DE GRONDWET

Artikel 77 - Rechtpositie leden rekenkamer

  1. De leden van de Algemene Rekenkamer worden bij koninklijk besluit voor het leven benoemd uit een voordracht van drie personen, opgemaakt door de Tweede Kamer der Staten-Generaal.

  2. Op eigen verzoek en wegens het bereiken van een bij de wet te bepalen leeftijd worden zij ontslagen.

  3. In de gevallen bij de wet aangewezen kunnen zij door de Hoge Raad worden geschorst of ontslagen.

  4. De wet regelt overigens hun rechtspositie.


WETENSCHAPPELIJK COMMENTAAR

E.J. Janse de Jonge

INHOUDSOPGAVE

  1. Benoeming en ontslag van de leden van de Algemene Rekenkamer
  2. Historische versies
  3. Jurisprudentie
  4. Literatuur
 
Editie november 2015

1. Benoeming en ontslag van de leden van de Algemene Rekenkamer[1]

De voorschriften van art. 77 Grondwet zijn bedoeld om de onafhankelijkheid van de Algemene Rekenkamer te waarborgen, met name ten opzichte van de regering en parlement. Dit heeft alles te maken met de machtenscheiding en met de noodzaak om rekenkamers met de nodige juridische en politieke onafhankelijkheid te omgeven. De controlerende taak van de Algemene Rekenkamer is in belangrijke mate op de regering gericht. Ook ten opzichte van de Staten-Generaal meent de Rekenkamer een ‘passende afstand’ te moeten houden. In andere landen, zoals de Verenigde Staten, Engeland en België is dat geheel anders: de rekenkamers verrichten weliswaar onafhankelijk hun werk, maar doen dat primair onder verantwoordelijkheid van het parlement. De beide kamers van de Staten-Generaal kunnen in ons land dus geen opdrachten rechtstreeks aan de Algemene Rekenkamer verstrekken. Ze kunnen de Rekenkamer slechts verzoeken een bepaald onderzoek in te stellen.

De onafhankelijkheid van de Rekenkamer wordt door een aantal waarborgen omgeven. Als er een vacature in het college ontstaat, stelt de Algemene Rekenkamer de regering en de Tweede Kamer zo snel mogelijk op de hoogte. Na een openbare sollicitatieprocedure stelt de Algemene Rekenkamer een aanbevelingslijst met 6 kandidaten op. De Commissie voor de rijksuitgaven van de Tweede Kamer voert vervolgens gesprekken met de zes kandidaten. De Tweede Kamer doet na een (geheime) stemming een bindende voordracht van drie personen aan de regering.  De Tweede Kamer is daarbij niet gebonden aan de aanbeveling van de Algemene Rekenkamer. In de praktijk wordt de eerst voorgedragen kandidaat benoemd. De benoeming geldt voor het leven (dat wil zeggen 70 jaar) en geschiedt bij koninklijk besluit.[2] In de tweede plaats wordt de onafhankelijkheid van de Algemene Rekenkamer beschermd door een aantal incompatibiliteitsregels in art. 73 Comptabiliteitswet. Zo mogen de leden en de secretaris van de Algemene Rekenkamer geen andere openbare betrekkingen vervullen, aan welke een vaste beloning of toelage is verbonden, noch lid zijn van een publiekrechtelijk college, waarvoor de keuze geschiedt door  verkiezingen. Hiernaast mogen leden en de secretaris geen betrekkingen vervullen die ongewenst zijn met het oog op een goede vervulling van hun ambt of handhaving van hun onpartijdigheid en onafhankelijkheid. Tevens leggen de leden van de Algemene Rekenkamer de eed of belofte af bij hun aantreden: de zuiveringseed en de belofte van trouw aan de Grondwet. In de derde plaats is het ontslag van de leden van de Rekenkamer even sterk beschermd als dat van de leden van de rechterlijke macht en van de Raad van State.[3] De leden van de Algemene Rekenkamer kunnen alleen worden geschorst of ontslagen door de Hoge Raad (zie voor de gronden artikel 74, tweede lid CW).
 

2. Historische versies

Eerste lid:
Art. 120, tweede en derde lid, Gw. 1814: De leden van deze Rekenkamer worden, zoo veel mogelijk, uit alle Provincien genomen.
Bij vacature zenden de Staten Generaal eene nominatie van drie personen aan den Souvereinen Vorst, welke daaruit de verkiezing doet.
Art. 202, tweede en derde lid, Gw. 1815: De leden dezer Rekenkamer worden zoo veel mogelijk uit alle Provincien genomen.
Bij vacature zendt de tweede kamer van de Staten‑Generaal eene nominatie van drie personen aan den Koning, welke daaruit de verkiezing doet (art. 200, tweede en derde lid, Gw. 1840, behoudens dat het tweede lid als volgt luidt: `De leden dezer Rekenkamer, welker bezoldiging door de wet geregeld wordt, worden zoo veel mogelijk uit alle de provincien genomen en voor hun leven aangesteld.').
Art. 176, tweede en derde lid, Gw. 1848: Bij het openvallen eener plaats in deze Kamer zendt de Tweede Kamer der Staten‑Generaal eene opgave van drie personen aan den Koning, die daaruit kiest.
De leden der Rekenkamer worden voor hun leven aangesteld. Hunne bezoldiging wordt door de wet geregeld.
Art. 179, tweede en derde lid, Gw. 1887: Bij het openvallen eener plaats in deze Kamer zendt de Tweede Kamer der Staten‑Generaal eene voordragt van drie personen aan den Koning, die daaruit benoemt.
De leden der Rekenkamer worden voor hun leven aangesteld (art. 180, tweede en derde lid, Gw. 1922; art. 186, tweede en derde lid, Gw. 1938; art. 193, tweede en derde lid, Gw. 1953).
 
Tweede lid:
Art. 176, vierde lid, Gw. 1848: Het 2de lid van art. 163 is op hen van toepassing (art. 163, tweede lid, tweede volzin, luidt als volgt: `Zij kunnen op eigen verzoek, door den Koning worden ontslagen.').
Art. 179, vierde lid, Gw. 1887: Het (...) 4de lid van art. 166 is op hen van toepassing (art. 166, vierde lid, luidt als volgt:`Op eigen verzoek kunnen zij door de Koning worden ontslagen.').
Art. 180, vierde lid, Gw. 1922: Het derde (...) en vijfde lid van artikel 167 is op hen van toepassing (art. 167, leden 3 en 5, luidt als volgt: `De wet kan bepalen, dat hun met het bereiken van een bepaalde leeftijd onstlag wordt verleend.
Op eigen verzoek kunnen zij door den Koning worden ontslagen.' (art. 186, vierde lid, Gw. 1938; art. 193, vierde lid, Gw. 1953).
 
Derde lid:
Art. 176, vierde lid, Gw. 1848: Het 2de lid van art. 163 is op hen van toepassing (art. 163, tweede lid, eerste volzin, luidt als volgt:`Al dezen en de zoodanigen, die voor een bepaalden tijd zijn aangesteld, kunnen worden afgezet of ontslagen door regterlijke uitspraak, in de gevallen in de wet te bepalen.').
Art. 179, vierde lid, Gw. 1887: Het 3de (...) lid van art. 166 is op hen van toepassing (art. 166, derde lid, luidt als volgt:`Zij kunnen worden afgezet of ontslagen door uitspraak van den Hoogen Raad in de gevallen bij de wet aangewezen.').
Art. 180, vierde lid, Gw. 1922: Het (...) vierde (...) lid van artikel 167 is op hen van toepassing (art. 167, vierde lid, luidt als volgt: `Zij kunnen worden afgezet of ontslagen door uitspraak van den Hoogen Raad in de gevallen bij de wet aangewezen.' (art. 186, vierde lid, Gw. 1938; art. 193, vierde lid, Gw. 1953).
 
Vierde lid:
Art. 40 Gw. 1814: De Souvereine Vorst heeft het opperbestuur der algemeene geldmiddelen. Hij regelt de tractementen van alle Kollegien en Ambtenaren, welke uit 's Lands kasse betaald worden, en brengt dezelve op de begrooting der staats‑behoeften (art. 61, eerste lid, Gw. 1815, behoudens dat i.p.v. 'tractementen' wordt gelezen 'bezoldiging'; art. 60, eerste lid, Gw. 1840).
Art. 61, eerste en vierde lid, Gw. 1848 : De Koning heeft het opperbestuur van de algemeene geldmiddelen. Hij regelt de bezoldiging van alle collegien en ambtenaren, die uit 's Lands kas worden betaald.
De pensioenen der ambtenaren worden door de wet geregeld.
Art. 63, tweede en vierde lid, Gw. 1887: De wet regelt de bezoldiging (...) van de Algemeene Rekenkamer (...).
De pensioenen der ambtenaren worden door de wet geregeld (art. 65, tweede en vierde lid, Gw. 1938; art. 72, tweede en vierde lid, Gw. 1953).

3. Jurisprudentie

-
 

4. Literatuur

-
 

Noten

  1. Zie ook A.A.L Beers, artikel 77, in A.K. Koekkoek (red.), De Grondwet. Een systematisch en artikelsgewijs commentaar, Deventer 2000, p. 388-389.
  2. Artikel 70 Comptabiliteitswet 2001.
  3. Artikel 74 Comptabiliteitswet 2001.

CITEER SUGGESTIE

E.J. Janse de Jonge, Commentaar op artikel 77 van de Grondwet, in: E.M.H. Hirsch Ballin en G. Leenknegt (red.), Artikelsgewijs commentaar op de Grondwet, webeditie 2019 (www.Nederlandrechtsstaat.nl).