DE GRONDWET

Artikel 61 - Voorzitter en griffier

  1. Elk der kamers benoemt uit de leden een voorzitter.

  2. Elk der kamers benoemt een griffier. Deze en de overige ambtenaren van de kamers kunnen niet tevens lid van de Staten-Generaal zijn.


WETENSCHAPPELIJK COMMENTAAR

G. Leenknegt

INHOUDSOPGAVE

  1. De benoeming van de Kamervoorzitters
  2. De benoeming van griffiers en overige ambtenaren
  3. Literatuur
  4. Historische versies
 
Editie maart 2016[1] 

1. De benoeming van de Kamervoorzitters

Elk van de Kamers van de volksvertegenwoordiging kiest en benoemt zelf zijn voorzitter. De bevoegdheid tot het benoemen van een voorzitter hebben de Kamers formeel pas sinds 1983, maar materieel al veel langer. De Koning, die tot 1983 volgens de Grondwet bevoegd was de Kamervoorzitters te benoemen, volgde steeds de wens van de Kamers.[2] Bij de herziening werd die praktijk bevestigd in de huidige tekst van artikel 61.

De procedure voor de verkiezing van de Kamervoorzitters is voor beide Kamers geregeld in de respectieve reglementen van orde.[3] Voor de Eerste Kamer is die procedure als volgt. De eerste vergadering van een nieuwe zitting, of de eerste vergadering na een tussentijds openvallen van het voorzitterschap, wordt geleid door een tijdelijke voorzitter zolang geen voorzitter is gekozen. Dit tijdelijke voorzitterschap wordt waargenomen door een gewezen voorzitter of, als die niet voorhanden is, een gewezen ondervoorzitter, dan wel het langst zittende lid of tenslotte het oudste lid. In de eerste vergadering wordt de voorzitter gekozen en benoemd. Vervolgens kiest de Kamer een eerste en een tweede ondervoorzitter.

De gang van zaken in de Tweede Kamer wijkt enigszins hiervan af. Wanneer Kamerverkiezingen zijn uitgeschreven, stelt de Kamer in de laatste vergadering in de oude samenstelling een ontwerp vast voor een profielschets van de nieuw te benoemen voorzitter; in de eerste vergadering van de nieuw gekozen Kamer beslist de Kamer over dit ontwerp. Bij het tussentijds openvallen van het voorzitterschap stelt de Kamer hiervoor zo spoedig mogelijk een profielschets vast. Vervolgens kunnen Kamerleden zich kandidaat stellen voor het voorzitterschap en volgt verkiezing en benoeming. Omdat een absolute meerderheid nodig is voor benoeming, is het mogelijk dat daarvoor meerdere stemrondes nodig zijn. De verkiezing en benoeming geschiedt onder verantwoordelijkheid van een tijdelijke voorzitter, die op vrijwel dezelfde wijze wordt aangewezen als in de Eerste Kamer.

Gewoonlijk wordt een nieuwe Kamervoorzitter gekozen en benoemd na verkiezingen. Tot voor kort kwam het niet voor dat een voorzitter tussentijds terugtrad, maar recent gebeurde dat in beide Kamers toch. In december 2015 trad Tweede Kamervoorzitter Van Miltenburg tussentijds af wegens aanhoudende kritiek op haar functioneren; in juli 2013 trad De Graaf tussentijds af als voorzitter van de Eerste Kamer, vanwege reacties op zijn uitlatingen over de samenstelling van de commissie van in- en uitgeleide van de Verenigde Vergadering bij de inhuldiging van koning Willem-Alexander. In de beide Kamers was dat nog niet eerder voorgekomen.[4]
 

2. De benoeming van griffiers en overige ambtenaren

De reglementen van orde van de beide Kamers regelen ook de benoeming van de griffiers en de overige ambtenaren van de Kamers.[5] Bij deze ambtenaren moet men denken aan onder meer de bodes, de plaatsvervangende griffiers en de medewerkers voor ondersteuning van het wetgevingsproces op juridisch en financieel gebied. Hoewel de Grondwet over deze ambtenaren niet rept, spreekt het voor zich dat de Kamers zelf over de benoeming daarvan beslissen.[6]

Het tweede lid van artikel 61 roept ten slotte een incompatibiliteit in het leven: ambtenaren bij de Kamers kunnen geen lid zijn van de Staten-Generaal.[7] De gedachte hierachter is dat een ambtenaar geen deel behoort uit te maken van het college waaraan hij ondergeschikt is.[8]
 

3. Literatuur 

- P.P.T. Bovend’Eert, H.R.B.M. Kummeling, Het Nederlandse parlement, 11de  druk, Deventer: Kluwer 2010
 

4. Historische versies

Eerste lid:
(Tweede Kamervoorzitter)
Art. 66, eerste lid, Gw 1814: Het beleid van de vergadering der Staten Generaal wordt opgedragen aan eenen President, die door den Souvereinen Vorst benoemd wordt uit eene nominatie van drie leden, door hen te maken, en zulks gedurende den tijd van het openen tot het sluiten dier vergadering.
Art. 85 Gw 1815: De Koning benoemt uit eene opgave van drie leden, Hem door de Kamer aangeboden, één om het voorzitterschap gedurende den tijd van het openen tot het sluiten der zitting waar te nemen (art. 87 Gw 1840).
Art. 84 Gw 1848: De Voorzitter wordt door den Koning benoemd voor het tijdperk eener zitting, uit eene door de Kamer aangeboden opgave van drie leden (art. 88 Gw 1887; art. 89 Gw 1922; art. 91 Gw 1938; art. 98 Gw 1953).
(Eerste Kamervoorzitter)
Art. 89 Gw 1815: De voorzitter van de eerste kamer wordt door den Koning benoemd, om het voorzitterschap gedurende den tijd van het openen tot het sluiten der zitting waar te nemen (art. 91 Gw 1840).
Art. 87 Gw. 1848: De voorzitter wordt door den Koning benoemd, voor het tijdperk eener zitting.
Art. 92 Gw 1887: De Voorzitter wordt door den Koning uit de leden benoemd voor het tijdperk ener zitting (art. 93 Gw 1922; art. 95 Gw 1938; art. 102 Gw 1953).
Tweede lid:
Art. 66, tweede lid, Gw 1814: De Staten Generaal hebben de aanstelling van hunnen Griffier.
Art. 95 Gw. 1815: Elke Kamer benoemt haren griffier (art. 97 Gw 1840).
Art. 94 Gw 1848: Elke Kamer benoemt haren griffier buiten haar midden.
Art. 99 Gw 1887: Elke kamer benoemt haren griffier.
Deze mag niet tegelijk lid van eene der Kamers zijn (art. 100 Gw 1922; art. 102 Gw 1938; art. 109 Gw 1953).

Noten

  1. Dit commentaar is een bewerking en aanvulling van het commentaar bij dezelfde bepaling in: A.K. Koekkoek (red.), De Grondwet. Een systematisch en artikelsgewijs commentaar, 3de druk, Deventer: W.E.J. Tjeenk Willink, 2000, eveneens van de hand van G. Leenknegt.
  2. De Tweede Kamer maakte, overeenkomstig de oude grondwettelijke regeling, aan de Koning haar wensen kenbaar met een voordracht van drie personen. Zie over deze praktijk P.J. Oud, Het constitutioneel recht van het Koninkrijk der Nederlanden, deel I, Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink, 1967, p. 616-618.
  3. Zie RvO I, art. 6-13 en RvO II, art. 4-9.
  4. Wel kwam eerder voor dat Tweede Kamervoorzitters zelf afzagen van herbenoeming. In september 1912 zag de voorzitter van de Tweede Kamer, Van Bylandt, zelf af van herbenoeming, vanwege kritiek op zijn zwakke leiding; in 2002 stelde voorzitter Van Nieuwenhoven zich na de verkiezingen van mei dat jaar niet opnieuw kandidaat, omdat zij tot fractievoorzitter was gekozen. Zie www.parlement.com/id/vjt3b8622qct/aftreden_tweede_kamervoorzitter.
  5. RvO I, art. 26 e.v. en RvO II, art. 13-14.
  6. Kamerstukken II 1976/77, 14 222, nr. 3, p. 12 (Nng IIIa, p. 12).
  7. Zie ook art. 57 Gw.

CITEER SUGGESTIE

G. Leenknegt, Commentaar op artikel 61 van de Grondwet, in: E.M.H. Hirsch Ballin en G. Leenknegt (red.), Artikelsgewijs commentaar op de Grondwet, webeditie 2019 (www.Nederlandrechtsstaat.nl).