De ontvoering en strafrechtelijke vervolging van Maduro – enige reflecties
Het jaar 2026 begon met een opmerkelijke actie van de kant van de Amerikanen. Zittende president van Venezuela Nicolas Maduro Moros (hierna: Maduro) – en zijn echtgenote– werden na een gerichte en succesvolle operatie door Amerikaanse soldaten vanuit Venezuela ontvoerd en vervolgens in afwachting van hun strafzaak in New York in preventieve hechtenis genomen.
Bijna net zo opmerkelijk als deze operatie waren de Amerikaanse uitleg en de reacties op de operatie. De VS hebben geen poging ondernomen om de ontvoering van Maduro vanuit volkenrechtelijk perspectief te rechtvaardigen; dat zou ingewikkeld zijn want die rechtvaardiging is er niet. Dat indachtig valt het des te meer op dat de reacties vanuit de ‘Westerse wereld’, inclusief Nederland, bijzonder voorzichtig zijn; een harde veroordeling van de ontvoering van Maduro treft men bij politieke leiders nauwelijks aan.
Volkenrecht
Laten we eerst even de schendingen van het internationaal recht in deze situatie op een rijtje zetten.
De operatie die resulteerde in de ontvoering van Maduro is in de eerste plaats een schending van het geweldsverbod en van de territoriale integriteit en soevereiniteit van Venezuela; het is een evidente en directe schending van art. 2 lid 4 van het VN Handvest. Er was geen sprake van legitieme zelfverdediging, zoals te vinden in art. 51 van het VN Handvest, evenmin was er toestemming van de VN Veiligheidsraad om tot dit geweldsgebruik over te gaan. Dit zijn de twee algemeen erkende uitzonderingen op het geweldsverbod.
De aanhouding en vervolging van Maduro in een buitenlandse strafzaak is verder in strijd met het internationaal gewoonterecht inzake staatsimmuniteiten. Maduro geniet als zittend staatshoofd van Venezuela absolute immuniteit terzake buitenlandse rechtszaken; hij mag daarvoor niet worden aangehouden en niet worden vervolgd. Op deze regel bestaat geen uitzondering, behalve indien Maduro terecht zou staan bij een internationaal straftribunaal, zoals het ICC, of als Venezuela de immuniteit zou opheffen.
In de pers wordt de vergelijking gemaakt met de aanhouding en vervolging van Panamees staatshoofd Manuel Noriega door de VS in 1990, ook terzake drugsfeiten. Noriega deed in diens strafzaak een beroep op staatsimmuniteiten, maar dit verweer werd verworpen omdat de VS hem niet hadden erkend als president van Panama. Een dergelijke redenering zou ook van toepassing kunnen zijn op Maduro. Maar voor het naleven van verplichtingen met betrekking tot staatsimmuniteiten is het al dan niet erkennen als staatshoofd vanuit volkenrechtelijk perspectief niet doorslaggevend. Indien de internationale betrekkingen zich in die richting zouden bewegen dan zouden in vele situaties de staatsimmuniteiten terzijde kunnen worden geschoven op de enkele grond dat men de aangehouden persoon niet erkent als staatshoofd.
De ontvoering van Maduro door de VS levert wat mij betreft ook het misdrijf agressie op, gepleegd door President Trump en andere Amerikaanse politieke leiders die hierbij betrokken zijn geweest. Het misdrijf agressie is gecodificeerd in art. 8bis van het ICC Statuut en maakt ook onderdeel uit van het Nederlandse strafrecht (art. 8b van de Wet Internationale Misdrijven). Het gaat hier om een doelbewuste en rechtstreekse aanval van de VS op het grondgebied van Venezuela (als daad van agressie genoemd in art. 8bis lid 2 sub a van het ICC Statuut). Wel is vereist om als agressie te kwalificeren dat de operatie door zijn aard, ernst en schaal een onmiskenbare schending vormt van het Handvest van de Verenigde Naties (art. 8bis lid 1 ICC Statuut). Wat mij betreft is dat het geval, omdat er geen volkenrechtelijke rechtvaardiging door de VS is aangevoerd. Dit had anders kunnen zijn indien de ontvoering voor een vorm van humanitaire interventie zou moeten doorgaan, dus gericht zou zijn op het beëindigen van grootschalige en ernstige mensenrechtenschendingen in Venezuela. Dan had de operatie nog steeds een schending van het tussen-statelijk geweldsverbod kunnen opleveren, maar was het vanwege de humanitaire motieven wellicht niet meer dusdanig ernstig dat er ook sprake is van het misdrijf agressie. Dit is echter een louter theoretische discussie.
Naast de schending van volkenrechtelijke regels die beogen de territoriale integriteit en soevereiniteit van Venezuela te beschermen zijn de mensenrechten van Maduro met voeten getreden. Voor de positie van Maduro is wellicht weinig sympathie, maar ook een mensenrechten-schendende dictator geniet de bescherming van internationaal erkende mensenrechten. In dit geval is dat Maduro’s recht om niet zonder een rechtmatige procedure van zijn vrijheid beroofd te worden, zoals dat onder andere staat in art. 9 IVBPR (een verdrag waar ook de VS partij bij zijn). Weliswaar is hij aangehouden op basis van een Amerikaans arrestatiebevel, maar dat kan alleen op rechtmatige wijze worden uitgevoerd op Amerikaans grondgebied. Voor rechtmatige aanhouding van Maduro in Venezuela hadden de VS gebruik moeten maken van rechtmatige middelen, zoals een verzoek tot uitlevering. De verwachting dat een dergelijk verzoek zou worden afgewezen is geen rechtmatige grond om de gezochte verdachte dan maar zelf aan te houden in het buitenland. Jurisprudentie van mensenrechtenhoven maakt duidelijk dat het omzeilen van uitleveringsprocedures, zelfs in minder ernstige gevallen dan ontvoering, schending oplevert van het recht op vrijheid, zie bijvoorbeeld het EHRM in Bozano t. Frankrijk,.
Een mogelijke rechtvaardiging voor de aanhouding van Maduro die we kort moeten bespreken is diens mogelijke status als krijgsgevangene. Dit scenario gaat uit van het bestaan van een gewapend conflict tussen de VS en Venezuela en dat Maduro als ‘commander in chief’ van de Venezolaanse strijdkrachten een legitiem doelwit is onder het oorlogsrecht en als lid van de vijandige strijdkrachten krijgsgevangene mag worden gemaakt. De operatie blijft in strijd met het geweldsverbod (ius ad bellum), maar onder het humanitair recht (ius in bello) zou Maduro’s gevangenneming, ook op Venezolaans grondgebied, toegestaan zijn. Bij zijn voorgeleiding in New York claimde Maduro zelf in ieder geval al de status van krijgsgevangene. Dat deed hij niet zonder reden; onder de Geneefse Verdragen van 1949 genieten krijgsgevangenen bepaalde rechten. In tegenstelling tot de Panamese president Noriega, die na zijn aanhouding uiteindelijk werd beschouwd als krijgsgevangene, gaat de VS op dit moment niet uit van een gewapend conflict met Venezuela en aldus niet uit van de krijgsgevangene-status van Maduro. De VS benadrukken dat het gaat om een ‘law enforcement’-operatie, hoewel Trump uitlatingen bezigt die juist zouden kunnen wijzen op het bestaan van een gewapend conflict.
Objectief gezien gelden voor het al dan niet bestaan van een gewapend conflict, en de toepasselijkheid van het oorlogsrecht, de ‘Tadic-criteria’, zoals verwoord door het Joegoslavië Tribunaal in die zaak. Er is sprake van een internationaal gewapend conflict in geval van geweldsgebruik tussen twee of meerdere staten (ICTY, Prosecutor v. Tadic, Appeals Chamber, 2 oktober 1995, para. 70). Het vereiste dat dit geweldsgebruik een zekere intensiteit en duur moet hebben is vooral van toepassing op intern gewapende conflicten (zie ook art. 8 lid 2 sub f van het ICC Statuut). De claim dat Maduro krijgsgevangene is, heeft dus zeker enige grond. Maar ook valt te beargumenteren dat de operatie te weinig om het lijf had om te spreken over een daadwerkelijk internationaal gewapend conflict tussen de VS en Venezuela, zeker als er verder geen gewapende strijd meer zal plaatsvinden.
Zoals al gezegd wekt het verbazing dat de evident onrechtmatige acties van de VS niet tot meer veroordelende reacties hebben geleid. Dergelijke reacties dienen in de internationale rechtsorde een aanzienlijk belang, nu het daar ontbreekt aan een centraal handhavingsmechanisme. Het uitblijven van een duidelijke veroordeling van het onrechtmatige karakter van deze operatie heeft verder als risico dat de Amerikaanse operatie als precedent gezien kan worden. Het is lastig uit te leggen waarom andere daden van agressie wel veroordeeld worden als dat niet gebeurt bij de ontvoering van Maduro.
Binnen de Nederlandse context is er nog een bijkomend probleem voor degenen die in het openbaar de Amerikaanse agressie in Venezuela verdedigen. Vanaf 2024 is het als groepsbelediging strafbaar indien men in het openbaar internationale misdrijven (zoals strafbaar gesteld in de Wet Internationale Misdrijven en in het Charter van het Neurenberg Tribunaal, waaronder agressie) ‘vergoelijkt’ (art. 137c lid 2 sub a). Deze ‘vergoelijking’ is strafbaar zonder dat eerst een rechter onherroepelijk hoeft vast te stellen dat de leiders van de VS zich jegens Venezuela schuldig hebben gemaakt aan agressie. Nu zal voorzichtig reageren niet aan te merken zijn als ‘vergoelijken’ van de agressie. Dit ligt wellicht anders bij de reactie van Wilders op X: “Bang Boom Maduro gone”, met spierballenemoji, wat als steun voor de Amerikaanse agressie gezien kan worden. Aanvullend is voor de strafbaarheid van Wilders nodig dat de uitlating tevens beledigend is voor de Venezolaanse bevolking. De vraag is hoe dat geïnterpreteerd gaat worden. Men zou kunnen beargumenteren dat het steunen of goedpraten van door anderen gepleegde daden van agressie beledigend is voor de bevolkingsgroep die onder daden van agressie te lijden kan hebben. Daar tegenover staan de argumenten dat deze daad van agressie nauwelijks impact op de Venezolaanse bevolking heeft gehad en dat het verwijderen van een mensenrechten-schendende dictator juist gunstig is voor diezelfde bevolking.
Hoewel het risico op vervolging in deze situatie van ‘vergoelijken’ van een internationaal misdrijf dus niet bijzonder groot lijkt, rijst de vraag of Nederlandse politici -en anderen- zich bij het formuleren van hun openbare reacties op gepleegde internationale misdrijven voldoende bewust zijn van de inhoud en strekking van de strafbaarstelling in art. 137c lid 2 sub a Sr.
Strafrecht
De strafzaak tegen Maduro – en zijn echtgenote – is inmiddels in gang gezet. Wat valt daar op dit moment over te zeggen en van te verwachten?
Naar verwachting zullen ‘pre-trial’-perikelen vooral gaan over de onrechtmatige aanhouding en de schending van staatsimmuniteiten. De verdediging zal betogen dat vanwege beide redenen de inhoudelijke behandeling niet kan plaatsvinden en dat de verdachte in vrijheid moet worden gesteld.
Ten aanzien van beide punten lijkt er weinig reden voor optimisme voor Maduro.
Volkenrechtelijk onrechtmatige aanhoudingen, inclusief brute ontvoeringen, zijn in eerdere strafzaken, zoals de zaak van Alvarez-Machain, geen reden geweest in de VS om een strafzaak te beëindigen. Het beginsel male captus bene detentus is in de VS volop van toepassing (voor wie hier alles over wil weten zie het voortreffelijke proefschrift van Christophe Paulussen, Male Captus Bene Detentus?: Surrendering suspects to the International Criminal Court (2010)). Ik zie geen reden dat de rechter daar in deze zaak van zou willen afwijken, ook omdat de naleving van het volkenrecht binnen de Amerikaanse rechtspleging nauwelijks een rol van betekenis speelt.
Ten aanzien van het verweer van staatsimmuniteiten, heeft het Amerikaanse OM het voordeel van het Noriega-precedent. Deze Panamese president is ondanks valide punten over de bescherming die zijn staatsimmuniteiten hem zouden moeten verlenen uiteindelijk ook gewoon in de VS tot een jarenlange celstraf voor drugsfeiten veroordeeld. In tegenstelling tot wat in Nederland zou gelden, moeten we er niet van uit gaan dat de Amerikaanse rechter zelfstandig een oordeel zal geven of toepassing van de Amerikaanse strafwet stuit op ‘uitzonderingen in het volkenrecht erkend’ (zie ons art. 8d Sr). Bij kwesties rondom buitenlands beleid pleegt de Amerikaanse rechter zich te laten leiden door standpunten van de Amerikaanse regering.
Als het tot een inhoudelijke behandeling komt, dan zien we dat de aanklager zich ruimschoots bedient van de populaire ‘conspiracy’ (samenspanning) aansprakelijkheidsvorm (zie hier de tekst van de grand jury indictment.). De beschuldiging is dat Maduro en zijn medeverdachten hebben afgesproken om gezamenlijk strafbare feiten te plegen, in dit geval de handel in drugs naar de Verenigde Staten. De aanklacht is dat Maduro en medeverdachten – hooggeplaatste Venezolaanse leiders – samenwerken met belangrijke drugskartels en gezamenlijk zich schuldig maken aan ‘narcoterrorisme’. Het grote voordeel van de ‘conspiracy’-beschuldiging voor de vervolgende autoriteiten is dat zij concrete drugstransporten niet hoeven te bewijzen; immers, de gemaakte afspraak tot het plegen van die misdrijven volstaat. Wel moet uiteraard het bestaan van die afspraak en de wijze van samenwerking bewezen worden. De aanklacht omvat daartoe een aantal voorbeelden, zoals het verstrekken van Venezolaanse diplomatieke paspoorten om de drugshandel te vergemakkelijken.
Uiteraard zal in de strafzaak een jury moeten worden overtuigd van de schuld van Maduro. Nu valt nog weinig te zeggen of het Amerikaanse OM voldoende bewijs zal weten te produceren. In hun voordeel spreekt dat zij deze strafzaak al enige tijd hebben kunnen voorbereiden. Een aanzienlijk risico voor Maduro zal zijn indien mede-verdachten belastende verklaringen gaan afleggen, bijvoorbeeld als onderdeel van een plea agreement met de aanklager in hun eigen strafzaak.
Vanuit Nederlands perspectief zal men zich afvragen waarom Maduro c.s. niet worden aangeklaagd voor in Venezuela gepleegde internationale misdrijven, zoals bijvoorbeeld foltering van politieke tegenstanders. Er is voor het doen van onderzoek naar onder Maduro gepleegde internationale misdrijven de nodige aandacht; de situatie in Venezuela wordt officieel onderzocht door het ICC.
Kennelijk heeft dit aspect van het strafbaar handelen van Maduro c.s. niet de belangstelling van de VS. De VS hebben wel degelijk de mogelijkheid om op hun grondgebied aanwezige verdachten, met gebruikmaking van universele jurisdictie, te berechten voor bijvoorbeeld foltering . Het zou prijzenswaardig zijn als de VS deze beschuldigingen alsnog aan de aanklacht zouden toevoegen, omdat zij daarmee zouden laten zien dat zij ook oog hebben voor het lijden van de Venezolaanse burgerbevolking. Het primaire uitgangspunt blijft echter dat deze strafzaak in de VS niet zou mogen plaatsvinden, omdat zij het resultaat is van zeer ernstige schendingen van het internationaal recht.
Reacties