Terug naar overzicht

#3: Asiel: symboolpolitiek in plaats van oog voor individuele rechten?


‘Het is tijd om aan de slag te gaan voor een beter Nederland’, zo opent het coalitieakkoord 2026-2030 van D66, VVD en CDA. Uit de inleiding van dat coalitieakkoord blijkt een gepast bewustzijn van het feit dat deze coalitie een minderheidskabinet zal vormen en afhankelijk zal zijn van parlementaire meerderheden die niet alleen verbonden zijn aan de drie genoemde partijen. Dat betekent echter niet dat het coalitieakkoord op de vlakte blijft of geen stelling durft innemen en dat blijkt ook uit het onderwerp migratie: ‘We willen serieus grip krijgen op asiel- en arbeidsmigratie, door onszelf de vraag te stellen wat ons land aankan en nodig heeft, en daar ook naar te handelen.’ In een eerdere blog gingen Ernst Hirsch Ballin en ik in op de risico’s die kleven aan de voorstellen voor de tweestatusstelsel- en asielnoodmaatregelenwetten, die door verschillende partijen in aanloop naar de verkiezingen werden overgenomen. Onze zorgen van destijds worden helaas niet weggenomen door het coalitieakkoord. In deze blog ga ik in op enkele onderdelen van het coalitieakkoord die gaan over de toelating van asielzoekers en laat ik de opvang- en integratiegerelateerde onderdelen buiten beschouwing.

Er wordt ten eerste ingezet op ‘een helder migratiemodel in Europa’ – wat op zich een lovenswaardig voornemen is – maar daarbij ligt de focus klaarblijkelijk vooral op het verlagen van het aantal asielverzoeken in Europa, terwijl geen doordacht plan lijkt te bestaan voor het verlenen van bescherming aan wie dat nodig heeft. In het coalitieakkoord staat opgenomen: ‘Doel is uiteindelijk dat asielaanvragen buiten Europa kunnen worden ingediend en afgehandeld, en dat in Nederland geen asielprocedures meer hoeven worden doorlopen.’ Dat komt grosso modo neer op een systeem van hervestiging of humanitaire visa: een asielverzoek wordt ingediend in bijvoorbeeld een Nederlandse ambassade of bij de UNHCR en pas als het verzoek wordt ingewilligd kan die persoon naar Europa c.q. Nederland reizen en heeft zij hier rechtmatig verblijf (zie Hillary 2024). Eerder heb ik in Hans van Mierlostichting-uitgaven (Idee 2025, 14 missies voor Europa 2024) gepleit voor het model van humanitaire visa, dat we hier zien terugkomen, maar heb ik ook expliciet gewaarschuwd voor verschillende valkuilen. Meer bepaald ‘dat het voorgestelde systeem van humanitaire visa een excuus zou kunnen vormen voor een gesloten deur. Deze mensen zouden in een dergelijk scenario niet terugkeren naar de plek waar ze gevaar lopen; hun nood aan bescherming blijft immers ongewijzigd. Een gesloten deur lijkt in dat geval een opening naar onrechtmatig verblijf, met de nodige risico’s voor mensenrechtenschendingen die gepaard gaan met een leven in de illegaliteit.’ Daar lijkt in dit coalitieakkoord niet verder over te zijn nagedacht en dat geeft weinig hoop voor een daadwerkelijk gestroomlijnde visie op Europees asielbeleid.

Als onderdeel van het Europese migratiebeleid kan het EU-migratiepact ten tweede niet onbenoemd blijven. Specifiek stelt het coalitieakkoord op p. 36 dat de buitengrensprocedure, ‘[c]onform het EU-migratiepact’ (!), zal voorzien in gesloten opvang voor asielzoekers voor aanvragen die niet kansrijk zijn. Zoals elders betoogd (A&MR 2025 met Claudia Bonamini; en 2024), vereist het Pact niet dat de grensprocedure in detentie plaatsvindt. Hoewel het Pact wel ruimte biedt voor de grensdetentie van asielzoekers, vereist artikel 5 EVRM daarvoor wel noodzakelijkheid en proportionaliteit. Aangezien vrijheidsontneming een ultimum remedium hoort te zijn, is het simpelweg indienen van een ‘kansarm’ asielverzoek naar mijn idee onvoldoende als detentiegrondslag. Het is mijn indruk dat het Pact wel vaker als excuus wordt gebruikt voor het invoeren van politieke wensen, terwijl dat in een aantal gevallen zowel vanuit mensenrechtelijk oogpunt als vanuit het oogpunt van effectiviteit niet aanbevelenswaardig is. Bij de implementatie van het Pact doet de politiek er goed aan om zowel richting het (nationale) Parlement als richting de uitvoeringsinstanties duidelijk te communiceren waar op nationaal niveau politieke keuzes worden gemaakt, en waar politieke keuzes al zijn gemaakt door Nederland en de andere lidstaten op Europees niveau. Anders komen we terecht in een situatie waar symboolpolitiek boven mensenrechtenbescherming en effectiviteit wordt geplaatst.

Het coalitieakkoord stelt bovendien dat Nederland gaat bijdragen aan de opvanglocaties waar de buitengrensprocedures plaatsvinden, zodat ze ‘veilig en menswaardig’ zijn. Daarmee wordt geïmpliceerd dat de grensprocedures enkel aan de geografische Europese buitengrenzen plaatsvinden, zoals Italië en Griekenland. Hoewel het een goede zaak is dat Nederland daarvoor zijn verantwoordelijkheid wil nemen, wordt hiermee echter geen volledig beeld geschetst: de grensprocedure bij Schiphol is eveneens een buitengrensprocedure. Als het Pact, dat verplicht tot de grensprocedure van meer asielzoekers, op een gelijkaardige manier wordt toegepast als in de huidige situatie, leidt dat waarschijnlijk tot een toename in aantallen asielzoekers die bij Schiphol in grensdetentie worden gehouden. Daar heeft Nederland de (ook) verantwoordelijkheid om bedachtzaam om te gaan met de detentie van vreemdelingen – ook van hen die een asielverzoek hebben ingediend dat op voorhand weinig kansrijk wordt ingeschat.

Tot slot wordt in het coalitieakkoord ingezet op nationale maatregelen, meer bepaald de Asielnoodmaatregelenwet en de Wet invoering tweestatusstelsel. Voor zover deze wetten worden aangenomen door de Eerste Kamer, zal het kabinet deze uitvoeren. Zoals opgemerkt door Coen van de Ven in De Groene Amsterdammer, is dat frappant: ‘De VVD stuurde dat laatste kabinet-Rutte uiteindelijk de afgrond in omdat het haar zin niet kreeg rond asielmigratie. Binnenskamers hielden D66 en ChristenUnie hun poot stijf. Nu, bijna drie jaar later, zal D66 leidinggeven aan een coalitie dat een migratiebeleid gaat voeren waar de vingerafdrukken van Geert Wilders en Marjolein Faber aan kleven.’ Hirsch Ballin en ik constateerden vorig jaar dat er verschillende gebreken kleven aan deze wetten, waaronder de tijdelijke vergunningen, de onmiddellijke inwerkingtreding, het nareisbeleid, en het gebrek aan humaniteit en rechtszekerheid. Dat de wetsvoorstellen de individuele rechten van vluchtelingen niet op de eerste plaats zetten, mag geen verrassing zijn. Maar ook voor de effectiviteit van de asielprocedure in Nederland zullen deze wetten weinig goeds betekenen, vanwege de extra druk die daarmee wordt geplaatst op de rechtbanken. Deze gebreken zijn weliswaar door het demissionaire kabinet voorgesteld, maar door de keuze van het aanstaande kabinet om deze wetgeving geen halt toe te roepen, wordt een weg ingeslagen waar weinig aandacht lijkt te bestaan voor individuele rechten en des te meer voor symboolpolitiek.

Over de auteurs

Lynn Hillary

Lynn Hillary is universitair docent Europeanisering staats- en bestuursrecht aan de Universiteit van Amsterdam

Reacties

Andere blogs uit deze reeks
Regeerakkoord 2026
#2: Werk, werk, werk? Voltijdbonus, arbeidsactivering en grondrechten in het coalitiebeleid
Regeerakkoord 2026
#1: Modernisering van ons nationaliteitsrecht door het minderheidskabinet? Hoog tijd