#5: Maakt ‘stikstofgeld’ gelukkig?
Het CDA pleitte in haar verkiezingsprogramma van eind vorig jaar voor het herstellen van het ‘Stikstoffonds’. Inmiddels weten wij dat deze wens van het CDA wordt vervuld. Uit het Coalitieakkoord 2026-2030 volgt namelijk dat het ‘Stikstoffonds’ voor onder meer natuurherstel, gebiedsontwikkeling en de landbouwtransitie wordt hersteld, met als doel (juridisch) aantoonbare stikstofreductie. Hierbij gaat het om een fonds van cumulatief 20 miljard euro tot en met 2035. Dat is wat mij betreft direct het belangrijkste ‘lichtpuntje’ uit het hoofdstuk ‘Landbouw, natuur en stikstof’, dat in dit blog centraal staat.
Wat bij lezing van genoemd hoofdstuk vooral opvalt, is dat het best veel ‘oude wijn in nieuwe zakken’ bevat. Dat geldt bijvoorbeeld voor de hierin genoemde sectorale stikstofdoelen voor 2035. Hierbij gaat het om doelen om de emissie van ammoniak (NH3) en stikstofoxiden (NOx) te reduceren ten opzichte van de emissie in 2019. Concreet gaat het om: 1) een reductie van 42-46% voor de landbouwsector (NH3), 2) een reductie van 50% voor de industriesector (eveneens NH3), en 3) een reductie van 50% voor de mobiliteitssector (NOx). Dat zijn dezelfde doelen als die het kabinet-Schoof op 25 april 2025 presenteerde in het kader van het ‘Startpakket Nederland van het slot’, met dien verstande dat in voornoemd startpakket niet werd gespecificeerd welk ‘type’ stikstof met genoemd percentage moest worden gereduceerd. In dit verband valt vooral op dat het doel voor de industriesector louter betrekking heeft op NH3, terwijl de industriesector ook NOx-emissies veroorzaakt. Uit een eerdere reflectie van onder meer het PBL op het maatregelenpakket van het kabinet-Schoof volgt echter dat de NOx-emissies van de industrie naar verwachting al met 48% afnemen op basis van vastgesteld en voorgenomen beleid. Dat verklaart naar ik aanneem de keus voor NH3.
Positief is in ieder geval het voornemen om voornoemde doelen vast te leggen in de ‘wet’, waarbij het naar ik aanneem gaat om een verankering in de Omgevingswet (Ow). Dat wijkt af van wat het kabinet-Schoof van plan was. Dat kabinet zond in oktober 2025 het wetsvoorstel ‘Spoedwet vervangen omgevingswaarde stikstof’ naar de Afdeling advisering van de Raad van State. Dit wetsvoorstel had tot doel om het huidige art. 2.15a Ow en daarmee de zogenoemde omgevingswaarden voor stikstofdepositie te schrappen. In plaats daarvan zou in de Ow alleen als doel komen te staan dat in 2035 een aanzienlijke vermindering van de emissie van NH3 en NOx moet zijn bereikt. De Afdeling benadrukte in haar advies dat deze opzet zich niet goed verdraagt met het uit art. 6 lid 2 Habitatrichtlijn volgende verbod op verslechtering van de natuur. Zij adviseerde dan ook om het wetsvoorstel niet in de aan haar voorgelegde vorm bij de Tweede Kamer in te dienen.
Dat advies lijkt het kabinet-Jetten dus ter harte te hebben genomen. Aantekening verdient evenwel dat de ervaring leert dat een wettelijke verankering van stikstofdoelen geenszins een garantie is dat de wet wordt nageleefd en dat de gestelde doelen ook daadwerkelijk worden gehaald. In dit verband wijs ik erop dat art. 2.15a lid 2 Ow expliciet bepaalt dat voornoemde omgevingswaarden resultaatsverplichtingen zijn. Uit de ‘Monitor Stikstofdepositie in Natura 2000-gebieden 2025’ volgt echter dat de omgevingswaarde voor 2025 bij lange na niet is gehaald en dat de omgevingswaarden voor 2030 en 2035 nog ver buiten bereik zijn. Niet voor niets oordeelde de rechtbank Den Haag op 22 januari 2025 dat de Staat onrechtmatig handelt jegens Greenpeace door – kort gezegd – de stikstofdepositie op de meest kwetsbare natuurgebieden onvoldoende snel te reduceren. Kortom: resultaatsverplichtingen met daaraan gekoppeld een monitoringsverplichting én de verplichting om tijdig aanvullende maatregelen te treffen als evident is dat de betreffende resultaatsverplichtingen niet zullen worden gehaald, halen in de praktijk maar weinig uit. Hetgeen zich mede laat verklaren doordat andere belangen, zoals sociale en economische belangen, óók gewicht in de schaal leggen.
In voornoemd vonnis droeg de rechtbank Den Haag de Staat op om zich te houden aan de uit art. 2.15a lid 1 Ow volgende omgevingswaarde voor 2030 en bij de uitvoering daarvan prioriteit te geven aan de meest kwetsbare natuurgebieden. In navolging van het kabinet-Schoof kiest het kabinet-Jetten er echter voor om de blik vooral te richten op 2035, met dien verstande dat wel gesproken wordt over een tussendoel voor 2030. Gespecificeerd wordt dat voor de landbouwsector een streefdoel van 23-25% reductie ten opzichte van 2019 zal komen te gelden. Mede doordat het bij de huidige omgevingswaarden om depositiedoelen gaat in plaats van emissiedoelen, laten de huidige en toekomstige doelen zich niet direct vergelijken. Een belangrijk punt is echter dat in verschillende Natura 2000-gebieden sprake is van een (dreigende) verslechtering van de beschermde natuurwaarden. Daarom moeten op grond van art. 6 lid 2 Habitatrichtlijn zo spoedig mogelijk passende maatregelen worden getroffen om die (dreigende) verslechtering om te buigen. Duidelijk is evenwel dat genoemde doelen wat dat betreft (veel) te weinig ambitieus zijn en dus op korte termijn weinig zoden aan de dijk zullen zetten. Niet alleen voor wat het behoud en het herstel van de natuur betreft, maar ook om Nederland van het ‘stikstofslot’ te halen. Bovendien blijven zelfs deze (veel) te weinig ambitieuze doelen vooralsnog buiten bereik, zoals volgt uit de analyse van het Coalitieakkoord van het CPB en het PBL.
Bemoedigend is wel dat het kabinet-Jetten ervoor kiest om de stikstofreductie-aanpak – in lijn met genoemd vonnis – primair te richten op de meest stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden die nog niet onder de norm zitten, waarbij wordt ingezet op een combinatie van vrijwillige en meer verplichtende maatregelen. Het is de bedoeling dat dit jaar wordt gestart met de uitvoering van de zogenoemde gebiedsgerichte aanpak in minimaal vijf prioritaire gebieden, waaronder de Veluwe en de Peel. Let wel: die twee gebieden werden door het kabinet-Schoof ook al als ‘prioritaire gebieden’ aangemerkt. Verder is hoopgevend dat een korting op dier- of fosfaatrechten bij landbouwbedrijven in het vooruitzicht wordt gesteld. Dat wil zeggen als ultimum remedium, in het geval het stikstofdoel voor 2035 niet wordt gehaald. Vanzelfsprekend moet worden afgewacht of deze ‘stok’ te zijner tijd – door een toekomstig kabinet (!) – daadwerkelijk achter de deur vandaan wordt gehaald.
In een eerder blog op deze site stond ik ook stil bij de ‘nieuwe werkelijkheid’ sinds 18 augustus 2024, het moment waarop de EU-Natuurherstelverordening (NHV) van kracht werd. In het Coalitieakkoord staat dat de NHV zal worden uitgevoerd. Dat is uiteraard een open deur. Art. 288 van het Verdrag betreffende de werking van de EU bepaalt immers dat een verordening verbindend is in al haar onderdelen en rechtstreeks toepasselijk is in elke EU-lidstaat. Verder belooft de coalitie zich onder andere te zullen richten op de vergroening van stedelijke gebieden en op natuurherstel in de Noordzee en de Waddenzee. Dat is in lijn met de verplichtingen die uit de NHV volgen. Daarnaast staat echter, zoals ik in het hiervoor aangehaalde blog al aanstipte, buiten kijf dat op grond van de NHV ook grote stappen zullen moeten worden gezet met betrekking tot het behoud en het herstel van natuurwaarden in het landelijk gebied. In dat verband merkte ik op dat hierbij een belangrijke rol zal zijn weggelegd voor het Natuurnetwerk Nederland (NNN). In het Coalitieakkoord wordt het NNN als zodanig niet genoemd. Wel wordt gesteld dat het hiermee samenhangende Natuurpact – dat loopt tot en met 2027 – wordt uitgevoerd en dat nieuwe afspraken worden gemaakt voor de periode na 2027. Dit betekent concreet dat de komende jaren sowieso nog de nodige hectaren natuur zullen moeten worden gerealiseerd. Op 31 december 2024 was namelijk nog maar zo’n 62% van de uit het Natuurpact volgende natuuropgave gerealiseerd. De vraag is echter vooral hoeveel hectaren hier bovenop zullen komen. Hoewel D66 in haar verkiezingsprogramma pleitte voor 50.000 hectare extra natuur, bevat het Coalitieakkoord geen indicatie van het aantal extra hectare natuur waarop het kabinet-Jetten gaat inzetten. Bovendien is geen budget opgenomen voor natuuruitbreiding, zoals het CPB en het PBL opmerken in hun analyse.
Rest mij nog de in de titel opgeworpen vraag te beantwoorden. Op basis van het voorgaande kom ik tot de conclusie dat het door het kabinet-Jetten in het vooruitzicht gestelde ‘stikstofgeld’ zeker gelukkig kan maken. Het Coalitieakkoord roept echter vooral de vraag op ‘so what do you do that’s guaranteed?’, zoals Brian Johnson zingt in de AC/DC-hit ‘Moneytalks’. Wat dat betreft is weinig hoopgevend dat het kabinet-Jetten grotendeels doorgaat op de door het kabinet-Schoof ingeslagen weg. Dat biedt immers maar weinig perspectief op een snel einde aan de ‘natuurcrisis’ en de daarmee samenhangende ‘stikstofcrisis’.
De tekst van dit blog is afgesloten op 24 februari 2026
Reacties