DE GRONDWET

Artikel 69 - Aanwezigheid bewindslieden

  1. De ministers en de staatssecretarissen hebben toegang tot de vergaderingen en kunnen aan de beraadslaging deelnemen.

  2. Zij kunnen door de kamers elk afzonderlijk en in verenigde vergadering worden uitgenodigd om ter vergadering aanwezig te zijn.

  3. Zij kunnen zich in de vergaderingen doen bijstaan door de personen, daartoe door hen aangewezen.


WETENSCHAPPELIJK COMMENTAAR

E.J. Janse de Jonge

INHOUDSOPGAVE

  1. Historische ontwikkeling en actuele betekenis
  2. Toegang tot vergaderingen en deelneming aan beraadslaging door bewindspersonen
  3. Verschijningsplicht van bewindspersonen
  4. Bijstand in vergaderingen
  5. Literatuur
  6. Historische versies
   
Editie augustus 2019
 

1. Historische ontwikkeling en actuele betekenis

In de Grondwet van 1972 was de regeling over de aanwezigheid van ministers en staatsecretarissen in de vergaderingen, hun deelneming aan de beraadslagingen en het verlenen van bijstand, samen met de inlichtingenplicht vervat in één bepaling, artikel 104. De Staatscommissie Cals/Donner had voorgesteld om de inlichtingenplicht op te nemen in een eerste lid van één grondwetsartikel en de aanwezigheid van ministers bij vergaderingen van beide kamers in een tweede lid. De grondwetgever achtte het echter gewenst om de bepalingen in afzonderlijke artikelen onder te brengen.[1]
 
Onderbrenging in één artikel zou een sterker verband tussen de beide bepalingen suggereren dan er in werkelijkheid is. Dat is de reden dat de inlichtingenplicht werd ondergebracht in een apart artikel, het hiervoor besproken artikel 68. De aanwezigheid van bewindspersonen in vergaderingen van de kamers der Staten-Generaal is thans verder geregeld in de reglementen van orde van beide kamers.

 
2. Toegang tot vergaderingen en deelneming aan beraadslaging door bewindspersonen

Artikel 69, eerste lid, wordt van belang geacht als een uitvoeringsbepaling van meer praktische betekenis van de in de Grondwet geregelde verhouding tussen regering en Staten-Generaal.[2] In de Nederlandse staatsrechtelijke verhoudingen zijn regering en Staten-Generaal twee nauw op elkaar betrokken organen.[3] Bij deze wederzijdse betrokkenheid past niet alleen dat de kamers het recht hebben zich ongevraagd met de activiteiten van de regering te bemoeien, maar ook dat de regering tot op zekere hoogte gerechtigd is om zich ongevraagd met de beraadslagingen van de Staten-Generaal in te laten. Dit laatste heeft de vorm gekregen van een bevoegdheid van ministers en staatssecretarissen om de openbare vergaderingen van de kamers bij te wonen en aan de beraadslaging deel te nemen. Daarbij is het vanzelfsprekend gevonden dat bewindspersonen zich niet mengen in beraadslagingen over aangelegenheden die in het bijzonder de kamers aangaan en die de kamers zonder inmenging van anderen willen behandelen. Zo gaat de kamer zelf over haar agenda en aanverwante werkzaamheden. Bij de aanvang van de werkzaamheden  in de Tweede Kamer vindt de “regeling van werkzaamheden” plaats, zonder inmenging van bewindspersonen.[4]
 

3. Verschijningsplicht van bewindspersonen

De Staatscommissie-Cals/Donner was van mening dat de inhoud van de in artikel 104, derde lid, Grondwet 1972 vervatte bepaling over het tegenwoordig zijn van de ministers en staatssecretarissen in de vergadering op uitnodiging van de kamers, voldoende vastlag in de regels van het parlementaire stelsel en de inlichtingenplicht van ministers en staatssecretarissen. Zij stelde daarom voor de bepaling te schrappen. De grondwetgever heeft er de voorkeur aan gegeven het recht van de kamers op aanwezigheid van ministers en staatssecretarissen met zoveel woorden in de Grondwet te blijven vermelden.[5] Ofschoon overeenkomstig de Grondwet van 1972 wordt gesproken van ‘uitnodigen’, is het duidelijk dat tegenover het recht van de kamers om de ministers en de staatssecretarissen te vragen in de vergadering te verschijnen, de plicht van ministers en staatssecre­tarissen staat daaraan binnen de grenzen van het mogelijke te voldoen.[6]
 
De verschijningsplicht geldt met betrekking tot zowel de plenaire kamerverga­deringen als de commissievergaderingen. De gelding ten aanzien van plenaire vergaderingen stond ook voorheen al vast. De uitbreiding tot commissievergade­ringen is vastgelegd in het kader van de parlementaire behandeling van het herzieningsvoorstel over de inlichtingenplicht. Op de vraag vanuit de VVD-fractie in de Tweede Kamer of ministers en staatssecretarissen verplicht zouden kunnen worden in commissievergaderingen te verschijnen voor het verstrekken van inlichtingen,[7] antwoordde de regering dat indien men aanvaardt dat ministers en staatssecretarissen verplicht zijn de door een kamercommissie verlangde inlichtingen te verstrekken, men ook zal moeten aanvaarden dat de bewindsperso­nen, wanneer de inlichtingen slechts mondeling kunnen worden verstrekt, verplicht zijn binnen de grenzen van het mogelijke in de vergadering van de commissie aanwezig te zijn.[8]
 

4. Bijstand in vergaderingen

Artikel 69 legt uitdrukkelijk het recht van de ministers en de staatssecretaris­sen vast zich in de vergadering van de kamers te doen bijstaan. Het artikel sluit niet uit dat anderen – bijvoorbeeld kamerleden bij de verdediging van een initiatiefvoorstel – zich ook kunnen doen bijstaan.[9] In de praktijk doet het zich zelden voor dat bewindspersonen zich tijdens een plenair debat door een ambtenaar of regeringscommissaris laten bijstaan. Dat gebeurt wel bij commissievergaderingen. Wel bevinden zich vrijwel altijd ambtenaren op de (aparte) ambtenarentribune in de kamer. Ook hier geven de reglementen van orde van de beide kamers verdere uitwerking.[10]
 

5. Literatuur

- P.P.T. Bovend’eert en H.R.B.M. Kummeling, Het Nederlandse Parlement, 12e druk, Deventer 2017

 
6. Historische versies

Eerste lid:
Art. 91 Gw 1815: De hoofden der departementen van algemeen bestuur hebben zitting in de beide kamers.
Zij hebben alleenlijk eene raadgevende stem, ten ware zij tot leden der vergadering mogten benoemd zijn (art. 93 Gw 1840).
Art. 89, eerste lid, Gw 1848: De hoofden der ministeriele departementen hebben zitting in de beide Kamers. Zij hebben alleen eene raadgevende stem, ten ware zij tot leden der vergadering mogten benoemd zijn (art. 94, eerste lid, Gw 1887; art. 95, eerste lid, eerste en tweede volzin, Gw 1922).
Art. 97, eerste lid, eerste en tweede volzin, Gw 1938: De ministers hebben zitting in de beide Kamers. Zij hebben als zoodanig alleen eene raadgevende stem (art. 104, eerste lid, eerste en tweede volzin, Gw 1953).
 
Tweede lid:
Art. 89, derde lid, Gw 1848: Zij kunnen door elke der Kamers worden uitgenoodigd om te dien einde ter vergadering tegenwoordig te zijn (art. 94, derde lid, Gw 1887; art. 95, derde lid, Gw 1922; art. 97, derde lid, Gw 1938; art. 104, derde lid, Gw 1953).
 
Derde lid:
Art. 110, tweede lid, Gw 1887: Hij kan aan bijzondere door Hem aangewezen commissarissen opdragen de ministers bij het behandelen van die voorstellen in de vergaderingen der Staten‑Generaal bij te staan (art. 111, tweede lid, Gw 1922; art. 113, tweede lid, Gw 1938; art. 120, tweede lid, Gw 1953).
Art. 95, eerste lid, laatste volzin, Gw 1922: Zij kunnen zich in de vergadering doen bijstaan door de ambtenaren, daartoe door hen aangewezen (art. 97, eerste lid, laatste volzin, Gw 1953; art. 104, eerste lid, laatste volzin, Gw 1953).
 

Noten

  1. Kamerstukken II 1976-1977, 14 224, nr. 3, p. 7 (Nng IIIa, p. 242).
  2. Kamerstukken II 1976-1977, 14 224, nr. 3, p. 7 (Nng IIIa, p. 242).
  3. Kamerstukken II 1978-1979, 14 224, nr. 6, p. 8 (Nng IIIa, p. 263).
  4. Zie bijvoorbeeld artikel 54 Reglement van Orde van de Tweede Kamer der Staten-Generaal.
  5. Kamerstukken II 1976-1977, 14 224, nr. 3, p. 7 (Nng IIIa, p. 242).
  6. Kamerstukken II 1978-1979, 14 224, nr. 6, p. 8 (Nng IIIa, p. 263). De grenzen worden meestal praktisch opgelost. Indien een minister bijvoorbeeld in het buitenland vertoeft, wordt meestal een collega bewindspersoon (op grond van de vervangingsregeling is dit vaak de staatssecretaris) naar de kamer geroepen of wordt een debat uitgesteld.
  7. Kamerstukken II 1978-1979, 14 225 (R 1051), nr. 6, p. 2 (Nng IIIa, p. 296).
  8. Kamerstukken II 1978-1979, 14 225 (R 1051), nr. 7, p. 4 (Nng IIIa, p. 305).
  9. Kamerstukken II 1976-1977, 14 224, nr. 3, p. 7 (Nng IIIa, p. 242).
  10. Zie bijvoorbeeld artikel 152 Reglement van Orde van de Tweede Kamer der Staten-Generaal.

CITEER SUGGESTIE

E.J. Janse de Jonge, Commentaar op artikel 69 van de Grondwet, in: E.M.H. Hirsch Ballin en G. Leenknegt (red.), Artikelsgewijs commentaar op de Grondwet, webeditie 2021 (www.Nederlandrechtsstaat.nl).