend advies te geven bij de benoeming en het ontslag van de commissaris van de Koning en burgemeester, weegt in dit verband zwaar. Financiële sturing en controle verloopt via de door hen vast te stellen begrotingen en jaarrekeningen[32] en ook overigens geldt dat aan hen politieke verantwoording moet worden afgelegd. Middels (schriftelijke en mondelinge) vragen, interpellaties en zelfs enquêtes kan door hen vinger aan de bestuurlijke pols worden gehouden.[33]

6 Openbaarheid

Naast politieke verantwoording aan het ‘hoofd’, vloeit uit dit artikel eveneens publieke verantwoording door het ‘hoofd’ voort. De tweede volzin van het eerste lid bepaalt namelijk dat vergaderingen van provinciale staten en de gemeenteraad openbaar zijn, behoudens bij de wet te regelen uitzonderingen. Deze uitzonderingen zijn te vinden in Provincie- en Gemeentewet. Volgens deze wetten is het in beginsel aan de vertegenwoordigende organen zelf om te bepalen of achter gesloten deuren wordt vergaderd, zij het dat daarin over bepaalde zaken niet mag worden beraadslaagd en besloten.[34] In sommige gevallen verplicht de wet hiertoe, bijvoorbeeld bij beraadslagingen rondom benoeming, herbenoeming en ontslag van commissarissen van de Koning en burgemeesters.[35] Ter zake van het behandelde in besloten vergaderingen kan geheimhouding worden opgelegd. In de praktijk leidt dit nogal eens tot problemen. Dit is vooral problematisch wanneer hetgeen in een besloten vergadering wordt besproken in een openbare vergadering van de raad of provinciale staten wordt herhaald. Degene die de geheimhoudingsplicht schendt, overtreedt de wet (artikel 25 Gemeentewet of Provinciewet), maar wordt beschermd door de onschendbaarheid uit artikel 22 Gemeentewet of Provinciewet.[36]

7 Schrapping derde lid

Als gezegd, bepaalde de Grondwet tot 2008 dat de commissaris van de Koning en de burgemeester voorzitter zijn van provinciale staten respectievelijk de gemeenteraad. De Grondwetgever achtte dit voorzitterschap niet van constitutionele orde.[37] Hoewel het verband in de Kamerstukken alleen impliciet wordt gelegd, lijkt de directe aanleiding voor de schrapping van deze bepaling uit de Grondwet te zijn gelegen in het voornemen ruimte te scheppen voor de invoering van de rechtstreeks gekozen burgemeester.[38] De gedachte daarbij was dat het in een systeem waarin twee organen zouden bestaan met een eigen democratische legitimatie (zowel de gemeenteraad als de burgemeester), niet aangewezen zou zijn dat één van beide organen tevens voorzitter van het andere zou zijn. Voor de commissaris van de Koning ging deze aanleiding niet op, aangezien ten aanzien van dit orgaan geen rechtstreekse verkiezing in het verschiet lag.

De regering hechtte er niettemin aan ook diens voorzitterschap van provinciale staten te deconstitutionaliseren. Als argument werd gewezen op de dualisering van het decentrale bestuur. Doordat de provinciale staten vanwege de dualisering op grotere afstand van gedeputeerde staten waren komen te staan, werd het als minder vanzelfsprekend ervaren dat de commissaris zou optreden als voorzitter van beide. Het laatste argument was dat de bepaling niet van constitutionele orde zou zijn en rustig aan de wetgever zou kunnen worden overgelaten.[39] Voor de voorzittersrol van de burgemeester waren dit, mutatis mutandis, additionele argumenten.

Ten tijde van de behandeling van de eerste lezing van deze grondwetsherziening in de Eerste Kamer was het onderliggende argument reeds weggevallen. De poging tot het invoeren van een rechtstreeks gekozen burgemeester was (eveneens in de Eerste Kamer) in de ‘nacht van Van Thijn’ in 2005 een niet al te zachte dood gestorven.[40] Hiermee werd de dualisering van het decentrale bestuur ook voor de burgemeester het belangrijkste argument. Achteraf bezien moet de waarde van dit argument met een korrel zout worden genomen. Na de definitieve schrapping van het derde lid van artikel 125 in 2008 heeft de formele wetgever, ondanks de inmiddels tot stand gekomen dualisering, namelijk geen enkele poging ondernomen het voorzitterschap van provinciale staten en de gemeenteraad in andere handen te leggen dan die van de commissaris van de Koning, dan wel de burgemeester. Artikel 9 van zowel de Provinciewet als de Gemeentewet bepaalt materieel nog steeds hetzelfde als het voormalige derde lid van artikel 125 Grondwet bepaalde.

Deconstitutionalisering blijkt uiteindelijk het enige valide argument geweest te zijn. Als het aan de regering had gelegen was dit al in 1983 gebeurd. In het oorspronkelijke wetsvoorstel ter voorbereiding van die grondwetsherziening kwam deze bepaling namelijk niet langer voor.[41] Hoewel de bepaling in 1983 door een van de vele amendementen-Faber voor de Grondwet werd behouden,[42] kreeg de regering in 2008 alsnog haar zin.

8 Jurisprudentie

Er bestaat jurisprudentie over het opleggen van geheimhoudingsplichten. Dit valt in beginsel buiten het bestek van dit artikel, nu dit geregeld is in de Provincie- en Gemeentewet. Jurisprudentie die primair handelt over artikel 125 Grondwet is schaars. Gewezen kan worden op (oudere) jurisprudentie aangaande de openbaarheid en toegankelijkheid van raadsvergaderingen.

- Afdeling rechtspraak van de Raad van State, 10maart1986, AB 1986/472, ECLI:NL:RVS:1986:AM9000
- Afdeling rechtspraak van de Raad van State (Voorzitter), 07november1985, KG 1986/34,  ECLI:NL:RVS:1985:AH0953

9 Literatuur

Aan artikel 125 Grondwet wordt ruimschoots aandacht besteed in de algemene gemeenterechtelijke literatuur, zoals opgesomd in de algemene inleiding bij dit hoofdstuk van de Grondwet. Kernpublicaties die specifiek handelen over aspecten die in dit commentaar aan de orde zijn gesteld, zijn:

- E. Brederveld, Het gemeentelijk bestel op de helling. Welke richting?, in: Gst 2000, 7117 nr. 1
- A.H.M. Dölle, Dualisering van het gemeentebestuur: een terugblik, in: RMThemis 2008-3
- J.W.M. Engels, Naar een staatsrechtelijke verzelfstandiging van de wethouder, in: Gst. 2015/23
- D.J. Elzinga, De door de bevolking gekozen burgemeester is strijdig met het politieke primaat van de gemeenteraad, in: Gst. 2004/181
- S.A.J. Munneke, Lastige vragen over het opleggen, bekrachtigen en opheffen van geheimhouding, in Gst. 2014, 98
- Raad voor het openbaar bestuur, Het openbaar bestuur in de Grondwet. Advies modernisering hoofdstuk 7 van de Grondwet. Deel 1
- Staatscommissie-Elzinga, Rapport van de Staatscommissie Dualisme en lokale democratie, Samsom 2000
- J. de Vries, De gemeente, de dualisering en de Grondwet, in: Gst 2003/27
- J. de Vries, De wethouder in een veranderend lokaal bestuur, in: Gst. 2004/48

10 Historische versies

Eerste lid, eerste volzin:
Art. 139, eerste lid, Gw. 1848: Aan het hoofd der gemeente staat een raad (...) (art. 143, eerste lid, Gw. 1887; art. 145, eerste lid, eerste volzin, Gw. 1938; art. 152, eerste lid, eerste volzin, Gw. 1953).
 
Eerste lid, tweede volzin:
Art. 126, tweede lid, Gw. 1848: De vergaderingen zijn openbaar, met hetzelfde voorbehoud als ten aanzien van de vergadering der Kamers van de Staten‑Generaal is bepaald in art. 96 (art. 130, tweede lid, Gw. 1887, behoudens dat i.p.v. `art. 96' wordt gelezen `art. 101'; art. 132, tweede lid, Gw. 1938, behoudens dat i.p.v. `art. 101' wordt gelezen `art. 104'; art. 139, tweede lid, Gw. 1953, behoudens dat i.p.v. `art. 104' wordt gelezen `art. 111'; art. 139 Gw. 1956).
 
Tweede lid (gedeputeerde staten):
Art. 93 Gw. 1814: Zij noemen, indien zij dit noodig oordeelen, uit hun midden, een of meer kollegien van eenige leden, tot beleid van zaken, zoo gedurende den tijd hunner vergadering als van hunne afwezendheid.
Art. 153, eerste lid, Gw. 1815: De Staten benoemen uit hun midden een kollegie van Gedeputeerden Staten, aan hetwelk moet worden opgedragen in het algemeen alles wat tot het dagelijksch beleid der zaken en de uitvoering der algemeene wetten betrekking heeft, en zulks hetzij de Staten zijn vergaderd of niet (art. 151, eerste lid, Gw. 1840).
Art. 136 Gw. 1848: De Staten benoemen uit hun midden een collegie van Gedeputeerde Staten, waaraan, volgens de regels door de wet te stellen, de dagelijksche leiding en uitvoering van zaken worden opgedragen, en zulks hetzij de Staten zijn vergaderd of niet (art. 139 Gw. 1887; art. 141 Gw. 1938; art. 148 Gw. 1953).
 
Tweede lid (commissaris van de Koning):
Art. 76, eerste lid, eerste volzin, Gw. 1814: Er zullen zijn in alle Provincien of Landschappen Commissarissen van den Souvereinen Vorst, onder zulke benaming, als Hij zal goedvinden.
Art. 137, eerste lid, Gw. 1815: De Koning stelt in alle Provincien commissarissen aan, onder zulke benaming als Hij goedvindt, en op zoodanige instructien, als Hij tot de rigtige uitvoering der wetten, tot de waarneming van het belang van den lande en van de Provincie noodig oordeelt (art. 135, eerste lid, Gw. 1840).
Art. 137, eerste lid, Gw. 1848: De Koning stelt in alle provincien commissarissen aan, met de uitvoering zijner bevelen en met het toezigt op de verrigtingen der Staten belast.
Art. 141, eerste lid, Gw. 1887: De Koning stelt in elke provincie een Commissaris aan met de uitvoering Zijner bevelen en met het toezigt op de verrigtingen der Staten belast (art. 143, eerste lid, Gw. 1938; art. 150, eerste lid, Gw. 1953).
Art. 150, eerste lid, Gw. 1956: De Koning stelt in elke provincie een Commissaris aan met de uitvoering zijner bevelen belast.
 
Derde lid:
Art. 76, tweede lid, Gw. 1814: Deze Commissarissen zullen voorzitten in de vergadering der Staten, alsmede in zoodanige kollegien, als door hen, ingevolge het bepaalde bij art. 93, zouden mogen benoemd worden.
Art. 137, tweede lid, Gw. 1815: Deze commissarissen zitten vóór in de vergaderingen der Staten en in die der Gedeputeerde Staten, volgens art. 153 (151) te benoemen (art. 135, tweede lid, Gw. 1840).
Art. 137, tweede lid, Gw. 1848: Deze commissarissen zitten voor in de vergaderingen der Staten, en in die der Gedeputeerde Staten, en hebben stem in laatstgenoemd collegie.
Art. 141, tweede lid, Gw. 1887: Deze Commissaris is Voorzitter van de vergadering der Provinciale Staten en van die der Gedeputeerde Staten en heeft in laatstgenoemd collegie stem (art. 143, tweede lid, Gw. 1938; art. 150, tweede lid, Gw. 1953).
Art. 125, derde lid, Gw. 1983: De commissaris van de Koning en de burgemeester zijn voorzitter van de vergaderingen van provinciale staten onderscheidenlijk de gemeenteraad.
  

Noten

  1. De Grondwet van 1814 kende de figuur wel maar noemde haar in artikel 93 ‘kollegiën tot beleid van zaken’.
  2. De termen “burgemeester” en “wethouder” zijn overigens al veel ouder. Vóór 1848 kwamen zij in ieder geval al voor in de provinciale reglementen waarin de besturen van de steden werden georganiseerd.
  3. Zie P.W. Tops e.a., De wethouder: positie en functioneren in een veranderend bestuur, ’S-Gravenhage VUGA 1994.
  4. Wet van 27 juni 2008, Stb. 2008, 273.
  5. Artikel 8 Provinciewet.
  6. Artikel 8 Gemeentewet.
  7. Artikel 35 en 49 Provinciewet respectievelijk artikel 35 en 49 Gemeentewet.
  8. Artikel 35a Provinciewet.
  9. Artikel 36 Gemeentewet.
  10. Kamerstukken II, 1975-1976, 13 990 nr. 3, p. 8.
  11. Kamerstukken II, 1975-1976, 13 990 nr. 3, p. 13.
  12. Wet van 16 januari 2003, Stb. 2003, 17 (Wet dualisering provinciebestuur) en Wet van 28 februari 2002, Stb. 2002, 111 (Wet dualisering gemeentebestuur).
  13. Zie Raad voor het openbaar bestuur, Op de grens van monisme en dualisme, ’s-Gravenhage, 1997, p. 4 e.v.
  14. Zie hierover verder W. van der Woude, Financiële controle in het gemeenterecht. Een juridisch onderzoek naar de dualisering van de financiële functie, Kluwer, Deventer 2011, hoofdstuk 2.
  15. Een uitzondering geldt voor de commissaris van de Koning en de burgemeester. Overigens hebben provinciale staten en de gemeenteraad in de praktijk eveneens een doorslaggevende stem bij hun benoeming, herbenoeming en ontslag. Zie het commentaar bij artikel 131.
  16. Zie A.H.M. Dölle, Dualisering van het gemeentebestuur: een terugblik, in: RMThemis 2008-3.
  17. Staatscommissie-Elzinga, Rapport van de Staatscommissie Dualisme en lokale democratie, Samsom 2000, hoofdstuk 7, alsmede de losbladige bijlage bij het rapport. Zie verder ook W. van der Woude, Financiële controle in het gemeenterecht. Een juridisch onderzoek naar de dualisering van de financiële functie, Kluwer, Deventer 2011, hoofdstuk 2.
  18. Zie bijvoorbeeld Kamerstukken II, 2000-2001, 27 751 nr. 3, p. 6.
  19. Zie ook Raad voor het openbaar bestuur, Het openbaar bestuur in de Grondwet. Advies modernisering hoofdstuk 7 van de Grondwet. Deel 1, ’s-Gravenhage, mei 2002, p. 39.
  20. Zie ook artikel 143, tweede lid, jo. 105 Provinciewet respectievelijk artikel 147, tweede lid, jo. 108 Gemeentewet.
  21. In het kader van de dualiseringsoperatie is de gelegenheid te baat genomen een aantal medebewindsbevoegdheden over te hevelen van provinciale staten en de gemeenteraad naar gedeputeerde staten respectievelijk het college van burgemeester en wethouders. Zie de Wet van 6 oktober 2005, Stb. 2005, 532 (Wet dualisering provinciale medebewindsbevoegdheden) en de Wet van 6 oktober 2005, Stb. 2005, 530 (Wet dualisering gemeentelijke medebewindsbevoegdheden).
  22. Artikel 13b Opiumwet.
  23. Artikel 1 Wet tijdelijk huisverbod.
  24. Artikel 20 e.v. van de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen.
  25. Wet op het primair onderwijs en de Wet op het voortgezet onderwijs.
  26. Artikel 27h, derde lid, Wet op de kansspelen.
  27. Artikel 16 (voor provinciale wegen) en 18 (voor gemeentelijke wegen) Wet vervoer gevaarlijke stoffen.
  28. Artikel 1, vijfde lid, Boswet.
  29. Artikel 158, tweede lid, Provinciewet en artikel 160, tweede lid, Gemeentewet.
  30. Artikel 158, tweede lid, Provinciewet en artikel 160, tweede lid, Gemeentewet.
  31. Artikel 172 e.v. Gemeentewet.
  32. Hoofdstuk XIII van zowel de Provincie- als de Gemeentewet.
  33. Zie artikel 167 en 179 jo. 151 e.v. Provinciewet en artikel 169 en 180 jo. 155 e.v. Gemeentewet.
  34. Artikel 23 en 24 Provinciewet respectievelijk artikel 23 en 24 Gemeentewet. In besloten vergaderingen mag niet worden beraadslaagd en besloten over de toelating van nieuwe leden, de begroting en de jaarrekening, provinciale en gemeentelijke belastingen en de benoeming en het ontslag van gedeputeerden respectievelijk wethouders.
  35. Artikel 61c Provinciewet en artikel 61c Gemeentewet.
  36. Zie voor deze en gerelateerde problematiek S.A.J. Munneke, De reikwijdte van gemeentelijke geheimhoudingsplichten, in: Gst. 2006, 11 en van dezelfde auteur: Lastige vragen over het opleggen, bekrachtigen en opheffen van geheimhouding, in Gst. 2014, 98.
  37. Kamerstukken II, 2004-2005, 29 978 nr. 3 (MvT).
  38. Kamerstukken II, 2003-2004, 29 223 nr. 10, p. 3.
  39. Kamerstukken II, 2004-2005, 29 978 nr. 3 (MvT).
  40. Kamerstukken I, 2006-2007, 29 978 B (MvA).
  41. Kamerstukken II, 1975-1976, 13 990 nr. 2.
  42. Kamerstukken II, 1978-1979, 13 990 nr. 22.

 

  • Citeer
    Citeer suggestie
    W. van der Woude, Commentaar op artikel 125 van de Grondwet, in: E.M.H. Hirsch Ballin en G. Leenknegt (red.), Artikelsgewijs commentaar op de Grondwet, webeditie 2017 (www.Nederlandrechtsstaat.nl).
  • Deel
  • PDF
  • Terug
MEER OVER DIT ONDERWERP
THEMA IN HET KORT
ACHTER-GRONDEN
Reageer!
Thema in het kort

Organen decentrale besturen

De Grondwet bepaalt in artikel 125 welke organen in elk geval onderdeel zijn van het provincie- en gemeentebestuur. Maar provinciale staten en gemeenteraden kunnen daarnaast zelf nog andere organen instellen dan de in artikel 125 genoemde. Zo kunnen zij commissies instellen die de vertegenwoordigende organen en bestuurscolleges ondersteunen en deze commissies uitrusten met regelgevende of bestuurlijke bevoegdheden. Daarnaast zijn er vaak klachtencommissies en adviescommissies, zoals een commissie voor de behandeling van tegen het bestuur ingediende bezwaarschriften.
 
De vertegenwoordigende organen bepalen, met inachtneming van de regels in de Provinciewet en de Gemeentewet, zelf welke commissies zij willen instellen en welke bevoegdheden die zullen hebben. De Grondwet sluit alleen het beslissen over grenswijzigingen (artikel 123 Grondwet) van deze mogelijkheid uit.

Plaats Uw Reactie

*Verplicht invulveld straks zijn alleen uw naam en reactie zichtbaar.

Er kan enige tijd overheengan tot uw reactie zichtbaar is.

Reageer!

Organen decentrale besturen

0 reacties
Klassieke uitspraken
Recente Recht- spraak
Politiek
Klassieke uitspraken

Organen decentrale besturen

Over dit artikel zijn ons geen belangrijke en ‘klassieke’ rechterlijke uitspraken bekend.
Recente rechtspraak

Organen decentrale besturen

Over dit artikel zijn ons geen recente rechterlijke uitspraken bekend.
Politiek

Organen decentrale besturen

Video
Blogs
IN DE WERELD
Blogs

Organen decentrale besturen

In de wereld

Organen decentrale besturen