DE GRONDWET

Artikel 68 - Inlichtingenplicht bewindslieden

De ministers en de staatssecretarissen geven de kamers elk afzonderlijk en in verenigde vergadering mondeling of schriftelijk de door een of meer leden verlangde inlichtingen waarvan het verstrekken niet in strijd is met het belang van de staat.

WETENSCHAPPELIJK COMMENTAAR

E.J. Janse de Jonge

INHOUDSOPGAVE

  1. Historische ontwikkeling en actuele betekenis
  2. Inlichtingenplicht van bewindspersonen
  3. Inhoud en reikwijdte van de inlichtingenplicht
  4. Strijd met het belang van de staat
  5. Jurisprudentie
  6. Literatuur
  7. Historische versies
   
Editie augustus 2019
 

1. Historische ontwikkeling en actuele betekenis

Bij de grondwetsherziening van 1848 werd voor de eerste keer een voorschrift opgenomen over de inlichtingenplicht van bewindslieden aan het parlement. In de periode voor 1848 was het geven van inlichtingen aan het parlement voorbehouden aan de Koning, die dat per koninklijk besluit deed. In (koninklijke) besluiten van 1820 en 1830 werden regelingen getroffen met betrekking tot het doen van mededelingen over wetsontwerpen aan de beide Kamers der Staten-Generaal. In een besluit van 17 maart 1841 werd hoofden van departementen opgedragen inlichtingen te verstrekken die door de beide Kamers noodzakelijk werden geacht voor het onderzoek van de geloofsbrieven van nieuwe leden. Pas in 1848 werd de algemene inlichtingenplicht grondwettelijk verankerd. Het huidige artikel 68 is een uitvloeisel van de grondwetsherziening van 1987.[1]
 
Nauw verbonden met de inlichtingenplicht is het vragenrecht van leden van de Kamer, dat geregeld is in de reglementen van orde van beide Kamers. Aanvankelijk stelde de regering voor om een onderscheid tussen beide rechten te maken, maar na kritiek vanuit de Tweede Kamer kwam zij op haar standpunt terug.[2] De Kamer amendeerde de voorgestelde tekst van artikel 68 in die zin dat de inlichtingenplicht nu onverkort ook van toepassing werd verklaard op inlichtingen die door een individueel Kamerlid of een minderheid van de Kamer worden gevergd.[3]
 
De inlichtingenplicht van bewindslieden aan leden van de beide Kamers vloeit voort uit de verantwoordingsplicht van artikel 42, tweede lid Grondwet . Deze plicht is een van de hoekstenen van onze parlementaire democratie.[4] De inlichtingenplicht is in 1848 ingevoerd tegelijk met de politieke ministeriële verantwoordelijkheid. De informatieplicht is het middel bij uitstek om de ministeriële verantwoordelijkheid te laten functioneren. Zonder informatie van ministers en staatssecretarissen kan het parlement, en een Kamerlid, zijn taak niet naar behoren vervullen. Het inlichtingenrecht wordt onmisbaar geacht voor de controlefunctie van het parlement: het kan zijn belangrijkste controlerende functie niet uitvoeren indien het niet over de daarvoor noodzakelijk informatie beschikt.[5] Op dezelfde wijze is de inlichtingenplicht een basisvoorwaarde voor een goede vervulling van de medewetgevende taak van het parlement. Dit alles verklaart tevens waarom het parlement alert is op het geven van onvolledige, onjuiste dan wel niet-tijdige informatie door bewindspersonen aan het parlement. Dat bleek recent nog weer eens bij de discussie naar aanleiding van de enquête betreffende het Fyra project in 2015 en de discussie met de regering over de feiten rond de zogenaamde Teeven-deal. In beide kwesties werd de Staten-Generaal onjuist, onvolledig en niet tijdig geïnformeerd door de regering. Daardoor kon het parlement zijn controlerende taak onvoldoende, althans niet volledig uitoefenen. Onjuist en onvolledige informatie door de regering aan het parlement, wordt, terecht, in Den Haag beschouwd als een politieke doodzonde.[6] Overigens was in 2003 al in de kwestie Mink K. de vraag aan de orde of de minister van Justitie deals tussen het OM en een informant voor het parlement geheim kan houden. Volgens de Hoge Raad is dat het geval, waarbij het rechtscollege tevens grote waarde hechtte aan de betekenis van artikel 68 Grondwet.[7] Een “oplossing” op korte termijn kan zijn de kamer vertrouwelijk te informeren over dit soort gevoelige kwesties. Nadeel is wel dat het parlement met de informatie vervolgens niets kan doen. Terughoudendheid met het geven van vertrouwelijke informatie van de regering aan de kamer, is dus wijs.

 
2. Inlichtingenplicht van bewindspersonen[8]

De in artikel 68 neergelegde inlichtingenplicht is als passief te karakterise­ren, nu zij betrekking heeft op inlichtingen waarom door één of meer Kamerleden is verzocht. De regering onderscheidde bij de grondwetsherziening van 1983 vier verschillende wijzen waarop aan een bewindspersoon inlichtingen kunnen worden gevraagd: het stellen van schriftelijke vragen, het stellen van mondelinge vragen, het stellen van vragen bij een door de Kamer aan de orde gesteld onderwerp en het stellen van vragen over een onderwerp dat vreemd is aan de orde van de dag (de zogenoemde interpellatie). Over het vragenrecht en het recht van interpellatie zijn regels in de reglementen van orde van de beide Kamers neergelegd.
 
Naast de passieve inlichtingenplicht heeft de grondwetgever een actieve verplichting tot het verstrekken van informatie aanvaard. Volgens de regering vloeit uit ons democratisch stelsel voort dat ministers de plicht hebben om uit eigen beweging gegevens aan het parlement te verstrekken als dit wenselijk is in het belang van een goede en democratische bestuursvoering.[9] Zij wees er daarbij op dat bij vele gelegenheden zeer veel informatie aan het parlement pleegt te worden verschaft. Het belang van een goede en democratische bestuursvoering, daarbij inbegrepen dat binnen overheidsorganen in het kader van de beleidsvoor­bereiding vrijelijk intern beraad moet kunnen worden gepleegd, noopt volgens de regering echter ook tot een zekere selectie bij het verstrekken van gegevens.
 
De inlichtingenplicht is volgens de regering individueel van aard aangezien in artikel 68 uitdrukkelijk wordt gesproken over de ministers en de staatssecreta­rissen en niet over het collectief van ministers en staatssecretarissen.[10] Zij blijven ter zake van hun inlichtingenplicht individueel verantwoordelijk ten opzichte van de Staten-Generaal.
 

3. Inhoud en reikwijdte van de inlichtingenplicht

Naast de hierboven genoemde passieve inlichtingenplicht, bestaat er een actieve plicht tot het verstrekken van inlichtingen. Uit ons democratisch bestel vloeit voort dat ministers de plicht hebben uit eigen beweging gegevens aan het parlement te overleggen indien dat wenselijk is in het belang van een goede en democratische besluitvorming.[11] De regering wees er hierbij op dat bij veel gelegenheden zeer veel informatie aan het parlement pleegt te worden verschaft. Daarbij kan volgens de regering wel een zekere selectie worden toegepast mede gelet op de aan de regering toekomende ruimte om vrijelijk en breed tot besluitvorming te komen na intern beraad. De inlichtingenplicht is van individuele aard volgens de regering omdat in artikel 68 uitdrukkelijk gesproken wordt van minister en staatssecretarissen en niet van een collectief van minister en staatssecretarissen.[12] Dat neemt niet weg dat bewindslieden vanuit het oogpunt van zorgvuldige besluitvorming in veel gevallen een beroep op het verschoningsrecht (zie hieronder paragraaf 3) eerst afstemmen met de collega’s in de ministerraad. Deze afstemming leidt er echter niet toe dat de inlichtingenplicht een collectief karakter draagt.[13]
 
Hoe ver strekt de inlichtingenplicht zich uit? Een eerste grens is aangegeven in artikel 68: is de verschonings- of weigeringsgrond ‘strijd met het belang van de staat’ van toepassing, dan geldt er geen verplichting tot het verstrekken van verlangde inlichtingen. Hierop wordt in de volgende paragraaf verder ingegaan.
 
Een tweede grens is gelegen in ‘natuurlijke belemmeringen’.[14] Onder dit begrip is een aantal gevallen te brengen waarin de verlangde inlichtingen niet behoeven te worden verstrekt, zonder dat een beroep op het belang van de staat moet worden gedaan. Daarbij gaat het met name om gevallen waarin gevraagde inlichtingen niet voorhanden zijn en het belang van beantwoording van de vraag niet wordt geacht op te wegen tegen de moeite die het verstrekken van de inlichtingen zal kosten, een overleg nog niet is afgerond, of is gevraagd om inlichtingen die binnen een korte termijn aan het parlement zullen worden gezonden. In dit verband wordt ook wel gesproken van praktische redenen of redenen van opportuniteit.[15]
 
Dan is er nog een derde grens. Deze is bij de parlementaire behandeling weliswaar aan de orde geweest, maar is door de regering en het parlement niet als zodanig onderkend.[16] Het gaat daarbij om een beperking van de reikwijdte van de inlichtingenplicht tot aangelegenheden waarvoor de ministeriële verantwoordelijkheid geldt. Overigens is het mede aan de betrokken kamer te beoordelen of zich in een concreet geval een dergelijke aangelegenheid voordoet. Deze derde grens hangt direct samen met de grondslag van de inlichtingenplicht. De inlichtingenplicht is gebaseerd op het beginsel van de ministeriële verantwoordelijkheid, zodat haar omvang tot de reikwijdte van dit beginsel is beperkt. Er zijn ruimere opvattingen die de omvang van de inlichtingenplicht koppelen aan een brede interpretatie van artikel 68 Grondwet.[17] Algemene consensus is er over de opvatting dat dat de ministeriële verantwoordelijkheid die voortvloeit uit artikel 42, tweede lid Grondwet meer inhoud heeft dan de rechten van het parlement ontleend aan artikel 68 Grondwet.[18]
 
Hiernaast kunnen we een bijzondere vorm van vertrouwelijke verstrekking van gegevens onderscheiden. Het betreft dan het verstrekken van bepaalde inlichtingen die met het oog op het belang van de staat uitsluitend aan de leden van een bepaalde Kamercommissie worden verstrekt (bijvoorbeeld de commissie voor de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten, CIVD). In dit geval blijft controle door de Kamer mogelijk, echter wel op basis van vertrouwelijke informatie.[19]
 
In 2007 ontstond een discussie tussen Kamer en regering over de vervanging van de F-16 straaljagers van Defensie. Conclusie was dat mede met het oog op de onderhandelingspositie van de regering, de Kamer vertrouwelijk zou worden geïnformeerd over deze aanschaf.[20]
 
Elke weigering om inlichtingen te verschaffen behoort te worden gemotiveerd.[21] Regering en parlement waren het erover eens dat bewindspersonen aanvankelijk om praktische redenen of om redenen van opportuniteit gevraagde inlichtingen kunnen weigeren, zonder dat een beroep op de verschoningsgrond ‘strijd met het belang van de staat’ wordt gedaan. Het komt immers in de praktijk wel eens voor dat een antwoord wordt geweigerd omdat de betrokken minister de gestelde vraag niet ter zake doende vindt, of omdat het belang dat de Kamer bij de inlichting heeft zijns inziens niet opweegt tegen de belangen die bij het geven van het antwoord in geding zijn. Ofschoon regering en parlement zich daarover niet hebben uitgesproken, kan men aannemen dat een bewindspersoon in eerste instantie ook inlichtingen mag weigeren over een aangelegenheid waarvoor geen ministeriële verantwoordelijkheid geldt.
 
Als een bewindspersoon een door een individueel Kamerlid of door meerdere Kamerleden, bijvoorbeeld een Kamercommissie, verlangde inlichting aanvan­kelijk niet verstrekt en door het betrokken lid of de betrokken leden vervolgens toch op het verstrekken van de inlichtingen wordt aangedrongen, dient de bewindsper­soon zich af te vragen of hij bij zijn standpunt blijft de inlichtingen niet te verschaffen. Daarbij geldt dan het beginsel dat de gevraagde inlichtingen moeten worden verstrekt, tenzij het belang van de staat zich daartegen verzet. Bij de grondwetsherziening van 1983 waren regering en parlement het erover eens dat er ook in tweede instantie nog praktische redenen zouden kunnen zijn om de gevraagde inlichtingen niet te verschaffen, bijvoorbeeld als kort voor Prinsjesdag zou worden gevraagd om inlichtingen die in de begrotingstoelichting zijn opgenomen.[22] In gevallen waarin het desbetreffende onderwerp op korte termijn in de Kamer zou worden besproken, zou er bij weigering geen sprake zijn van een inbreuk op het inlichtingenrecht. Ook in tweede instantie mogen verlangde inlichtingen worden geweigerd voor zover ze betrekking hebben op een aangelegenheid die niet valt onder de ministeriële verantwoordelijkheid.
 

4. Strijd met het belang van de staat

De verschoningsgrond ‘strijd met het belang van de staat’ brengt allereerst tot uitdrukking dat daarop geen lichtvaardig beroep mag worden gedaan.[23] Het gaat om een belangenafweging: het staatsbelang om de inlichtingen te weigeren, dient zo zwaar te wegen  dat het eveneens zwaarwegende belang de Staten-Generaal te informeren daarvoor niettemin moet wijken. Het weigeren van inlichtingen zal dan ook uitzondering moeten zijn.[24] In het verkeer tussen regering en parlement moet ‘het belang van de staat’ als het om inlichtingen gaat uiterst beperkt worden geïnterpreteerd.[25] De betekenis van de verschoningsgrond bestaat niet in de laatste plaats hierin dat de bewindspersonen erdoor worden genoopt daarop uitdrukkelijk een beroep te doen en voor dit beroep argumenten aan te voeren.
 
Het criterium ‘belang van de staat’ heeft volgens de regering onvermijdelijk een zekere vaagheid. Als voorbeelden van belangen die onder omstandigheden zo zwaarwegend kunnen zijn dat zij als belang van de staat moeten worden aangemerkt, zijn genoemd de in artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur vermelde belangen, met name de eenheid van het regeringsbeleid,  de veiligheid van de staat, vertrouwelijk aan de overheid medegedeelde bedrijfs- en fabricagegegevens, de betrekkingen van Nederland met andere landen, economische en financiële belangen van de staat en persoonsgegevens betreft als bedoeld in paragraaf 2 van hoofdstuk 2 van de Wet bescherming persoonsgegevens.[26] Van meer actuele betekenis is dat gegevens over lopende of afgesloten strafrechtelijke onderzoeken, waarbij (naast de bescherming van de persoonlijke levenssfeer) het belang van de opsporing en vervolging van strafbare feiten kan zijn betrokken, een grond zijn voor weigering om inlichtingen te verstrekken aan de Kamers. [27]
 
Daarmee is niet gezegd dat het in geding zijn van die belangen te allen tijde grond oplevert om het verstrekken van inlichtingen strijdig te achten met het belang van de staat. In veel gevallen waarin de genoemde belangen in het geding zijn, zal er geen bezwaar tegen bestaan de Kamer vertrouwelijk de gevraagde inlichtingen te verstrekken. Overigens geldt als uitgangspunt dat de inlichtingen in de regel in openbare vorm worden verstrekt.[28] Als openbare verstrekking niet verantwoord is, dient bij het verschaffen van de gevraagde inlichtingen te worden gezocht naar een modaliteit die zoveel mogelijk recht doet aan het belang het parlement te informeren. Vertrouwelijke overlegging van stukken dan wel vertrouwelijke mondelinge informatieverschaffing aan een Kamercommissie kan een modaliteit zijn. Slechts in uitzonderlijke gevallen zullen zo zwaarwegende belangen in het geding zijn dat het inlichtingenrecht daarvoor moet wijken, en dat de gevraagde inlichtingen zelfs niet vertrouwelijk kunnen worden verstrekt.[29]
 
Wanneer een bewindspersoon ook in tweede instantie weigert om de verlangde inlichtingen te verstrekken en deze weigering door het betrokken lid of de betrokken leden niet wordt aanvaard, kan het gerezen conflict aan de Kamer als zodanig worden voorgelegd.[30] De Kamer zal uiteindelijk dienen te beoordelen of zij die weigering gerechtvaardigd acht. In dit verband hebben de bewindspersoon en de Kamer een eigen verantwoordelijkheid.[31] Als de bewindspersoon immers, ook nadat de Kamer blijk heeft gegeven de juistheid van de weigering niet te aanvaarden, de verlangde inlichtingen blijft weigeren, kan dit voor de Kamer aanleiding zijn het vertrouwen in de betrokken bewindspersoon of zelfs in het gehele kabinet op te zeggen. Daarmee is echter niet gezegd dat de Kamer vervolgens wel de beschikking krijgt over de verlangde inlichtingen. Een nieuw aangetreden bewindspersoon of kabinet zal immers weer zelf moeten beoordelen of de gevraagde inlichtingen zullen worden verstrekt.
 
Tevens is het mogelijk dat internationale verdragsbepalingen of -besluiten, met name kan worden gedacht aan EU regelgeving, geheimhoudingsplichten bevatten. Afhankelijk van de formulering daarvan, kan het verstrekken van informatie aan het parlement, ook vertrouwelijk, in strijd zijn met de internationale regel. Gezien de gebondenheid van bewindslieden aan het internationale recht, moet het verstrekken van de informatie in dergelijke gevallen in strijd worden geacht met het belang van de staat.[32]
 
De vraag of het inlichtingenrecht van artikel 68 eventueel door tussen­komst van de rechter kan worden afgedwongen door een beroep op basis van de Wet openbaarheid van bestuur in te stellen, is tijdens de parlementaire behandeling niet aan de orde geweest. In de literatuur heerst de opvatting dat een beroep op de rechter niet past in onze staatsrechtelijke verhoudingen. Zeer wel denkbaar is dat de rechter zich onbevoegd zal verklaringen omdat het in een dergelijk geval gaat om een politiek conflict tussen Kamer en regering. Een enkeling verdedigt de opvatting dat het inlichtingenrecht wel via de rechter kan worden afgedwongen.[33] De regering was bij de behandeling van de Wet openbaarheid van bestuur in elk  geval van mening dat “het belang van een goed geïnformeerde volksvertegenwoordiging immers zwaarder weegt dan het belang van openbaarheid van bestuur jegens de burger”.[34] Daarmee zijn de verhoudingen tussen beide regimes helder aangegeven.
 

5. Jurisprudentie

- HR 28 maart 2003, ECLI:NL:HR:2003:AE5149
 

6. Literatuur

- A.A.L. Beers, Grondwettelijk inlichtingenrecht van kamerleden afdwingbaar bij Arob-rechter?, in: H.A.M. Backx, e.a., Recht doen door wetgeving. Opstellen over wetgevingsvraagstukken aangeboden aan mr. E.M.H. Hirsch Ballin, Zwolle 1990
- H.R.B.M. Kummeling, Relatieve geheimhoudingsplichten. Rede uitgesproken bij de aanvaarding van het ambt van gewoon hoogleraar in het staatsrecht met inbegrip van het vergelijkend staatsrecht aan de Universiteit Utrecht op woensdag 19 november 1997, Deventer 1997
- Van der Pot, Handboek van het Nederlandse staatsrecht, zestiende druk, bewerkt door D.J. Elzinga, R. de Lange, H.G. Hoogers, Kluwer Deventer 2014
- Notitie inzake de reikwijdte van artikel 68 Grondwet, Kamerstukken II 2001-2002, 28 632, nr. 2
- S. Munneke, Inlichtingenplichten en verschoningsgronden in het staatsrecht, diss. RUG, Groningen 2006
 

7. Historische versies

Art. 89, tweede lid, Gw 1848: Zij geven aan de Kamers, hetzij mondeling, hetzij schriftelijk, de verlangde inlichtingen, waarvan het verleenen niet strijdig kan worden geoordeeld met het belang en de zekerheid van het Rijk, de kolonien en bezittingen van het Rijk in andere werelddeelen.
Art. 94, tweede lid, Gw 1887: Zij geven aan de Kamers, hetzij mondeling, hetzij schriftelijk, de verlangde inlichtingen, waarvan het verleenen niet strijdig kan worden geoordeeld met het belang van den Staat (art. 95, tweede lid, Gw 1922; art. 97, tweede lid, Gw 1938; art. 104, tweede lid, Gw 1953).
Art. 68 Gw 1983: De ministers en de staatssecretarissen geven aan de kamers elk afzonderlijk en in verenigde vergadering, hetzij mondeling, hetzij schriftelijk, de verlangde inlichtingen, waarvan het verlenen niet strijdig kan worden geoordeeld met het belang van de staat.
 

Noten

  1. Kamerstukken II 1984-1985, 19 014 (R 1284).
  2. Kamerstukken II 1984-1985, 19 014 (R 1284), A-C, p. 5.
  3. Kamerstukken II 1984-1985, 14 225 (R 1051) nr 13 (Nng, IIIa, p. 331), amendement en handelingen II 1979-1980, p. 2090 en 2722 (Nng, IIIb, p. 106 en 134), debat.
  4. Kamerstukken II 1979-1980, 14 225 (R 1051), nr. 12, p. 1 (Nng IIIa, p. 324).
  5. Kamerstukken II 1979-1980, 14 225 (R 1051) nr. 7, p. 2 (Nng IIa, p. 303).
  6. Zie Stenogram Tweede Kamer van 17-12-2015,nr. 2015D50427; Debat over het rapport van de Commissie Oosting (https://www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2015/12/09/rapport-oosting).
  7. HR 28 maart 2003, ECLI:NL:HR:2003:AE5149 en S. Munneke, Inlichtingenplichten en verschoningsgronden in het staatsrecht, diss. RUG, Groningen 2006, hoofdstuk 3.
  8. Zie ook de notitie van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, van 21 januari 2002, Kamerstukken II 2001-2002, 28 362, nr. 2.
  9. Kamerstukken II 1985-1986, 19 014, nr. 5, p. 6.
  10. Hand. I 1985-1986, p. 939.
  11. Kamerstukken II 1985-1986, 19 014, nr. 5, p. 6.
  12. Hand. I 1985-1986, p. 939.
  13. Kamerstukken II 1985-1986, 19 014 (R 1284), nr. 7, p. 1.
  14. Hand. I 1979-1980, p. 1954, 1961 en 1962 (Nng IIIb, p. 107, 45 en 56); Kamerstukken II 1979-1980, 14 225 (R 1051), nr. 12, p. 3 (Nng IIIa, p. 326).
  15. Kamerstukken II 1979-1980, 14 225 (R 1051), nr. 12, p. 3 (Nng IIIa, p. 326); Hand. II 1979-1980, p. 1954 (Nng IIIb, p. 45); Kamerstukken II 1985-1986, 19 014, nr. 5, p. 3.
  16. Hand. II 1979-1980, p. 2722 (Nng IIIb, p. 134).
  17. Met name C.H.F. Polak, De ministeriële verantwoordelijkheid en verantwoording, in: Bestuurswetenschappen, 33 (1979), p. 8.
  18. Zo zijn Bovend’Eert en Kummeling van mening dat artikel 68 Grondwet geen rechtsplicht schept voor ministers om de kamer ook ongevraagde verantwoording te laten afleggen over het gevoerde beleid (P.P.T. Bovend’eert en H.R.B.M. Kummeling, Het Nederlandse Parlement, 12e druk, Deventer 2017, p. 286-287.
  19. Kamerstukken II 2001-2002, 28 362, nr. 2, p. 6.
  20. Kamerstukken 2008-2009, 26 488, nr. 169.
  21. Kamerstukken II 1985-1986, 19 014, nr. 5, p. 3.
  22. Kamerstukken II 1979-1980, 14 225 (R 1051), nr. 12, p. 3 (Nng IIIa, p. 326).
  23. Kamerstukken II 1976-1977, 14 225 (R 1051), nr. 3, p. 5 (Nng IIIa, p. 286).
  24. Kamerstukken II 1976-1977, 14 225 (R 1051), nr. 4, p. 10 (Nng IIIa, p. 290).
  25. Kamerstukken II 1985-1986, 19 014 (R 1284), nr. 5, p. 7.
  26. Kamerstukken II 1976-1977, 14 225 (R 1051), nr. 4, p. 10 (Nng IIIa, p. 290); Kamerstukken II 1978-1979, 14 225 (R 1051), nr. 7, p. 6 en 8 (Nng IIIa, p. 307 en 309). Wob, artikel 10 (Wet van 31 oktober 1991, Stb. 1991, 703).
  27. Zie ook HR 23 maart 2003, a.w. en Kamerstukken II, 2001-2002, 28 362, nr. 2.
  28. Kamerstukken II 1985-1986, 19 014, nr. 5, p. 3.
  29. Kamerstukken I 1979-1980, 14 225 (R 1051), nr. 57b, p. 2 (Nng, IIIb, p. 225). Zie voorbeeld uit 2000 in een kwestie waarin de kamer de regering verzocht inzicht te geven in de correspondentie tussen de ministeries van EZ en VWS inzake de dossier tabak, alcohol en geneesmiddelen. De toenmalige minister van VWS legde uitvoerig uit waarom het in haar ogen onwenselijk was de gevraagde informatie aan de kamer te verstrekken, zonder dat zij zich nadrukkelijk beriep op het belang van de staat (Kamerstukken II, 2000-2001, 27 437, nr. 3).
  30. Kamerstukken II 1985-1986, 19 014 (R 1284), nr. 5, p. 2.
  31. Kamerstukken II 1979-1980, 14 225 (R 1051), nr. 12, p. 5 (Nng, IIIa, p. 328); Kamerstukken II 1985-1986, 19 014 (R 1284), p. 4.
  32. Zie hierover ook de discussie bij het wetsvoorstel Toezicht op toezicht, Kamerstukken II 1997-1998, 24 456 C.
  33. A.A.L. Beers, Grondwettelijk inlichtingenrecht van kamerleden afdwingbaar bij Arob-rechter?, in: H.A.M. Backx, e.a., Recht doen door wetgeving. Opstellen over wetgevingsvraagstukken aangeboden aan mr. E.M.H. Hirsch Ballin, Zwolle 1990, p. 377-389.
  34. Kamerstukken II 1987-1988, 19 859, nr. 6, p. 12.

CITEER SUGGESTIE

E.J. Janse de Jonge, Commentaar op artikel 68 van de Grondwet, in: E.M.H. Hirsch Ballin en G. Leenknegt (red.), Artikelsgewijs commentaar op de Grondwet, webeditie 2020 (www.Nederlandrechtsstaat.nl).