DE GRONDWET

Artikel 99 - Gewetensbezwaren militaire dienst

De wet regelt vrijstelling van militaire dienst wegens ernstige gewetensbezwaren.

WETENSCHAPPELIJK COMMENTAAR

M. Adams

INHOUDSOPGAVE

  1. Gewetensbezwaren in verband met militaire dienstplicht
  2. De wetgeving ter uitvoering van artikel 99
  3. Verdragsverplichtingen
  4. Jurisprudentie
  5. Literatuur
  6. Historische versies
   
Editie december 2013[1]

1. Gewetensbezwaren in verband met militaire dienstplicht

De Grondwet erkent in artikel 99 dat mensen gewetensbezwaren kunnen hebben tegen het verplicht dienen in de krijgsmacht, omdat zij het plegen van geweld en het mogelijk zelfs moeten doden van medemensen vanuit hun diepste overtuigingen afwijzen.
 
Hoewel dienstweigering als individueel conflict tussen de plicht aan de staat en de vrijheid van het geweten van alle tijden is,[2] werd de wenselijkheid van een nadere regeling van deze materie vooral duidelijk bij de behandeling van het ontwerp van de Dienstplichtwet (1922, Stb. 42).[3] Bij de grondwetsherziening van 1922 werd een amendement van Troelstra op grond van ‘de wenschelijkheid vrijstelling van de dienstplicht te verleenen wegens gemoedsbezwaren naar bij de wet te stellen regels’ door de regering overgenomen.[4] Dit resulteerde in de opneming van artikel 183 Gw dat (afgezien van de spelling) identiek was met het tot aan de herziening van 2000 geldende artikel 99.
 
Het huidige artikel 99 is met de grondwetsherziening van 2000 inzake de defensiebepalingen inhoudelijk gelijk gebleven aan het voormalige artikel 99. Met het oog op modernisering is gekozen voor een andere redactie, namelijk een die beter dan het voormalige artikel aansluit bij de in de Grondwet sinds de grondwetsherziening van 1983 gehanteerde delegatieterminologie.
 
Hoewel artikel 99 de materie van een grondrecht betreft, bevat het geen daartoe strekkend subjectief recht. Wel vormt het de grondslag voor de wettelijke regeling van vrijstelling van dienstplicht wegens ernstige gewetensbezwaren. Het artikel draagt de vaststelling van materiële en formele vereisten voor een vrijstelling op aan de formele wetgever. Dit betekent dat de wetgever zowel de procesgang tot de vrijstelling regelt, alsook de nadere (inhoudelijke) omgrenzing van de gevallen die voor erkenning in aanmerking komen.[5]
 
Zolang individuen niet worden opgeroepen om daadwerkelijk in dienst te treden, heeft deze regeling uiteraard in de praktijk weinig betekenis. Omdat echter in buitengewone omstandigheden de vervulling van de werkelijke militaire dienst toch weer kan worden opgelegd, blijft art. 99 van belang, alsmede de uitvoeringswetgeving die daarbij hoort.[6]
 

2. De wetgeving ter uitvoering van artikel 99

In de Dienstweigeringswet[7] van 1923, opgesteld ter uitvoering van het toenmalige art. 183 (het huidige art. 99), werd een beroep op het geweten waarin zich het Godsgebod ‘Gij zult niet doden’ openbaart, gerespecteerd. De Wet gewetensbezwa­ren militaire dienst (WGMD),[8] die in 1962 de Dienstweigeringswet verving, verruimde het gewetensbegrip en achtte het voort te komen uit een godsdienstige of zedelijke (niet politieke) overtuiging die elke deelname aan geweld verbiedt. In de herziene WGMD van 1978[9] tenslotte wordt het geweten beschouwd als een subjectief individuele instantie die (eveneens) kan voortvloeien uit een politieke overtuiging of bezwaren van selectieve aard, zoals bezwaren tegen bepaald wapentuig.[10] Artikel 2 WGMD eist dat de gewetensbezwaren ‘onoverkomelijk’ zijn. Meer specifiek heeft artikel 2 WGMD het over bezwaren ‘tegen de persoonlijke vervulling van militaire dienst in verband met het gebruik van middelen van geweld waarbij men door dienstverlening in de Nederlandse krijgsmacht kan worden betrokken.’ De langere duur van de vervangende dienst en de bereidheid deze op de koop toe te nemen, vormden in de uitvoeringspraktijk de toets voor de onoverkomelijkheid van de bezwaren.
Nu in de Kaderwet dienstplicht[11] (1997), ter uitvoering van het tweede lid van art. 98 (98, derde lid, oud), de bevoegdheid tot opschorting van de oproeping in werkelijke dienst is geregeld – een plicht die in beginsel op elk gewenst ogenblik weer kan worden geactiveerd – is de WGMD op dit punt aangepast. Parallel aan de bepalingen in de Kaderwet dienstplicht inzake opschorting, en beëindiging van de opschorting van de dienstplicht, is in art. 60a WGMD de opschorting van de vervangende dienstplicht van erkend gewetensbezwaarden en de beëindiging daarvan geregeld.[12]Indien politieke besluitvorming leidt tot reactivering van het diensplichtstelsel zullen gewetensbezwaarden wederom een beroep kunnen doen op de WGMD.

3. Verdragsverplichtingen

Veel staten met een krijgsmacht bestaande uit, onder meer, dienstplichtigen, regelen daadwerkelijk een of andere vorm van erkenning van gewetensbezwaren (die religieus, filosofisch, ethisch, etc. kunnen zijn). Voor gewetensbezwaarden wordt dan een alternatief voor de dienstplicht mogelijk gemaakt. Dit kan in de vorm van het doen opnemen van een civiele taak, of door gewetensbezwaarden niet te betrekken bij die onderdelen van de krijgsmacht die bij gewapende actie betrokken kunnen worden.[13]
 
Interessant in deze context, hoewel voor Nederland wat minder relevant, is een uitspraak van de Grote Kamer van het EHRM, van 7 juli 2011. De zaak betrof een Jehova’s getuige uit Armenië, die op grond van zijn religieuze overtuigingen geen dienstplicht wenste te vervullen, maar wel bereid was een nuttige civiele taak op te nemen als alternatief voor die dienstplicht. Armenië had echter geen wetgeving had die dit mogelijk maakte, en de man belandde 10 maanden in de cel na een strafrechtelijke veroordeling ter zake zijn weigering dienstplicht te vervullen. Het Hof overwoog dat er sprake was van een inbreuk op artikel 9 lid 1 EVRM. Het Hof benadrukte bovendien dat vrijwel ieder lidstaat van de Raad van Europa waar dienstplicht bestond (of had bestaan), alternatieven voor dienstplicht had ingevoerd. Daardoor was het mogelijk een evenwicht te bereiken tussen individuele gewetensbezwaren en militaire verplichtingen. Een lidstaat die dergelijk alternatief niet ter beschikking heeft staan, geniet maar van een beperkte appreciatiemarge, en dient aan te tonen dat de ontstentenis van een alternatief voor de dienstplicht voortvloeit uit een ‘pressing social need’. (§ 123). Het loont de moeite de kernoverweging in extenso te citeren: “The Court cannot overlook the fact that, in the present case, the applicant, as a member of Jehovah’s Witnesses, sought to be exempted from military service not for reasons of personal benefit or convenience but on the ground of his genuinely held religious convictions. Since no alternative civilian service was available in Armenia at the material time, the applicant had no choice but to refuse to be drafted into the army if he was to stay faithful to his convictions and, by doing so, to risk criminal sanctions. Thus, the system existing at the material time imposed on citizens an obligation which had potentially serious implications for conscientious objectors while failing to allow any conscience-based exceptions and penalising those who, like the applicant, refused to perform military service. In the Court’s opinion, such a system failed to strike a fair balance between the interests of society as a whole and those of the applicant. It therefore considers that the imposition of a penalty on the applicant, in circumstances where no allowances were made for the exigencies of his conscience and beliefs, could not be considered a measure necessary in a democratic society. Still less can it be seen as necessary taking into account that there existed viable and effective alternatives capable of accommodating the competing interests, as demonstrated by the experience of the overwhelming majority of the European States.” (§ 124).
 
Het betreft een weinig opgemerkte, maar desondanks fundamentele zaak, als gevolg waarvan blijkt dat gewetensbezwaren in de context van de dienstplicht daadwerkelijk en ondubbelzinnig onder de bescherming van het EVRM vallen.[14] Op de staat die ervoor kiest geen alternatief voor de dienstplicht aan te bieden aan gewetensbezwaarde burgers, rust als gevolg van deze uitspraak de taak aan te tonen waarom daar geen noodzaak voor bestaat. Armenie heeft inmiddels wetgeving ingevoerd die alternatieve dienstplicht ook daadwerkelijk mogelijk maakt. Op dit moment is dat voor Azerbeidzjan en Turkije nog niet het geval.

4. Jurisprudentie

HR 26 juni 1916, NJ 1916, 703.
HMG 19 januari 1983, MRT 1983, 285.
HR 14 juni 1983, NJ 1983, 716.
HR 23 december 1986, NJ 1987, 508.
HR 12 januari 1990, RvdW 1990, 26.
RvS 14 december 1999,NLRVS1999AA4519, LJN AA 4519
EHRM 7 juli 2011, Bayatyan v. Armenia, 23459/03
HR, 25 juni 2013, NLHR201373
HR, 25 juni 2013, NLHR201374


5. Literatuur

- Th.W. van den Bosch, Principiële gewetensbezwaren tegen het verrichten van militaire dienst, Tjeenk Willink, 1983.
- G.L. Coolen, Totaalweigering. Welke wettelijke regels beheersen het vraagstuk?, MRT LXXXIII (1990), p. 145-149.
- D. Hazewinkel Suringa, Enige beschouwingen over dienstweigeraars en hun behandeling, MRT XLIII (1950), p. 225 e.v.
- P. Muzny, Bayatyan v Armenia: The Grand Chamber Renders a Grand Judgment, 12 Human Rights Law Review 2012, 135-147.
- P. Rowe, The Impact of Human Rights Law on Armed Forces, Cambridge University Press, 2006
- B. Schumacher, Militaire dienstweigering en vredesmoraal, diss. TFT, Tilburg 1986.
- B.P. Vermeulen, De vrijheid van geweten, een fundamenteel rechtsprobleem, Gouda Quint, 1989.
- B.P. Vermeulen, Geweten, toetsing, gewetensvrijheid, MRT LXXXIII (1990), p. 149-153.

6. Historische versies

Artikel 183 Gw 1922: Bij de wet worden de voorwaarden genoemd, waarop wegens ernstige gewetensbezwaren vrijstelling van den krijgsdienst wordt verleend. (gelijk aan art. 99 Gw 1983, behoudens gemoderniseerde spelling).
 

Noten

  1. De bijdrage is geschreven door M.Adams, op basis van het commentaar bij artikel 98 J. van Schooten-Van der Meer.uit A.K. Koekkoek (red.), De Grondwet. Een systematisch en artikelsgewijs commentaar, Deventer: W.E.J. Tjeenk Willink, 3e dr. 2000 (alsook de 2e dr. 1992).
  2. B.P. Vermeulen, De vrijheid van geweten, een fundamenteel rechtsprobleem, Gouda Quint, 1989.
  3. Bijl. Hand II 1920/21, p. 2834-2838.
  4. Bijl. Hand II 1921/22, p. 935-942.
  5. Kamerstukken II 1975/76, 13 872, nr. 6, p. 7.
  6. Zo ook A.D. Belinfante en J.L. de Reede, bewerkt door L. Dragstra, N.S. Efthymiou, A.W. Hins en R. De Lange, Beginselen van het Nederlandse staatsrecht, Kluwer, 2012, p. 198.
  7. Wet van 13 juli 1923, Stb. 357.
  8. Wet van 27 september 1962, Stb. 370.
  9. Wet van 24 november 1978, Stb. 694.
  10. HR 12 januari 1990, RvdW 1990, 26.
  11. Stb. 1997, 139.
  12. Kamerstukken II 1997/98, 25 990.
  13. Hierover P. Rowe, The Impact of Human Rights Law on Armed Forces, Cambridge University Press, 2006, p. 16-20.
  14. Zie hierover, P. Muzny, Bayatyan v Armenia: The Grand Chamber Renders a Grand Judgment, 12 Human Rights Law Review 2012, p. 135-147 (met verdere verwijzingen naar relevante rechtspraak).

CITEER SUGGESTIE

M. Adams, Commentaar op artikel 99 van de Grondwet, in: E.M.H. Hirsch Ballin en G. Leenknegt (red.), Artikelsgewijs commentaar op de Grondwet, webeditie 2019 (www.Nederlandrechtsstaat.nl).