Terug naar overzicht

Belgisch nationaliteitswetsvoorstel onder de loep


De Belgische Kamer van volksvertegenwoordigers (grof gezegd: de Belgische equivalent van de Nederlandse Tweede Kamer) heeft op 29 januari 2026 ingestemd met een wetsvoorstel van de minister van Justitie om de mogelijkheden tot het intrekken van de Belgische nationaliteit uit te breiden. Met dit wetsvoorstel wil België de nationaliteit kunnen ontnemen van een persoon die is veroordeeld voor georganiseerde criminaliteit of levens- of zedendelicten die een fundamentele bedreiging vormen voor de samenleving en als de dader een minimale gevangenisstraf van vijf jaar heeft gekregen. Een wens uit het regeerakkoord van de regering De Wever wordt hiermee ingewilligd.

In 2024 werd een soortgelijke wens ook uitgesproken door het thans dubbeldemissionaire Nederlandse kabinet Schoof. In zijn Regeerakkoord stond het voornemen om de mogelijkheden tot uitbreiding van het intrekken van het Nederlanderschap bij ernstige misdrijven te onderzoeken. In de literatuur is dit voornemen bestempeld als juridisch moeilijk haalbaar en rechtsstatelijk onwenselijk. Het lijkt alsof de nieuwe coalitiepartners (D66, CDA en VVD) hiermee aan de slag zijn gegaan: het plan is niet meer te vinden in het coalitieakkoord. Van deze kwalificering in de literatuur en de beslissing van onze nieuwe coalitie kunnen onze Zuiderburen leren.

Het Belgisch wetsvoorstel onder de juridische loep

Het (Belgische) nationaliteitsrecht is niet louter een nationaalrechtelijke aangelegenheid meer, maar één welke (sterk) beïnvloed wordt door internationale verdragen. Zo bepaalt de Universele Verklaring voor de Rechten van de Mens (UVRM) dat het hebben van een nationaliteit een mensenrecht is.  “Eenieder heeft het recht op een nationaliteit” luidt artikel 15 UVRM. Deze mensenrechtelijke status brengt met zich mee dat het staatsburgerschap niet zomaar mag worden ingetrokken.  Immers, een persoon heeft pas toegang tot een waardig bestaan, zodra hij staatsburger is. Deze regel is nader uitgekristalliseerd in verschillende verdragen. Relevant voor dit blog is het uit 1961 daterende Verdrag tot beperking der staatloosheid (VN-Verdrag), waartoe België in 2014 is toegetreden.

Uit artikel 8 lid 3 VN-Verdrag volgt dat een staat de nationaliteit van een onderdaan kan intrekken als hij zich “dusdanig heeft gedragen, dat daardoor aan de wezenlijke belangen van de [s]taat ernstige afbreuk wordt gedaan.” Wil een staat dit recht behouden, dan moet hij bij toetreding tot het VN-Verdrag een voorbehoud maken met daarin de gronden welke zijn nationale recht voor die ontneming kent en wat de beweegreden daarvoor zijn geweest. Dit is te lezen in de aanhef van lid 3 en moet werken als een safe guard: het doel van deze eis is dat de nationale wetgeving van de toetredende staat wordt ‘bevroren’. Toen België in 2014 partij werd bij het VN-Verdrag, heeft het het volgende voorbehoud gemaaktBelgium reserves the right to deprive of his nationality a person who did not acquire it by virtue of a Belgian individual on the day of his birth, or who was not granted it under the Belgian Nationality Code, in the cases currently provided for under Belgian legislation, namely: (…) if he has been sentenced as perpetrator, co-perpetrator or accomplice, to a non-suspended prison sentence of at least five years for one of the following offences, attacks or plots against the King, the Royal Family or the Government, crimes or misdemeanours against the external security of the State, crimes or misdemeanours against the internal security of the State, serious violations of international humanitarian law,  terrorist offences, threat of attack against persons or property and false information regarding serious attacks, theft or extortion of nuclear materials, offences relating to the physical protection of nuclear materials, human trafficking, people smuggling.”

Met het op 29 januari 2026 aangenomen wetsvoorstel wil België de nationaliteit kunnen ontnemen van een persoon die is veroordeeld voor georganiseerde criminaliteit of levens- of zedendelicten, die een fundamentele bedreiging vormen voor de samenleving en als de dader een minimale gevangenisstraf van vijf jaar heeft gekregen. Het is evenwel de vraag of dit type misdrijven afbreuk doen aan de wezenlijke belangen van de staat, zoals artikel 8 lid 3 VN-Verdrag voorschrijft. Dit is een uitzonderlijk hoge drempel. In analogie met hetgeen Hans Ulrich Jessurun d’Oliveira schrijft, vraag ik mij af of de in het wetsvoorstel opgesomde misdrijven, deze uitzonderlijk hoge drempel wel halen. Wanneer zal een levensdelict, anders dan gericht tegen de koning of andere genoemde in verklaring, een fundamentele bedreiging vormen voor de samenleving? Voorts beoogt het aangenomen wetsvoorstel om een mogelijkheid te creëren de Belgische nationaliteit in te trekken bij zedenmisdrijven die een fundamentele dreiging vormen voor de samenleving. Deze grond heeft België evenwel sec niet opgenomen in zijn verklaring – wat houdt zo’n delict überhaupt in? Het toch opnemen van deze grond is in strijd met de safe guard en derhalve in strijd met internationaal recht.

Het Belgisch wetsvoorstel onder de rechtsstatelijke loep

Naast deze juridische kanttekeningen zijn er ook rechtsstatelijke bezwaren te formuleren ten aanzien van het wetsvoorstel. Hiervoor zal ik nogmaals inzoomen op de verklaring die België heeft afgelegd bij het toetreden tot het VN-Verdrag. In het eerste deel van het door België geplaatste voorbehoud staat, in andere bewoordingen, dat alleen een persoon die naast de Belgische nationaliteit meerdere nationaliteiten bezit, zijn Belgische nationaliteit kan verliezen als hij een van de opgesomde misdrijven pleegt. Los van de negatief beantwoorde vraag, betekent het dat het intrekken van de Belgische nationaliteit van burgers met meerdere nationaliteiten in bepaalde gevallen juridisch toegestaan wordt, terwijl in dezelfde gevallen het intrekken van de Belgische nationaliteit voor burgers met slechts één nationaliteit niet mogelijk is. Dit zet de deur open voor verschillende consequenties voor dezelfde handelingen of misdrijven, hetgeen ingaat tegen de aard van het recht, de sociale cohesie aantast, en leidt tot een wij-zij-denken dat niet past in een democratische samenleving.

Tot slot

De Belgische Kamer van volksvertegenwoordigers heeft een wetsvoorstel aangenomen waar de nodige kanttekeningen bij geplaatst kunnen worden. Het is de vraag of de nieuwe gronden die het mogelijk moeten maken om de Belgische nationaliteit in te trekken, de uitzonderlijk hoge drempel haalt die artikel 8 lid 3 VN-Verdrag voorschrijft. Daarnaast voldoen de gronden niet aan de verklaring die België aflegde bij het toetreden tot het VN-Verdrag. Het toch opnemen van deze gronden is derhalve in strijd met internationaal recht. Het wetsvoorstel gaat in, in analogie met wat Tamar de Waal en ik in het Nederlands Juristenblad betoogden, tegen de aard van het recht. Het tast de sociale cohesie aan en past niet in een democratische samenleving. België zou er daarmee goed aan doen het aangenomen wetsvoorstel, in lijn met de Nederlandse koers, niet te implementeren. Ik zie uit naar het oordeel van het Belgisch Grondwettelijk Hof.

Over de auteurs

Lars Frenken

Lars Frenken is honoursstudent Rechtsgeleerdheid aan de Universiteit van Amsterdam

Reacties

Recente blogs
Winteravonden: film, grondwet en rechtsstaat
#7: Dead Poets Society: burgers en dichters in recht en rechtspraak
Winteravonden: film, grondwet en rechtsstaat
#6: Bram Fischer, advocaat van het verzet tegen apartheid
Winteravonden: film, grondwet en rechtsstaat
#5: Stop die vretende, vrijende en onbeschofte bourgeoisvrienden!