DE GRONDWET

Artikel 59 - Kiesrecht en verkiezingen

Alles, wat verder het kiesrecht en de verkiezingen betreft, wordt bij de wet geregeld.

WETENSCHAPPELIJK COMMENTAAR

G. Leenknegt

INHOUDSOPGAVE

  1. De regeling van het kiesrecht en de verkiezingen
  2. Jurisprudentie
  3. Literatuur
  4. Historische versies
 

Editie maart 2016[1]

1. De regeling van het kiesrecht en de verkiezingen

De nadere regeling van het actief en passief kiesrecht en van de organisatie van de verkiezingen is opgedragen aan de wetgever. Deze opdracht heeft niet alleen betrekking op de verkiezingen voor de beide kamers van de Staten-Generaal: artikel 129, derde lid, van de Grondwet verklaart artikel 59 van toepassing op de verkiezin­gen voor de gemeenteraden en provinciale staten.
 
De regeling die uitvoering geeft aan artikel 59, is de Kieswet.[2] De wet geeft regels voor de verkiezing van de leden van de Tweede Kamer, provinciale staten en gemeenteraden (afdelingen II en IV), voor de verkiezing van de Eerste Kamer (afdelingen III en IV), voor de verkiezing van de leden van het Europees Parlement (afdeling V)[3] en voor de verkiezing van de leden van de Tweede Kamer der Staten-Generaal, van de eilandsraden, van de Eerste Kamer der Staten-Generaal en van het Europees Parlement in Bonaire, Sint Eustatius en Saba (afdeling Va). De Kieswet regelt het gehele verloop van de verkiezingen voor deze algemeen vertegenwoordigende organen, van de registratie van kiesgerechtigdheid tot het vaststellen en publiceren van de verkiezingsuitslag. Hoofdstuk I van de wet betreft de Kiesraad, een onafhankelijk orgaan dat onder meer de regering adviseert en het publiek informeert over het kiesrecht, het verloop van verkiezingen en de gang van zaken rond referenda.
 
Tot 2008 sloot de Kieswet Nederlanders die ingezetenen waren van Aruba en de Nederlandse Antillen, destijds zelfstandige landen in het koninkrijk, uit van de verkiezingen voor het Europees Parlement. De eisen voor deelname aan die verkiezingen waren gelijkgesteld aan de eisen voor deelname aan de verkiezingen voor de Tweede Kamer; Nederlandse ingezetenen van de Caribische landen zijn daarvan uitgesloten, tenzij zij minstens tien jaar ingezetene van Nederland zijn geweest.[4] Eman en Sevinger, beiden Nederlandse ingezetenen van Aruba, werd daarom registratie als kiezer voor de leden van het Europees Parlement geweigerd. Het Hof van Justitie van de Europese Unie oordeelde echter dat die weigering een ongerechtvaardigd onderscheid opleverde tussen Caribische Nederlanders enerzijds en andere buiten Nederland woonachtige Nederlanders anderzijds.[5] Naar aanleiding daarvan besloot de wetgever de Kieswet te wijzigen en het kiesrecht voor het Europees Parlement ook toe te kennen aan Nederlanders die ingezetenen zijn van een van de Caribische landen in het koninkrijk (tegenwoordig Aruba, Curaçao en Sint Maarten).[6]

Opmerking verdient nog dat artikel 59 delegatie van de regelingsbevoegdheid mogelijk maakt.  Aangenomen wordt dat hiermee niet bedoeld is delegatie aan provincie- of gemeentebesturen mogelijk te maken. Het zou immers vreemd zijn wanneer deze lokale overheden regels zouden kunnen stellen voor de verkiezing van landelijke vertegenwoordigende organen; daarnaast geldt ook bij de verkiezingen voor provinciale staten en gemeenteraden vanouds een landelijke uniformiteit in de betreffende kiesregelingen.

2. Jurisprudentie

- HvJEU 12 september 2006 (Eman & Sevinger/B&W Den Haag), ECLI:EU:C:2006:545

3. Literatuur

- D.J. Elzinga, H.R.B.M. Kummeling, J. Schipper-Spanninga, Het Nederlandse kiesrecht, 3dedruk, Deventer: Kluwer 2012

4. Historische versies

Art. 77, tweede lid, Gw 1848: De verdere regels ten aanzien van het kiesregt stelt de kieswet.
Art. 81, tweede lid, Gw 1887: De verdeeling van het Rijk in kiesdistricten en alles wat verder het kiesregt en de wijze van verkiezing betreft, wordt door de wet geregeld.
Art. 81, tweede lid, Gw 1917: Alles wat verder het kiesrecht en de wijze van verkiezing betreft, wordt door de wet geregeld (art. 82, tweede lid, Gw 1922; art. 84, tweede lid, Gw 1938; art. 91, tweede lid, Gw 1953).
   

Noten

  1. Dit commentaar is een bewerking en aanvulling van het commentaar bij dezelfde bepaling in: A.K. Koekkoek (red.), De Grondwet. Een systematisch en artikelsgewijs commentaar, 3de druk, Deventer: W.E.J. Tjeenk Willink, 2000, eveneens van de hand van G. Leenknegt.
  2. Wet van 28 september 1989, Stb. 423; de wet is intussen vele malen gewijzigd.
  3. Deze bepalingen vloeien niet voort uit de regelingsopdracht in artikel 59 Grondwet, maar geven uitvoering aan de Akte betreffende de verkiezing van de leden van het Europees Parlement door middel van rechtstreekse algemene verkiezingen.
  4. Artikel B1 van de Kieswet.
  5. HvJEU 12 september 2006 (Eman & Sevinger/B&W Den Haag), ECLI:EU:C:2006:545.
  6. Artikel Y3, onder a, van de Kieswet.

CITEER SUGGESTIE

G. Leenknegt, Commentaar op artikel 59 van de Grondwet, in: E.M.H. Hirsch Ballin en G. Leenknegt (red.), Artikelsgewijs commentaar op de Grondwet, webeditie 2020 (www.Nederlandrechtsstaat.nl).