CATEGORIE
  • CATEGORIE
  • Adviesorganen
  • Burgerrechten
  • Decentralisatie
  • Eigendom
  • Gelijkheid
  • Godsdienst en levensovertuiging
  • Grondwetsherziening
  • Internationale rechtsorde
  • Privacy
  • Rechtspleging
  • Rechtspraak
  • Regering, Koning
  • Sociale rechtsstaat
  • Staten-Generaal
  • Uitingsrechten
  • Wetgeving en bestuur
AUTEUR
  • AUTEUR
  • G. Leenknegt
  • A.A.L. Beers & J.C.A. de Poorter
  • A.A.L. Beers en K.T. Meijer
  • B.C. van Beers
  • B.M.J. van der Meulen
  • B.P. Vermeulen
  • B.W.N. de Waard
  • D. Mentink, B.P. Vermeulen & P.J.J. Zoontjens
  • E.J. Janse de Jonge
  • E.J. Koops
  • E.M.H. Hirsch Ballin
  • F. Fleurke
  • F.C.M.A. Michiels
  • F.M.C. Vlemminx
  • F.M.C. Vlemminx en A.C.M. Meuwese
  • G. Boogaard
  • G. Boogaard en J. Uzman
  • G. Leenknegt
  • G. Overkleeft-Verburg
  • G. van der Schyff en B.M.J. van der Meulen
  • J. Kiewiet en G.F.M. van der Tang †
  • J. Uzman
  • J. Uzman en G. Boogaard
  • J.C.A. de Poorter
  • J.L.M. Gribnau en M.R.T Pauwels
  • J.M. van Schooten, G. Leenknegt & M. Adams
  • J.W.A. Fleuren
  • K.T. Meijer
  • M. Adams
  • Mijke Houwerzijl & Nuna Zekic
  • Mijke Houwerzijl en Frank Vlemminx
  • P. Jacobs
  • S. Daniëls
  • S. Jellinghaus en E. Huisman
  • S.C. van Bijsterveld
  • S.C. van Bijsterveld en B.P. Vermeulen
  • S.S. Buisman & S.B.G. Kierkels
  • T. Kooijmans
  • T. Peters
  • W. van der Woude
  • W.J.M. Voermans
ARTIKEL
  • ARTIKEL
  • Artikel 1  Gelijke behandeling
  • Artikel 2  Nederlandschap en vreemdelingen
  • Artikel 3  Gelijke benoembaarheid
  • Artikel 4  Kiesrecht
  • Artikel 5  Petitierecht
  • Artikel 6  Vrijheid van godsdienst en levensovertuiging
  • Artikel 7  Vrijheid van meningsuiting
  • Artikel 8  Recht tot vereniging
  • Artikel 9  Recht tot vergadering en betoging
  • Artikel 10  Eerbiediging en bescherming persoonlijke levenssfeer
  • Artikel 11  Onaantastbaarheid van het lichaam
  • Artikel 12  Binnentreden woning
  • Artikel 13  Vertrouwelijke communicatie
  • Artikel 14  Onteigening
  • Artikel 15  Vrijheidsontneming
  • Artikel 16  Nulla poena
  • Artikel 17  Wettelijk toegekende rechter
  • Artikel 18  Rechtsbijstand
  • Artikel 19  Werkgelegenheid en arbeidskeuze
  • Artikel 20  Bestaanszekerheid
  • Artikel 21  Milieubescherming
  • Artikel 22  Volksgezondheid en woongelegenheid
  • Artikel 23  Onderwijs
  • Artikel 24  Koningschap
  • Artikel 25  Erfopvolging
  • Artikel 26  Status ongeboren kind Koning
  • Artikel 27  Afstand koningschap
  • Artikel 28  Afstand koningschap door huwelijk
  • Artikel 29  Uitsluiting troonopvolging
  • Artikel 30  Benoemde Koning
  • Artikel 31  Erfopvolging benoemde koning
  • Artikel 32  Inhuldiging Koning
  • Artikel 33  Koningschap en meerderjarigheid
  • Artikel 34  Ouderlijk gezag minderjarige Koning
  • Artikel 35  Buiten staat verklaring
  • Artikel 36  Tijdelijke neerlegging koninklijk gezag
  • Artikel 37  Uitoefening koninklijk gezag door regent
  • Artikel 38  Uitoefening koninklijk gezag door RvS
  • Artikel 39  Lidmaatschap koninklijk huis
  • Artikel 40  Uitkering koninklijk huis
  • Artikel 41  Inrichting huis Koning
  • Artikel 42  Ministeriële verantwoordelijkheid
  • Artikel 43  Regering en ministers
  • Artikel 44  Ministeries
  • Artikel 45  Ministerraad
  • Artikel 46  Staatssecretarissen
  • Artikel 47  Ondertekening en contraseign
  • Artikel 48  Ontslag en benoeming ministers
  • Artikel 49  Ambtseed minister en staatssecretaris
  • Artikel 50  Vertegenwoordiging
  • Artikel 51  Eerste en Tweede Kamer
  • Artikel 52  Zittingsduur
  • Artikel 53  Evenredige vertegenwoordiging
  • Artikel 54  Verkiezing Tweede Kamer
  • Artikel 55  Verkiezing Eerste Kamer
  • Artikel 56  Vereisten voor lidmaatschap
  • Artikel 57  Incompatibiliteiten
  • Artikel 57a  Zwangerschap en ziekte
  • Artikel 58  Geloofsbrieven
  • Artikel 59  Kiesrecht en verkiezingen
  • Artikel 60  Ambtsaanvaarding
  • Artikel 61  Voorzitter en griffier
  • Artikel 62  Verenigde vergadering
  • Artikel 63  Geldelijke voorzieningen
  • Artikel 64  Ontbinding Kamers
  • Artikel 65  Troonrede
  • Artikel 66  Openbaarheid vergaderingen
  • Artikel 67  Quorum
  • Artikel 68  Inlichtingenplicht bewindslieden
  • Artikel 69  Aanwezigheid bewindslieden
  • Artikel 70  Recht van enquête
  • Artikel 71  Parlementaire onschendbaarheid
  • Artikel 72  Reglement van orde
  • Artikel 73  Taak Raad van State
  • Artikel 74  Rechtspositie leden
  • Artikel 75  Inrichting, samenstelling, bevoegdheid Raad van State
  • Artikel 76  Algemene rekenkamer
  • Artikel 77  Rechtpositie leden rekenkamer
  • Artikel 78  Inrichting, samenstelling, bevoegdheid Rekenkamer
  • Artikel 78a  Nationale ombudsman
  • Artikel 79  Vaste colleges van advies
  • Artikel 80  Openbaarmaking advies
  • Artikel 81  Wetgevende macht
  • Artikel 82  Indienen wetsvoorstel
  • Artikel 83  Toezending wetsvoorstel TK
  • Artikel 84  Wijziging wetsvoorstel
  • Artikel 85  Toezending wetsvoorstel EK
  • Artikel 86  Intrekking wetsvoorstel
  • Artikel 87  Aanneming en bekrachtiging
  • Artikel 88  Bekendmaking en inwerkingtreding
  • Artikel 89  Algemene maatregel van bestuur
  • Artikel 90  Bevordering internationale rechtsorde
  • Artikel 91  Goedkeuring verdrag
  • Artikel 92  Bevoegdheden volkenrechtelijke organisaties
  • Artikel 93  Verbindende kracht verdrag
  • Artikel 94  Verdrag boven wet
  • Artikel 95  Bekendmaking verdrag
  • Artikel 96  Oorlogsverklaring
  • Artikel 97  Krijgsmacht
  • Artikel 98  Samenstelling krijgsmacht
  • Artikel 99  Gewetensbezwaren militaire dienst
  • Artikel 99a  Civiele verdediging
  • Artikel 100  Inlichtingen over krijgsmacht
  • Artikel 101  [vervallen]
  • Artikel 102  [vervallen]
  • Artikel 103  Uitzonderingstoestand
  • Artikel 104  Belastingheffing
  • Artikel 105  Recht van begroting
  • Artikel 106  Geldstelsel
  • Artikel 107  Codificatie
  • Artikel 108  [vervallen]
  • Artikel 109  Rechtspositie ambtenaren
  • Artikel 110  Openbaarheid van bestuur
  • Artikel 111  Ridderorden
  • Artikel 112  Civiele en administratieve rechtspraak
  • Artikel 113  Strafrechtspraak
  • Artikel 114  Doodstraf
  • Artikel 115  Administratief beroep
  • Artikel 116  Rechterlijke macht
  • Artikel 117  Rechtspositie leden rechterlijke macht
  • Artikel 118  Hoge Raad
  • Artikel 119  Ambtsmisdrijven
  • Artikel 120  Toetsingsverbod
  • Artikel 121  Openbaarheid terechtzittingen
  • Artikel 122  Gratie
  • Artikel 123  Instelling provincies en gemeenten
  • Artikel 124  Autonomie en medebewind
  • Artikel 125  Organen decentrale besturen
  • Artikel 126  Ambtsinstructie commissaris koning
  • Artikel 127  Vaststelling verordening
  • Artikel 128  Toekenning bevoegdheden
  • Artikel 129  Verkiezing vertegenwoordigend orgaan
  • Artikel 130  Kiesrecht gemeenteraad niet-Nederlanders
  • Artikel 131  Benoeming commissaris Koning
  • Artikel 132  Inrichting, samenstelling, bevoegdheid decentrale besturen
  • Artikel 133  Waterschappen
  • Artikel 134  Publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie
  • Artikel 135  Gemeenschappelijke regelingen
  • Artikel 136  Geschillen
  • Artikel 137  Grondwetswijziging
  • Artikel 138  Aanpassing niet gewijzigde bepalingen
  • Artikel 139  Bekendmaking en inwerkingtreding
  • Artikel 140  Handhaving bestaande regelgeving
  • Artikel 141  Bekendmaking herziene Grondwet
  • Artikel 142  Aanpassing Grondwet aan Statuut
  • Artikel IX - Berechting van misdrijven in oorlogstijd
  • Artikel XIX - Afkondigingsformulier
HOOFDSTUK
  • HOOFDSTUK
  • Hoofdstuk 1  Grondrechten
  • Hoofdstuk 2  Regering
  • Hoofdstuk 3  Staten-Generaal
  • Hoofdstuk 4  Adviesorganen
  • Hoofdstuk 5  Wetgeving en bestuur
  • Hoofdstuk 6  Rechtspraak
  • Hoofdstuk 7  Decentralisatie
  • Hoofdstuk 8  Herziening grondwet
  • Additionele artikelen

ALGEMENE INLEIDING

Ernst Hirsch Ballin

Grondwettelijke gezichtspunten

INHOUD
  
1. Ten geleide

Dit artikelsgewijs commentaar is een nieuwe editie van het systematisch en artikelsgewijs commentaar dat laatstelijk in 2000 verschenen is onder redactie van prof. mr. A.K. Koekkoek. Eerder voerde hij de redactie samen met onze overleden Rotterdamse collega prof. mr. P.W.C. Akkermans, die het werk in 1987 begonnen was. Tilburg Law School zet hun werk voort met steun van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en het vfonds.
 
De nieuwe editie is verschenen onder de redactie van Gert-Jan Leenknegt en Ernst Hirsch Ballin. Wij zijn de huidige en vroegere auteurs van het commentaar en de uitgever van de vorige edities, Kluwer te Deventer, erkentelijk voor hun medewerking aan dit project. Voor reacties en suggesties houden wij ons ten zeerste aanbevolen.
 
2. Een papierloze editie van het commentaar op de
    Grondwet

Deze webeditie van het in 1987 voor het eerst gepubliceerde commentaar op de Grondwet is meer dan een andere manier van publiceren. Ze geeft ook uitdrukking aan een andere kijk op de Grondwet. Vaak wordt de Grondwet gezien als de hoogste en doorslaggevende uiting van soevereine wil omtrent de inrichting en besturing van het staatsbestel. De commentator op de Grondwet zoekt dan naar de bedoelingen van de grondwetgever en laat zien hoe die doorwerken in wetgeving, rechtspraak (al is die er in  Nederland amper, als gevolg van het verbod van toetsing van wetten aan de Grondwet) en beleid. Het commentaar is in beginsel statisch zolang de Grondwet niet wordt gewijzigd, maar periodiek moet er een aanvulling komen in een nieuwe druk.
 
Maar zo werkt het constitutionele recht niet. Degenen die een rol spelen in het constitutionele bestel – personen die een politiek of rechterlijk ambt vervullen, bestuurders, opiniemakers, staatsburgers – verhouden zich met hun besluiten en opvattingen interpreterend tot de Grondwet. Ze moeten anderen die in dat proces een rol vervullen, overtuigen en dus aansluiting zoeken bij wat er al over de Grondwet is gezegd, vooral door hun medespelers in het constitutionele discours en ook, soms, door commentatoren.
 
Ze kunnen niet van de Grondwet maken wat ze willen: zoals elke te interpreteren tekst draagt de Grondwet haar ontstaansgeschiedenis mee en is ze gesitueerd in een semantisch veld. Daarmee zijn de commentatoren in de weer, en in het hier gepresenteerde commentaar volgen zij per artikel een indeling die dit weerspiegelt: eerst de ontstaansgeschiedenis, dan de actuele werking. Anders dan in een opvatting als zou de staatsrechtgeleerde alleen maar hoeven te achterhalen wat de grondwetgever bij de vaststelling van een bepaling heeft bedoeld, is het becommentariëren van een levende grondwet naar zijn aard nooit klaar (al zijn er nogal wat bepalingen die langdurig sluimeren, omdat er nooit iets mee aan de hand is). Om die reden past de beweeglijke publicatievorm van een webcommentaar beter bij de werking van de Grondwet dan een gedrukt boek.
 
3. De Grondwet is een tekst
Zoals gezegd, het constitutionele recht werkt niet zo dat men alleen maar de bedoelingen hoeft te achterhalen die golden bij de totstandkoming van een grondwettelijke norm, om deze vervolgens ongeacht gewijzigde omstandigheden “toe te passen”. Dat is de manier van denken waarmee originalists in de VS Amendment II to the Constitution (het recht om wapens te dragen) opvatten,[1] of waarmee – zelfs nog nadat de Hoge Raad in 1973 het Fluorideringsarrest was gewezen – werd volgehouden dat de regering een open bevoegdheid had om bindende rechtsnormen vast te stellen zolang daaraan geen strafbepaling werd verbonden.[2] Bruce Ackerman heeft hierover opgemerkt dat het fixeren van een bepaalde betekenis met een beroep op een bepaald moment in de geschiedenis eigenlijk juist niet beantwoordt aan de bij de totstandkoming en wijziging van de Amerikaanse Grondwet gewenste openheid, die meer omvat dan expliciete amendering. Ackerman verwijt daarom de rechters Scalia en Thomas, die zichzelf originalists noemen, “hyperformalism”: “I am the originalist, not they”, want hij, Ackerman, richt zich juist op de doorwerking en uitwerking van het dragende, originele principe van “We the People”.[3]  
 
De Grondwet draagt bij aan de bestendigheid van het staatsbestel – deze term werd door wijlen A.M. Donner gelanceerd[4] – door te beschrijven volgens welke procedures bevoegde staatsorganen worden samengesteld en hun besluiten tot stand komen. Wanneer echter stabiliteit wordt verward met rigiditeit, sluit men zich af voor de mogelijkheid dat ervaringen en waarderingen nieuw licht werpen op de oude tekst. Tot 1983 luidde de bepaling over de benoeming van ministers net zo als in de dagen van de autocratische ambities nastrevende koning Willem I: “De Koning benoemt en ontslaat de ministers naar welgevallen”, maar in elk geval na de in 1939 door de Tweede Kamer aangenomen motie-Deckers stond vast dat het welgevallen volledig wordt bepaald door het constitutionele principe van de parlementaire democratie.[5] Voor de Nederlandse regering in ballingschap te Londen (1940-1945) had deze ontwikkeling echter een andere betekenis, en weer een andere was aan de orde geweest in het hypothetische geval dat koningin Wilhelmina Nederland zijn gebleven tijdens de Duitse bezetting (zoals de Belgische en Duitse koningen) zonder vrij handelend parlement.
 
Maar behalve dat de Grondwet niet op die manier werkt, is het ook een mythologiserende misvatting de Grondwet, zolang ze “van kracht” is, op te vatten als een subject dat uit eigen kracht iets bewerkstelligt. De Grondwet is een normatieve tekst: de “kracht” ervan is dat ze aanvaard wordt als bindend door degenen die ernaar handelen terwijl aan anderen mogelijkerwijs sancties worden opgelegd omdat ze dat niet doen. In juli 2016 heeft de regering een wetsvoorstel ingediend dat ertoe strekt in overweging te nemen dat in de Grondwet een “algemene bepaling” wordt opgenomen. Die bepaling zou komen te luiden: ‘De Grondwet waarborgt de democratie, de rechtsstaat en de grondrechten.’[6] De woordkeus van de algemene bepaling suggereert dat zij uit zichzelf een kracht uitoefent, namelijk iets ‘waarborgt’, terwijl bij het ontbreken van mogelijkheden om wetten aan deze bepaling te toetsen ze niet veel meer kan zijn dan een aanmoediging en een constitutionele norm van gelijke rang, die bijdraagt aan het interpretatief kader van andere grondwetsbepalingen.[7]
 
De Grondwet moet dus niet worden voorgesteld als een in een papier belichaamde soevereine macht, waaraan ambtsdragers en burgers gehoorzamen. Rituelen suggereren dat soms, bijvoorbeeld wanneer een eed van trouw aan de Grondwet wordt afgelegd, alsof ze een persoon zou zijn; daarmee wordt echter niet meer en niet minder bedoeld dan een aan het geweten appellerende bevestiging van de reeds bestaande constitutionele gebondenheid.
 
Wat een Grondwet te bieden heeft, zijn bindende constitutionele gezichtspunten bij de besluitvorming over wetten, rechtszaken en bestuurlijke aangelegenheden van hoog normatief gehalte. Ik schrijf niet “van het allerhoogste normatieve gehalte”, want er zijn – nog afgezien van de verwevenheid met de statutaire[8], Europese en internationale rechtsordes – rechtsbeginselen en fundamentele rechten waar zelfs de Grondwet het tegen moet afleggen. Dat is geen geringschatting van de Grondwet. We zouden dit ook anders kunnen zeggen: de Grondwet moet in overeenstemming met die beginselen en fundamentele rechten kunnen worden opgevat en toegepast. Dat is meteen de beste duiding die men kan geven aan de eerdergenoemde algemene bepaling, als die in twee lezingen wordt aanvaard. Zo wordt bijvoorbeeld ook het Duitse Grundgesetz gezien: de freiheitliche demokratische Grundordnung moet erin tot uitdrukking komen en mag er niet door opzij worden gezet (zie de Ewigkeitsklausel in Artikel 79 Abs. 3).
 
4. Met normatieve teksten leven
De werking van de Grondwet is van dezelfde soort als die van andere normatieve teksten, al is de Grondwet een heel bijzondere. Wanneer we nu de beeldspraak vermijden alsof de Grondwet iets uit eigen kracht zou doen, kunnen we de werking van de Grondwet zo omschrijven dat degenen die standpunten innemen en beslissingen nemen over (bijvoorbeeld) wetgeving de betekenis van de door hen als normerend aanvaarde Grondwetstekst herbevestigen. In het voetspoor van Jacques Derrida omschrijft Seyla Benhabib ‘iterations’ als het gebruik van dezelfde woorden in een continu proces van herinterpretatie;[9] in ander verband is het ontbindingsrecht van het parlement beschreven als een voorbeeld van zulke iterations.[10] De commentator van een grondwetsbepaling verneemt en verklaart zulke iterations niet alleen, hij maakt ze ook mogelijk doordat het commentaar deel ervan gaat uitmaken.
 
In het samenleven van mensen vervullen juridische teksten een bijzondere rol, doordat ze het onpersoonlijke referentiepunt zijn van relaties tussen mensen die elkaar niet in persoon – waarmee ik doel op de banden tussen mensen die in familiaire of andere nauwe relaties tot elkaar staan – hoeven te kennen. Daarom wordt de “uitvinding” van het recht beschreven als een van de facetten van de cognitieve revolutie die de mensheid vele tienduizenden jaren geleden tot homo sapiens maakte, naast taal, religie en kunst.[11] Vertrouwen in door het recht genormeerde relaties wordt niet ontleend aan persoonlijke bekendheid met de ander, maar aan een door rituelen van erkenning en daden van handhaving bevestigd vertrouwen dat men zich – over en weer – door dezelfde normen laat leiden. Normen kunnen in gewoonten geïmpliceerd zijn, maar worden in moderne samenlevingen door de daarmee belaste autoriteiten bewust geformuleerd, d.w.z. tot een tekst gemaakt. De studie van Christoph Möllers naar de mogelijkheid van normen werpt ook licht op constitutionele normering. Een belangrijk inzicht is daarbij dat normen – “hard” en “zacht” – in hun zogenaamde toepassing betekenis krijgen in verband met andere normen (bijvoorbeeld over de bevoegdheid tot vaststelling, geldingsbereik of handhaving) en situatiekenmerken. Een norm “toepassen” is dus noch alleen maar “vinden”, noch enkel “maken”.[12] 
 
Constitutionele normen worden vaak, maar niet altijd in een geschreven oorkonde – bij ons Grondwet geheten – verwoord. Wanneer dat gebeurt, moeten degenen die met de grondwettelijke normen werken – ze “toepassen” – zich verhouden tot die tekst. Möllers wijst op de daarin gelegen bevestiging en versterking van de normatieve kracht van de Grondwet. Een Grondwet heeft dus niet normatieve kracht doordat we haar personifiëren tot een soort uitgeschreven opperhoofd, maar doordat we er niet omheen kunnen die tekst uit te leggen en dus betekenissen ervan in relatie tot principes en actuele vraagstukken aannemelijk te maken: “nur für geschriebene Verfassungen ist es möglich, dem Wandel der Praxis die Unverändertheit der Zeichen gegenüberzustellen und damit deren normativen Anspruch zu verstetigen.”[13] Möllers weerlegt de gedachte dat er een soort causale relatie zou bestaan tussen representatie en normatief gezag van haar producten. Democratische legitimiteit is ingewikkelder. Ze wordt niet alleen bepaald door de wetgevingshandeling, maar door het in acht nemen van procedurele regels en andere voorwaarden voor het welslagen van het democratisch project, zoals vrijheid van meningsuiting, codificeert.[14] Wij, allereerst uiteraard de betrokken staatsinstellingen, moeten op onze beurt dan telkens betekenis geven aan de gecodificeerde constitutionele normen in de actuele omstandigheden.
 
Wanneer er een constitutioneel hof is, is het met deze betekenistoekenning belast – maar het laatste woord is dat per definitie niet: niet alleen omdat weer nieuwe constitutionele rechtszaken kunnen volgen, maar ook omdat anderen op hun beurt de uitspraken van de constitutionele rechter moeten uitvieren en dus duiden. Ook het becommentariëren van de Grondwet en bijvoorbeeld wetten “ter uitvoering” hiervan heeft de betekenis van het meewerken aan de verwerkelijking van de constitutionele orde: we zijn daar allemaal bij betrokken, zij het in onderscheiden graden en vormen van verantwoordelijkheid. Het democratisch proces van constitutionele normering is principieel open voor nieuwe inzichten die – al is er geen constitutionele rechter – worden “getoetst” door andere actoren. Een opvatting is niet onaantastbaar doordat ze een beroep doet op de Grondwet. Willekeurige verdraaiingen, zoals de bewering door een der fractievoorzitters in de Tweede Kamer dat men de Grondwet uitvoert door grondrechten aan een hele religieuze stroming te ontzeggen, zullen die intersubjectieve toetsing niet kunnen doorstaan.[15] De betekenis van de Grondwet evolueert, maar men kan er niet van maken wat men wil.
 
5. Een artikelsgewijs, maar geen systematisch
    commentaar meer

De voorgaande editie van dit commentaar op de Grondwet begon met een algemene inleiding van de hand van de redacteur A.K. Koekkoek, in leven hoogleraar staats- en bestuursrecht te Tilburg, tevens lid van de Eerste Kamer (en voordien de Tweede Kamer) van de Staten-Generaal.[16] Die inleiding maakte waar dat het commentaar niet alleen artikelsgewijs maar ook systematisch zou zijn. De webeditie van het commentaar is artikelsgewijs, al gaat per hoofdstuk van de Grondwet een algemene beschouwing daaraan vooraf. Daaraan ligt een visie ten grondslag op de plaats van de Grondwet in het constitutionele recht,[17] die – kort gezegd – de Grondwet als een levende tekst ziet binnen een complex veld van normatieve betekenistoekenning, met een bereik dat kan worden omschreven als “de Nederlandse rechtsorde”. Ook Koekkoek verwierp in de inleiding op de voorgaande editie een statische opvatting over de normatieve werking van de Grondwet (p. 7). Ook hij verwees daarbij naar het werk van Van der Hoeven, maar nam afstand van de aan Van der Hoeven toegeschreven[18] opvatting ‘dat maatschappelijke ontwikkelingen rechtstreeks bepalend zijn voor de betekenis van de grondwet’.
 
Inderdaad, maatschappelijke ontwikkelingen werken niet vanzelf constitutioneel normerend, maar in de Nederlandse staatsrechtswetenschap wordt er gewoonlijk veel te gemakkelijk van uitgegaan dat de grondwetgever – direct of indirect, namelijk door bevoegdheden toe te kennen – gezag over ambten en onderdanen uitoefent. De grondwetsgeschiedenis wordt dan gezien als een aaneenrijging van rechtshandelingen tot vaststelling of wijziging van grondwetsbepalingen.
 
Zo beginnen inderdaad veel verhandelingen over het staatsrecht met de totstandkoming van de grondwetten van 1814 en 1815. Men kan de vaststelling hiervan – eerst voor de Vereenigde Nederlanden als soeverein vorstendom, later voor het Koninkrijk der Nederlanden met Amsterdam en Brussel als duo-hoofdsteden – inderdaad zien als zeldzame momenten van constitutional design[19]. Toch schuilt er in de omschrijving van de gebeurtenissen van die jaren als de geboorte van “een nieuwe staat”, zoals geschiedde bij de viering van “tweehonderdjaar Koninkrijk”, een ahistorische overdrijving.[20] Beter kan men de totstandkoming van deze grondwetten begrijpen als momenten in wat N.C.F. van Sas in “De metamorfose van Nederland” een proces “van oude orde naar moderniteit” noemde, dat zich van omstreeks 1750 tot rond 1900 voltrok.[21] Het provinciaal bestel van de grondwetten van 1814/1815 bouwde voort op de territoriale geleding die in de Bourgondische tijd was ontstaan, het verlies van provinciale soevereiniteit op de in de Bataafse tijd ingevoerde en onder Frans bewind geperfectioneerde centralisatie.[22] De monarchale ambities van de vorst – vanaf 1815 koning Willem Frederik – kregen pas vorm nadat hij eerst de door notabelen opgemaakte constitutionele boedelbeschrijving had aanvaard. Zijn vermaarde woorden na terugkeer uit Engeland dat hij de soevereiniteit aanvaardde onder de waarborgen van een wijze constitutie gaven uitdrukking aan een door de notabelen met hem bereikte onderhandelingsresultaat,[23] zoals ook de met Belgische notabelen uitonderhandelde Grondwet van 1815 een complexe compromistekst was. Reeds de Grondwetten van 1814 en 1815 waren dus niet alleen maar een soevereine wilsuiting van de grondwetgever, maar eerst en vooral een optekening van wat op dat moment in de geschiedenis werd bevestigd en wat veranderd.
 
Net zoals Hans Joas dat heeft gedaan met betrekking tot de geschiedenis van de rechten van de mens, kan ook voor de andere constitutionele concepten – over landsgrenzen heen – een genealogische methode worden toegepast die niet alleen maar verklaart, maar ook bevestigt.[24] Als een uitdrukkelijke, met plechtige vormen bevestigde verwoording bestaat in een document dat bij ons Grondwet heet en elders vaak “constitution” (Verfassung, costituzione etc.), leidt dat wel bij voortduring tot vragen omtrent toekenning en ontwikkeling van normatieve betekenissen. Precies daarom is een artikelsgewijs commentaar op de Grondwet zelf een bijdrage aan het leven van de Grondwet, zeker in een land waar rechters daarin niet of nauwelijks een rol kunnen spelen. De in de Grondwet gefundeerde Nederlandse rechtsorde heeft allang het gesloten karakter verloren dat men er vaak gedachteloos aan toeschrijft.
 
 De Grondwet is de bedding waarin politiek en recht stromen. Die stroom blijft in beweging, trekt volop aandacht, maar dat de bedding het verloop van de stroom meebepaalt ontgaat velen. Nog minder leeft het besef dat de kracht van het water zo groot kan worden, dat de bedding een ander verloop krijgt. Bepalingen in de Grondwet hebben met de ontwikkeling van Nederland tot een democratische rechtsstaat immers soms betekenissen gekregen die bij de opstelling nog niet werden voorzien. Door dit wetenschappelijke commentaar op de Grondwet online te ontsluiten willen we daarin verandering brengen. Om het werk ook voor niet-juristen toegankelijk te maken, worden de onderdelen van dit commentaar van een korte toelichting voorzien die ook niet-juristen duidelijkheid wil bieden.


[1] Zie E.J. Janse de Jonge, ‘Antonin Scalia (1936-2016): Opvattingen en invloed van een briljant jurist’, p. 2306-2307, in: Nederlands Juristenblad 2016, afl. 32, pp. 2303-2309.
[2] Zie daarover § 2 van W.J.M. Voermans, Hoofdstuk 5 - Wetgeving en bestuur. In: E.M.H. Hirsch Ballin en G. Leenknegt (red.), Artikelsgewijs commentaar op de Grondwet, webeditie 2016 (www.Nederlandrechtsstaat.nl).
[3]B. Ackerman, We the People, Vol. 3: The Civil Rights Revolution, Cambridge Ma. / London: Belknap Press 2014, Kindle edition, loc. 6568.
[4] A.M. Donner, Bestendig en wederkerig. Over het verband van staat en staatsrecht (oratie Groningen), Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink 1979.
[5] E.M.H. Hirsch Ballin, De Koning: Continuïteit en perspectief van het Nederlandse koningschap. Den Haag: Boom juridische uitgevers 2013, pp. 48-49
[6] Kamerstukken II 2015-2016, 34516, nrs. 1-3.
[7] Kamerstukken II 2015-2016, 34516, nr. 4, p. 13. Deze kenschets is van regeringszijde gegeven in het kader van een lezenswaardige discussie over het “normatief gehalte” van deze bepaling tussen de Afdeling advisering van de Raad van State en het kabinet.
[8] D.w.z. die van het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden.
[9]S. Benhabib, Another Cosmopolitanism, Oxford/New York: OUP 2006, p. 48: ‘Democratic iterations are linguistic, legal, cultural, and political repetitions-in-transformation, invocations that are also revocations. They not only change established understandings but also transform what passes as the valid or established view of an authoritative precedent.’
[10] E.M.H. Hirsch Ballin & E.Y. van Vugt, ‘De transformatie van de bevoegdheid tot ontbinding van het parlement. In: E. Witjens, V. van Bogaert & C. Bollen (eds.), E Hofi di Ley: Feestbundel ter gelegenheid van 25 jaar Faculteit der Rechtsgeleerdheid van de Universiteit van Aruba. Den Haag: Boom Juridische Uitgevers, p. 113-128.
[11] Y.N. Harari, Sapiens: A Brief History of Humankind, London: Random House 2011.
[12] Chr. Möllers, Die Möglichkeit der Normen – Über eine Praxis jenseits von Moralität und Kausalität, Berlin (Suhrkamp) 2015, p. 184.
[13] Ibid., p. 291.
[14] Ibid., p. 424.
[16] A.K. Koekkoek (red.), De Grondwet: Een systematisch en artikelsgewijs commentaar. Deventer: W.E.J. Tjeenk Willink 2000.
[17] Deze woorden zijn ontleend aan de titel van de baanbrekende dissertatie van J. van der Hoeven, De plaats        van de grondwet in het constitutionele recht. Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink 1958; id., Aangevulde heruitgave van het academische proefschrift Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink 1988.
[18] Van der Hoeven sprak zich wel genuanceerder uit: hij concludeerde dat de onderliggende politiek-sociale verhoudingen de actuele gezagsstructuur (p. 279) en het maatschappelijk en cultureel-ethisch beoordelingspatroon de gelding en betekenis van grondrechten (p. 277) bepalen.
[19] Justin Bloumont, ‘Participation in constitutional design’, in: T. Ginsburg & R. Dixon (eds.),Comparative Constitutional Law. Cheltenham / Northampton: Edward Elgar2011, p. 38-56.
[20] I. de Haan, P. den Hoed & H. te Velde, Een nieuwe staat: Het begin van het Koninkrijk der Nederlanden. Amsterdam: Prometheus / Bert Bakker 2014.
[21] N.C.F. van Sas, De metamorfose van Nederland: Van Oude orde naar moderniteit, 1750-1900. Amsterdam: Amsterdam University Press 2004.
[22] J. Luiten van Zanden & A. van Riel, Nederland 1780-1814: Staat, instituties en economische ontwikkeling. Amsterdam: Uitgeverij Balans 2000, p. 110.
[23] E.M.H. Hirsch Ballin, De Koning: Continuïteit en perspectief van het Nederlandse koningschap (a.w.), p. 10-11; p. 233.J. Koch, Koning Willem I 1772-1843. Amsterdam: Boom 2013.
[24] Hij noemt dit een “affirmative Geneologie”. Zie H. Joas, Die Sakralität der Person – Eine neue Genealogie der Menschenrechte. Berlin: Suhrkamp 2011, p. 15.