DE GRONDWET

Artikel 98 - Samenstelling krijgsmacht

  1. De krijgsmacht bestaat uit vrijwillig dienenden en kan mede bestaan uit dienstplichtigen.

  2. De wet regelt de verplichte militaire dienst en de bevoegdheid tot opschorting van de oproeping in werkelijke dienst.


WETENSCHAPPELIJK COMMENTAAR

M. Adams

INHOUDSOPGAVE

  1. Vrijwilligerskrijgsmacht
  2. Literatuur
  3. Historische versies
 
Editie december 2013[1]

1. Vrijwilligerskrijgsmacht

De krijgsmacht bestond tot de grondwetsherziening van 1887 uit de in verschillen­de grondwetsartikelen vastgelegde onderdelen (i) zee- en landmacht (vrijwilligers), (ii) een nationale militie (vrijwilligers aan te vullen door dienstplichtigen) en (iii) de plaatselijke schutterijen. Deze drie onderdelen werden bij de herziening van 1887 in één artikel samengevoegd tot een zee- en een landmacht. Dit leger bestond uit vrijwilligers en dienstplichtigen.[2] De wet regelde de ‘verpligte krijgsdienst’ en de verplichtingen van hen die niet tot de ‘zee- en landmagt’ behoren.
 
Hoewel de tekst van 1887 de basis vormde voor het huidige artikel 98 Gw, werd er tot 1995 bepaald dat de krijgsmacht bestond uit vrijwillig dienenden en uit dienstplichtigen. De grondwetsherziening van 1995 hield rekening met de afloop van de zogenaamde Koude Oorlog, en met de behoefte de krijgsmacht steeds vaker in te zetten bij internationale vredesoperaties (zoals bijvoorbeeld VN-missies) die niet direct dienend zijn voor de binnenlandse veiligheidssituatie.[3]Wat dit laatste punt betreft: dergelijke technisch complexe en potentieel gevaarlijke operaties vereisen, zo was het uitgangspunt, een professioneel geschoold kader. Bovendien bleek het steeds moeilijker dergelijke taak uit te voeren, omdat de gewoonte bestond dergelijke uitzending op basis van vrijwilligheid te doen plaatsvinden; er bestond weinig animo voor. Een hervorming van de krijgsmacht diende zich dus aan.Sinds 1995 constitueert het eerste lid van artikel 98 een krijgsmacht die bestaat uit vrijwillig dienenden en, indien de wetgever dat bepaalt, uit dienstplichtigen. Het woordje ‘kan’ moet dus in het licht worden gezien van de overgang van een dienstplichtstelsel naar een vrijwilligerskrijgsmacht, die op 1 januari 1998 haar beslag kreeg.[4]Daarmee is de mogelijkheid gecreëerd een leger in te stellen dat louter uit beroepskrachten bestaat.
 
Het tweede lid van artikel 98 komt nagenoeg overeen met de eerste volzin van  artikel 98, derde lid, naar de tekst van 1995. Slechts de term ‘krijgsdienst’ is met het oog op modernisering van de tekst vervangen door de in het spraakgebruik meer gangbare term ‘militaire dienst’. Formeel gaf de Dienstplichtwet tot 1 mei 1997 uitvoering aan het derde lid van het oude artikel 98 Gw, hoewel in januari 1996 de laatste lichtingsploeg opkwam en in augustus van dat jaar de laatste dienstplichtigen afzwaaiden. In verband met de genoemde overgang naar een stelsel van een vrijwilligerskrijgsmacht trad met ingang van 1 mei 1997 de nieuwe Kaderwet dienstplicht in werking. Deze wet regelt de in artikel 98, tweede lid, genoemde bevoegdheid tot opschorting van de verplichte krijgsdienst, evenals de beëindiging van die opschorting, waardoor het dienstplicht­stelsel weer kan worden geactiveerd. Dat impliceert dat formeel de dienstplicht dus niet is afgeschaft, maar, zoals gezegd, opgeschort. In de vermelde Kaderwet dienstplicht is die opschorting en de beëindiging daarvan geregeld in hoofdstuk 4, door respectievelijk art. 39 en 40. Een en ander gebeurt bij wege van Koninklijk Besluit. Op basis van het tweede lid van beide bepalingen kan die opschorting of beëindiging weer worden ingetrokken indien de Staten-Generaal daartegen bezwaar maakt.
 
Omdat het om een opschorting gaat, wordt de inschrijving voor de dienstplicht gewoon voortgezet. Daarbij geldt als hoofdregel dat voor de dienstplicht wordt ingeschreven de mannelijke Nederlander die in het jaar waarin hij 17 jaar wordt, als ingezetene is opgenomen in een basisadministratie persoonsgegevens van een gemeente. Praktisch merkt men van deze regeling momenteel weinig. Wel kan men door reactivering van het dienstplichtstelsel voor een keuring worden opgeroepen (en eventueel als dienstplichtige worden aangemerkt).
 
Anders dan ingevolge artikel 33 Dienstplichtwet, waarin de uitzending van Dienstplichtigen buiten Nederland werd geregeld, worden onder de Kaderwet dienstplicht operaties voor crisisbeheersing, ook na beëindiging van de genoemde opschorting, in gewone omstandigheden uitgevoerd door het in werkelijke dienst zijnde beroepspersoneel, eventueel aangevuld met reservisten op vrijwillige basis.[4]

2. Literatuur

- G.L. Coolen, Welke taken kunnen aan de krijgsmacht worden opgedragen?, MRT 1993, nr. 5, p. 145.
- R.M. Eiting, Aantekeningen bij de rechtmatigheid van de militaire dienstplicht, MRT 1992, nr. 6, p. 169-181.

3. Historische versies

Art. 122 Gw 1814: Dienvolgens is het ook ten allen tijde eene der eerste zorgen van den Souvereinen Vorst, dat er eene toereikende Zee  en Landmagt onderhouden worde, aangeworven uit vrijwilligers, het zij inboorlingen of vreemden, ten einde te dienen in of buiten Europa naar de omstandigheden.
Art. 123 Gw 1814: Behalve de vaste Zee  en Landmagt zal er steeds zijn eene Nationale Militie, waarvan in vredenstijd jaarlijks een vijfde gedeelte wordt ontslagen en door anderen, ten gelijken getale, vervangen, zoo veel mogelijk te nemen uit vrijwilligers, en anders bij loting, uit de ongetrouwde Ingezetenen van 18 tot 22 jaren. Die, welke hun ontslag zullen bekomen, kunnen onder geen voorwendsel, tot eenigen anderen dienst, dan voor de hierna te melden Schutterijen worden opgeroepen.
Art. 124, eerste lid, Gw 1814: De Militie komt in gewone tijden jaarlijks eenmaal te zamen, om, gedurende eene maand of daaromtrent, in den wapenhandel geoefend te worden; blijvende het nogtans aan den Souvereinen Vorst voorbehouden, om, wanneer Hij zulks voor 's Lands belangen mogt geraden oordeelen, een vierde van het geheele getal te doen zamen blijven.
Art. 126 Gw 1814: De bepalingen, welke door den Souvereinen Vorst, zoo omtrent het getal en de inrigting der Militie, als opzigtelijk het geen den Landstorm betreft, noodig geoordeeld worden, zullen het voorwerp eener, door Denzelven voortedragen, wet uitmaken.
Art. 204 Gw 1815: De Koning zorgt, dat er ten alle tijde eene toereikende zee  en landmagt onderhouden worde, aangeworven uit vrijwilligers, het zij inboorlingen of vreemdelingen, om te dienen in of buiten Europa, naar de omstandigheden (art. 202 Gw 1840; art. 178 Gw 1848).
Art. 206 Gw 1815: Behalve de vaste zee  en landmagt, is er steeds eene Nationale Militie, waarvan in vredestijd jaarlijks een vijfde gedeelte wordt ontslagen (art. 204 Gw 1840).
Art. 207 Gw 1815: De militie wordt zoo veel mogelijk genomen uit vrijwilligers, op de wijze als bij de wet bepaald wordt.
Bij gebrek van genoegzame vrijwilligers, wordt de militie voltallig gemaakt bij loting uit de ingezetenen, die op den 1sten Januarij van elk jaar ongehuwd zijn, hun 19de jaar ingetreden zijn en hun 23ste jaar nog niet hebben volbragt; zij, die hun ontslag bekomen hebben, kunnen onder geen voorwendsel tot eenigen anderen dienst, dan de hierna te melden Schutterijen, worden opgeroepen (art. 205 Gw 1840).
Art. 208 Gw 1815: De militie komt in gewone tijden jaarlijks eenmaal te zamen, om gedurende eene maand of daaromtrent in den wapenhandel te worden geoefend: blijvende het nogtans aan den Koning voorbehouden, om, wanneer Hij zulks voor 's Rijks belangen mogt geraden oordeelen, een vierde van het geheele getal te doen zamenblijven (art. 206 Gw 1840).
Art. 214 Gw 1815: De bepalingen, welke door den Koning, zoo omtrent het getal en de inrigting der militie, als opzigtelijk hetgeen de Schutterijen en den landstorm betreft, noodig geoordeeld worden, zijn het voorwerp eener door hem voortedragen wet (art. 212 Gw 1840).
Art. 180 Gw 1848: Er is steeds eene nationale militie, zooveel mogelijk zamen te stellen uit vrijwilligers, om te dienen, op de wijze in de wet bepaald.
Art. 181 Gw 1848: Bij gebrek aan genoegzame vrijwilligers, wordt de militie voltallig gemaakt door loting uit de ingezetenen, die op den eersten Januarij van elk jaar hun twintigste jaar zijn ingetreden. De inschrijving geschiedt een jaar te voren.
Art. 182 Gw 1848: Zij, die aldus in de militie te land zijn ingelijfd, worden, in vredestijd, na een vijfjarige dienst ontslagen.
Is de Staat in oorlog of in andere buitengewone omstandigheden, zoo kan eene wet, jaarlijks te vernieuwen, hen tot langere dienst verpligten.
Art. 183 Gw 1848: De militie te land komt, in gewone tijden, jaarlijks eenmaal te zamen, om, gedurende niet langer dan zes weken, in den wapenhandel te worden geoefend, tenzij de Koning het raadzaam mogt oordeelen, dat zamenkomen geheel of gedeeltelijk achterwege te laten.
De Koning kan een deel der militie, door de wet te bepalen, doen zamenblijven.
De ligting van het loopende jaar kan tot eerste oefening hoogstens twaalf maanden onder de wapenen gehouden worden.
Art. 189 Gw 1848: De sterkte en inrigting der militie en der schutterijen worden geregeld door de wet.
Art. 181 Gw 1887: Tot bescherming der belangen van den Staat is er eene zee  en eene landmagt, bestaande uit vrijwillig dienenden en uit dienstpligtigen.
De wet regelt de verpligte krijgsdienst. Zij regelt ook de verpligtingen die aan hen, die niet tot de zee  of landmagt behooren, ten aanzien van 's Lands verdediging opgelegd kunnen worden (art. 182 Gw 1922; art. 188 Gw 1938; art. 195 Gw 1953).
Art. 195 Gw 1956: Tot bescherming der belangen van de Staat is er een krijgsmacht, bestaande uit vrijwillig dienenden en uit dienstplichtigen.
De wet regelt de verplichte krijgsdienst. Zij regelt ook de verplichtingen die aan hen, die niet tot de krijgsmacht behoren, ten aanzien van 's Lands verdediging opgelegd kunnen worden.
Art. 98 Gw 1983: 1. Tot bescherming der belangen van de staat is er een krijgsmacht, bestaande uit vrijwillig dienenden en uit dienstplichtigen.
(…)
3. De wet regelt de verplichte krijgsdienst. Zij regelt ook de verplichtingen die aan hen, die niet tot de krijgsmacht behoren, ten aanzien van 's lands verdediging opgelegd kunnen worden.
 

Noten

  1. De bijdrage is geschreven door M. Adams, op basis van het commentaar bij artikel 98 J. van Schooten-Van der Meer.uit A.K. Koekkoek (red.), De Grondwet. Een systematisch en artikelsgewijs commentaar, Deventer: W.E.J. Tjeenk Willink, 3e dr. 2000 (alsook de 2e dr. 1992).
  2. G.L. Coolen, Welke taken kunnen aan de krijgsmacht worden opgedragen?, MRT 1993, nr. 5, p. 145.
  3. Voor een uitwerking van het spanningsveld tussen enerzijds de verplichte militaire dienst en anderzijds de klassieke grondrechten en de in verdragen vastgelegde vrijheidsrechten, zie: R.M. Eiting, Aantekeningen bij de rechtmatigheid van de militaire dienstplicht, MRT 1992, nr. 6, p. 169-181.
  4. De koerswijziging naar een vrijwilligerskrijgsmacht vond zijn grondslag in de Prioriteitennota ‘Een andere wereld, een andere Defensie’. De geleidelijke vervanging van dienstplichtigen door beroepspersoneel heeft op 1 januari 1998 haar beslag gekregen. Zie verder Kamerstukken II 1992/93, 22 975, nr. 2 en de memorie van toelichting bij de Kaderwet dienstplicht, Kamerstukken II 1994/95, 24 245, nr. 3.
  5. Kamerstukken II 1994/95, 24 245, nr. 3, p. 10.

CITEER SUGGESTIE

M. Adams, Commentaar op artikel 98 van de Grondwet, in: E.M.H. Hirsch Ballin en G. Leenknegt (red.), Artikelsgewijs commentaar op de Grondwet, webeditie 2019 (www.Nederlandrechtsstaat.nl).