#2: Eerste hulp aan journalisten: spoedcursus bestuursrecht
De Vereniging voor Bestuursrecht (VAR) heeft het thema voor de preadviezen van 2026 in een actuele vraag gegoten: ‘Loopt het bestuursrecht vast?’ Allereerst zou ik willen opmerken dat het recht als zodanig niet kan vastlopen. Wat wel vastloopt, is de praktijk. Anders gezegd, de auto van het recht is weliswaar ontworpen om te rijden, maar er zijn wel erg veel en lange files. Of zoals rechtssociologen dat omschrijven: er is een groot verschil tussen law in the books en law in action.
Tot zover het zoeken naar terminologische spijkers op laag water. De binnenkort te publiceren preadviezen van de VAR gaan over: (1) de terminologie, (2) de complexiteit van wetgeving, (3) de uitvoering van wet- en regelgeving, en (4) de rechtspraak. Volgens mij ontbreekt er een belangrijke invalshoek en dat is die van de onafhankelijke journalistiek. Wetenschappelijke kritiek op het functioneren van het recht is van oudsher een thema in de rechtssociologie en de rechtsfilosofie. En die thema’s kunnen met een beetje goede wil onder de eerste invalshoek van ‘de terminologie’ worden gerangschikt.
Journalistieke kritiek is echter van een andere orde. Hoe wordt er over het vastlopen van de rechtspraktijk bericht? En op welk platform wordt daar op welke wijze aandacht aan besteed? Dat is niet zo maar een invalshoek. Het is de plek van de buitenstaander die, veelal niet behept met enige juridische kennis, als beschouwer de gang van zaken voor een breed publiek omschrijft, analyseert en becommentarieert. Het resultaat daarvan wordt in de media gepresenteerd. De grootste dagbladen hebben elk een oplage van een paar honderdduizend, ongeveer evenveel als de kijkcijfers van een programma als Nieuwsuur. Vandaag Inside heeft maar liefst 1 miljoen kijkers. Dat steekt schril af tegen de bescheiden oplage van enkele tienduizenden van het NJB of de 1600 leden van de VAR. Een antwoord op de vraag of er iets vast loopt in het bestuursrecht – en hoe dan – kan derhalve ook in de media worden gevonden.
Neem bijvoorbeeld het interview dat onlangs in NRC stond met een vreemdelingenrechter van de rechtbank Limburg (zittingsplaats Roermond). Deze rechter stelt met een zekere regelmaat prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de EU (HvJEU): dat zijn vragen om uitleg van de Europeesrechtelijke regels. In een aantal gevallen is het antwoord van het HvJEU dusdanig, dat het gevoerde nationale beleid – zoals dat in de bewuste asielzaak aan de orde is – in strijd wordt geoordeeld met het EU-recht. Dat betekent dat het nationale asielbeleid van de minister moet worden aangepast.
Dat leidde onmiddellijk tot Kamervragen van JA21 over deze rechter aan de minister van Asiel en Migratie. De laatste twee vragen waren:
[Vraag 13]
Wat is uw oordeel over het feit dat de rechter in het artikel aangeeft dat zij in
februari bij een uitspraak heeft voorgesteld dat de IND bij oude zaken niet meer tot
de hoogste rechter moet doorprocederen? Vindt u dat het de taak van een rechter is
om dergelijke opmerkingen te plaatsen? Welke gevolgen worden hieraan verbonden?
[Vraag 14]
Bent u van mening dat met dergelijke oproepen en uitspraken de grens tussen rechtspreken
en (politiek) activisme in de rechtszaal vervaagt? Zo nee, waarom niet? Zo ja, deelt
u de mening dat dit onwenselijk is en welke mogelijkheden ziet u om dit tegen te gaan?
Er werd dus forse kritiek geuit op deze rechter. Het frame daarbij was beschuldigend. Hoe durft deze rechter de nationale politiek voor de voeten te lopen? En indirect werd het ontslag van deze rechter gesuggereerd. De voorzitter van de Nederlandse Vereniging voor de Rechtspraak liet onmiddellijk weten dat dergelijke Kamervragen het gezag van de rechterlijke macht aantasten: ‘zo ging het ook in Polen’.
In een gezonde democratie ligt het niet voor de hand dat dergelijke Kamervragen worden gesteld. De scheiding der machten brengt immers met zich mee dat terughoudend wordt gereageerd op uitlatingen van individuele rechters.
In de Kamervragen werd de formele taak van een bestuursrechter genegeerd. Het vreemdelingenrecht, en vooral het asielrecht, wordt echter voor 95% op het niveau van de Europese Unie besproken, onderhandeld en uiteindelijk dwingend voorgeschreven. Als de daaraan ondergeschikte nationale uitvoeringsregels daar wellicht mee in strijd zijn, dan is het de taak van de vreemdelingenrechter om via de daarvoor voorgeschreven weg prejudiciële vragen te stellen aan het Hof in Luxemburg om opheldering te krijgen over de betekenis van de wettelijke regels. Die helderheid kan confronterend zijn, maar dat is nog geen reden om de rechter verdacht te maken.
Bij Nieuwsuur (26/3/26) zat een van de vragenstellers uit de Kamer tegenover een (andere) rechter. Bij de introductie door de presentatrice van Nieuwsuur ging het al fout: ‘een rechter die zich in het openbaar uitspreekt over het migratiebeleid’. Wie het interview goed leest, ziet dat de praktijk wordt beschreven waarin de IND, respectievelijk de minister van Asiel en Migratie, besluiten neemt die niet conform het EU-recht zijn. Dat EU-recht gaat vóór het nationale beleid. Als de vragen van een rechtbank door het HvJEU worden beantwoord met de stellige uitspraak dat de (Nederlandse) praktijk in strijd is met het EU-recht, dan moet die praktijk worden aangepast; niet de rechter. De rechter spreekt zich dan niet uit over het beleid, maar de rechtbank oordeelt dat de praktijk in strijd is met het EU-recht, zoals die door het HvJEU is uitgelegd.
De journalistieke introductie was er dus een waarbij de vermeende kritiek van een rechter op het asielbeleid centraal stond. Dat had anders gekund – en gemoeten. Gesteld had kunnen worden: waarom past de minister de beleidsregels niet aan als hij door de rechter wordt teruggefloten? Niet dus. De kritiek op de rechtspraak werd derhalve het kader.
De presentatrice vervolgde: ‘alhoewel er sprake is van een rechtsstatelijk scheiding der machten zitten rechters en politici elkaar steeds vaker in de haren’. Hoezo? Het zijn immers niet de rechters die politici aanvallen, maar veeleer andersom. Het zijn Kamerleden die nationale aandacht hopen te krijgen door rechters verantwoordelijk te houden voor het doorkruisen van het door hen gewenste nationale beleid, dat – voor de goede orde – in strijd is met het EU-recht.
Vervolgens werd door het Kamerlid een uitlating van de geïnterviewde rechter als ‘dat is een mening, een beschouwing’ gekwalificeerd. Het betrof de opmerking dat het maar zeer de vraag is of strengere regels mensen zullen weerhouden om toch te komen. Die uitlating verwijst naar het fenomeen aanzuigende werking. Of beter gezegd, het verwijst naar de vraag: bestaat er aanzuigende werking van ruime regels en omgekeerd een afstotende werking van strengere regels met betrekking tot asiel?
Er is uitgebreid wetenschappelijk bewijs voor de constatering dat mensen (die bescherming zoeken) zich niet laten weerhouden door regels. Het gaat derhalve niet om een mening maar om het verwijzen naar wetenschappelijk bewijs. Het fenomeen van de aanzuigende werking bestaat niet, dat wil zeggen: het bestaat uitsluitend in de hoofden van politici. En toch wordt ook dat frame weer gehanteerd – door de journalist – waardoor de rechter in het beklaagdenbankje zat.
Als het Kamerlid (in Nieuwsuur) het woord krijgt, benoemt hij als ‘groot probleem’ dat in toenemende mate de rechter op de stoel van de politici gaat zitten. Wat een onzin. Rechters oordelen of besluiten zijn genomen in overeenstemming met de daarvoor geldende regels. En het zint de politicus niet dat hij dan wordt teruggefloten. Maar het is juist de taak van de rechter om die toets uit te voeren. Als dat oordeel op een bepaald terrein negatief is – dat wil zeggen dat de praktijk niet in overeenstemming is met de daarvoor afgesproken regels – dan is het aan de politicus om die praktijk aan te passen. Natuurlijk kan worden voorgesteld om de regels aan te passen, maar in EU-verband ben je dan al gauw een paar jaar verder.
Vervolgens verlegt het Kamerlid (nog steeds in Nieuwsuur) het onderwerp naar klimaatbeleid en de interpretatie van mensenrechtenverdragen door het EHRM, hetgeen zowel een ander onderwerp is als een ander Europees Hof. Wat dat met het oorspronkelijke onderwerp heeft te maken blijft onduidelijk. Maar het punt is inmiddels wel gemaakt. De politicus krijgt een kwartier lang een respectabel platform en wordt daarbij onvoldoende tegengesproken.
Een en ander hangt wellicht samen met het gegeven dat een rechter – ook degene die heel dapper in de studio aan tafel zat – in zijn professionele rol getraind is in het luisteren, terwijl een politicus geoefend is in het spreken. Daarnaast is de gespreksleider niet altijd voldoende op de hoogte van de precieze ins en outs om op de juiste momenten in te grijpen. Dat laatste is kenmerkend voor veel praatprogramma’s. Redacties besluiten dat een bepaald onderwerp aan bod moet komen en vervolgens worden de experts gebeld en geraadpleegd. Met de aldus telefonisch vergaarde kennis van zaken wordt de presentator opgezadeld, in de veronderstelling dat er tijdens de uitzending adequaat kan worden gereageerd. Maar in de praktijk gebeurt dat niet altijd.
Het uiten van kritiek is prima, maar dan moet dat wel gefundeerde kritiek zijn. De feiten moeten worden geselecteerd, benoemd en gekwalificeerd. Dat gebeurt echter zelden en dat zorgt ervoor dat over het functioneren van het recht in de praktijk op een beperkte, en soms onjuiste, tendentieuze manier in de media wordt bericht. Bij die berichtgeving is het van uitermate groot belang dat de journalist weet wie hij waarvoor een podium geeft. Gaat het om sensatie of om het blootleggen van machtsstructuren, die er uiteindelijk voor zorgen dat de praktijk van het bestuursrecht vastloopt zonder dat er voldoende gerichte aandacht wordt besteed aan de oorzaken?
De vraag of de praktijk van het bestuursrecht vastloopt kan vanuit verschillende invalshoeken worden behandeld. Maar door de praktijkbeoefenaren wordt mijns inziens te weinig onderkend dat een goed voorbereide journalist van wezenlijk belang is om de beeldvorming in de juiste banen te leiden. Ik zou er voor willen pleiten om de journalistiek van alle mogelijke deskundige hulp te voorzien (zowel vanuit de praktijk als de wetenschap) zodat de journalist als gespreksleider daadwerkelijk de discussie in relevante banen kan leiden.
Ik zou derhalve een aanvullend preadvies willen geven: geef alle journalisten dit jaar nog een stoomcursus rechtspraak. Een betere berichtgeving over welke misstanden echt zijn, is een eerste stap op weg naar het onderkennen van het oplossen van echte misstanden. Anders vallen we terug op de tactiek van oud-premier Schoof: ‘de mensen ervaren een crisis en dus is er een crisis’.
Reacties