#6: De misstanden rondom arbeidsmigratie: wat is het kabinet van plan?
Het coalitieakkoord van het minderheidskabinet-Jetten telt bijna vijf keer zoveel woorden over asiel dan over arbeidsmigratie. Wie het coalitieakkoord leest, zou daarom bijna vergeten dat er jaarlijks heel wat meer arbeidsmigranten dan asielzoekers naar Nederland komen. In dit blog sta ik stil bij de arbeidsmigratie-gerelateerde onderdelen in het coalitieakkoord.
In Nederland wonen naar schatting zo’n 850.000 arbeidsmigranten. Een commissie onder het voorzitterschap van Emile Roemer schetste in 2020 een alarmerend beeld over de situatie van die arbeidsmigranten in Nederland. In haar rapport werd een waaier aan misstanden aan de kaak gesteld. Arbeidsmigranten bleken bijvoorbeeld vaak niet zelfredzaam, waren afhankelijk van de werkgever voor de huisvesting en de zorgverzekering en vonden bij misstanden de toegang tot de rechter niet. Vijf jaar later, in 2025, rapporteerde de SER dat er nog steeds misstanden bestaan. Volgens de SER is de voortgang beperkt gebleven op het gebied van het reguleren van de uitzendsector en de inleners van arbeidsmigranten, de kwaliteit van de huisvesting voor arbeidsmigranten en de registratie van vooral EU-arbeidskrachten. Hoe is het minderheidskabinet-Jetten van plan de nog steeds bestaande misstanden rondom arbeidsmigratie aan te pakken?
Dezelfde koers of nieuwe wegen inslaan?
Waar de asiel-gerelateerde onderdelen van het coalitieakkoord (waarover Lynn Hillary eerder een blog schreef) redelijk gedetailleerd uiteen zijn gezet, lezen de zes arbeidsmigratie-gerelateerde punten in het coalitieakkoord eerder als een abstract wensenlijstje. Zo zegt het kabinet de al aangehaalde adviezen van de commissie-Roemer en de SER uit te gaan voeren. Dat voornemen is niet nieuw: sinds de publicatie van het rapport van de commissie-Roemer heeft elk kabinet in zijn coalitieakkoord toegezegd de aanbevelingen uit het rapport te volgen. Onduidelijk blijft of dit kabinet de al ingeslagen koers, die wordt gemonitord in jaarrapportages, van voorgaande kabinetten blijft volgen of dat het SER-rapport leidt tot nieuwe inzichten en maatregelen. Roemer zelf hoopt ongetwijfeld op dat laatste. Volgens hem zijn de voorgaande kabinetten de lastige aanbevelingen uit zijn rapport uit de weg gegaan, waardoor een effectieve aanpak van de misstanden dreigt uit te blijven.
Ook op andere punten in het coalitieakkoord blijft onduidelijk of het kabinet nieuwe wegen wil inslaan, en zo ja, op welke wijze. Een voorbeeld hiervan is het voornemen van het kabinet om werkgevers nadrukkelijk te betrekken bij de individuele registratie van arbeidsmigranten, ter bevordering van het toezicht en de handhaving. Onder de voormalige minister van SZW Van Hijum is echter al een convenant over publiek-private ondersteuning van EU-arbeidsmigranten tot stand gekomen. Daarin is een inspanningsverplichting voor werkgevers neergelegd ten aanzien van registratie van EU-arbeidsmigranten. Werkgevers worden dus al nadrukkelijk betrokken bij de registratie. Denkt het kabinet dan nu aan aanvullende maatregelen, zoals de verantwoordelijkheid van werkgevers vastleggen in een wet en daarvoor publiekrechtelijk toezicht en handhaving introduceren? Van Hijum koos hier juist expliciet niet voor.
Daarnaast stelt het kabinet meer verantwoordelijkheid te gaan leggen bij werkgevers om te zorgen voor voldoende huisvesting en zegt het kabinet een einde te maken aan de afhankelijkheidsrelatie met de werkgever, waarbij een arbeidsmigrant op straat komt te staan als het werk ophoudt. Ook op dit punt vraag ik me af wat voor extra maatregelen het kabinet voor ogen heeft ten aanzien van de bestaande wet- en regelgeving.
Sinds 2023 is de Wet goed verhuurderschap namelijk van kracht. Deze wet is onder meer in het leven geroepen om de afhankelijkheidsrelatie van een arbeidsmigrant met zijn werkgever te beperken. Wanneer een arbeidsmigrant huurt van de werkgever, kan op grond van deze wet de arbeidsovereenkomst niet langer gekoppeld zijn aan de huurovereenkomst, maar bestaan deze schriftelijke overeenkomsten los van elkaar. De memorie van toelichting leert dat op deze wijze een huurovereenkomst niet automatisch eindigt als de arbeidsovereenkomst eindigt, maar dat hier in ieder geval een termijn tussen moet zitten. Verliest een arbeidsmigrant zijn baan, dan verliest hij dus niet meteen zijn bed. In verschillende cao’s die door de voormalige minister van SZW algemeen verbindend zijn verklaard, zoals de cao voor Uitzendkrachten, is nu een termijn van vier weken vastgesteld tussen het einde van de arbeids- en huurovereenkomst.
In het licht van de Wet goed verhuurderschap ben ik benieuwd naar welke extra maatregelen het kabinet van plan is om te nemen in het kader van de afhankelijkheidsrelatie en dreigende dakloosheid. Het CDA had als enige coalitiepartij concrete plannen in zijn verkiezingsprogramma staan op dit punt. De partij stelde dat werkgevers een arbeidsmigrant vier weken na het beëindigen van het dienstverband moeten blijven huisvesten. Omdat deze termijn van vier weken al is vastgelegd in cao’s zoals de cao voor Uitzendkrachten, zal dat voornemen van weinig toegevoegde waarde zijn in de praktijk.
De regulering van de arbeidsmigratie-instroom in het licht van het EU-recht
Het kabinet heeft verschillende plannen met betrekking tot het reguleren van de arbeidsmigratie-instroom. Zo volgt het kabinet een plan van Van Hijum om sectorale uitzendverboden in te zetten bij aanhoudende misstanden. Daarnaast wil het kabinet met ruimtelijke ordeningsinstrumenten en gemeentelijke bedrijfseffectrapportages zorgen dat huisvesting, voorzieningen en leefbaarheid op orde zijn voordat extra werknemers worden aangetrokken.
Het kabinet lijkt bij deze plannen echter niet stil te staan bij de vraag in hoeverre het reguleren van de arbeidsmigratie-instroom haalbaar is in het licht van het EU-recht. Op grond van de artikelen 56 en 57 VWEU kan Nederland immers niet zomaar beperkingen opleggen aan het vrij verkeer van diensten. De instroom van uitzendkrachten die werkzaam zijn voor een uitzendbureau in een andere EU-lidstaat, is dus niet zo makkelijk te reguleren door het kabinet. Daarbij gaat het niet enkel over de instroom van uitzendkrachten uit EU-lidstaten maar gaat het ook over de instroom van uitzendkrachten die afkomstig zijn uit andere landen en werken voor een uitzendbureau in een EU-lidstaat. Een persoon uit Belarus die werkzaam is voor een Pools uitzendbureau valt bijvoorbeeld ook onder het vrij verkeer van diensten. Die groep arbeidsmigranten, zogenoemde gedetacheerde derdelanders, neemt al jaren toe in Nederland.
De hamvraag in discussies over de regulering van de arbeidsmigratie-instroom lijkt me dan ook hoe deze regulering mogelijk is in het licht van het EU-recht. Zo’n fundamentele vraag hoeft misschien nog niet beantwoord te worden in een coalitieakkoord, maar het lijkt me zeker de moeite waard om deze vraag in ieder geval te stellen.
Tot besluit
Hoe het kabinet precies van plan is de arbeidsmigratie-gerelateerde misstanden aan te pakken en of die plannen haalbaar zijn, blijft op basis van het coalitieakkoord onduidelijk. Het is daarom afwachten tot de kabinetsplannen op dit punt meer zijn uitgekristalliseerd. Wellicht dat de oppositiepartijen aan de onderhandelingstafel daarbij kans zien om ook bredere, arbeidsmigratie-overstijgende kwesties aan te kaarten.
Men kan bijvoorbeeld kritischer kijken naar de huurbescherming in het Burgerlijk Wetboek 7. Waar een huurder van woonruimte huurbescherming geniet, bestaat er ingevolge artikel 7:232, lid 2 BW een uitzondering op de huurbescherming voor huurovereenkomsten die naar hun aard van korte duur zijn. De huurovereenkomsten van veel arbeidsmigranten vallen onder deze uitzonderingsmogelijkheid. Daarom wilde voormalig minister van VRO Keijzer de uitzondering overigens al aan banden leggen. Zij opperde om de huurbeschermingsuitzondering te beperken tot verhuur met een maximumtermijn van 30 dagen.
Bovendien kan het de moeite waard zijn om naar algemene arbeidsrechtelijke constructies te kijken. De SER noemt in zijn rapport uit 2025 bijvoorbeeld de zeer korte contracten, de mogelijkheid tot loonuitsluiting bij niet-werken en het gebruik van het uitzendbeding (een beding waardoor de arbeidsovereenkomst automatisch en direct eindigt wanneer de inlener het werk stopzet). Deze constructies zijn legaal, maar volgens de SER onwenselijk. Ze leiden tot oneerlijke concurrentie en versterken de kwetsbare positie van arbeidsmigranten.
Kortom, wil het kabinet de arbeidsmigratie-gerelateerde misstanden aanpakken, dan zijn er nog voldoende onderwerpen waarover de arbeidsmigratieparagraaf van het coalitieakkoord zwijgt, maar die wel aandacht verdienen.
Reacties