DE GRONDWET

Artikel 60 - Ambtsaanvaarding

Op de wijze bij de wet voorgeschreven leggen de leden van de kamers bij de aanvaarding van hun ambt in de vergadering een eed, dan wel verklaring en belofte, van zuivering af en zweren of beloven zij trouw aan de Grondwet en een getrouwe vervulling van hun ambt.

WETENSCHAPPELIJK COMMENTAAR

G. Leenknegt

INHOUDSOPGAVE

  1. De eed of verklaring en belofte
  2. De betekenis van de eed of verklaring en belofte
  3. Partijfinanciering en de zuiveringseed
  4. Literatuur
  5. Historische versies
  Editie januari 2021

1. De eed of verklaring en belofte

Nadat de geloofsbrieven van een nieuw verkozen Kamerlid zijn onderzocht (zie artikel 58 Grondwet) en geen bezwaren zijn gerezen met betrekking tot de toelating van dat lid tot het vertegenwoordigend orgaan, wordt hij of zij daadwerkelijk lid. De aanvaarding van het ambt geschiedt door het afleggen van een eed of een daaraan gelijkgestelde ‘verklaring en belofte’.
 
De teksten die daarbij dienen te worden uitgesproken waren tussen 1814 en 1983 steeds opgenomen in de Grondwet zelf. Bij de algehele herziening van 1983 werden ze daaruit geschrapt en werd aan de wetgever opgedragen deze teksten vast te leggen.[1] In 1992 kwam daartoe de Wet beëdiging ministers en leden Staten-Generaal tot stand.[2] Artikel 2 van die wet bepaalt dat elk lid van de Kamers der Staten-Generaal bij de aanvaarding van het ambt de volgende tekst uitspreekt, steeds in de bewoordingen – ‘zweren’ dan wel ‘verklaren en beloven’ – die overeenkomen met zijn of haar godsdienst of levensovertuiging:
 
‘Ik zweer (verklaar) dat ik, om tot lid van de Staten‑Generaal te worden benoemd, rechtstreeks noch middellijk, onder welke naam of welk voorwendsel ook, enige gift of gunst heb gegeven of beloofd. Ik zweer (verklaar en beloof), dat ik, om iets in dit ambt te doen of te laten, rechtstreeks noch middellijk enig geschenk of enige belofte heb aangenomen of zal aannemen. Ik zweer (beloof) trouw aan de Koning, aan het Statuut voor het Koninkrijk en aan de Grondwet. Ik zweer (beloof) dat ik de plichten die mijn ambt mij oplegt getrouw zal vervullen. Zo waarlijk helpe mij God almachtig!’ (Dat verklaar en beloof ik!’).



De beëdiging van de leden van de nieuwe gekozen Tweede Kamer, september 2012. Foto: NRC.nl.
 
Wat wordt bij het uitspreken van deze teksten nu precies gezworen of beloofd? Ten eerste de zogenaamde ‘eed van zuivering’: men zweert of verklaart geen giften of gunsten te hebben beloofd voor het verwerven van het betreffende ambt, en zich ook bij de uitoefening van het ambt niet te laten beïnvloeden door gegeven geschenken of gedane beloften. Deze eed betreft dus de onafhankelijkheid die van een volksvertegenwoordiger mag worden verwacht.[3] Overigens slaat het begrip ‘zuivering’ strikt genomen slechts op het verleden, dus op handelingen verricht vóór het afleggen van de eed. Bij gelegenheid van de algehele grondwets­herziening van 1983 gaf de regering echter aan dat vanouds ook eden en beloften betreffende toekomstige gedragingen van volksvertegenwoordigers onder de zuiveringseed begrepen worden.[4]
 
Naast de eed van zuivering worden nog drie eden afgelegd. De eed van trouw aan de Grondwet en de eed betreffende een getrouwe vervulling van het ambt worden beide verlangd door artikel 60 Grondwet. Tenslotte wordt trouw gezworen aan de Koning en aan het Statuut voor het Koninkrijk; dit is niet vereist op grond van artikel 60 Grondwet, maar wel op grond van artikel 47, eerste lid, van het Statuut. De leden van beide Kamers leggen de genoemde eden af ten overstaan van de voorzitter van de betreffende Kamer.[5] De voorzitter zelf legt zijn eed af ten overstaan van de leden van die Kamer.
 
De sancties die verbonden zijn aan de schending van de afgelegde eden, zijn te vinden in artikel 207 van het Wetboek van Strafrecht, dat handelt over meineed. Schending van de eed of belofte kan worden bestraft met ten hoogste zes jaar gevangenisstraf of een geldboete van de vierde categorie.

2. De betekenis van de eed of verklaring en belofte

Algemeen wordt aangenomen dat het afleggen van de eed of verklaring en belofte niet constitutief is voor het Kamerlidmaatschap. Het lidmaatschap vangt aan nadat het betreffende vertegenwoordigend orgaan op basis van het geloofsbrieven­onderzoek heeft besloten tot toelating van de nieuw gekozen vertegenwoordiger.[6] Na verkiezingen vangt het lidmaatschap aan – na de toelating – met ingang van de dag waarop het lidmaatschap van de leden van de oude Kamer eindigt (zie art C1, tweede lid, Kieswet). De aanvaarding van dat ambt door aflegging van de eed of verklaring en belofte dient vooral om de leden het besef van de verantwoordelijk­heden die hun ambt meebrengt nog eens in te scherpen.
 
Bij gelegenheid van de grondwetsherziening van 1983 gaf de regering overigens blijk van een andere opvatting op dit punt. Zij was van mening dat het lidmaat­schap pas aanvangt na het afleggen van de eed of verklaring en belofte, met als enig argument dat leden pas vanaf dat moment recht hebben op de schadeloosstel­ling die bij hun ambt hoort.[7] Erg overtuigend is deze redenering niet, al was het maar omdat artikel 60 Grondwet zelf stelt dat de ‘leden van de kamers’ een eed of een verklaring en belofte afleggen. Daar komt bij dat krachtens het vrijwel gelijkluidende artikel 49 de door ministers en staatssecretarissen af te leggen eed evenmin constitutief is voor de vervulling van hun ambt.[8]

3. Partijfinanciering en de zuiveringseed

In het licht van de zuiveringseed zijn in het verleden vraagtekens plaatst bij de financiële verplichtingen die volksvertegenwoordigers soms kunnen hebben jegens hun politieke partij. Er zijn partijen die bij de kandidaatstelling vragen dat de kandidaat zich bereid verklaart als gekozene een financiële bijdrage aan zijn of haar partij te leveren, in de vorm van een vaste afdracht van een percentage van het salaris – ook wel aangeduid als ‘partijbelasting’. Deze afdrachten zijn voor veel politieke partijen een belangrijke bron van inkomsten. De Socialistische Partij verplicht al haar vertegenwoordigers zelfs om hun gehele salaris aan de partij over te laten maken; zij ontvangen dan uit de partijkas een vergoeding die ruim onder het wettelijke salaris van een Kamerlid ligt.
 
Strikt genomen is een regeling die een vertegenwoordiger verplicht zijn of haar salaris rechtstreeks in de partijkas te laten storten, niet te rijmen met de zuiveringseed: er wordt immers een (extra) betaling verlangd voor het behulpzaam zijn bij het verwerven van een vertegenwoordigend ambt.[9] In november 2009 diende minister Ter Horst van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties een wetsvoorstel in om deze directe salarisafdrachten aan partijen te verbieden.[10] In maart 2013 werd het wetsvoorstel door minister Plasterk echter weer ingetrokken.[11] Vooralsnog blijft de praktijk van de partij-afdrachten dus voortbestaan.
 
 

4. Literatuur 

- D.J. Elzinga, H.R.B.M. Kummeling, J. Schipper-Spanninga, Het Nederlandse kiesrecht, 3dedruk, Deventer: Kluwer, 2012
- P.P.T. Bovend’Eert, H.R.B.M. Kummeling, Het Nederlandse parlement, 11de  druk, Deventer: Kluwer 2010
 

5. Historische versies

Tweede Kamerleden:
Art. 62, tweede lid, Gw 1814: Bij het aanvaarden hunner functien doen zij, ieder op de wijze zijner godsdienstige gezindheid, den navolgenden eed:
`Ik zweer, (belove) dat ik eerst en boven al de grondwet der Vereenigde Nederlanden zal onderhouden en handhaven; dat ik wijders de onafhankelijkheid van den Staat, de vrijheid en de welvaart van deszelfs Ingezetenen, met alle mijne krachten, bevorderen zal, zonder aanzien van provinciale of van eenige andere dan algemeene belangen.
`Zo waarlijk helpe mij God Almagtig.'
Zij worden tot dien eed toegelaten, na alvorens te hebben afgelegd den navolgenden eed van zuivering.
`Ik zweer, (verklaar) dat ik, om tot lid van de vergadering der Staten Generaal te worden benoemd, directelijk of indirectelijk, aan geene personen, 't zij in of buiten het bestuur, onder wat naam of voorwendsel ook, eenige giften of gaven heb beloofd of gegeven, nochte beloven of geven zal. `Ik zweer (belove), dat ik mij exactelijk zal gedragen naar den inhoud van het plakkaat bij de Staten-Generaal op den 10 December 1715, tegen het geven en nemen van verboden giften, gaven en geschenken, gearresteerd.
`Zoo waarlijk helpe mij God Almagtig.'
Art. 63 Gw 1814: Deze eeden worden afgelegd in handen van den Souvereinen Vorst in den Raad van State, ofte, bij Deszelfs afwezendheid, in handen van den Raad zelven, welke die in Zijnen naam ontvangt.
Van deze beëediging wordt door of van wege den Souvereinen Vorst aan de vergadering der Staten-Generaal behoorlijk kennis gegeven, waarna het nieuw verkozen lid dadelijk zitting neemt.
Art. 84 Gw 1815: Bij het aanvaarden hunner waardigheid, doen zij ieder op de wijze zijner godsdienstige gezindsheid den navolgenden eed:
`Ik zweer (belove) dat ik de grondwet der Nederlanden zal onderhouden en handhaven; dat ik bij geene gelegenheid en onder geen voorwendsel, hoe ook genaamd, daarvan zal afwijken, of toestemmen dat daarvan afgeweken worde; dat ik voorts de onafhankelijkheid van den Staat, de algemeene en bijzondere vrijheid der ingezetenen bewaren en beschermen, en het algemeen belang met al mijn vermogen bevorderen zal, zonder mij daarvan door eenige provinciale of andere bijzondere belangen te laten aftrekken. `Zoo waarlijk helpe mij God Almagtig!'
Zij zullen alvorens tot dien eed te worden toegelaten, doen den volgenden eed van zuivering:
`Ik zweer (verklare) dat ik, om tot lid van de tweede kamer der Staten-Generaal te worden benoemd, directelijk of indirectelijk, aan geene personen, het zij in of buiten het bestuur, onder wat naam of voorwendsel ook, eenige giften of gaven beloofd of gegeven heb, nochte beloven of geven zal.'
`Ik zweer (belove) dat ik om iets hoegenaamd in deze betrekking te doen of te laten, van niemand hoegenaamd eenige beloften of geschenken aannemen zal, directelijk of indirectelijk.'
`Zoo waarlijk helpe mij God Almagtig!'
Deze eeden worden afgelegd in handen van den Koning, ofte wel in de vergadering der tweede kamer, in handen van den President daartoe door den koning gemagtigd (art. 86 Gw 1840).
Art. 83 Gw 1848: Bij het aanvaarden hunner betrekking leggen zij, ieder op de wijze zijner godsdienstige gezindheid, den volgenden eed of belofte af:
`Ik zweer (beloof) getrouwheid aan de Grondwet.'
`Zoo waarlijk helpe mij God almagtig!' (`Dat beloof ik!')
Alvorens tot dien eed of belofte te worden toegelaten, leggen zij den volgenden eed (verklaring en belofte) van zuivering af:
`Ik zweer (verklaar), dat ik, om tot lid van de Tweede Kamer der Staten-Generaal te worden benoemd, directelijk of indirectelijk, aan geene personen, hetzij in of buiten het bestuur, onder wat naam of voorwendsel ook, eenige giften of gaven beloofd of gegeven heb, noch beloven of geven zal.'
`Ik zweer (beloof), dat ik, om iets hoegenaamd in deze betrekking te doen of te laten, van niemand hoegenaamd eenige beloften of geschenken aannemen zal, directelijk of indirectelijk.'
`Zoo waarlijk helpe mij God almagtig!' (`Dat verklaar en beloof ik!')
Deze eeden (beloften en verklaring) worden afgelegd in handen van den Koning, of in de vergadering der Tweede Kamer, in handen van den voorzitter, daartoe door den Koning gemagtigd.
Art. 87 Gw 1887: Bij het aanvaarden hunner betrekking leggen zij de volgende eed of belofte af:
`Ik zweer (beloof) getrouwheid aan de Grondwet.'
`Zo waarlijk helpe mij God almagtig!' (`Dat beloof ik!')
Alvorens tot dien eed of belofte te worden toegelaten, leggen zij den volgenden eed (verklaring en belofte) van zuivering af:
`Ik zweer (verklaar), dat ik, om tot lid der Staten-Generaal te worden benoemd, directelijk of indirectelijk, aan geen persoon, onder wat naam of voorwendsel ook, eenige giften of gaven beloofd of gegeven heb.'
`Ik zweer (beloof), dat ik om iets hoegenaamd in deze betrekking te doen of te laten, van niemand hoegenaamd eenige beloften of geschenken aannemen zal, directelijk of indirectelijk.'
`Zo waarlijk helpe mij God almagtig!' (`Dat verklaar en beloof ik!')
Deze eeden (beloften en verklaring) worden afgelegd in handen van de Koning of in de vergadering der Tweede Kamer in handen van den Voorzitter, daartoe door den Koning gemachtigd (art. 88 Gw 1922; art. 90 Gw 1938; art. 97 Gw 1953).
Eerste Kamerleden:
Art. 88 Gw 1815: Bij het aanvaarden hunner waardigheid, leggen zij in handen van den Koning af dezelfde eeden, als voor de leden der tweede kamer zijn bepaald, ieder op de wijze zijner godsdienstige gezindheid (art. 90 Gw 1840).
Art. 86, derde lid, Gw 1848: Zij leggen, bij het aanvaarden hunner betrekking, in handen van den Koning, gelijke eeden (beloften en verklaring) af, als voor de leden der Tweede Kamer zijn bepaald.
Art. 91, tweede lid, Gw 1887: Zij leggen bij het aanvaarden hunner betrekking gelijke eeden (beloften en verklaring) af, als voor de leden der Tweede Kamer zijn bepaald, hetzij in handen van den Koning, hetzij in de vergadering der Eerste Kamer in handen van den Voorzitter, daartoe door de Koning gemagtigd (art. 92, tweede lid, Gw 1922; art. 94, tweede lid, Gw 1938; art. 101, tweede lid, Gw 1953).
    

Noten

  1. Op basis van het inmiddels uitgewerkte additioneel art. XVIII bleven de bepalingen uit de Grondwet van 1972, waarin de formulieren waren opgenomen, van kracht tot de bedoelde wettelijke regeling in 1992 tot stand was gekomen.
  2. Wet van 27 februari 1992, Stb. 120. Overigens is bij de plaatsing in het Staatsblad een foutje geslopen in art. 4 van de wet, waarin de citeertitel wordt aangegeven; art. 4 spreekt van de ‘Wet beëindiging ministers en leden Staten-Generaal’.
  3. Kamerstukken II 1978/79, 14 222, nr. 7, p. 20-21 (Nng IIIa, p. 69-70).
  4. Kamerstukken II 1978/79, 14 222, nr. 7, p. 21 (Nng IIIa, p. 70).
  5. Bij een nieuw gekozen Kamer de tijdelijke voorzitter – zie art. 61 Grondwet.
  6. In die zin: C.A.J.M. Kortmann, bew. door P.P.T. Bovend’Eert, J.L.W. Broeksteeg, C.N.J. Kortmann, B.P. Vermeulen, Constitutioneel recht, 7de druk, Deventer: Kluwer, 2012, p. 215; D.J. Elzinga, R. de Lange, H.G. Hoogers, Van der Pot Handboek van het Nederlandse staatsrecht, 16de druk, Deventer: Kluwer, 2014, p. 574 e.v.; P.P.T. Bovend’Eert, H.R.B.M. Kummeling, Het Nederlandse Parlement, 11de druk, Deventer: Kluwer, 2010, p. 114-116.
  7. Kamerstukken II 1978/79, 14 222, nr. 7, p. 20 (Nng IIIa, p. 69).
  8. Zie ook het commentaar bij art. 49 Grondwet.
  9. Zie hierover o.a. A.P.M. van der Linden, Zuiveringseedperikelen en partijfinanciering, in: AA 1979, p. 2 e.v. en D.J. Elzinga, De politieke partij en het constitutionele recht, Nijmegen 1982, p. 210 e.v.; C.A.J.M. Kortmann, de Grondwetsherzieningen 1983 en 1987, 2de druk, Deventer: Kluwer, 1987, p. 214.
  10. Zie Kamerstukken II 2009/10, 32 221, nrs. 1-3.
  11. Kamerstukken II 2012/13, 32 221, nr. 11.

CITEER SUGGESTIE

G. Leenknegt, Commentaar op artikel 60 van de Grondwet, in: E.M.H. Hirsch Ballin en G. Leenknegt (red.), Artikelsgewijs commentaar op de Grondwet, webeditie 2021 (www.Nederlandrechtsstaat.nl).