DE GRONDWET

Artikel 62 - Verenigde vergadering

De voorzitter van de Eerste Kamer heeft de leiding van de verenigde vergadering.

WETENSCHAPPELIJK COMMENTAAR

G. Leenknegt

INHOUDSOPGAVE

  1. Het voorzitterschap van de verenigde vergadering
  2. Literatuur
  3. Historische versies
   
Editie maart 2016[1]

1. Het voorzitterschap van de verenigde vergadering

Al sinds de Grondwet van 1815 heeft de voorzitter van de Eerste Kamer het ‘beleid der vergadering’, waarmee de leiding van de verenigde vergadering werd bedoeld. Wanneer men bedenkt dat de heersende opvatting is dat aan de Tweede Kamer in politiek opzicht een grotere betekenis moet worden toegekend dan aan de Eerste, wekt dit enige bevreemding.[2] Het zou dan voor de hand liggen het voorzitterschap van de verenigde vergadering aan de Tweede Kamer te doen toekomen.

Bij gelegenheid van de grondwetsherziening van 1983 heeft de Tweede Kamer tot tweemaal toe getracht deze bepaling aan te passen aan de gedachte dat haar het politieke primaat toekomt. De eerste maal werd het regeringsvoorstel, dat de voorzitter van de Eerste Kamer aanwees als voorzitter van de verenigde vergadering,[3] geamendeerd door de woorden ‘Eerste Kamer’ te vervangen door ‘Tweede Kamer’.[4] De Eerste Kamer verwierp echter dat voorstel. De regering diende het voorstel in oorspronkelijke vorm opnieuw in;[5] vervolgens amendeerde de Tweede Kamer de bepaling door deze te vervangen door een tekst die het kiezen van de voorzitter van de verenigde vergadering overliet aan die vergadering zelf.[6] Ook dit voorstel werd aan de overzijde van het Binnenhof verworpen. Het resultaat was dat de oude bepaling op enkele redactionele aanpassingen na ongewijzigd gehandhaafd bleef.

Deze ‘strijd’ om het voorzitterschap van de verenigde vergadering maakt duidelijk dat er kennelijk enig prestige aan het ambt is verbonden. Een verenigde vergadering komt veelal bijeen voor bijzondere gelegenheden met ceremonieel vertoon, zoals jaarlijks op de derde dinsdag in september, bij de Troonrede, of bij de beëdiging en inhuldiging van een nieuwe Koning en andere zaken rondom het koningschap en de erfopvolging.[7] Overigens hebben dergelijke zaken een minder sterk politiek karakter; ze markeren eerder belangrijke momenten en veranderingen in de constitutionele orde van ons land. Wellicht is het in dat licht toch passend dat juist de voorzitter van de Eerste Kamer de vergadering leidt. Ook brengt het voorzitterschap van de verenigde vergadering mee dat de voorzitter van de Eerste Kamer bij voorbeeld bij plechtigheden protocollair voor haar of zijn collega van de Tweede Kamer gaat.

De taken van de voorzitter van de verenigde vergadering komen in grote lijnen overeen met die van de voorzitters van de beide afzonderlijke Kamers: kort gezegd, het leiden van de vergaderingen, het handhaven van de orde daarbij en het uitvoeren van de besluiten van de vergadering.[8] Een verschil is dat het Reglement van Orde van de verenigde vergadering niet vermeldt dat de voorzitter de vergadering naar buiten toe vertegenwoordigt.
 

2. Literatuur


- P.P.T. Bovend’Eert, H.R.B.M. Kummeling, Het Nederlandse parlement, 11de  druk, Deventer: Kluwer 2010, p. 67 e.v.
 

3. Historische versies

Art. 104, tweede lid, Gw 1815: De voorzitter der eerste kamer heeft het beleid der vergadering (art. 105, tweede lid, Gw 1840).
Art. 103, tweede lid, Gw 1848: De voorzitter der Eerste Kamer heeft de leiding der vergadering (art. 108, tweede lid, Gw 1887; art. 109, tweede lid, Gw 1922; art. 111, tweede lid, Gw 1938, art. 118, tweede lid, Gw 1953).
    

Noten

  1. Dit commentaar is een bewerking en aanvulling van het commentaar bij dezelfde bepaling in: A.K. Koekkoek (red.), De Grondwet. Een systematisch en artikelsgewijs commentaar, 3de druk, Deventer: W.E.J. Tjeenk Willink, 2000, eveneens van de hand van G. Leenknegt.
  2. Zie ook het commentaar bij art. 51 Grondwet.
  3. Kamerstukken II 1976/77, 14 222, nr. 2, p. 2 (Nng IIIa, p. 3): art. 3.1.12 van het voorstel.
  4. Amendement-De Kwaadsteniet: Kamerstukken II 1979/80, 14 222, nr. 14 (Nng IIIa, p. 110).
  5. Kamerstukken II 1980/81, 16 640, nr. 2, p. 2 (Nng IIIb, p. 301): art. 3.1.12a van het voorstel.
  6. Amendement-De Kwaadsteniet: Kamerstukken II 1980/81, 16 640, nr. 6 (Nng IIIb, p. 315).
  7. Zie ook het commentaar bij artikel 51 Grondwet.
  8. Vgl. art. 6 RvOII; art. 13 RvO I; art. 1 RvO VV.

CITEER SUGGESTIE

G. Leenknegt, Commentaar op artikel 62 van de Grondwet, in: E.M.H. Hirsch Ballin en G. Leenknegt (red.), Artikelsgewijs commentaar op de Grondwet, webeditie 2019 (www.Nederlandrechtsstaat.nl).