DE GRONDWET

Artikel 74 - Rechtspositie leden

  1. De Koning is voorzitter van de Raad van State. De vermoedelijke opvolger van de Koning heeft na het bereiken van de leeftijd van achttien jaar van rechtswege zitting in de Raad. Bij of krachtens de wet kan aan andere leden van het koninklijk huis zitting in de Raad worden verleend.

  2. De leden van de Raad worden bij koninklijk besluit voor het leven benoemd.

  3. Op eigen verzoek en wegens het bereiken van een bij de wet te bepalen leeftijd worden zij ontslagen.

  4. In de gevallen bij de wet aangewezen kunnen zij door de Raad worden geschorst of ontslagen.

  5. De wet regelt overigens hun rechtspositie


WETENSCHAPPELIJK COMMENTAAR

J.C.A. de Poorter

INHOUDSOPGAVE

  1. Historische ontwikkeling en huidige betekenis
  2. Rechtspositie van de leden van de Raad van State
  3. Relevant verdragsrecht
  4. Historische versies
  5. Jurisprudentie
  6. Literatuur
   
Editie mei 2015
 

1. Historische ontwikkeling en huidige betekenis

Artikel 74 Gw bevat een regeling op hoofdlijnen van de samenstelling van de Raad van State. Volgens het eerste lid van artikel 74 Gw is de Koning voorzitter van de Raad van State. De regering wilde bij de grondwetsherziening van 1983 het voorzitterschap van de Koning handhaven op grond van ‘het gevoel voor traditie en voor het historisch gegroeide’.[1] Het voorzitterschap van de Koning accentueert volgens de regering de eigen positie van de Raad van State in ons staatsbestel.[2] Het symbolische karakter van het voorzitterschap van de Koning blijkt uit artikel 1, vierde lid, Wet RvS dat zegt dat de Koning en de andere leden van het koninklijk huis die zitting in de Raad hebben, aan de beraadslagingen kunnen deelnemen, doch zich onthouden van stemmen. De dagelijkse leiding van de Raad van State is in handen van de vice-president. De Koning neemt alleen bij bijzondere gelegenheden, zoals het zitting verlenen aan een lid van het koninklijk huis, in de voorzittersstoel plaats. Bij andere vergaderingen blijft deze leeg.
 
Ingevolge artikel 74, eerste lid, tweede volzin, Gw heeft de vermoedelijke opvolger van de Koning na het bereiken van de leeftijd van achttien jaar van rechtswege zitting in de Raad (zie ook artikel 1, tweede lid, Wet RvS). De Grondwet van 1814 bepaalde in artikel 33 reeds: “De Erfprins is van regtswegelid van den Raad van State, en neemt zitting in denzelven, wanneer Zijn achttiende jaar vervuld is”.Bij de grondwetsherziening van 1983 meende de regering dat het zitting hebben in de Raad een goede mogelijkheid is om zich op het koningschap voor te bereiden[3] en ‘om zich te oriënteren omtrent vraagstukken die van belang zijn voor onze samenleving’.[4] Naast de vermoedelijk opvolger van de Koning kunnen volgens artikel 74, eerste lid, derde volzin, Gw bij of krachtens de wet aan andere leden van het koninklijk huis zitting in de Raad worden verleend.
 
Buiten de Koning als voorzitter, bestaat de Raad van State uit een vice-president en ten hoogste tien leden. Daarnaast kunnen er staatsraden en staatsraden in buitengewone dienst worden benoemd. Zij worden benoemd in één van beide afdelingen van de Raad van State, maar zij zijn geen leden van de Raad van State.
 

2.   Rechtspositie van de leden van de Raad van State

Ingevolge artikel 74, tweede lid, Gw. worden de leden van de Raad bij koninklijk besluit voor het leven benoemd. Ingevolge artikel 2, eerste lid, Wet RvS geschiedt de benoeming van de vice-president en de leden van de Raad op voordracht van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties in overeenstemming met  de Minister van Justitie. Vacatures worden in de Staatscourant gepubliceerd onder opgave van het profiel van de gezochte kandidaat of kandidaten. De Tweede Kamer voert ten minste eenmaal per jaar overleg met de vice-president over de vacatures. Artikel 2, tweede lid, Wet RvS regelt dat voor de benoeming van de vice-president de Raad wordt gehoord. Voor de benoeming van de leden doet de Raad een aanbeveling. De aanbeveling wordt gedaan gehoord de afdeling of afdelingen waarvan het te benoemen lid deel zal uitmaken. De leden worden bij koninklijk besluit benoemd in de Afdeling advisering of de Afdeling bestuursrechtspraak, dan wel in beide afdelingen. Het aantal leden dat in beide afdelingen wordt benoemd, bedraagt ten hoogste 10 (artikel 2, derde lid, Wet RvS). De benoeming kan worden gewijzigd, met dien verstande dat een benoeming in de Afdeling bestuursrechtspraak slechts op verzoek van het lid kan worden beëindigd. Dat laatste uiteraard vanwege de vereiste onafhankelijkheid van de rechtsprekende macht.
 
Het derde lid van artikel 74 Gw gaat over het ontslag op eigen verzoek en wegens het bereiken van een bij de wet bepaalde leeftijd. Ingevolge artikel 3, eerste lid, onder a, Wet RvS worden de vice-president en de leden bij koninklijk besluit ontslagen met ingang van de eerste dag van de maand, volgend op die, waarin zij de leeftijd van zeventig jaren hebben bereikt.  
 
Volgens het vierde lid van artikel 74 kunnen de leden in de gevallen bij de wet aangewezen door de Raad worden geschorst of ontslagen. Artikel 3, tweede lid, Wet RvS bepaalt daartoe dat de vice-president en de leden door de Raad, bij met redenen omkleed besluit, ontslagen, geschorst, of bij ongeschiktheid wegens ziekte met een andere taak belast, en de leden worden door de vice-president, bij met redenen omkleed besluit, gewaarschuwd. Laatstgenoemde bepaling bewerkstelligt dat de rechtspositie van de leden van de Raad van State vrijwel gelijk is aan die van de leden van de rechterlijke macht. De bepalingen van hoofdstuk 6A van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren worden in artikel 3, tweede lid, Wet RvS namelijk van overeenkomstige toepassing verklaard op de leden van de Raad van State. 
 

3. Relevant verdragsrecht

n.v.t.
 

4. Jurisprudentie

-
 

5. Literatuur

W.F. Prins, De Raad van State 1814‑1862, in: W. Scholten e.a., Raad van State 450 jaar, 's‑Gravenhage 1981, p. 153‑184, m.n. p. 155‑159.
P. van Dijk en A.M.J. Heijmans, De gewijzigde structuur van de Raad van State. Historie, betekenis en taakstelling, in: H.D. Tjeenk Willink e.a. (red.), De Raad van State in perspectief, Den Haag: Boom Juridische uitgevers 2011, p. 107-134.   

6. Historische versies

Eerste lid:
 Art. 33 Gw. 1814: De Erfprins is van regtswege lid van den Raad van State, en neemt zitting in denzelven, wanneer Zijn achttiende jaar vervuld is.
Het staat den Souvereinen Vorst vrij aan de Prinsen van den Huize zitting in den Raad te verleenen. Het getal der gewone leden ondergaat daardoor geene vermindering.
Art. 71, derde lid, Gw. 1815: De Koning zelve is voorzitter van den Raad; zulks noodig oordeelende, stelt hij eenen Secretaris van Staat Vice‑President aan (art. 70, derde lid, Gw. 1840).
Art. 72 Gw. 1815: De Prins van Oranje is van regtswege lid van den Raad van State, en neemt zitting in denzelven wanneer zijn achttiende jaar vervuld is.
Het staat aan den Koning vrij de Prinsen van den Huize, die tot meerderjarigheid gekomen zijn, zitting in den Raad van State te verleenen.
Het getal der gewone leden ondergaat daardoor geene vermindering (art. 71 Gw. 1840).
Art. 71, tweede en derde lid, Gw. 1848: De Koning is voorzitter van den Raad, en benoemt de leden.
De Prins van Oranje heeft echter, nadat zijn achttiende jaar is vervuld, zitting van regtswege en eene raadgevende stem (art. 74, tweede en derde lid, Gw. 1887, behoudens dat derde lid als volgt komt te luiden: `De Prins van Oranje heeft, nadat zijn achttiende jaar is vervuld, van regtswege zitting in den Raad.'; art. 74, tweede en derde lid, Gw. 1922, behoudens dat derde lid als volgt komt te luiden: `De Prins van Oranje en de dochter des Konings, die de vermoedelijke erfgenaam is van de Kroon, hebben, nadat hun achttiende jaar is vervuld, van rechtswege zitting in den Raad.'; art. 76, tweede en derde lid, Gw. 1938; art. 83, tweede en derde lid, Gw. 1953).
 
Tweede lid:
Art. 32, vierde lid, Gw. 1814: De leden van dezen Raad worden zoo veel mogelijk gekozen uit alle de Provincien of Landschappen. De Souvereine Vorst benoemt dezelve ten getale van niet meer dan twaalf en ontslaat hen naar goedvinden. Zulks noodig oordeelende stelt Hij eenen Secretaris van Staat Vice‑President van den Raad van State aan.
Art. 71, tweede lid, Gw. 1815: De Koning benoemt deszelfs leden, ten getale van niet meer dan vierentwintig, zoo veel mogelijk uit de verschillende Provincien van het Rijk. Hij ontslaat dezelve naar welgevallen (art. 70, tweede lid, Gw. 1840, behoudens dat i.p.v. `vierentwintig' wordt gelezen `twaalf').
Art. 71, tweede lid, Gw. 1848: De Koning is voorzitter van den Raad, en benoemt de leden (art. 74, tweede lid, Gw. 1887; art. 76, tweede lid, Gw. 1938; art. 83, tweede lid, Gw. 1953).
 
Derde lid:
Geen historie.
 
Vierde lid:
Geen historie.
 
Vijfde lid:
Art. 40 Gw. 1814: De Souvereine Vorst heeft het opperbestuur der algemeene geldmiddelen. Hij regelt de tractementen van alle Kollegien en Ambtenaren, welke uit 's Lands kasse betaald worden, en brengt dezelve op de begrooting der staats‑behoeften (art. 61, eerste lid, Gw. 1815, behoudens dat i.p.v 'tractementen' wordt gelezen `bezoldiging'; art. 60, eerste lid, Gw. 1840).
Art. 61, eerste lid, Gw. 1815: De Koning heeft het opperbestuur van de algemeene geldmiddelen. Hij regelt de bezoldiging van alle collegien en ambtenaren, die uit 's Lands kas betaald worden, en brengt dezelve op de begrooting der staatsbehoeften  (art. 60, eerste lid, Gw. 1840).
Art. 61, eerste en vierde lid, Gw. 1848: De Koning heeft het opperbestuur van de algemeene geldmiddelen. Hij regelt de bezoldiging van alle collegien en ambtenaren, die uit 's Lands kas worden betaald.
De pensioenen der ambtenaren worden door de wet geregeld.
Art. 63, tweede en vierde lid, Gw. 1887 : De wet regelt de bezoldiging van den Raad van State (...).
De pensioenen der ambtenaren worden door de wet geregeld (art. 65, tweede en vierde lid, Gw. 1938; art. 72, tweede en vierde lid, Gw. 1953).
 

Noten

  1. Kamerstukken II 1979/80, 16 040 (R1141), nr. 3, p. 9 (Nng IV, p. 13).
  2. Kamerstukken II 1980/81, 16 040 (R1141), nr. 93b, p. 2 (Nng IV, p. 131).
  3. Kamerstukken II 1979/80, 16 040 (R1141), nr. 3, p. 9 (Nng IV, p. 13).
  4. Kamerstukken II 1979/80, 16 040 (R1141), nr. 8, p. 14-15 (Nng IV, p. 107); Hand. II 1980/81, p. 2454, 2636 (Nng IV, p. 115, 117-118).

CITEER SUGGESTIE

J.C.A. de Poorter, Commentaar op artikel 74 van de Grondwet, in: E.M.H. Hirsch Ballin en G. Leenknegt (red.), Artikelsgewijs commentaar op de Grondwet, webeditie 2020 (www.Nederlandrechtsstaat.nl).