CATEGORIE
  • CATEGORIE
  • Adviesorganen
  • Burgerrechten
  • Decentralisatie
  • Eigendom
  • Gelijkheid
  • Godsdienst en levensovertuiging
  • Grondwetsherziening
  • Internationale rechtsorde
  • Privacy
  • Rechtspleging
  • Rechtspraak
  • Regering, Koning
  • Sociale rechtsstaat
  • Staten-Generaal
  • Uitingsrechten
  • Wetgeving en bestuur
AUTEUR
  • AUTEUR
  • G. Leenknegt
  • A.A.L. Beers & J.C.A. de Poorter
  • A.A.L. Beers en K.T. Meijer
  • B.C. van Beers
  • B.M.J. van der Meulen
  • B.P. Vermeulen
  • B.W.N. de Waard
  • D. Mentink, B.P. Vermeulen & P.J.J. Zoontjens
  • E.J. Janse de Jonge
  • E.J. Koops
  • E.M.H. Hirsch Ballin
  • F. Fleurke
  • F.C.M.A. Michiels
  • F.M.C. Vlemminx
  • F.M.C. Vlemminx en A.C.M. Meuwese
  • G. Boogaard
  • G. Boogaard en J. Uzman
  • G. Leenknegt
  • G. Overkleeft-Verburg
  • G. van der Schyff en B.M.J. van der Meulen
  • J. Kiewiet en G.F.M. van der Tang †
  • J. Uzman
  • J. Uzman en G. Boogaard
  • J.C.A. de Poorter
  • J.L.M. Gribnau en M.R.T Pauwels
  • J.M. van Schooten, G. Leenknegt & M. Adams
  • J.W.A. Fleuren
  • K.T. Meijer
  • M. Adams
  • Mijke Houwerzijl & Nuna Zekic
  • Mijke Houwerzijl en Frank Vlemminx
  • P. Jacobs
  • S. Daniëls
  • S. Jellinghaus en E. Huisman
  • S.C. van Bijsterveld
  • S.C. van Bijsterveld en B.P. Vermeulen
  • S.S. Buisman & S.B.G. Kierkels
  • T. Kooijmans
  • T. Peters
  • W. van der Woude
  • W.J.M. Voermans
ARTIKEL
  • ARTIKEL
  • Artikel 1  Gelijke behandeling
  • Artikel 2  Nederlandschap en vreemdelingen
  • Artikel 3  Gelijke benoembaarheid
  • Artikel 4  Kiesrecht
  • Artikel 5  Petitierecht
  • Artikel 6  Vrijheid van godsdienst en levensovertuiging
  • Artikel 7  Vrijheid van meningsuiting
  • Artikel 8  Recht tot vereniging
  • Artikel 9  Recht tot vergadering en betoging
  • Artikel 10  Eerbiediging en bescherming persoonlijke levenssfeer
  • Artikel 11  Onaantastbaarheid van het lichaam
  • Artikel 12  Binnentreden woning
  • Artikel 13  Vertrouwelijke communicatie
  • Artikel 14  Onteigening
  • Artikel 15  Vrijheidsontneming
  • Artikel 16  Nulla poena
  • Artikel 17  Wettelijk toegekende rechter
  • Artikel 18  Rechtsbijstand
  • Artikel 19  Werkgelegenheid en arbeidskeuze
  • Artikel 20  Bestaanszekerheid
  • Artikel 21  Milieubescherming
  • Artikel 22  Volksgezondheid en woongelegenheid
  • Artikel 23  Onderwijs
  • Artikel 24  Koningschap
  • Artikel 25  Erfopvolging
  • Artikel 26  Status ongeboren kind Koning
  • Artikel 27  Afstand koningschap
  • Artikel 28  Afstand koningschap door huwelijk
  • Artikel 29  Uitsluiting troonopvolging
  • Artikel 30  Benoemde Koning
  • Artikel 31  Erfopvolging benoemde koning
  • Artikel 32  Inhuldiging Koning
  • Artikel 33  Koningschap en meerderjarigheid
  • Artikel 34  Ouderlijk gezag minderjarige Koning
  • Artikel 35  Buiten staat verklaring
  • Artikel 36  Tijdelijke neerlegging koninklijk gezag
  • Artikel 37  Uitoefening koninklijk gezag door regent
  • Artikel 38  Uitoefening koninklijk gezag door RvS
  • Artikel 39  Lidmaatschap koninklijk huis
  • Artikel 40  Uitkering koninklijk huis
  • Artikel 41  Inrichting huis Koning
  • Artikel 42  Ministeriële verantwoordelijkheid
  • Artikel 43  Regering en ministers
  • Artikel 44  Ministeries
  • Artikel 45  Ministerraad
  • Artikel 46  Staatssecretarissen
  • Artikel 47  Ondertekening en contraseign
  • Artikel 48  Ontslag en benoeming ministers
  • Artikel 49  Ambtseed minister en staatssecretaris
  • Artikel 50  Vertegenwoordiging
  • Artikel 51  Eerste en Tweede Kamer
  • Artikel 52  Zittingsduur
  • Artikel 53  Evenredige vertegenwoordiging
  • Artikel 54  Verkiezing Tweede Kamer
  • Artikel 55  Verkiezing Eerste Kamer
  • Artikel 56  Vereisten voor lidmaatschap
  • Artikel 57  Incompatibiliteiten
  • Artikel 57a  Zwangerschap en ziekte
  • Artikel 58  Geloofsbrieven
  • Artikel 59  Kiesrecht en verkiezingen
  • Artikel 60  Ambtsaanvaarding
  • Artikel 61  Voorzitter en griffier
  • Artikel 62  Verenigde vergadering
  • Artikel 63  Geldelijke voorzieningen
  • Artikel 64  Ontbinding Kamers
  • Artikel 65  Troonrede
  • Artikel 66  Openbaarheid vergaderingen
  • Artikel 67  Quorum
  • Artikel 68  Inlichtingenplicht bewindslieden
  • Artikel 69  Aanwezigheid bewindslieden
  • Artikel 70  Recht van enquête
  • Artikel 71  Parlementaire onschendbaarheid
  • Artikel 72  Reglement van orde
  • Artikel 73  Taak Raad van State
  • Artikel 74  Rechtspositie leden
  • Artikel 75  Inrichting, samenstelling, bevoegdheid Raad van State
  • Artikel 76  Algemene rekenkamer
  • Artikel 77  Rechtpositie leden rekenkamer
  • Artikel 78  Inrichting, samenstelling, bevoegdheid Rekenkamer
  • Artikel 78a  Nationale ombudsman
  • Artikel 79  Vaste colleges van advies
  • Artikel 80  Openbaarmaking advies
  • Artikel 81  Wetgevende macht
  • Artikel 82  Indienen wetsvoorstel
  • Artikel 83  Toezending wetsvoorstel TK
  • Artikel 84  Wijziging wetsvoorstel
  • Artikel 85  Toezending wetsvoorstel EK
  • Artikel 86  Intrekking wetsvoorstel
  • Artikel 87  Aanneming en bekrachtiging
  • Artikel 88  Bekendmaking en inwerkingtreding
  • Artikel 89  Algemene maatregel van bestuur
  • Artikel 90  Bevordering internationale rechtsorde
  • Artikel 91  Goedkeuring verdrag
  • Artikel 92  Bevoegdheden volkenrechtelijke organisaties
  • Artikel 93  Verbindende kracht verdrag
  • Artikel 94  Verdrag boven wet
  • Artikel 95  Bekendmaking verdrag
  • Artikel 96  Oorlogsverklaring
  • Artikel 97  Krijgsmacht
  • Artikel 98  Samenstelling krijgsmacht
  • Artikel 99  Gewetensbezwaren militaire dienst
  • Artikel 99a  Civiele verdediging
  • Artikel 100  Inlichtingen over krijgsmacht
  • Artikel 101  [vervallen]
  • Artikel 102  [vervallen]
  • Artikel 103  Uitzonderingstoestand
  • Artikel 104  Belastingheffing
  • Artikel 105  Recht van begroting
  • Artikel 106  Geldstelsel
  • Artikel 107  Codificatie
  • Artikel 108  [vervallen]
  • Artikel 109  Rechtspositie ambtenaren
  • Artikel 110  Openbaarheid van bestuur
  • Artikel 111  Ridderorden
  • Artikel 112  Civiele en administratieve rechtspraak
  • Artikel 113  Strafrechtspraak
  • Artikel 114  Doodstraf
  • Artikel 115  Administratief beroep
  • Artikel 116  Rechterlijke macht
  • Artikel 117  Rechtspositie leden rechterlijke macht
  • Artikel 118  Hoge Raad
  • Artikel 119  Ambtsmisdrijven
  • Artikel 120  Toetsingsverbod
  • Artikel 121  Openbaarheid terechtzittingen
  • Artikel 122  Gratie
  • Artikel 123  Instelling provincies en gemeenten
  • Artikel 124  Autonomie en medebewind
  • Artikel 125  Organen decentrale besturen
  • Artikel 126  Ambtsinstructie commissaris koning
  • Artikel 127  Vaststelling verordening
  • Artikel 128  Toekenning bevoegdheden
  • Artikel 129  Verkiezing vertegenwoordigend orgaan
  • Artikel 130  Kiesrecht gemeenteraad niet-Nederlanders
  • Artikel 131  Benoeming commissaris Koning
  • Artikel 132  Inrichting, samenstelling, bevoegdheid decentrale besturen
  • Artikel 133  Waterschappen
  • Artikel 134  Publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie
  • Artikel 135  Gemeenschappelijke regelingen
  • Artikel 136  Geschillen
  • Artikel 137  Grondwetswijziging
  • Artikel 138  Aanpassing niet gewijzigde bepalingen
  • Artikel 139  Bekendmaking en inwerkingtreding
  • Artikel 140  Handhaving bestaande regelgeving
  • Artikel 141  Bekendmaking herziene Grondwet
  • Artikel 142  Aanpassing Grondwet aan Statuut
  • Artikel IX - Berechting van misdrijven in oorlogstijd
  • Artikel XIX - Afkondigingsformulier
HOOFDSTUK
  • HOOFDSTUK
  • Hoofdstuk 1  Grondrechten
  • Hoofdstuk 2  Regering
  • Hoofdstuk 3  Staten-Generaal
  • Hoofdstuk 4  Adviesorganen
  • Hoofdstuk 5  Wetgeving en bestuur
  • Hoofdstuk 6  Rechtspraak
  • Hoofdstuk 7  Decentralisatie
  • Hoofdstuk 8  Herziening grondwet
  • Additionele artikelen

DE GRONDWET

HOOFDSTUK 1

Grondrechten

INLEIDING

Artikel 1 - Gelijke behandeling

Allen die zich in Nederland bevinden, worden in gelijke gevallen gelijk behandeld. Discriminatie wegens godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht of op welke grond dan ook, is niet toegestaan.

Artikel 2 - Nederlandschap en vreemdelingen

  1. De wet regelt wie Nederlander is.
  2. De wet regelt de toelating en de uitzetting van vreemdelingen.
  3. Uitlevering kan slechts geschieden krachtens verdrag. Verdere voorschriften omtrent uitlevering worden bij de wet gegeven.
  4. Ieder heeft het recht het land te verlaten, behoudens in de gevallen, bij de wet bepaald.

Artikel 3 - Gelijke benoembaarheid

Alle Nederlanders zijn op gelijke voet in openbare dienst benoembaar.

Artikel 4 - Kiesrecht

Iedere Nederlander heeft gelijkelijk recht de leden van algemeen vertegenwoordigende organen te verkiezen alsmede tot lid van deze organen te worden verkozen, behoudens bij de wet gestelde beperkingen en uitzonderingen.

Artikel 5 - Petitierecht

Ieder heeft het recht verzoeken schriftelijk bij het bevoegd gezag in te dienen.

Artikel 6 - Vrijheid van godsdienst en levensovertuiging

  1. Ieder heeft het recht zijn godsdienst of levensovertuiging, individueel of in gemeenschap met anderen, vrij te belijden, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet.
  2. De wet kan ter zake van de uitoefening van dit recht buiten gebouwen en besloten plaatsen regels stellen ter bescherming van de gezondheid, in het belang van het verkeer en ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden.

Artikel 7 - Vrijheid van meningsuiting

  1. Niemand heeft voorafgaand verlof nodig om door de drukpers gedachten of gevoelens te openbaren, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet.
  2. De wet stelt regels omtrent radio en televisie. Er is geen voorafgaand toezicht op de inhoud van een radio- of televisieuitzending.
  3. Voor het openbaren van gedachten of gevoelens door andere dan in de voorgaande leden genoemde middelen heeft niemand voorafgaand verlof nodig wegens de inhoud daarvan, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet. De wet kan het geven van vertoningen toegankelijk voor personen jonger dan zestien jaar regelen ter bescherming van de goede zeden.
  4. De voorgaande leden zijn niet van toepassing op het maken van handelsreclame.

Artikel 8 - Recht tot vereniging

Het recht tot vereniging wordt erkend. Bij de wet kan dit recht worden beperkt in het belang van de openbare orde.

Artikel 9 - Recht tot vergadering en betoging

  1. Het recht tot vergadering en betoging wordt erkend, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet.
  2. De wet kan regels stellen ter bescherming van de gezondheid, in het belang van het verkeer en ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden.

Artikel 10 - Eerbiediging en bescherming persoonlijke levenssfeer

  1. Ieder heeft, behoudens bij of krachtens de wet te stellen beperkingen, recht op eerbiediging van zijn persoonlijke levenssfeer.
  2. De wet stelt regels ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer in verband met het vastleggen en verstrekken van persoonsgegevens.
  3. De wet stelt regels inzake de aanspraken van personen op kennisneming van over hen vastgelegde gegevens en van het gebruik dat daarvan wordt gemaakt, alsmede op verbetering van zodanige gegevens.

Artikel 11 - Onaantastbaarheid van het lichaam

Ieder heeft, behoudens bij of krachtens de wet te stellen beperkingen, recht op onaantastbaarheid van zijn lichaam.

Artikel 12 - Binnentreden woning

  1. Het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner is alleen geoorloofd in de gevallen bij of krachtens de wet bepaald, door hen die daartoe bij of krachtens de wet zijn aangewezen.
  2. Voor het binnentreden overeenkomstig het eerste lid zijn voorafgaande legitimatie en mededeling van het doel van het binnentreden vereist, behoudens bij de wet gestelde uitzonderingen.
  3. Aan de bewoner wordt zo spoedig mogelijk een schriftelijk verslag van het binnentreden verstrekt. Indien het binnentreden in het belang van de nationale veiligheid of dat van de strafvordering heeft plaatsgevonden, kan volgens bij de wet te stellen regels de verstrekking van het verslag worden uitgesteld. In de bij de wet te bepalen gevallen kan de verstrekking achterwege worden gelaten, indien het belang van de nationale veiligheid zich tegen verstrekking blijvend verzet.

Artikel 13 - Vertrouwelijke communicatie

  1. Het briefgeheim is onschendbaar, behalve, in de gevallen bij de wet bepaald, op last van de rechter.
  2. Het telefoon- en telegraafgeheim is onschendbaar, behalve, in de gevallen bij de wet bepaald, door of met machtiging van hen die daartoe bij de wet zijn aangewezen.

Artikel 14 - Onteigening

  1. Onteigening kan alleen geschieden in het algemeen belang en tegen vooraf verzekerde schadeloosstelling, een en ander naar bij of krachtens de wet te stellen voorschriften.
  2. De schadeloosstelling behoeft niet vooraf verzekerd te zijn, wanneer in geval van nood onverwijld onteigening geboden is.
  3. In de gevallen bij of krachtens de wet bepaald bestaat recht op schadeloosstelling of tegemoetkoming in de schade, indien in het algemeen belang eigendom door het bevoegd gezag wordt vernietigd of onbruikbaar gemaakt of de uitoefening van het eigendomsrecht wordt beperkt.

Artikel 15 - Vrijheidsontneming

  1. Buiten de gevallen bij of krachtens de wet bepaald mag niemand zijn vrijheid worden ontnomen.
  2. Hij aan wie anders dan op rechterlijk bevel zijn vrijheid is ontnomen, kan aan de rechter zijn invrijheidstelling verzoeken. Hij wordt in dat geval door de rechter gehoord binnen een bij de wet te bepalen termijn. De rechter gelast de onmiddellijke invrijheidstelling, indien hij de vrijheidsontneming onrechtmatig oordeelt.
  3. De berechting van hem aan wie met het oog daarop zijn vrijheid is ontnomen, vindt binnen een redelijke termijn plaats.
  4. Hij aan wie rechtmatig zijn vrijheid is ontnomen, kan worden beperkt in de uitoefening van grondrechten voor zover deze zich niet met de vrijheidsontneming verdraagt.

Artikel 16 - Nulla poena

Geen feit is strafbaar dan uit kracht van een daaraan voorafgegane wettelijke strafbepaling.

Artikel 17 - Wettelijk toegekende rechter

Niemand kan tegen zijn wil worden afgehouden van de rechter die de wet hem toekent.

Artikel 18 - Rechtsbijstand

  1. Ieder kan zich in rechte en in administratief beroep doen bijstaan.
  2. De wet stelt regels omtrent het verlenen van rechtsbijstand aan minder draagkrachtigen.

Artikel 19 - Werkgelegenheid en arbeidskeuze

  1. Bevordering van voldoende werkgelegenheid is voorwerp van zorg der overheid.
  2. De wet stelt regels omtrent de rechtspositie van hen die arbeid verrichten en omtrent hun bescherming daarbij, alsmede omtrent medezeggenschap.
  3. Het recht van iedere Nederlander op vrije keuze van arbeid wordt erkend, behoudens de beperkingen bij of krachtens de wet gesteld.

Artikel 20 - Bestaanszekerheid

  1. De bestaanszekerheid der bevolking en spreiding van welvaart zijn voorwerp van zorg der overheid.
  2. De wet stelt regels omtrent de aanspraken op sociale zekerheid.
  3. Nederlanders hier te lande, die niet in het bestaan kunnen voorzien, hebben een bij de wet te regelen recht op bijstand van overheidswege.

Artikel 21 - Milieubescherming

De zorg van de overheid is gericht op de bewoonbaarheid van het land en de bescherming en verbetering van het leefmilieu.

Artikel 22 - Volksgezondheid en woongelegenheid

  1. De overheid treft maatregelen ter bevordering van de volksgezondheid.
  2. Bevordering van voldoende woongelegenheid is voorwerp van zorg der overheid.
  3. Zij schept voorwaarden voor maatschappelijke en culturele ontplooiing en voor vrijetijdsbesteding.

Artikel 23 - Onderwijs

  1. Het onderwijs is een voorwerp van de aanhoudende zorg der regering.
  2. Het geven van onderwijs is vrij, behoudens het toezicht van de overheid en, voor wat bij de wet aangewezen vormen van onderwijs betreft, het onderzoek naar de bekwaamheid en de zedelijkheid van hen die onderwijs geven, een en ander bij de wet te regelen.
  3. Het openbaar onderwijs wordt, met eerbiediging van ieders godsdienst of levensovertuiging, bij de wet geregeld.
  4. In elke gemeente wordt van overheidswege voldoend openbaar algemeen vormend lager onderwijs gegeven in een genoegzaam aantal openbare scholen. Volgens bij de wet te stellen regels kan afwijking van deze bepaling worden toegelaten, mits tot het ontvangen van zodanig onderwijs gelegenheid wordt gegeven, al dan niet in een openbare school.
  5. De eisen van deugdelijkheid, aan het geheel of ten dele uit de openbare kas te bekostigen onderwijs te stellen, worden bij de wet geregeld, met inachtneming, voor zover het bijzonder onderwijs betreft, van de vrijheid van richting.
  6. Deze eisen worden voor het algemeen vormend lager onderwijs zodanig geregeld, dat de deugdelijkheid van het geheel uit de openbare kas bekostigd bijzonder onderwijs en van het openbaar onderwijs even afdoende wordt gewaarborgd. Bij die regeling wordt met name de vrijheid van het bijzonder onderwijs betreffende de keuze der leermiddelen en de aanstelling der onderwijzers geëerbiedigd.
  7. Het bijzonder algemeen vormend lager onderwijs, dat aan de bij de wet te stellen voorwaarden voldoet, wordt naar dezelfde maatstaf als het openbaar onderwijs uit de openbare kas bekostigd. De wet stelt de voorwaarden vast, waarop voor het bijzonder algemeen vormend middelbaar en voorbereidend hoger onderwijs bijdragen uit de openbare kas worden verleend.
  8. De regering doet jaarlijks van de staat van het onderwijs verslag aan de Staten-Generaal.
HOOFDSTUK 2

Regering INLEIDING

Artikel 24 - Koningschap

Het koningschap wordt erfelijk vervuld door de wettige opvolgers van Koning Willem I, Prins van Oranje-Nassau.

Artikel 25 - Erfopvolging

Het koningschap gaat bij overlijden van de Koning krachtens erfopvolging over op zijn wettige nakomelingen, waarbij het oudste kind voorrang heeft, met plaatsvervulling volgens dezelfde regel. Bij gebreke van eigen nakomelingen gaat het koningschap op gelijke wijze over op de wettige nakomelingen eerst van zijn ouder, dan van zijn grootouder, in de lijn van erfopvolging, voor zover de overleden Koning niet verder bestaand dan in de derde graad van bloedverwantschap.

Artikel 26 - Status ongeboren kind Koning

Het kind, waarvan een vrouw zwanger is op het ogenblik van het overlijden van de Koning, wordt voor de erfopvolging als reeds geboren aangemerkt. Komt het dood ter wereld, dan wordt het geacht nooit te hebben bestaan.

Artikel 27 - Afstand koningschap

Afstand van het koningschap leidt tot erfopvolging overeenkomstig de regels in de voorgaande artikelen gesteld. Na de afstand geboren kinderen en hun nakomelingen zijn van de erfopvolging uitgesloten.

Artikel 28 - Afstand koningschap door huwelijk

  1. De Koning, een huwelijk aangaande buiten bij de wet verleende toestemming, doet daardoor afstand van het koningschap.
  2. Gaat iemand die het koningschap van de Koning kan beërven een zodanig huwelijk aan, dan is hij met de uit dit huwelijk geboren kinderen en hun nakomelingen van de erfopvolging uitgesloten.
  3. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake van een voorstel van wet, strekkende tot het verlenen van toestemming, in verenigde vergadering.

Artikel 29 - Uitsluiting troonopvolging

  1. Wanneer uitzonderlijke omstandigheden daartoe nopen, kunnen bij een wet een of meer personen van de erfopvolging worden uitgesloten.

  2. Het voorstel daartoe wordt door of vanwege de Koning ingediend. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering. Zij kunnen het voorstel alleen aannemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

Artikel 30 - Benoemde Koning

  1. Wanneer vooruitzicht bestaat dat een opvolger zal ontbreken, kan deze worden benoemd bij een wet. Het voorstel wordt door of vanwege de Koning ingediend. Na de indiening van het voorstel worden de kamers ontbonden. De nieuwe kamers beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering. Zij kunnen het voorstel alleen aannemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

  2. Indien bij overlijden van de Koning of bij afstand van het koningschap een opvolger ontbreekt, worden de kamers ontbonden. De nieuwe kamers komen binnen vier maanden na het overlijden of de afstand in verenigde vergadering bijeen ten einde te besluiten omtrent de benoeming van een Koning. Zij kunnen een opvolger alleen benoemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

Artikel 31 - Erfopvolging benoemde koning

  1. Een benoemde Koning kan krachtens erfopvolging alleen worden opgevolgd door zijn wettige nakomelingen.

  2. De bepalingen omtrent de erfopvolging en het eerste lid van dit artikel zijn van overeenkomstige toepassing op een benoemde opvolger, zolang deze nog geen Koning is.

Artikel 32 - Inhuldiging Koning

Nadat de Koning de uitoefening van het koninklijk gezag heeft aangevangen, wordt hij zodra mogelijk beëdigd en ingehuldigd in de hoofdstad Amsterdam in een openbare verenigde vergadering van de Staten-Generaal. Hij zweert of belooft trouw aan de Grondwet en een getrouwe vervulling van zijn ambt. De wet stelt nadere regels vast.

Artikel 33 - Koningschap en meerderjarigheid

De Koning oefent het koninklijk gezag eerst uit, nadat hij de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt.

Artikel 34 - Ouderlijk gezag minderjarige Koning

De wet regelt het ouderlijk gezag en de voogdij over de minderjarige Koning en het toezicht daarop. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

Artikel 35 - Buiten staat verklaring

  1. Wanneer de ministerraad van oordeel is dat de Koning buiten staat is het koninklijk gezag uit te oefenen, bericht hij dit onder overlegging van het daartoe gevraagde advies van de Raad van State aan de Staten-Generaal, die daarop in verenigde vergadering bijeenkomen.

  2. Delen de Staten-Generaal dit oordeel, dan verklaren zij dat de Koning buiten staat is het koninklijk gezag uit te oefenen. Deze verklaring wordt bekend gemaakt op last van de voorzitter der vergadering en treedt terstond in werking.

  3. Zodra de Koning weer in staat is het koninklijk gezag uit te oefenen, wordt dit bij de wet verklaard. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering. Terstond na de bekendmaking van deze wet hervat de Koning de uitoefening van het koninklijk gezag.

  4. De wet regelt zo nodig het toezicht over de persoon van de Koning indien hij buiten staat is verklaard het koninklijk gezag uit te oefenen. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

Artikel 36 - Tijdelijke neerlegging koninklijk gezag

De Koning kan de uitoefening van het koninklijk gezag tijdelijk neerleggen en die uitoefening hervatten krachtens een wet, waarvan het voorstel door of vanwege hem wordt ingediend. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

Artikel 37 - Uitoefening koninklijk gezag door regent

  1. Het koninklijk gezag wordt uitgeoefend door een regent:
    a. zolang de Koning de leeftijd van achttien jaar niet heeft bereikt;
    b. indien een nog niet geboren kind tot het koningschap geroepen kan zijn;
    c. indien de Koning buiten staat is verklaard het koninklijk gezag uit te oefenen;
    d. indien de Koning de uitoefening van het koninklijk gezag tijdelijk heeft neergelegd;
    e. zolang na het overlijden van de Koning of na diens afstand van het koningschap een opvolger ontbreekt.

  2. De regent wordt benoemd bij de wet. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

  3. In de gevallen, genoemd in het eerste lid onder c en d, is de nakomeling van de Koning die zijn vermoedelijke opvolger is, van rechtswege regent indien hij de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt.

  4. De regent zweert of belooft trouw aan de Grondwet en een getrouwe vervulling van zijn ambt, in een verenigde vergadering van de Staten-Generaal. De wet geeft nadere regels omtrent het regentschap en kan voorzien in de opvolging en de vervanging daarin. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

  5. Op de regent zijn de artikelen 35 en 36 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 38 - Uitoefening koninklijk gezag door RvS

Zolang niet in de uitoefening van het koninklijk gezag is voorzien, wordt dit uitgeoefend door de Raad van State.

Artikel 39 - Lidmaatschap koninklijk huis

De wet regelt, wie lid is van het koninklijk huis.

Artikel 40 - Uitkering koninklijk huis

  1. De Koning ontvangt jaarlijks ten laste van het Rijk uitkeringen naar regels bij de wet te stellen. Deze wet bepaalt aan welke andere leden van het koninklijk huis uitkeringen ten laste van het Rijk worden toegekend en regelt deze uitkeringen.

  2. De door hen ontvangen uitkeringen ten laste van het Rijk, alsmede de vermogensbestanddelen welke dienstbaar zijn aan de uitoefening van hun functie, zijn vrij van persoonlijke belastingen. Voorts is hetgeen de Koning of zijn vermoedelijke opvolger krachtens erfrecht of door schenking verkrijgt van een lid van het koninklijk huis vrij van de rechten van successie, overgang en schenking. Verdere vrijdom van belasting kan bij de wet worden verleend.

  3. De kamers der Staten-Generaal kunnen voorstellen van in de vorige leden bedoelde wetten alleen aannemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

Artikel 41 - Inrichting huis Koning

De Koning richt, met inachtneming van het openbaar belang, zijn Huis in.

Artikel 42 - Ministeriële verantwoordelijkheid

  1. De regering wordt gevormd door de Koning en de ministers.

  2. De Koning is onschendbaar; de ministers zijn verantwoordelijk.

Artikel 43 - Regering en ministers

De minister-president en de overige ministers worden bij koninklijk besluit benoemd en ontslagen.

Artikel 44 - Ministeries

  1. Bij koninklijk besluit worden ministeries ingesteld. Zij staan onder leiding van een minister.

  2. Ook kunnen ministers worden benoemd die niet belast zijn met de leiding van een ministerie.

Artikel 45 - Ministerraad

  1. De ministers vormen te zamen de ministerraad.

  2. De minister-president is voorzitter van de ministerraad.

  3. De ministerraad beraadslaagt en besluit over het algemeen regeringsbeleid en bevordert de eenheid van dat beleid.

Artikel 46 - Staatssecretarissen

  1. Bij koninklijk besluit kunnen staatssecretarissen worden benoemd en ontslagen.

  2. Een staatssecretaris treedt in de gevallen waarin de minister het nodig acht en met inachtneming van diens aanwijzingen, in zijn plaats als minister op. De staatssecretaris is uit dien hoofde verantwoordelijk, onverminderd de verantwoordelijkheid van de minister.

Artikel 47 - Ondertekening en contraseign

Alle wetten en koninklijke besluiten worden door de Koning en door een of meer ministers of staatssecretarissen ondertekend.

Artikel 48 - Ontslag en benoeming ministers

Het koninklijk besluit waarbij de minister-president wordt benoemd, wordt mede door hem ondertekend. De koninklijke besluiten waarbij de overige ministers en de staatssecretarissen worden benoemd of ontslagen, worden mede door de minister-president ondertekend.

Artikel 49 - Ambtseed minister en staatssecretaris

Op de wijze bij de wet voorgeschreven leggen de ministers en de staatssecretarissen bij de aanvaarding van hun ambt ten overstaan van de Koning een eed, dan wel verklaring en belofte, van zuivering af en zweren of beloven zij trouw aan de Grondwet en een getrouwe vervulling van hun ambt.
HOOFDSTUK 3

Staten-Generaal INLEIDING

Artikel 50 - Vertegenwoordiging

De Staten-Generaal vertegenwoordigen het gehele Nederlandse volk.

Artikel 51 - Eerste en Tweede Kamer

  1. De Staten-Generaal bestaan uit de Tweede Kamer en de Eerste Kamer.

  2. De Tweede Kamer bestaat uit honderdvijftig leden.

  3. De Eerste Kamer bestaat uit vijfenzeventig leden.

  4. Bij een verenigde vergadering worden de kamers als één beschouwd.

Artikel 52 - Zittingsduur

  1. De zittingsduur van beide kamers is vier jaren.
  2. Indien voor de provinciale staten bij de wet een andere zittingsduur dan vier jaren wordt vastgesteld, wordt daarbij de zittingsduur van de Eerste Kamer in overeenkomstige zin gewijzigd.

Artikel 53 - Evenredige vertegenwoordiging

  1. De leden van beide kamers worden gekozen op de grondslag van evenredige vertegenwoordiging binnen door de wet te stellen grenzen.
  2. De verkiezingen worden gehouden bij geheime stemming.

Artikel 54 - Verkiezing Tweede Kamer

  1. De leden van de Tweede Kamer worden rechtstreeks gekozen door de Nederlanders die de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt, behoudens bij de wet te bepalen uitzonderingen ten aanzien van Nederlanders die geen ingezetenen zijn.

  2. Van het kiesrecht is uitgesloten hij die wegens het begaan van een daartoe bij de wet aangewezen delict bij onherroepelijke rechterlijke uitspraak is veroordeeld tot een vrijheidsstraf van ten minste een jaar en hierbij tevens is ontzet van het kiesrecht.

Artikel 55 - Verkiezing Eerste Kamer

De leden van de Eerste Kamer worden gekozen door de leden van provinciale staten. De verkiezing wordt, behoudens in geval van ontbinding der kamer, gehouden binnen drie maanden na de verkiezing van de leden van provinciale staten.

Artikel 56 - Vereisten voor lidmaatschap

Om lid van de Staten-Generaal te kunnen zijn is vereist dat men Nederlander is, de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt en niet is uitgesloten van het kiesrecht.

Artikel 57 - Incompatibiliteiten

  1. Niemand kan lid van beide kamers zijn.

  2. Een lid van de Staten-Generaal kan niet tevens zijn minister, staatssecretaris, lid van de Raad van State, lid van de Algemene Rekenkamer, Nationale ombudsman of substituut-ombudsman, of lid van of procureur-generaal of advocaat-generaal bij de Hoge Raad.

  3. Niettemin kan een minister of staatssecretaris, die zijn ambt ter beschikking heeft gesteld, dit ambt verenigen met het lidmaatschap van de Staten-Generaal, totdat omtrent die beschikbaarstelling is beslist.

  4. De wet kan ten aanzien van andere openbare betrekkingen bepalen dat zij niet gelijktijdig met het lidmaatschap van de Staten-Generaal of van een der kamers kunnen worden uitgeoefend.

Artikel 57a - Zwangerschap en ziekte

De wet regelt de tijdelijke vervanging van een lid van de Staten-Generaal wegens zwangerschap en bevalling, alsmede wegens ziekte.

Artikel 58 - Geloofsbrieven

Elke kamer onderzoekt de geloofsbrieven van haar nieuwbenoemde leden en beslist met inachtneming van bij de wet te stellen regels de geschillen welke met betrekking tot de geloofsbrieven of de verkiezing zelf rijzen.

Artikel 59 - Kiesrecht en verkiezingen

Alles, wat verder het kiesrecht en de verkiezingen betreft, wordt bij de wet geregeld.

Artikel 60 - Ambtsaanvaarding

Op de wijze bij de wet voorgeschreven leggen de leden van de kamers bij de aanvaarding van hun ambt in de vergadering een eed, dan wel verklaring en belofte, van zuivering af en zweren of beloven zij trouw aan de Grondwet en een getrouwe vervulling van hun ambt.

Artikel 61 - Voorzitter en griffier

  1. Elk der kamers benoemt uit de leden een voorzitter.

  2. Elk der kamers benoemt een griffier. Deze en de overige ambtenaren van de kamers kunnen niet tevens lid van de Staten-Generaal zijn.

Artikel 62 - Verenigde vergadering

De voorzitter van de Eerste Kamer heeft de leiding van de verenigde vergadering.

Artikel 63 - Geldelijke voorzieningen

Geldelijke voorzieningen ten behoeve van leden en gewezen leden van de Staten-Generaal en van hun nabestaanden worden bij de wet geregeld. De kamers kunnen een voorstel van wet ter zake alleen aannemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

Artikel 64 - Ontbinding Kamers

  1. Elk der kamers kan bij koninklijk besluit worden ontbonden.

  2. Het besluit tot ontbinding houdt tevens de last in tot een nieuwe verkiezing voor de ontbonden kamer en tot het samenkomen van de nieuw gekozen kamer binnen drie maanden.

  3. De ontbinding gaat in op de dag waarop de nieuw gekozen kamer samenkomt.

  4. De wet stelt de zittingsduur van een na ontbinding optredende Tweede Kamer vast; de termijn mag niet langer zijn dan vijf jaren. De zittingsduur van een na ontbinding optredende Eerste Kamer eindigt op het tijdstip waarop de zittingsduur van de ontbonden kamer zou zijn geëindigd.

Artikel 65 - Troonrede

Jaarlijks op de derde dinsdag van september of op een bij de wet te bepalen eerder tijdstip wordt door of namens de Koning in een verenigde vergadering van de Staten-Generaal een uiteenzetting van het door de regering te voeren beleid gegeven.

Artikel 66 - Openbaarheid vergaderingen

  1. De vergaderingen van de Staten-Generaal zijn openbaar.

  2. De deuren worden gesloten, wanneer een tiende deel van het aantal aanwezige leden het vordert of de voorzitter het nodig oordeelt.

  3. Door de kamer, onderscheidenlijk de kamers in verenigde vergadering, wordt vervolgens beslist of met gesloten deuren zal worden beraadslaagd en besloten.

Artikel 67 - Quorum

  1. De kamers mogen elk afzonderlijk en in verenigde vergadering alleen beraadslagen of besluiten, indien meer dan de helft van het aantal zitting hebbende leden ter vergadering aanwezig is.

  2. Besluiten worden genomen bij meerderheid van stemmen.

  3. De leden stemmen zonder last.

  4. Over zaken wordt mondeling en bij hoofdelijke oproeping gestemd, wanneer één lid dit verlangt.

Artikel 68 - Inlichtingenplicht bewindslieden

De ministers en de staatssecretarissen geven de kamers elk afzonderlijk en in verenigde vergadering mondeling of schriftelijk de door een of meer leden verlangde inlichtingen waarvan het verstrekken niet in strijd is met het belang van de staat.

Artikel 69 - Aanwezigheid bewindslieden

  1. De ministers en de staatssecretarissen hebben toegang tot de vergaderingen en kunnen aan de beraadslaging deelnemen.

  2. Zij kunnen door de kamers elk afzonderlijk en in verenigde vergadering worden uitgenodigd om ter vergadering aanwezig te zijn.

  3. Zij kunnen zich in de vergaderingen doen bijstaan door de personen, daartoe door hen aangewezen.

Artikel 70 - Recht van enquête

Beide kamers hebben, zowel ieder afzonderlijk als in verenigde vergadering, het recht van onderzoek (enquête), te regelen bij de wet.

Artikel 71 - Parlementaire onschendbaarheid

De leden van de Staten-Generaal, de ministers, de staatssecretarissen en andere personen die deelnemen aan de beraadslaging, kunnen niet in rechte worden vervolgd of aangesproken voor hetgeen zij in de vergaderingen van de Staten-Generaal of van commissies daaruit hebben gezegd of aan deze schriftelijk hebben overgelegd.

Artikel 72 - Reglement van orde

De kamers stellen elk afzonderlijk en in verenigde vergadering een reglement van orde vast.

HOOFDSTUK 4

Adviesorganen INLEIDING

Artikel 73 - Taak Raad van State

  1. De Raad van State of een afdeling van de Raad wordt gehoord over voorstellen van wet en ontwerpen van algemene maatregelen van bestuur, alsmede over voorstellen tot goedkeuring van verdragen door de Staten-Generaal. In bij de wet te bepalen gevallen kan het horen achterwege blijven.

  2. De Raad of een afdeling van de Raad is belast met het onderzoek van de geschillen van bestuur die bij koninklijk besluit worden beslist en draagt de uitspraak voor.

  3. De wet kan aan de Raad of een afdeling van de Raad de uitspraak in geschillen van bestuur opdragen.

Artikel 74 - Rechtspositie leden

  1. De Koning is voorzitter van de Raad van State. De vermoedelijke opvolger van de Koning heeft na het bereiken van de leeftijd van achttien jaar van rechtswege zitting in de Raad. Bij of krachtens de wet kan aan andere leden van het koninklijk huis zitting in de Raad worden verleend.

  2. De leden van de Raad worden bij koninklijk besluit voor het leven benoemd.

  3. Op eigen verzoek en wegens het bereiken van een bij de wet te bepalen leeftijd worden zij ontslagen.

  4. In de gevallen bij de wet aangewezen kunnen zij door de Raad worden geschorst of ontslagen.

  5. De wet regelt overigens hun rechtspositie

Artikel 75 - Inrichting, samenstelling, bevoegdheid Raad van State

  1. De wet regelt de inrichting, samenstelling en bevoegdheid van de Raad van State.

  2. Bij de wet kunnen aan de Raad of een afdeling van de Raad ook andere taken worden opgedragen.

Artikel 76 - Algemene rekenkamer

De Algemene Rekenkamer is belast met het onderzoek van de ontvangsten en uitgaven van het Rijk.

Artikel 77 - Rechtpositie leden rekenkamer

  1. De leden van de Algemene Rekenkamer worden bij koninklijk besluit voor het leven benoemd uit een voordracht van drie personen, opgemaakt door de Tweede Kamer der Staten-Generaal.

  2. Op eigen verzoek en wegens het bereiken van een bij de wet te bepalen leeftijd worden zij ontslagen.

  3. In de gevallen bij de wet aangewezen kunnen zij door de Hoge Raad worden geschorst of ontslagen.

  4. De wet regelt overigens hun rechtspositie.

Artikel 78 - Inrichting, samenstelling, bevoegdheid Rekenkamer

  1. De wet regelt de inrichting, samenstelling en bevoegdheid van de Algemene Rekenkamer.

  2. Bij de wet kunnen aan de Algemene Rekenkamer ook andere taken worden opgedragen.

Artikel 78a - Nationale ombudsman

  1. De Nationale ombudsman verricht op verzoek of uit eigen beweging onderzoek naar gedragingen van bestuursorganen van het Rijk en van andere bij of krachtens de wet aangewezen bestuursorganen.
  2. De Nationale ombudsman en een substituut-ombudsman worden voor een bij de wet te bepalen termijn benoemd door de Tweede Kamer der Staten-Generaal. Op eigen verzoek en wegens het bereiken van een bij de wet te bepalen leeftijd worden zij ontslagen. In de gevallen bij de wet aangewezen kunnen zij door de Tweede Kamer der Staten-Generaal worden geschorst of ontslagen. De wet regelt overigens hun rechtspositie.
  3. De wet regelt de bevoegdheid en werkwijze van de Nationale ombudsman.
  4. Bij of krachtens de wet kunnen aan de Nationale ombudsman ook andere taken worden opgedragen.

Artikel 79 - Vaste colleges van advies

  1. Vaste colleges van advies in zaken van wetgeving en bestuur van het Rijk worden ingesteld bij of krachtens de wet.

  2. De wet regelt de inrichting, samenstelling en bevoegdheid van deze colleges.

  3. Bij of krachtens de wet kunnen aan deze colleges ook andere dan adviserende taken worden opgedragen.

Artikel 80 - Openbaarmaking advies

  1. De adviezen van de in dit hoofdstuk bedoelde colleges worden openbaar gemaakt volgens regels bij de wet te stellen.

  2. Adviezen, uitgebracht ter zake van voorstellen van wet die door of vanwege de Koning worden ingediend, worden, behoudens bij de wet te bepalen uitzonderingen, aan de Staten-Generaal overgelegd.

HOOFDSTUK 5

Wetgeving en bestuur INLEIDING

Artikel 81 - Wetgevende macht

De vaststelling van wetten geschiedt door de regering en de Staten-Generaal gezamenlijk.

Artikel 82 - Indienen wetsvoorstel

  1. Voorstellen van wet kunnen worden ingediend door of vanwege de Koning en door de Tweede Kamer der Staten-Generaal.

  2. Voorstellen van wet waarvoor behandeling door de Staten-Generaal in verenigde vergadering is voorgeschreven, kunnen worden ingediend door of vanwege de Koning en, voor zover de betreffende artikelen van hoofdstuk 2 dit toelaten, door de verenigde vergadering.

  3. Voorstellen van wet, in te dienen door de Tweede Kamer onderscheidenlijk de verenigde vergadering, worden bij haar door een of meer leden aanhangig gemaakt.

Artikel 83 - Toezending wetsvoorstel TK

Voorstellen van wet, ingediend door of vanwege de Koning, worden gezonden aan de Tweede Kamer of, indien daarvoor behandeling door de Staten-Generaal in verenigde vergadering is voorgeschreven, aan deze vergadering.

Artikel 84 - Wijziging wetsvoorstel

  1. Zolang een voorstel van wet, ingediend door of vanwege de Koning, niet door de Tweede Kamer onderscheidenlijk de verenigde vergadering is aangenomen, kan het door haar, op voorstel van een of meer leden, en vanwege de regering worden gewijzigd.

  2. Zolang de Tweede Kamer onderscheidenlijk de verenigde vergadering een door haar in te dienen voorstel van wet niet heeft aangenomen, kan het door haar, op voorstel van een of meer leden, en door het lid of de leden door wie het aanhangig is gemaakt, worden gewijzigd.

Artikel 85 - Toezending wetsvoorstel EK

Zodra de Tweede Kamer een voorstel van wet heeft aangenomen of tot indiening van een voorstel heeft besloten, zendt zij het aan de Eerste Kamer, die het voorstel overweegt zoals het door de Tweede Kamer aan haar is gezonden. De Tweede Kamer kan een of meer van haar leden opdragen een door haar ingediend voorstel in de Eerste Kamer te verdedigen.

Artikel 86 - Intrekking wetsvoorstel

  1. Zolang een voorstel van wet niet door de Staten-Generaal is aangenomen, kan het door of vanwege de indiener worden ingetrokken.

  2. Zolang de Tweede Kamer onderscheidenlijk de verenigde vergadering een door haar in te dienen voorstel van wet niet heeft aangenomen, kan het door het lid of de leden door wie het aanhangig is gemaakt, worden ingetrokken.

Artikel 87 - Aanneming en bekrachtiging

  1. Een voorstel wordt wet, zodra het door de Staten-Generaal is aangenomen en door de Koning is bekrachtigd.

  2. De Koning en de Staten-Generaal geven elkaar kennis van hun besluit omtrent enig voorstel van wet.

Artikel 88 - Bekendmaking en inwerkingtreding

De wet regelt de bekendmaking en de inwerkingtreding van de wetten. Zij treden niet in werking voordat zij zijn bekendgemaakt.

Artikel 89 - Algemene maatregel van bestuur

  1. Algemene maatregelen van bestuur worden bij koninklijk besluit vastgesteld.

  2. Voorschriften, door straffen te handhaven, worden daarin alleen gegeven krachtens de wet. De wet bepaalt de op te leggen straffen.

  3. De wet regelt de bekendmaking en de inwerkingtreding van de algemene maatregelen van bestuur. Zij treden niet in werking voordat zij zijn bekendgemaakt.

  4. Het tweede en derde lid zijn van overeenkomstige toepassing op andere vanwege het Rijk vastgestelde algemeen verbindende voorschriften.

Artikel 90 - Bevordering internationale rechtsorde

De regering bevordert de ontwikkeling van de internationale rechtsorde.

Artikel 91 - Goedkeuring verdrag

  1. Het Koninkrijk wordt niet aan verdragen gebonden en deze worden niet opgezegd zonder voorafgaande goedkeuring van de Staten-Generaal. De wet bepaalt de gevallen waarin geen goedkeuring is vereist.

  2. De wet bepaalt de wijze waarop de goedkeuring wordt verleend en kan voorzien in stilzwijgende goedkeuring.

  3. Indien een verdrag bepalingen bevat welke afwijken van de Grondwet dan wel tot zodanig afwijken noodzaken, kunnen de kamers de goedkeuring alleen verlenen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

Artikel 92 - Bevoegdheden volkenrechtelijke organisaties

Met inachtneming, zo nodig, van het bepaalde in artikel 91, derde lid, kunnen bij of krachtens verdrag aan volkenrechtelijke organisaties bevoegdheden tot wetgeving, bestuur en rechtspraak worden opgedragen.

Artikel 93 - Verbindende kracht verdrag

Bepalingen van verdragen en van besluiten van volkenrechtelijke organisaties, die naar haar inhoud een ieder kunnen verbinden, hebben verbindende kracht nadat zij zijn bekendgemaakt.

Artikel 94 - Verdrag boven wet

Binnen het Koninkrijk geldende wettelijke voorschriften vinden geen toepassing, indien deze toepassing niet verenigbaar is met een ieder verbindende bepalingen van verdragen en van besluiten van volkenrechtelijke organisaties.

Artikel 95 - Bekendmaking verdrag

De wet geeft regels omtrent de bekendmaking van verdragen en besluiten van volkenrechtelijke organisaties.

Artikel 96 - Oorlogsverklaring

  1. Het Koninkrijk wordt niet in oorlog verklaard dan na voorafgaande toestemming van de Staten-Generaal.

  2. De toestemming is niet vereist, wanneer het overleg met de Staten-Generaal ten gevolge van een feitelijk bestaande oorlogstoestand niet mogelijk is gebleken.

  3. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

  4. Het bepaalde in het eerste en het derde lid is van overeenkomstige toepassing voor een verklaring dat een oorlog beëindigd is.

Artikel 97 - Krijgsmacht

  1. Ten behoeve van de verdediging en ter bescherming van de belangen van het Koninkrijk, alsmede ten behoeve van de handhaving en de bevordering van de internationale rechtsorde, is er een krijgsmacht.

  2. De regering heeft het oppergezag over de krijgsmacht.

Artikel 98 - Samenstelling krijgsmacht

  1. De krijgsmacht bestaat uit vrijwillig dienenden en kan mede bestaan uit dienstplichtigen.

  2. De wet regelt de verplichte militaire dienst en de bevoegdheid tot opschorting van de oproeping in werkelijke dienst.

Artikel 99 - Gewetensbezwaren militaire dienst

De wet regelt vrijstelling van militaire dienst wegens ernstige gewetensbezwaren.

Artikel 99a - Civiele verdediging

Volgens bij de wet te stellen regels kunnen plichten worden opgelegd ten behoeve van de civiele verdediging.

Artikel 100 - Inlichtingen over krijgsmacht

  1. De regering verstrekt de Staten-Generaal vooraf inlichtingen over de inzet of het ter beschikking stellen van de krijgsmacht ter handhaving of bevordering van de internationale rechtsorde. Daaronder is begrepen het vooraf verstrekken van inlichtingen over de inzet of het ter beschikking stellen van de krijgsmacht voor humanitaire hulpverlening in geval van gewapend conflict.

  2. Het eerste lid geldt niet, indien dwingende redenen het vooraf verstrekken van inlichtingen verhinderen. In dat geval worden inlichtingen zo spoedig mogelijk verstrekt.

Artikel 101 - [vervallen]

Vervallen bij rijkswet van 20 juli 1995

Artikel 102 - [vervallen]

Vervallen bij rijkswet van 22 juni 2000

Artikel 103 - Uitzonderingstoestand

  1. De wet bepaalt in welke gevallen ter handhaving van de uit- of inwendige veiligheid bij koninklijk besluit een door de wet als zodanig aan te wijzen uitzonderingstoestand kan worden afgekondigd; zij regelt de gevolgen.

  2. Daarbij kan worden afgeweken van de grondwetsbepalingen inzake de bevoegdheden van de besturen van provincies, gemeenten en waterschappen, van de grondrechten geregeld in de artikelen 6, voor zover dit de uitoefening buiten gebouwen en besloten plaatsen van het in dit artikel omschreven recht betreft, 7, 8, 9, 12, tweede en derde lid, en 13, alsmede van artikel 113, eerste en derde lid.

  3. Terstond na de afkondiging van een uitzonderingstoestand en voorts, zolang deze niet bij koninklijk besluit is opgeheven, telkens wanneer zij zulks nodig oordelen beslissen de Staten-Generaal omtrent het voortduren daarvan; zij beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

Artikel 104 - Belastingheffing

Belastingen van het Rijk worden geheven uit kracht van een wet. Andere heffingen van het Rijk worden bij de wet geregeld.

 
 

Artikel 105 - Recht van begroting

  1. De begroting van de ontvangsten en de uitgaven van het Rijk wordt bij de wet vastgesteld.

  2. Jaarlijks worden voorstellen van algemene begrotingswetten door of vanwege de Koning ingediend op het in artikel 65 bedoelde tijdstip.

  3. De verantwoording van de ontvangsten en de uitgaven van het Rijk wordt aan de Staten-Generaal gedaan overeenkomstig de bepalingen van de wet. De door de Algemene Rekenkamer goedgekeurde rekening wordt aan de Staten-Generaal overgelegd.

  4. De wet stelt regels omtrent het beheer van de financiën van het Rijk.

Artikel 106 - Geldstelsel

De wet regelt het geldstelsel.

Artikel 107 - Codificatie

  1. De wet regelt het burgerlijk recht, het strafrecht en het burgerlijk en strafprocesrecht in algemene wetboeken, behoudens de bevoegdheid tot regeling van bepaalde onderwerpen in afzonderlijke wetten.

  2. De wet stelt algemene regels van bestuursrecht vast.

Artikel 108 - [vervallen]

Vervallen bij rijkswet van 25 februari 1999

Artikel 109 - Rechtspositie ambtenaren

De wet regelt de rechtspositie van de ambtenaren. Zij stelt tevens regels omtrent hun bescherming bij de arbeid en omtrent medezeggenschap.

 

Artikel 110 - Openbaarheid van bestuur

De overheid betracht bij de uitvoering van haar taak openbaarheid volgens regels bij de wet te stellen.

 

Artikel 111 - Ridderorden

Ridderorden worden bij de wet ingesteld.
HOOFDSTUK 6

Rechtspraak INLEIDING

Artikel 112 - Civiele en administratieve rechtspraak

  1. Aan de rechterlijke macht is opgedragen de berechting van geschillen over burgerlijke rechten en over schuldvorderingen.

  2. De wet kan de berechting van geschillen die niet uit burgerlijke rechtsbetrekkingen zijn ontstaan, opdragen hetzij aan de rechterlijke macht, hetzij aan gerechten die niet tot de rechterlijke macht behoren. De wet regelt de wijze van behandeling en de gevolgen van de beslissingen.

Artikel 113 - Strafrechtspraak

  1. Aan de rechterlijke macht is voorts opgedragen de berechting van strafbare feiten.

  2. Tuchtrechtspraak door de overheid ingesteld wordt bij de wet geregeld.

  3. Een straf van vrijheidsontneming kan uitsluitend door de rechterlijke macht worden opgelegd.

  4. Voor berechting buiten Nederland en voor het oorlogsstrafrecht kan de wet afwijkende regels stellen.

Artikel 114 - Doodstraf

De doodstraf kan niet worden opgelegd.

Artikel 115 - Administratief beroep

Ten aanzien van de in artikel 112, tweede lid, bedoelde geschillen kan administratief beroep worden opengesteld.

Artikel 116 - Rechterlijke macht

  1. De wet wijst de gerechten aan die behoren tot de rechterlijke macht.

  2. De wet regelt de inrichting, samenstelling en bevoegdheid van de rechterlijke macht.

  3. De wet kan bepalen, dat aan rechtspraak door de rechterlijke macht mede wordt deelgenomen door personen die niet daartoe behoren.

  4. De wet regelt het toezicht door leden van de rechterlijke macht met rechtspraak belast uit te oefenen op de ambtsvervulling door zodanige leden en door de personen bedoeld in het vorige lid.

Artikel 117 - Rechtspositie leden rechterlijke macht

  1. De leden van de rechterlijke macht met rechtspraak belast en de procureur-generaal bij de Hoge Raad worden bij koninklijk besluit voor het leven benoemd.

  2. Op eigen verzoek en wegens het bereiken van een bij de wet te bepalen leeftijd worden zij ontslagen.

  3. In de gevallen bij de wet bepaald kunnen zij door een bij de wet aangewezen, tot de rechterlijke macht behorend gerecht worden geschorst of ontslagen.

  4. De wet regelt overigens hun rechtspositie.

Artikel 118 - Hoge Raad

  1. De leden van de Hoge Raad der Nederlanden worden benoemd uit een voordracht van drie personen, opgemaakt door de Tweede Kamer der Staten-Generaal.

  2. De Hoge Raad is in de gevallen en binnen de grenzen bij de wet bepaald, belast met de cassatie van rechterlijke uitspraken wegens schending van het recht.

  3. Bij de wet kunnen aan de Hoge Raad ook andere taken worden opgedragen.

Artikel 119 - Ambtsmisdrijven

De leden van de Staten-Generaal, de ministers en de staatssecretarissen staan wegens ambtsmisdrijven in die betrekkingen gepleegd, ook na hun aftreden terecht voor de Hoge Raad. De opdracht tot vervolging wordt gegeven bij koninklijk besluit of bij een besluit van de Tweede Kamer.

Artikel 120 - Toetsingsverbod

De rechter treedt niet in de beoordeling van de grondwettigheid van wetten en verdragen.

Artikel 121 - Openbaarheid terechtzittingen

Met uitzondering van de gevallen bij de wet bepaald vinden de terechtzittingen in het openbaar plaats en houden de vonnissen de gronden in waarop zij rusten. De uitspraak geschiedt in het openbaar.

Artikel 122 - Gratie

  1. Gratie wordt verleend bij koninklijk besluit na advies van een bij de wet aangewezen gerecht en met inachtneming van bij of krachtens de wet te stellen voorschriften.

  2. Amnestie wordt bij of krachtens de wet verleend.

HOOFDSTUK 7

Decentralisatie INLEIDING

Artikel 123 - Instelling provincies en gemeenten

  1. Bij de wet kunnen provincies en gemeenten worden opgeheven en nieuwe ingesteld.

  2. De wet regelt de wijziging van provinciale en gemeentelijke grenzen.

Artikel 124 - Autonomie en medebewind

  1. Voor provincies en gemeenten wordt de bevoegdheid tot regeling en bestuur inzake hun huishouding aan hun besturen overgelaten.

  2. Regeling en bestuur kunnen van de besturen van provincies en gemeenten worden gevorderd bij of krachtens de wet.

Artikel 125 - Organen decentrale besturen

  1. Aan het hoofd van de provincie en de gemeente staan provinciale staten onderscheidenlijk de gemeenteraad. Hun vergaderingen zijn openbaar, behoudens bij de wet te regelen uitzonderingen.

  2. Van het bestuur van de provincie maken ook deel uit gedeputeerde staten en de commissaris van de Koning, van het bestuur van de gemeente het college van burgemeester en wethouders en de burgemeester.

Artikel 126 - Ambtsinstructie commissaris koning

Bij de wet kan worden bepaald, dat de commissaris van de Koning wordt belast met de uitvoering van een door de regering te geven ambtsinstructie.

Artikel 127 - Vaststelling verordening

Provinciale staten en de gemeenteraad stellen, behoudens bij de wet of door hen krachtens de wet te bepalen uitzonderingen, de provinciale onderscheidenlijk de gemeentelijke verordeningen vast.

Artikel 128 - Toekenning bevoegdheden

Behoudens in de gevallen bedoeld in artikel 123, kan de toekenning van bevoegdheden, als bedoeld in artikel 124, eerste lid, aan andere organen dan die, genoemd in artikel 125, alleen door provinciale staten onderscheidenlijk de gemeenteraad geschieden.

Artikel 129 - Verkiezing vertegenwoordigend orgaan

  1. De leden van provinciale staten en van de gemeenteraad worden rechtstreeks gekozen door de Nederlanders, tevens ingezetenen van de provincie onderscheidenlijk de gemeente, die voldoen aan de vereisten die gelden voor de verkiezing van de Tweede Kamer der Staten-Generaal. Voor het lidmaatschap gelden dezelfde vereisten.
  2. De leden worden gekozen op de grondslag van evenredige vertegenwoordiging binnen door de wet te stellen grenzen.
  3. De artikelen 53, tweede lid, en 59 zijn van toepassing. Artikel 57a is van overeenkomstige toepassing.
  4. De zittingsduur van provinciale staten en de gemeenteraad is vier jaren, behoudens bij de wet te bepalen uitzonderingen.
  5. De wet bepaalt welke betrekkingen niet gelijktijdig met het lidmaatschap kunnen worden uitgeoefend. De wet kan bepalen, dat beletselen voor het lidmaatschap voortvloeien uit verwantschap of huwelijk en dat het verrichten van bij de wet aangewezen handelingen tot het verlies van het lidmaatschap kan leiden.
  6. De leden stemmen zonder last.

Artikel 130 - Kiesrecht gemeenteraad niet-Nederlanders

De wet kan het recht de leden van de gemeenteraad te kiezen en het recht lid van de gemeenteraad te zijn toekennen aan ingezetenen, die geen Nederlander zijn, mits zij tenminste voldoen aan de vereisten die gelden voor ingezetenen die tevens Nederlander zijn.

Artikel 131 - Benoeming commissaris Koning

De commissaris van de Koning en de burgemeester worden bij koninklijk besluit benoemd.

Artikel 132 - Inrichting, samenstelling, bevoegdheid decentrale besturen

  1. De wet regelt de inrichting van provincies en gemeenten, alsmede de samenstelling en bevoegdheid van hun besturen.

  2. De wet regelt het toezicht op deze besturen.

  3. Besluiten van deze besturen kunnen slechts aan voorafgaand toezicht worden onderworpen in bij of krachtens de wet te bepalen gevallen.

  4. Vernietiging van besluiten van deze besturen kan alleen geschieden bij koninklijk besluit wegens strijd met het recht of het algemeen belang.

  5. De wet regelt de voorzieningen bij in gebreke blijven ten aanzien van regeling en bestuur, gevorderd krachtens artikel 124, tweede lid. Bij de wet kunnen met afwijking van de artikelen 125 en 127 voorzieningen worden getroffen voor het geval het bestuur van een provincie of een gemeente zijn taken grovelijk verwaarloost.

  6. De wet bepaalt welke belastingen door de besturen van provincies en gemeenten kunnen worden geheven en regelt hun financiële verhouding tot het Rijk.

Artikel 133 - Waterschappen

  1. De opheffing en instelling van waterschappen, de regeling van hun taken en inrichting, alsmede de samenstelling van hun besturen, geschieden volgens bij de wet te stellen regels bij provinciale verordening, voor zover bij of krachtens de wet niet anders is bepaald.

  2. De wet regelt de verordenende en andere bevoegdheden van de besturen van de waterschappen, alsmede de openbaarheid van hun vergaderingen.

  3. De wet regelt het provinciale en overige toezicht op deze besturen. Vernietiging van besluiten van deze besturen kan alleen geschieden wegens strijd met het recht of het algemeen belang.

Artikel 134 - Publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie

  1. Bij of krachtens de wet kunnen openbare lichamen voor beroep en bedrijf en andere openbare lichamen worden ingesteld en opgeheven.

  2. De wet regelt de taken en de inrichting van deze openbare lichamen, de samenstelling en bevoegdheid van hun besturen, alsmede de openbaarheid van hun vergaderingen. Bij of krachtens de wet kan aan hun besturen verordenende bevoegdheid worden verleend.

  3. De wet regelt het toezicht op deze besturen. Vernietiging van besluiten van deze besturen kan alleen geschieden wegens strijd met het recht of het algemeen belang.

Artikel 135 - Gemeenschappelijke regelingen

De wet geeft regels ter voorziening in zaken waarbij twee of meer openbare lichamen zijn betrokken. Daarbij kan in de instelling van een nieuw openbaar lichaam worden voorzien, in welk geval artikel 134, tweede en derde lid, van toepassing is.

Artikel 136 - Geschillen

De geschillen tussen openbare lichamen worden bij koninklijk besluit beslist, tenzij deze behoren tot de kennisneming van de rechterlijke macht of hun beslissing bij de wet aan anderen is opgedragen.
HOOFDSTUK 8

Herziening grondwet INLEIDING

Artikel 137 - Grondwetswijziging

  1. De wet verklaart, dat een verandering in de Grondwet, zoals zij die voorstelt, in overweging zal worden genomen.

  2. De Tweede Kamer kan, al dan niet op een daartoe door of vanwege de Koning ingediend voorstel, een voorstel voor zodanige wet splitsen.

  3. Na de bekendmaking van de wet, bedoeld in het eerste lid, wordt de Tweede Kamer ontbonden.

  4. Nadat de nieuwe Tweede Kamer is samengekomen, overwegen beide kamers in tweede lezing het voorstel tot verandering, bedoeld in het eerste lid. Zij kunnen dit alleen aannemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

  5. De Tweede Kamer kan, al dan niet op een daartoe door of vanwege de Koning ingediend voorstel, met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen een voorstel tot verandering splitsen.

Artikel 138 - Aanpassing niet gewijzigde bepalingen

  1. Voordat de in tweede lezing aangenomen voorstellen tot verandering in de Grondwet door de Koning worden bekrachtigd, kunnen bij de wet:

    a. de aangenomen voorstellen en de ongewijzigd gebleven bepalingen van de Grondwet voor zoveel nodig aan elkaar worden aangepast;

    b. de indeling in en de plaats van hoofdstukken, paragrafen en artikelen, alsmede de opschriften worden gewijzigd.

  2. Een voorstel van wet, houdende voorzieningen als bedoeld in het eerste lid onder a, kunnen de kamers alleen aannemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

Artikel 139 - Bekendmaking en inwerkingtreding

De veranderingen in de Grondwet, door de Staten-Generaal aangenomen en door de Koning bekrachtigd, treden terstond in werking, nadat zij zijn bekendgemaakt.

Artikel 140 - Handhaving bestaande regelgeving

Bestaande wetten en andere regelingen en besluiten die in strijd zijn met een verandering in de Grondwet, blijven gehandhaafd, totdat daarvoor overeenkomstig de Grondwet een voorziening is getroffen.

Artikel 141 - Bekendmaking herziene Grondwet

De tekst van de herziene Grondwet wordt bij koninklijk besluit bekendgemaakt, waarbij hoofdstukken, paragrafen en artikelen kunnen worden vernummerd en verwijzingen dienovereenkomstig kunnen worden veranderd.

Artikel 142 - Aanpassing Grondwet aan Statuut

De Grondwet kan bij de wet met het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden in overeenstemming worden gebracht. De artikelen 139, 140 en141 zijn van overeenkomstige toepassing.

WETENSCHAPPELIJK COMMENTAAR

W. van der Woude

ARTIKEL 124 - Autonomie en medebewind

INHOUD
  1. Historische ontwikkeling en actuele betekenis
  2. De begrippen ‘autonomie’ en ‘medebewind’
  3. Omvang provinciale en gemeentelijke autonomie
  4. Uitoefening autonome taken en bevoegdheden
  5. Juridische hardheid eerste lid
  6. Medebewind
  7. Jurisprudentie
  8. Literatuur
  9. Historische versies
 

Editie december 2015

1 Historische ontwikkeling en actuele betekenis

In 1983 bracht de grondwetgever een grondslag voor provinciale en gemeentelijke taakuitoefening in zowel ‘autonomie’ als ‘medebewind’ samen in één artikel. De introductie van dit artikel heeft in dat opzicht bijgedragen aan een zekere mate van stroomlijning tussen de relevante grondwetsbepalingen omtrent taakuitoefening door provincies en gemeenten.[1] Ten aanzien van provincies kan sinds de Grondwet van 1814 worden gewezen op een vrij brede erkenning van hun eigen belangen. “[A]lles, wat tot de gewone inwendige politie (lees: het bestuur, WvdW) en oeconomie behoort”[2], viel onder de zeggenschap van de provincie (in het bijzonder van provinciale staten). Ook de voorlopers van de gemeenten (de stedelijke en plaatselijke besturen) hadden volgens de Grondwet van 1814 “de vrije beschikking over hunne huishoudelijke belangen”.[3] Beide bepalingen werden in 1848 voorzien van een herformulering die betrekkelijk dicht bij de huidige staat, met dien verstande dat in deze bepalingen nog expliciet wordt aangegeven dat de bevoegdheid tot ‘regeling en bestuur’ inzake hun ‘huishouding’ toekomt aan provinciale staten respectievelijk de gemeenteraad.[4] Naast plaatsing van beide artikelen in één bepaling, brengt het eerste lid van het huidige artikel 124 in zoverre verandering dat de taakuitoefening in dit kader wordt toebedeeld aan de minder vastomlijnde ‘besturen’ van provincies en gemeenten.[5] Het had overigens weinig gescheeld of het in dit artikellid centrale begrip ’huishouding’ was in 1983 gesneuveld. In het oorspronkelijke regeringsvoorstel kwam de zinsnede “inzake hun huishouding” niet voor.[6] Onder druk van de Tweede Kamer werd de regering bewogen toch enige clausulering aan te brengen met betrekking tot de vraag waarover de ‘regeling’ en het ‘bestuur’ zich moest uitstrekken. In een Nota van Wijziging werd getracht aan deze bezwaren tegemoet te komen door te spreken van ‘regeling en bestuur inzake openbare belangen’.[7] Ook dit kon de Tweede Kamer niet bekoren, zodat middels amendement werd besloten de door de regering geïntroduceerde clausulering ‘inzake openbare belangen’ te vervangen door het aan de eerdere grondwetten ontleende ‘inzake hun huishouding’ [8]

Ten aanzien van het tweede lid is de grondwettelijke voorgeschiedenis iets diffuser. Voor provincies lag een vorm van medebewind reeds besloten in artikel 86 van de Grondwet van 1814 dat provinciale staten belastte met de uitvoering van “wetten en bevelen omtrent de bevordering van godsdienst, openbaar onderwijs en armbestuur, de aanmoediging van den landbouw, den koophandel, de fabrieken en trafieken”, alsmede met: “alle andere zaken tot de algemeene belangen betrekkelijk, welke aan hen, te dien einde, door den Souvereinen Vorst worden toegezonden”. De Grondwet van 1848 is op dit punt anders van opzet,[9] maar bevat in de kern geen andere regeling. In 1887 wordt de bepaling in zoverre aangescherpt dat duidelijk wordt dat zulks slechts bij wet of bij algemene maatregel van bestuur kan worden gevorderd. Gelet op de systematiek die met diezelfde grondwetsherziening is geïntroduceerd ten aanzien van algemene maatregelen van bestuur, moet wel worden opgemerkt dat overheveling van taken richting provinciale staten bij zelfstandige amvb (dus zonder grondslag in een wet in formele zin) mogelijk bleef.[10]

De Grondwetsherziening van 1887 markeert tevens de eerste grondwettelijke erkenning van de mogelijkheid gemeentebesturen in te schakelen bij de uitvoering van nationaal (en provinciaal) beleid.[11] Het artikel waarin dit gebeurt, luidt nagenoeg hetzelfde als zijn ‘provinciale’ tegenhanger, maar kent daarbij één significant verschil. Anders dan bij provincies (waarbij deze taken expliciet aan provinciale staten werden opgedragen), wordt deze gemeentelijke taakuitoefening niet opgedragen aan de gemeenteraad, maar aan de ‘gemeentebesturen’ opgedragen. Beide artikelen hebben een kleine honderd jaar stand gehouden en werden in 1983 vervangen door het tweede lid van het huidige artikel 124. In dit tweede lid wordt het vorderen van regeling en bestuur bij zelfstandige amvb uitgesloten via de zinsnede “bij of krachtens de wet”. Bovendien is thans ten aanzien van zowel provincies als gemeenten neergelegd dat dit wordt gevorderd van hun ‘besturen’.

Via de band van zowel autonomie als medebewind beschikken provincies en gemeenten over een brede waaier aan taken. Autonome bevoegdheden zijn hierbinnen van betekenis, bijvoorbeeld binnen decentrale financiën, economisch stimuleringsbeleid, openbare orde, sport, cultuur en recreatie. Vergeleken met het negentiende-eeuwse takenpakket van provincies en gemeenten valt niettemin op dat medebewind in de loop der tijden de overhand heeft gekregen. Hoewel sommige auteurs schermen met percentages van 85% van het totale takenpakket,[12] is de precieze omvang van de medebewindstaak voor provincies en gemeenten moeilijk vast te stellen. Dat heeft te maken met de hiervoor aangegeven omstandigheid dat het sowieso moeilijk is een strikte scheiding te maken tussen autonomie en medebewind, maar ook met het simpele gegeven dat op dit vlak tussen provincies respectievelijk gemeenten grote onderlinge verschillen kunnen bestaan. Duidelijk is wel dat de medebewindstaak omvangrijk en divers is. Zonder ook maar enige vorm van volledigheid te betrachten kan gewezen worden op medebewindsvorderende wetgeving op grote beleidsterreinen als sociale zekerheid, volkshuisvesting, ruimtelijke ordening, milieu, onderwijs en zorg, maar ook op kleinere beleidsterreinen als verkiezingen, drank- en horeca, kansspelen, winkeltijden en lijkbezorging.

2 De begrippen autonomie en medebewind

De termen autonomie en medebewind komen in de Grondwet niet voor, maar zijn in het  wetenschappelijke en politieke debat zodanig vergroeid geraakt met de het eerste respectievelijk het tweede lid van artikel 124, dat zij daarin aanzienlijk meer worden gebezigd dan de grondwettelijke termen waarin zij besloten liggen ('overgelaten huishouding' respectievelijk 'gevorderde regeling en bestuur').[13] Mede hierom zal hieronder ook worden gesproken van autonomie en medebewind, zij het dat daarbij verderop nog belangrijke kanttekeningen te plaatsen vallen.
Alvorens dat te doen, moet de aloude oude vraag op tafel worden gelegd of het überhaupt zinvol is dit onderscheid te maken. Hiervoor kunnen in de literatuur twee denklijnen worden ontwaard:

1. Er bestaat niet zoiets als een ‘natuurlijke’ huishouding voor provincies en gemeenten, waardoor autonomie en medebewind eenvoudig inwisselbaar blijken.
2. Het maakt in de praktijk niet steeds uit of de uitoefening van taken en bevoegdheden geschiedt in autonomie of medebewind.

Ad 1. De grondwetgever lijkt in 1848 te zijn uitgegaan van de gedachte dat het begrip ‘huishouding’ voor de verdeling van nationale, provinciale en gemeentelijke taken en bevoegdheden voldoende onderscheidende betekenis had. Daaraan lag de opvatting ten grondslag dat de aard van een taak of een bevoegdheid natuurlijkerwijze dicteerde door welke overheidslaag zij moest worden uitgeoefend. De drie huishoudingen (Rijk, provincie, gemeente) vormden in die optiek drie ‘kringen’ waartussen duidelijke afbakening mogelijk was. Voor bepaalde taken was en is dit inderdaad het geval. Van defensie en buitenlandse betrekkingen kan worden volgehouden dat zij in een staat als de onze in de natuurlijke sfeer van de nationale overheid vallen; voor het verlenen van standplaatsvergunningen op weekmarkten of subsidies aan het plaatselijk verenigingsleven lijkt de gemeentelijke overheid aangewezen. Het probleem met de ‘driekringenleer’ schuilt uiteraard in de talloze grensgevallen. Al in de negentiende eeuw werd dit onderkend.[14] Het werd echter pregnant vanaf het begin van de twintigste eeuw. De opkomst van de verzorgingsstaat leidde ertoe dat sociaal beleid (bijvoorbeeld op het terrein van woningbeleid en armenzorg), nationale prioriteit werd, waar dat zich tot dan toe vooral op gemeentelijk niveau had ontwikkeld.[15] Dit werd ingegeven door de begrijpelijke wens het bestaan van bepaalde randvoorwaarden voor een menswaardig bestaan niet afhankelijk te laten zijn van de gemeente waarin iemand woonde. Wat hieruit volgde, was dat autonomie en medebewind betrekkelijk eenvoudig inwisselbaar bleken. Het genoemde sociale beleid was door veel gemeenten zelf ontwikkeld binnen het kader van hun eigen autonomie. Zij konden echter kennelijk door nationale wetgeving naar de hoogste huishouding worden getrokken, om dezelfde gemeenten vervolgens via medebewind in te schakelen bij het uitvoeren daarvan.[16] Vaak ging dit gepaard met een belangrijke mate van wat wij nu zouden aanduiden als beoordelingsvrijheid, maar dan nu ingekaderd door nationale beleidslijnen.[17]

Ad 2. Het volgende punt haakt aan bij de zojuist genoemde mogelijkheid van ‘vrije’ vormen van medebewind.  Hieruit wordt wel afgeleid dat het in de praktijk niet steeds uitmaakt of de uitoefening van taken en bevoegdheden geschiedt in autonomie of medebewind.[18] Vanuit deze optiek kan worden gesteld dat de mate van vrijheid die gemeenten en provincies ervaren bij veel medebewindstaken zo groot is, dat dit zich niet wezenlijk zou onderscheiden van de vrijheid die zij genieten bij autonome taakuitoefening. Zeker omdat andersom geldt dat autonome taakuitoefening vaak gebonden is aan zoveel beperkende randvoorwaarden (gebrekkige financiële ruimte, toezicht van hogerhand), dat dit niet principieel zou zijn te scheiden van medebewind. Vanuit deze gedachtegang is het aantrekkelijker het geheel aan provinciale en gemeentelijke taken en bevoegdheden te bezien als een schaal waarop deze kunnen worden gerangschikt van minder naar meer (beleids)vrij, zonder ons verder te bekommeren om classificaties in de zin van autonomie en medebewind.
Voor het relativeren van het onderscheid tussen autonomie en medebewind valt op grond van beide redeneringen veel te zeggen. Juristen kunnen zich deze relativering echter niet permitteren, aangezien de Grondwet aan het verschil tussen het eerste en tweede lid van artikel 124 op twee plaatsen rechtsgevolgen verbindt. Zo verbiedt artikel 128 Grondwet bepaalde bevoegdheidstoekenningen als de toe te kennen bevoegdheden vallen onder het eerste lid van artikel 124. Daarnaast maakt het vijfde lid van artikel 132 Grondwet ingrijpen van hogerhand bij provinciale of gemeentelijke taakverwaarlozing eenvoudiger ten aanzien van bevoegdheden die juist kunnen worden geschaard onder het tweede lid van artikel 124. Verder is het verschil ook van substantieel belang nu bij de uitoefening van provinciale en gemeentelijke bestuursbevoegdheden in het geval van autonomie een uitzondering op het legaliteitsbeginsel wordt geaccepteerd, waar dit bij de uitoefening van medebewindsbevoegdheden niet het geval is.

Er zal dus iets aan criteria moeten worden gevonden waardoor autonomie en medebewind van elkaar kunnen worden onderscheiden. Intuïtief lijkt dat betrekkelijk eenvoudig. Autonome taken zijn de 'eigen' taken van provincies en gemeenten; bij de uitoefening van medebewindstaken gaat het om het verlenen van medewerking aan de totstandkoming van landelijk beleid en de implementatie van landelijke regelgeving. Helaas is het niet zo simpel.

Ten behoeve van de bespreking van het verschil tussen autonomie en medebewind is het handzaam drie categorieën van taken en bevoegdheden te identificeren. Het gaat daarbij om de uitoefening van taken en bevoegdheden:

1. zonder grondslag in nationale wetgeving,
2. met een grondslag in een andere wet dan de Provincie- respectievelijk de Gemeentewet of
3. met een grondslag in de Provincie- respectievelijk de Gemeentewet.

Ten aanzien van de eerste categorie is zonneklaar dat dit handelen berust op het eerste lid van artikel 124. Deze vorm van regeling en bestuur is immers aan provincies en gemeenten letterlijk overgelaten (lid 1) en dus niet gevorderd (lid 2). Autonomie is hier inderdaad “de grote uitzondering op het legaliteitsbeginsel”, daar dit handelen niet berust op een specifieke grondslag in een wet in formele zin.[19]

De tweede categorie levert iets meer problemen op. Aan de wijze waarop het vijfde lid van artikel 132 Grondwet nader wordt uitgewerkt in zowel Provincie- als Gemeentewet (zie hieronder), lijken argumenten te kunnen worden ontleend voor de stelling dat bevoegdheidsuitoefening op grond van andere dan deze wetten onder het tweede lid van artikel 124 moet worden geschaard en dus tot het medebewind moet worden gerekend. Dat lijkt eenduidig, maar een belangrijk bezwaar is dat het onderscheid Provincie- respectievelijk Gemeentewet versus alle andere nationale wetgeving wel erg scherp is. Er is wetgeving die qua inhoud zo dicht bij de Provincie- en de Gemeentewet staat, dat het verdedigbaar is deze niet categorisch tot de medebewindsvorderende variant te rekenen. Dergelijke wetgeving heeft namelijk niet als doel bij te dragen aan de uitvoering van nationaal beleid, maar veeleer om bij te dragen aan een fatsoenlijke organisatie van het provincie- en gemeentebestuur an sich. Daarbij kan in ieder geval worden gedacht aan de Wet openbaarheid van bestuur, de Wet financiering decentrale overheden, de Financiële verhoudingswet, de Wet naleving Europese regelgeving publieke entiteiten, de Archiefwet of de Wet gemeenschappelijke regelingen (Wgr).[20] Bijvoorbeeld ten aanzien van die laatste is het merkwaardig dat de bevoegdheid tot het treffen van een gemeenschappelijke regeling louter op grond van de plaatsing in de Wgr (artikel 1) volgens deze benadering medebewind zou zijn. Een hieraan gekoppeld bezwaar kan worden geïllustreerd aan de hand van de overheveling van het burgemeesterlijk gezag bij brand van de Gemeentewet naar de Wet veiligheidsregio’s. Waar dit tot 2010 geregeld was in artikel 173 van de Gemeentewet, is dit artikel omwille van clustering van aanverwante regelgeving, met behoud van nagenoeg dezelfde bewoordingen, overgeheveld naar de in datzelfde jaar tot stand gekomen Wet veiligheidsregio’s (artikel 4).[21] Betekent dit nu dat deze bevoegdheid enkel om die reden in zoverre van kleur is verschoten dat zij van de ene op de andere dag in medebewind zou worden uitgeoefend? Inhoudelijk valt dat niet te staven, omdat de bevoegdheid die de burgemeester in artikel 4 van deze wet wordt toegekend op geen enkele wijze buiten de reguliere uitoefening van gemeentelijke taken valt. (Anders dan andere bevoegdheden in het kader van deze wet betreft het bijvoorbeeld geen bevoegdheid die gemeente-overstijgend is). Dat lijkt een al te vergaande conclusie nu niet valt in te zien waarom precies deze bevoegdheid ineens onder de noemer ‘medeuitvoering van nationaal beleid’ valt.

Een andere vraag is of elke bevoegdheidstoedeling in het kader van nationale beleidsuitoefening – zelfs al vindt dit plaats dat in bijzondere, sectorale, wetgeving – tot het medebewind kan worden gerekend. Daarbij is namelijk niet in alle gevallen sprake van het ‘vorderen’ van regeling en bestuur. Bij wijze van voorbeeld kan worden gewezen op het eerste lid van artikel 25a Drank- en Horecawet, dat luidt: “Bij gemeentelijke verordening kan (curs. WvdW) het bedrijfsmatig of anders dan om niet verstrekken van alcoholhoudende drank in inrichtingen worden verboden of aan beperkingen worden onderworpen”.[22] Dit zogeheten facultatieve medebewind is in zoverre moeilijk te rijmen met het tweede lid van artikel 124 nu het al dan niet vaststellen van deze verordening niet van de gemeenteraad wordt gevorderd, maar het aan hem wordt overgelaten te bepalen of zulks noodzakelijk is. Of dit moet worden beschouwd als medebewind[23] of toch als autonomie[24] wordt verschillend beoordeeld. De vraag lijkt daarbij te zijn of vooral wordt gekeken naar het bredere verband waarbinnen deze bevoegdheid wordt verleend (het nationale wettelijke kader rondom drank en horeca, waaraan wel degelijk medewerking moet worden verleend) of de specifieke bevoegdheid op zich (die inderdaad facultatief geformuleerd is). In het eerste geval ligt de conclusie voor de hand dat dit medebewind betreft, in het tweede ligt autonomie meer voor de hand.

De derde categorie is het meest problematisch. Met name hier speelt een rol dat de vertaling van de beide leden van artikel 124 naar de meer gangbare termen ‘autonomie’ en ‘medebewind’ niet geheel sluitend is. Autonomie wordt in het eerste lid namelijk vooral gedefinieerd in materiële zin (middels het begrip ‘huishouding’), terwijl medebewind een meer formele uitwerking kent (er moet sprake zijn van het vorderen van regeling en bestuur).[25] De hierboven geschetste intuïtieve benadering, sluit beter aan bij een redeneerwijze die het vertrekpunt neemt in de meer materiële interpretatie van het begrip ‘huishouding’. Hierin ligt het voor de hand taken en bevoegdheden die rechtstreeks voorvloeien uit Provincie- respectievelijk Gemeentewet te beschouwen als ‘eigen’ taken en bevoegdheden en dus als uitwerking van provinciale en gemeentelijke autonomie. Dit betreft bijvoorbeeld de openbare orde bevoegdheden van de burgemeester op grond van artikel 172 e.v. Gemeentewet of de bevoegdheid van de gemeenteraad om verordeningen vast te stellen ten aanzien van prostitutie, veiligheidsrisicogebieden, cameratoezicht, bestuurlijke ophouding of parkeerbelasting (artikel 151a tot en met 151c, 154a en 225 jo. 216 Gemeentewet). Ten aanzien van deze bevoegdheden is het moeilijk vol te houden dat het hier zou gaan om het mede ten uitvoer brengen van nationaal beleid. Een tegengestelde benadering vertrekt vanuit medebewind en leidt doorgaans tot een meer tekstuele interpretatie, waarbij de formele vraag wordt gesteld of sprake is van het vorderen van regeling en bestuur. In dat geval zou kunnen worden betoogd dat het ook in de genoemde voorbeelden gaat om gemeentelijke taakuitoefening die bij wet, in casu de Gemeentewet, wordt gevorderd en derhalve onder de werking van het tweede lid van artikel 124 valt en er in dat geval volgens de daaraan gekoppelde terminologie sprake zou zijn van medebewind. Met een beroep op de wijze waarop de wetgever invulling heeft gegeven aan het vijfde lid van artikel 132 Grondwet, kan deze laatste gedachtegang worden verworpen. Zonder teveel op het commentaar op dit grondwetsartikel vooruit te lopen, kan alvast worden opgemerkt dat bij provinciale of gemeentelijke taakverwaarlozing eerder kan worden ingegrepen van hogerhand als de taken die verwaarloosd worden, vallen binnen het bereik van het tweede lid van artikel 124. Regelingen voor dit ingrijpen zijn in zowel de Provinciewet (artikel 120 e.v.) als de Gemeentewet (artikel 123 e.v.) opgenomen. Bij het ontwerpen van deze regelingen ontkwam de wetgever er niet aan nadere aanduiding te geven van die gevallen waarin sprake was handelen op grond van artikel 124, tweede lid. De invulling die daaraan in beide wetten is gegeven, komt erop neer dat ingrijpen slechts mogelijk is bij handelingen die worden gevorderd “krachtens een andere dan deze wet (lees: de Provincie- respectievelijk Gemeentewet, WvdW)”.

Dit is overigens niet zonder slag of stoot gegaan. In het oorspronkelijke regeringsvoorstel dat ten grondslag lag aan de herziening van de Gemeentewet in 1994 werd in eerste instantie geen onderscheid gemaakt tussen gevorderd handelen op grond van Provincie- en Gemeentewet en gevorderd handelen op grond van andere wetten.[26] Hieruit bleek dat de regering handelen op grond van eerstgenoemde wetten wel degelijk onder het tweede lid van artikel 124 schaarde (de formele benadering). Mede door middel van een amendement-Schutte werd het onderscheid alsnog ingevoerd (de materiële benadering).[27] Op grond van deze parlementaire geschiedenis en het feit dat de formele wetgever dit punt nadrukkelijk en bij vol bewustzijn heeft geadresseerd, wordt breed aangenomen dat artikel 124, tweede lid, zo moet worden geïnterpreteerd dat handelen op grond van de Provincie- respectievelijk Gemeentewet in ieder gevalniet onder medebewind moet worden geschaard.[28] Als dit geen medebewind betreft, is de vervolgvraag: wat is het dan wel? Uitgaande van de vooronderstelling dat alles wat geen medebewind is automatisch autonomie moet zijn, concluderen sommige auteurs aldus. Anderen wijzen erop dat het ook mogelijk is dat bepaalde taken in autonomie noch medebewind worden uitgeoefend, waarmee als het ware een tussenvorm wordt geïntroduceerd. Dit is het punt waarop het debat uiteindelijk vastloopt. Er zijn goede – wederom meer intuïtieve – argumenten te geven voor de eerste benadering. Er zijn echter eveneens goede – wederom aan de tekst van het eerste lid te ontlenen– argumenten voor  de tweede benadering. Immers, de verplichtingen uit de Provincie- en Gemeentewet worden hierin nu ook niet geheel aan provincie- en gemeentebesturen “overgelaten”. Voor de nadere uitwerking van artikel 132, vijfde lid, maakt dit verder weinig uit. Daarvoor volstaat te kunnen afbakenen wat in ieder geval onder medebewind valt. Voor de nadere uitwerking van artikel 128 Grondwet is dit wel problematisch, aangezien daar nadrukkelijk wordt verwezen naar het eerste lid van artikel 124. De wettelijke uitwerking van artikel 128 heeft wel tot debat geleid, zij het niet op dit punt, zodat hieruit nauwelijks enig interpretatief richtsnoer kan worden gedestilleerd.

3 Omvang provinciale en gemeentelijke autonomie

Bovenstaande discussie maakt het moeilijk antwoord te geven op de vraag waarover provinciale en gemeentelijke autonomie zich uitstrekt. Als gezegd betreft deze autonomie in ieder geval die onderdelen van het provinciale en gemeentelijke beleid die geen grondslag kennen in formele wetgeving (Provinciewet, Gemeentewet of anderszins). Omdat deze categorie niet nader omlijnd is, is de omvang van deze autonomie afhankelijk van de mate waarin provincies en gemeenten bepaalde bevoegdheden op zich hebben genomen. Met name gemeenten doen dit en zulks is – in weerwil van het legaliteitsbeginsel – toegestaan zo lang daarbij niet de grenzen van het (overige) recht of van het algemeen belang geschonden worden (zie ook het vierde lid van artikel 132). Gemeentelijk beleid ten aanzien van bijvoorbeeld infrastructuur, stimulering van de lokale economie, cultuur, sport en recreatie valt op zijn minst gedeeltelijk in deze categorie. Dit beleid kan worden vormgegeven middels verordeningen (bijvoorbeeld subsidieverordeningen), maar ook via bestuurshandelingen (bijvoorbeeld besluitvorming omtrent de bouw van een nieuwe schouwburg, sportstadion of parkeergarage).
De onbepaaldheid van deze categorie zorgt ervoor dat zeker de gemeentelijke huishouding kan worden aangeduid als een ‘open huishouding’. Vanuit gemeentelijk perspectief kan dit positief worden beoordeeld. Mits zij zich houden aan de grenzen die bijvoorbeeld worden opgeworpen door nationale of internationale grondrechten en de wetgeving die daarvan de uitwerking is op grond van de geldende beperkingssystematiek, biedt het gemeentebesturen de vrijheid invulling te geven aan hun eigen beleidsprioriteiten. Het mes snijdt echter aan twee kanten. De openheid van de huishouding biedt de formele wetgever namelijk evenzeer de mogelijkheid deze beleidsterreinen aan zich te trekken, aangezien geen grondwettelijke barrière is opgeworpen die zulks ondubbelzinnig blokkeert (zie verder onder paragraaf 5).[29]

Voor provincies is het überhaupt de vraag of hun huishouding wel zo open is. Bij elk specifiek beleidsterrein dat provinciebesturen op zich zouden willen nemen, is de kans namelijk groot dat zij in nationaal of gemeentelijk vaarwater terechtkomen. Het regeerakkoord dat ten grondslag lag aan het tweede kabinet-Rutte gaat er dan ook van uit dat provincies een ‘materieel gesloten huishouding’ kennen. Uiteraard kan een Grondwetsbepaling niet via een regeerakkoord van een dergelijk beperkende interpretatie worden voorzien.[30] Toegegeven moet niettemin worden dat de provinciale autonomie buitengewoon beperkt is, zeker in een definitie van autonomie waarin verplichtingen die rechtstreeks voortvloeien uit de Provinciewet niet zouden worden meegenomen (zie vorige paragraaf).

4 Uitoefening autonome bevoegdheden

Het eerste lid van artikel 124 gaat ervan uit dat regeling en bestuur ten aanzien van de eigen huishouding wordt overgelaten aan de “besturen” van provincies en gemeenten. Welke organen van deze besturen deel uitmaken en wat hun onderlinge verhouding is, komt nadrukkelijk aan de orde in het commentaar bij artikel 125. Voor de vraag welke provinciale of gemeentelijke organen belast zijn met de uitoefening van autonome taken, wordt hiernaar verwezen.

Wel moet nog iets worden opgemerkt over het soort autonome taken dat het eerste lid van artikel 124 onderscheidt. In dit lid wordt gesproken van "regeling en bestuur". Deze termen stammen uit de Grondwet van 1848 en sluiten niet noodzakelijkerwijs aan bij in de huidige tijd gangbare terminologie. Onder regeling hoeft dan ook niet louter de vaststelling van algemeen verbindende voorschriften te worden verstaan, maar kan eveneens worden gedacht aan beleidsregels. Ook het begrip “bestuur” kan betrekkelijk breed worden getrokken. Daartoe kan ook worden gerekend het verrichten van feitelijke handelingen of privaatrechtelijke rechtshandelingen ter behartiging van publieke belangen.

5 Juridische hardheid autonomie

Al in 1940 concludeerde Van der Pot dat de omvang van de provinciale en gemeentelijke autonomie “nog maar ten deele een rechtsvraag, in veel meerdere mate een vraag van doelmatigheid [is]”. Deze doelmatigheidsvraag werd volgens hem bovendien “beslist (…) door het hoogere lichaam ten opzichte van het lagere”.[31] Gelet op de eerder geconstateerde ‘openheid’ van met name de gemeentelijke huishouding, moet inderdaad worden toegegeven dat de grondwettelijke verankering van de autonomie wordt gekenmerkt door een hoog beginselmatig karakter. Het is een beginsel dat aan provincies en gemeenten zoveel mogelijk hun eigen taken worden overgelaten, maar het ontbreekt aan duidelijke richtsnoeren voor het bepalen wat deze eigen taken zijn. Omdat een toetsende rechter ontbreekt (zie artikel 120 Grondwet), is het vooral aan de formele wetgever om hieraan invulling te geven. Daarmee is niet gezegd dat autonomie in het parlementaire debat een verwaarloosbare grootheid zou zijn. Provinciale en gemeentelijke autonomie speelde bijvoorbeeld een belangrijke rol bij de recente totstandkoming van de Wet houdbare overheidsfinanciën.[32] Het betekent wel dat het pleit in dergelijke gevallen uiteindelijk wordt beslecht door wetgevende organen waarbinnen de dragers van die autonomie niet rechtstreeks vertegenwoordigd zijn. Men komt in dit verband wel pleidooien tegen om de autonomie sterker juridisch te articuleren, bijvoorbeeld door het eerste lid van artikel 124 zodanig te herformuleren dat de wetgever verplicht wordt onderdelen van deze autonomie (al dan niet limitatief) te benoemen.[33] Vooralsnog onderneemt de (grond)wetgever geen stappen in deze richting.

Ook het in 1985 tot stand gekomen Europees Handvest inzake lokale autonomie[34] verandert weinig aan deze conclusie. In dit verdrag, dat is gesloten binnen het verband van de Raad van Europa, verbinden de lidstaten zich verbonden tot het garanderen van een bepaalde mate van “self-government”. De wijze waarop dit in juridische termen is gegoten, is echter dermate algemeen dat het voor lokale overheden nauwelijks mogelijk is hieraan harde aanspraken te ontlenen. Dit laat zich het beste illustreren door de rechtszaken die de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) heeft gevoerd tegen de Staat der Nederlanden rondom de afschaffing van het gebruikersdeel van de onroerende zaakbelasting. De VNG betoogde dat de Staat met deze afschaffing niet langer voldeed aan het in het derde lid van artikel 9 neergelegde vereiste dat ‘ten minste een deel van de financiële middelen’ afkomstig moest zijn uit door gemeenten te heffen belastingen. De rechtbank kwam tot het oordeel dat dit artikellid niet kon worden beschouwd als een een ieder verbindende verdragsbepaling in de zin van artikel 94 Grondwet, omdat het te algemeen geformuleerd zou zijn.[35] Of deze redenering sluitend is, wordt betwijfeld.[36] In hoger beroep liet het Hof de vraag naar een ieder verbindendheid buiten beschouwing.  Ten aanzien van de norm ‘ten minste een deel van de financiële middelen’ gaf het Hof wel aan dat deze “te vaag en onvoldoende gepreciseerd [is] om … door de rechter als rechtsnorm te kunnen worden toegepast” en dat de rechter niet “bevoegd of in staat [is] om aan deze vage norm invulling te geven door deze op bijvoorbeeld 15, 25 of 50% vast te stellen”.[37] Het Handvest voorziet niet in nadere vormen van rechtsbescherming, zodat dergelijke uitleg door nationale rechters in de praktijk doorslaggevend is.

6 Medebewind

Over de omvang van het gemeentelijke en provinciale medebewind is reeds het nodige opgemerkt aan het slot van paragraaf 1. Hieronder zal dan ook vooral worden stilgestaan bij de wijze waarop de uitoefening van medebewindsbevoegdheden juridisch in het vat gegoten wordt. Zoals gezegd valt ook in de aard van het medebewind de nodige diversiteit te ontwaren. Er zijn voorbeelden van 'mechanisch' medebewind, waarbij het gemeentebestuur weinig anders te doen staat dan het naar de letter uitvoeren van de wet. Zulks is bijvoorbeeld het geval ten aanzien van het medebewind dat van gemeentebesturen (met name van burgemeesters) wordt gevorderd krachtens de Kieswet, waarbij deze logischerwijs hebben te bewerkstelligen dat verkiezingen in heel Nederland op gelijke wijze worden georganiseerd. Daarnaast bestaat ook meer 'vrij' medebewind, waarbij de invulling van de wettelijk opgedragen taak in meerdere of mindere mate aan provincie- en gemeentebesturen wordt overgelaten. Dit komt vooral voor in het ruimtelijk ordeningsrecht. Een en ander moet overigens worden onderscheiden van het facultatieve medebewind, waarvan het überhaupt de vraag is of dit tot medebewind moet worden gerekend (zie paragraaf 2).

De laatste jaren is een aantal taken 'gedecentraliseerd'. Dat wil zeggen dat taken die voorheen werden uitgeoefend door de nationale (of provinciale) overheid, thans worden uitgeoefend door gemeenten (decentralisatie van taken naar provincies is de laatste tijd zeldzamer). Decentralisatie wordt wel gepresenteerd als een manier om de zeggenschap van gemeenten te vergroten. Voor zover dit het geval is, bestaat deze grotere zeggenschap doorgaans niet in de vorm van autonomie. Dergelijke taken worden namelijk gedecentraliseerd middels taakstellingen en bevoegdheidsverlening in formele wetgeving, die op zijn minst de randvoorwaarden van het door gemeenten te voeren beleid bevatten. Zodoende zijn deze decentralisaties vrijwel zonder uitzondering te kenschetsen als medebewind. Dat geldt ook voor de grootschalige decentralisatie van bevoegdheden op het terrein van jeugdzorg, de zorg voor langdurig zieken en ouderen en de arbeidsparticipatie in 2015 (de ‘decentralisaties in het sociale domein’. Had de wetgever ervoor willen kiezen de gemeentelijke autonomie te vergroten, dan had eerder moeten worden gekozen voor het afschaffen van nationale wetgeving en het aan gemeentebesturen overlaten of en op welke wijze zij hieraan invulling wensen te geven. Ten aanzien van de decentralisaties in het sociale domein is het overigens terecht dat dit niet gebeurd is.

Medebewind wordt volgens het tweede lid van artikel 124 gevorderd bij of krachtens de wet. De gehanteerde terminologie staat toe dat de wetgever het vorderen van medebewind delegeert aan 'lagere' regelgevers. Dit kan aan de regering of aan individuele ministers, maar voor gemeenten komt daarbij eveneens de mogelijkheid dat medebewind wordt gevorderd door de provincie, zolang hiervoor een wettelijke grondslag bestaat. Dit laatste kan worden geconstrueerd via artikel 146 Provinciewet, dat deze mogelijkheid inderdaad opent. Of het hiermee mogelijk is dat het provinciebestuur in een autonome verordening medebewind van gemeentebesturen vordert, is onderwerp van discussie.[38] Betoogd kan worden dat de grondwettelijke terminologie delegatie van de medebewindsvorderende bevoegdheid weliswaar toestaat, maar dat zij niet de mogelijkheid voor blanco-delegatie zou openen. Vanuit die optiek zouden in de delegerende wet op zijn minst de randvoorwaarden van het uiteindelijk te realiseren beleid moeten worden opgenomen, hetgeen zou betekenen dat in die gevallen niet alleen de gemeente, maar ook de provincie tot medebewind geroepen is.

De vraag onder wiens verantwoordelijkheid medebewindstaken worden uitgeoefend wordt thans anders beantwoord dan vroeger. Voorheen was het uitgangspunt dat medebewindstaken onder verantwoordelijkheid van de nationale overheid werden uitgeoefend, omdat deze overheid kon worden gezien als de uiteindelijke ‘opdrachtgever’. Hieruit volgde dat de organen die het medebewind uitoefenden (veelal gedeputeerde staten respectievelijk het college van burgemeester en wethouders) geen verantwoording schuldig waren aan de vertegenwoordigende organen in hun overheidslichaam (provinciale staten respectievelijk de gemeenteraad), maar slechts aan vertegenwoordigers van de Staat (veelal de betrokken minister). Daaruit volgde eveneens dat eventuele civielrechtelijke aansprakelijkheid die zou voortvloeien uit de uitoefening van medebewindstaken niet bij provincies en gemeenten, maar bij de Staat rustte. Door dit laatste trok de Hoge Raad in 1950 een streep. Blijkens de Haarlemmermeer-jurisprudentie, moest vanaf dat moment worden aangenomen dat ook in het geval van medebewind, taken en bevoegdheden werden uitgeoefend onder verantwoordelijkheid (en dus ook aansprakelijkheid) van provincies en gemeenten zelf.[39] In het voetspoor daarvan zijn Provincie- respectievelijk Gemeentewet zodanig aangepast dat ten aanzien van deze taken ook een politieke verantwoordelijkheid geldt van de organen die het medebewind uitvoeren ten opzichte provinciale staten respectievelijk de gemeenteraad.[40] Hierop bestaat thans nog één belangrijke uitzondering. Dit betreft de taken die de commissaris van de Koning uitoefent op grond van artikel 126 Grondwet en de daarop gebaseerde Ambtsinstructie (zie verder het commentaar bij artikel 126).

Ook het tweede lid van artikel 124 kent de bevoegdheid tot het uitoefenen van taken en bevoegdheden in medebewind toe aan de besturen van provincies en gemeenten. De vraag  hoe deze worden verdeeld over de organen die van deze besturen deel uitmaken zal – net als bij autonomie – aan de orde worden gesteld in het commentaar bij artikel 125.

7 Jurisprudentie

- Rb ’s-Gravenhage 18 april 2007, Gst. 2007, 115 (ECLI:NL:RBSGR:2007:BA3438) en Hof ’s-Gravenhage 10 juli 2008, Belastingblad 2008/993 (VNG/Staat der Nederlanden)
- HR 16 juni 1950, NJ 1951, 653 (Haarlemmermeer)

8 Literatuur

Aan artikel 124 Grondwet wordt ruimschoots aandacht besteed in de algemene gemeenterechtelijke literatuur, zoals opgesomd in de algemene inleiding bij dit hoofdstuk van de Grondwet. Kernpublicaties die specifiek handelen over aspecten die in dit commentaar aan de orde zijn gesteld, zijn:

- J.L.W. Broeksteeg, De provincie als geketende reus. Over de vorming van landsdelen en het sluiten van de huishouding, in: Ars Aequi, februari 2014, p. 101-109
- A.H.M. Dölle, Wie doet de huishouding? Enkele beschouwingen over art. 124 lid 1 Grondwet, W.E.J. Tjeenk Willink – Deventer 1999
- D.J. Elzinga, Hoofdstuk 7 en de aard en mate van decentralisatie, in: P.P.T. Bovend’Eert e.a., Constitutionele normen en decentralisatie. Een evaluatie van Hoofdstuk 7 Grondwet, Kluwer – Deventer 2011
- W. Konijnenbelt, Medebewind of geen medebewind? Of: een vals debat, in: Gst. 2008, 130
- C.A.J.M. Kortmann, Autonomie. Droom en Werkelijkheid, in: Gst. 2007, 35
- Raad voor het openbaar bestuur, Autonoom of automaat? Advies over gemeentelijke autonomie, Den Haag, augustus 2005

9  Historische versies

Eerste lid (provincies):
Art. 88, eerste lid, Gw. 1814: Aan gemelde Staten wordt geheel en al overgelaten de beschikking en beslissing van alles, wat tot de gewone inwendige policie en oeconomie behoort.
Art. 146, eerste volzin, Gw. 1815: Aan de Staten wordt geheel en al overgelaten de beschikking en beslissing van alles wat tot de gewone inwendige policie en oeconomie behoort (art. 144, eerste volzin, Gw. 1840).
Art. 131, eerste lid, Gw. 1848: Aan de Staten wordt de regeling en het bestuur van het provinciaal huishouden door de wet overgelaten.
Art. 134, eerste lid, Gw. 1887: Aan de Staten wordt de regeling en het bestuur van de huishouding der provincie overgelaten (art. 136, eerste lid, Gw. 1938; art. 143, eerste lid, Gw. 1953).
 
Eerste lid (gemeenten):
Art. 94 Gw. 1814: De besturen van Steden, Districten, Heerlijkheden en Dorpen hebben, overeenkomstig den inhoud hunner reglementen, de vrije beschikking over hunne huishoudelijke belangen en maken daaromtrent de vereischte plaatselijke bepalingen.
Art. 155, eerste lid, Gw. 1815: De plaatselijke besturen hebben overeenkomstig den inhoud hunner reglementen, de vrije beschikking over hunne huishoudelijke belangen, en maken daaromtrent de vereischte plaatselijke verordeningen, welke echter in geen geval met de algemeene wetten of het algemeen belang strijdig mogen zijn (art. 153, eerste lid, Gw. 1840).
Art. 140, eerste volzin, Gw. 1848: Aan den raad wordt de regeling en het bestuur van de huishouding der gemeente overgelaten (art. 144, eerste lid, Gw. 1887; art. 146, eerste lid, eerste volzin, Gw. 1938; art. 153, eerste lid, eerste volzin, Gw. 1953).
 
Tweede lid (provincies):
Art. 86 Gw. 1814: Dezelve Staten worden belast met de uitvoering der wetten en bevelen omtrent de bevordering van godsdienst, openbaar onderwijs en armbestuur, de aanmoediging van den landbouw, den koophandel, de fabrieken en trafieken, en voorts omtrent alle andere zaken tot de algemeene belangen betrekkelijk, welke aan hen, te dien einde, door den Souvereinen Vorst worden toegezonden.
Art. 145 Gw. 1815: De Staten worden belast met de uitvoering der wetten opzigtelijk de bescherming der verschillende godsdienstige gezindheden, en derzelver uitwendigen eeredienst, het openbaar onderwijs en armbestuur, de aanmoediging van den landbouw, den koophandel, de fabrijken en trafijken, en voorts omtrent alle andere zaken tot de algemeene belangen betrekkelijk, welke aan hen te dien einde door den Koning worden toegezonden (art. 143 Gw. 1840).
Art. 130 Gw. 1848: De Staten worden belast met de uitvoering der wetten en koninklijke bevelen, betrekkelijk tot die takken van algemeen binnenlandsch bestuur, welke de wet zal aanwijzen, en zoodanige andere bovendien, welke de Koning goedvindt hun op te dragen.
Art. 135 Gw. 1887: Wanneer de wetten of de algemeene maatregelen van bestuur het vorderen, verleenen de Staten hunne medewerking tot uitvoering daarvan (art. 137 Gw. 1938; art. 144 Gw. 1953).
 
Tweede lid (gemeenten):
Art. 155, tweede lid, Gw. 1815: Zij zenden afschriften van dezelve aan de Staten der Provincien, blijvende het voorts den Koning onverlet, om ten allen tijde inzage te vorderen, en zoodanige bevelen te geven, als hij vermeent te behooren (art. 153, tweede lid, Gw. 1840).
Art. 144, derde lid, Gw. 1887: Wanneer de wetten, algemeene maatregelen van bestuur of provinciale verordeningen het vorderen, verleenen de gemeentebesturen hunne medewerking tot uitvoering daarvan (art. 146, derde lid, Gw. 1938; art. 153, derde lid, Gw. 1953).
  

Noten

  1. In dat kader kan eveneens worden gewezen op artikel 127 en artikel 132, zesde lid.
  2. Artikel 88 Grondwet 1814.
  3. Artikel 94 Grondwet 1814.
  4. Zie artikel 131 respectievelijk 140 Grondwet 1848.
  5. Zie verder paragraaf 4.
  6. Kamerstukken II, 1975-1976, 13 990 nr. 2.
  7. Kamerstukken II, 1978-1979, 13 990 nr. 10.
  8. Kamerstukken II, 1978-1979, 13 990 nr. 19.
  9. Zo laat artikel 130 Grondwet 1848 de opsomming van beleidsterreinen waarover medebewind zich in ieder geval kon uitstrekken achterwege. Bij de grondwetsherzieningen van 1815 en 1840 bleef de oorspronkelijke bepaling goeddeels overeind. Uiteraard werd sinds 1815 gesproken van de Koning en niet langer van de Souvereine Vorst.
  10. Artikel 135 van de Grondwet van 1887 luidde: “Wanneer de wetten of de algemeene maatregelen van bestuur het vorderen, verleenen de Staten hunne medewerking tot uitvoering daarvan.”
  11. Gesproken wordt van ‘erkenning’ aangezien medebewind (destijds aangeduid met de wat verwarrende term ‘zelfbestuur’) al bestond op grond van de Gemeentewet van 1851 (artikel 126 Gemeentewet-1851). Zie ook P.J. Oud, Handboek voor het Nederlands Gemeenterecht. Deel I, W.E.J. Tjeenk Willink, Zwolle 1956, p. 24.
  12. Zie bijvoorbeeld D.J. Elzinga, Lokale autonomie verder onder druk, in: Binnenlands Bestuur, 15 januari 2010.
  13. Zie voor een nadrukkelijk hieraan tegengestelde opvatting W. Konijnenbelt, Medebewind of geen medebewind? Of: een vals debat, in: Gst. 2008, 130.
  14. Zie bijvoorbeeld J.T. Buijs, De Grondwet. Tweede deel, Gouda Quint, Arnhem 1887, p. 179 e.v.
  15. Als beginpunt van deze ontwikkeling wordt veelal gewezen op de totstandkoming van de Woningwet in 1901 (Wet van 22 juni 1901, Stb. 1901, 158).
  16. Deze tendens werd al geconstateerd door Labberton in 1909. Zie J.H. Labberton, De Gemeente als rechtsorgaan in haar verhouding tot den Staat, Van Cleef, ’s-Gravenhage 1909, p. 88. Zie verder ook C.W. van der Pot, Handboek van het Nederlandsche staatsrecht, W.E.J. Tjeenk Willink, Zwolle 1940 (eerste druk), p. 462 e.v. Een naam die hier evenmin onvermeld mag blijven, is die van Van Poelje. Zie G.A. van Poelje, De Nederlandsche gemeente. Een inleiding tot de kennis van haar bestuur en beheer. Deel I, W.E.J. Tjeenk Willink, Zwolle 1921, p. 18 e.v.
  17. Of waarin, in de woorden van Kortmann: “het doel van de activiteit (…) gefixeerd [is]”. Zie C.A.J.M. Kortmann, Autonomie. Droom en Werkelijkheid, in Gst. 2007, 35.
  18. Zie bijvoorbeeld W. Derksen en L. Schaap, Lokaal Bestuur, Convoy Uitgevers B.V. Dordrecht, zesde druk 2010, p. 102 e.v.
  19. A.H.M. Dölle, Wie doet de huishouding? Enkele beschouwingen over art. 124 lid 1 Grondwet, W.E.J. Tjeenk Willink – Deventer 1999, p.8.
  20. Zie vooral H.Ph.J.A.M. Hennekens e.a., Decentralisatie, Ars Aequi Libri, Nijmegen, vierde druk 1998, p. 28.
  21. Wet van 11 februari 2010, Stb. 2010, 145.
  22. Zie voor een ander voorbeeld artikel 6 Wet geurhinder en veehouderij.
  23. Zie H.Ph.J.A.M. Hennekens e.a., Decentralisatie, Ars Aequi Libri, Nijmegen, vierde druk 1998, p. 18.
  24. Zie W. Konijnenbelt in zijn noot onder ARRvS 11 september 1984, Gst. 6786, 6.
  25. Zie W. Konijnenbelt, Naschrift: Autonomie en medebewind revisited, in: Gst. 2008, 140.
  26. Kamerstukken II, 1985-1986, 19 403 nr. 2, p. 23.
  27. Kamerstukken II, 1990-1991, 19 403 nr. 72 (2e herdruk). Het door dit amendement gemaakte onderscheid – tussen de Provincie respectievelijk de Gemeentewet enerzijds en ‘bijzondere wetten’ anderzijds – kon niet op instemming van de Eerste Kamer rekenen. Door middel van de Invoeringswet Gemeentewet (Wet van 26 november 1993, Stb. 1993, 611) werd de hierboven weergegeven formulering (‘andere dan deze wet’) aangenomen.
  28. H.Ph.J.A.M. Hennekens, Kennis van decentralisatierecht: onder nul?, in: Gst. 2008, 106. Zie overigens ook Konijnenbelt die eveneens van mening is dat het hier niet gaat om taakuitoefening in medebewind, maar deze taakuitoefening wel onder artikel 124, tweede lid, schaart vanuit de overtuiging dat dit artikellid een breder bereik kent dan uitsluitend medebewindsbevoegdheden. W. Konijnenbelt, Medebewind of geen medebewind? Of: een vals debat, in Gst. 2008, 130.
  29. Zie A.H.M. Dölle, Wie doet de huishouding? Enkele beschouwingen over art. 124 lid 1 Grondwet, W.E.J. Tjeenk Willink, Deventer 1999, p. 20 e.v.
  30. Zie J.L.W. Broeksteeg, De provincie als geketende reus. Over de vorming van landsdelen en het sluiten van de huishouding, in: Ars Aequi, februari 2014, p. 101-109. Zie voorts de brief van de VNG aan de kabinetsinformateur, 20 december 2006 (waarin een gesloten provinciale huishouding wordt bepleit) en de tegenreactie daarop van de Raad voor het openbaar bestuur en de Raad voor de financiële verhoudingen (brief aan de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 21 februari 2007.
  31. C.W. van der Pot, Handboek van het Nederlandsche staatsrecht, W.E.J. Tjeenk Willink, Zwolle 1940 (eerste druk), p. 465.
  32. Zie W. van der Woude, Houdbare overheidsfinanciën en gemeentelijke autonomie. Hoe Europese begrotingsnormen interbestuurlijke verhoudingen raken, in: AA 2013, 916.
  33. Zie A.H.M. Dölle, Wie doet de huishouding? Enkele beschouwingen over art. 124 lid 1 Grondwet, W.E.J. Tjeenk Willink – Deventer 1999, p.22.
  34. Trb. 1987, 63.
  35. Rb ’s-Gravenhage 18 april 2007, Gst. 2007, 115.
  36. Zie de noot van R.J.B. Schutgens en J.J.J. Sillen onder bovengenoemde uitspraak.
  37. Hof ’s-Gravenhage 10 juli 2008, Belastingblad 2008/993.
  38. Zie A.M.M. Dölle en D.J. Elzinga m.m.v. J.W.M. Engels, Handboek van het Nederlandse gemeenterecht, Kluwer, derde druk 2004, p. 151.
  39. HR 16 juni 1950, NJ 1951, 653.
  40. Althans, voor zover dit medebewind niet door provinciale staten respectievelijk de gemeenteraad zelf wordt uitgeoefend.

 

  • Citeer
    Citeer suggestie
    W. van der Woude, Commentaar op artikel 124 van de Grondwet, in: E.M.H. Hirsch Ballin en G. Leenknegt (red.), Artikelsgewijs commentaar op de Grondwet, webeditie 2017 (www.Nederlandrechtsstaat.nl).
  • Deel
  • PDF
  • Terug
MEER OVER DIT ONDERWERP
THEMA IN HET KORT
ACHTER-GRONDEN
Reageer!
Thema in het kort

Autonomie en medebewind

Gemeente- en provinciebesturen beschikken over twee soorten bevoegdheden. Ten eerste zijn zij bevoegd tot regeling en bestuur van hun ‘huishouding’, ofwel de eigen aangelegenheden – ook wel autonomie genoemd. Ten tweede kunnen zij van een ander, hoger bestuur de opdracht krijgen mee te werken aan de uitvoering van overheidstaken, door het stellen van nadere regels of het uitvoeren van hogere regels – ook wel medebewind genoemd.
 
De Grondwet geeft niet aan wat de ‘huishouding’ van de provincies en gemeenten inhoudt. Autonome bevoegdheden van provincies en gemeenten zijn daardoor een restcategorie. De meeste belangrijke zaken worden door de rijksoverheid geregeld. In veel gevallen worden daarbij taken in medebewind aan provincies en gemeenten opgedragen. Vooral gemeenten hebben tegenwoordig veel van dergelijke medebewindstaken. Alles wat dan overblijft en om regelgeving of bestuurshandelen vraagt, behoort tot de autonome bevoegdheden van de decentrale besturen.
 
Deze constructie is kenmerkend voor een gedecentraliseerde eenheidsstaat: de wetgever bepaalt immers uiteindelijk welke bevoegdheden de decentrale besturen hebben. Wanneer de eenheid van het overheidsbeleid het nodig maakt dat op rijksniveau regels worden gesteld en beslissingen worden genomen, kan de wetgever dat altijd besluiten te doen; wanneer de wetgever oordeelt dat decentrale besturen bepaalde zaken beter kunnen regelen dan hijzelf, kan hij die zaken opdragen of overlaten aan die besturen. Decentrale besturen kunnen dan bij het vaststellen van regels en het nemen van besluiten rekening houden met regionale en lokale omstandigheden en behoeften.

Plaats Uw Reactie

*Verplicht invulveld straks zijn alleen uw naam en reactie zichtbaar.

Er kan enige tijd overheengan tot uw reactie zichtbaar is.

Reageer!

Autonomie en medebewind

0 reacties
Klassieke uitspraken
Recente Recht- spraak
Politiek
Klassieke uitspraken

Autonomie en medebewind

Klassieke uitspraken

Hier leest u de klassieke uitspraken over artikel 124 van de Grondwet

Wilnisser Visser

13 februari 1922, NJ 1922
Een in een Algemene plaatselijke verordering opgenomen verbod is onverbindend, als de raad de benedengrens van zijn autonome wetgevende bevoegdheid overschrijdt.


Maastrichts schakelkasje

HR-09-01-1968

De HR bepaalt dat bepalingen van Algemene Plaatselijke Verordeningen onverbindend zijn wanneer ze van toepassing zijn op gedragingen die elk karakter van openbaarheid missen.
Recente rechtspraak

Autonomie en medebewind

Politiek

Autonomie en medebewind

Video
Blogs
IN DE WERELD
Video

Autonomie en medebewind

"Yes minister" over autonomie
"Yes minister" over autonomie van lokaal bestuur
Blogs

Autonomie en medebewind

In de wereld

Autonomie en medebewind