DE GRONDWET

Artikel 58 - Geloofsbrieven

Elke kamer onderzoekt de geloofsbrieven van haar nieuwbenoemde leden en beslist met inachtneming van bij de wet te stellen regels de geschillen welke met betrekking tot de geloofsbrieven of de verkiezing zelf rijzen.

WETENSCHAPPELIJK COMMENTAAR

G. Leenknegt

INHOUDSOPGAVE

  1. Het onderzoek van de geloofsbrieven
  2. Literatuur
  3. Historische versies
 

Editie maart 2016[1]

1. Het onderzoek van de geloofsbrieven

Wanneer voor een van de Kamers der Staten-Generaal verkiezingen hebben plaatsgevonden, geeft de voorzitter van het centraal stembureau de verkozenen per brief kennis van hun benoeming in het betreffende vertegenwoordigende orgaan. Ook dat orgaan wordt schriftelijk op de hoogte gebracht en deze kennisgeving ‘strekt de benoemde tot geloofsbrief’.[2] Maar daarmee is de betrokkene nog niet lid geworden van het betreffende orgaan. Daartoe dient het vertegenwoordigende orgaan eerst, in de oude samenstelling,[3] de geloofsbrieven van de nieuw gekozen vertegenwoordigers te onderzoeken. Komen hierbij geen problemen aan het licht, dan volgt een besluit tot toelating van de gekozene tot het orgaan, waarmee deze daadwerkelijk lid wordt.[4] Vervolgens legt hij of zij op de dag van het aantreden van de nieuwe Kamer de eed of verklaring en belofte af.[5]

Het onderzoek van de geloofsbrieven verloopt in de beide Kamers als volgt.[6] Een nieuw gekozen lid dient, nadat het bericht van zijn verkiezing hem heeft bereikt, schriftelijk aan het betreffende orgaan mede te delen dat hij de benoeming tot lid aanvaardt. Wenst een nieuw gekozen lid de benoeming niet te aanvaarden, dan geeft hij daarvan kennis aan de voorzitter van het centraal stembureau, die het vertegenwoordigend orgaan inlicht. Wanneer binnen tien dagen na dagtekening van de kennisgeving geen bericht van de gekozene is ontvangen (of binnen 28 dagen, wanneer het gaat om een tussentijds vrijgekomen zetel), wordt die  geacht de benoeming niet te willen aanvaarden.

Bij het bericht aan het vertegenwoordigend orgaan dat hij of zij de benoeming aanvaardt, overlegt de gekozene ten behoeve van het besluit omtrent toelating een gewaarmerkt afschrift uit de gemeentelijke basisadministratie van zijn woonplaats, alsmede een verklaring waarop de openbare betrekkingen zijn vermeld die hij of zij vervult.[7]

Het besluit omtrent de toelating van de nieuw gekozen leden wordt in de beide Kamers voorbereid door Kamercommissies. In de Tweede Kamer is er een Commissie voor het onderzoek van de Geloofsbrieven;[8] in de Eerste Kamer worden na verkiezingen twee Commissies voor de Geloofsbrieven samengesteld, waarover de Kamervoorzitter het werk verdeelt, zodanig dat een zittend Kamerlid dat herkozen is niet over de eigen geloofsbrief oordeelt.[9]

Artikel V4 van de Kieswet bepaalt welke zaken bij het onderzoek van de geloofsbrieven moeten worden nagegaan.[10] Vanzelfsprekend wordt in de eerste plaats de geloofsbrief zelf, dat wil zeggen de schriftelijke kennisgeving van de verkiezing door de voorzitter van het centraal stembureau, onderzocht. Daarnaast wordt onderzocht of de kandidaat voldoet aan de andere vereisten voor het lidmaatschap van het betreffende orgaan: hij of zij moet de Nederlandse nationaliteit bezitten, op de dag van de eerste samenkomst van het vertegenwoordigend orgaan de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt, niet zijn uitgesloten van het kiesrecht (zie de artikelen 54 en 56 Grondwet) en geen betrekking vervullen die niet met het lidmaatschap van het betreffende orgaan verenigbaar is (zie artikel 57 Grondwet).

Uit de totstandkomingsgeschiedenis van de Kieswet valt op te maken dat het onderzoek uitsluitend betrekking kan hebben op de wettelijke eisen voor het lidmaatschap van de Kamers. Andere aspecten betreffende de persoon van de benoemde, zoals diens politieke overtuiging, gezondheid of eerdere levenswandel, mogen geen rol spelen.[11] Wanneer een gekozene bijvoorbeeld ernstig en langdurig ziek is, of zich in detentie bevindt, vormt dat geen grond om hem of haar de toelating te weigeren; het kan dan wel betekenen dat de betreffende zetel kortere of langere tijd feitelijk onbezet blijft. De Kieswet bepaalt voorts uitdrukkelijk dat de geldigheid van kandidatenlijsten en lijstverbindingen niet in het onderzoek van de geloofsbrieven kan worden betrokken;[12] hiertoe is het hoofdstembureau in elke kieskring bevoegd.[13]

Wanneer zich bij het onderzoek of de daarop gebaseerde beslissing betreffende de toelating geschillen voordoen, beslist het vertegenwoordigend orgaan hierover in eerste en enige instantie met inachtneming van de regels die de Kieswet voorschrijft.[14] Deze geschillen kunnen betrekking hebben op de bovengenoemde wettelijke eisen voor het kamerlidmaatschap, maar ook op mogelijke onregelmatig­heden bij de verkiezing, zoals foutieve telling van de uitgebrachte stemmen[15] of het – door de Kieswet verboden[16] – ronselen van volmachten.
 

2. Literatuur

- D.J. Elzinga, H.R.B.M. Kummeling, J. Schipper-Spanninga, Het Nederlandse kiesrecht, 3dedruk, Deventer: Kluwer 2012
 

3. Historische versies 

Art. 94 Gw 1815: Iedere kamer in den haren, onderzoekt de geloofsbrieven der nieuw inkomende leden, en beslist de geschillen, welke dienaangaande mogten oprijzen (art. 96 Gw 1840).
Art. 93 Gw 1848: Elke Kamer onderzoekt de geloofsbrieven harer nieuw inkomende leden, en beslist de geschillen, welke aangaande die geloofsbrieven of de verkiezing zelve oprijzen (art. 98 Gw 1887).
Art. 98 Gw 1917: Voor zover de wet niet anders bepaalt, onderzoekt elke Kamer de geloofsbrieven harer nieuw inkomende leden, en beslist de geschillen, welke aangaande die geloofsbrieven of de verkiezing zelve oprijzen, volgens regels door de wet te stellen (art. 99 Gw 1922; art. 101 Gw 1938; art. 108 Gw 1953).

Noten

  1. Dit commentaar is een bewerking en aanvulling van het commentaar bij dezelfde bepaling in: A.K. Koekkoek (red.), De Grondwet. Een systematisch en artikelsgewijs commentaar, 3de druk, Deventer: W.E.J. Tjeenk Willink, 2000, eveneens van de hand van G. Leenknegt.
  2. Art. V1, derde lid, van de Kieswet.
  3. Zie art. 2 RvO II en art. 3 RvO I. Voor de Tweede Kamer geldt dit overigens sinds 1986; daarvoor beslisten de nieuw benoemde leden in feite over hun eigen toelating.
  4. Kortmann 1997, p. 210-211.
  5. Zie hierover het commentaar bij art. 60 Gw.
  6. Art. V1 e.v. van de Kieswet.
  7. Art. V3 van de Kieswet.
  8. Art. 19 RvO II.
  9. Art. 4 RvO I.
  10. Deze bepaling draagt de beide Kamers der Staten-Generaal op een en ander nader te regelen in de respectieve Reglementen van Orde. Over de toelaatbaarheid van deze regelingsopdracht is met name in de Eerste Kamer wat discussie geweest: zie Handelingen I 1989/90, p. 1-17.
  11. Zie de memorie van toelichting bij het huidige art. V4 van de Kieswet: Kamerstukken II 1987/88, 20 264, nr. 3, p. 75.
  12. Art. V4, tweede lid, van de Kieswet.
  13. Art. I1-I11 van de Kieswet.
  14. Art. V4-V11 van de Kieswet.
  15. Voor een voorbeeld, zie Handelingen II 18 mei 1998, p. 5670. Bij vaststelling van de verkiezingsuitslag van de Kamerverkiezingen van 6 mei van dat jaar bleek slechts een deel van de stemmen, uitgebracht in de gemeente Gramsbergen, te zijn meegeteld; hierdoor dreigde ten onrechte een VVD-kandidaat i.p.v. een CDA-kandidaat te worden toegelaten tot het lidmaatschap van de Tweede Kamer.
  16. Artt. Z4 en Z8 van de Kieswet.

CITEER SUGGESTIE

G. Leenknegt, Commentaar op artikel 58 van de Grondwet, in: E.M.H. Hirsch Ballin en G. Leenknegt (red.), Artikelsgewijs commentaar op de Grondwet, webeditie 2019 (www.Nederlandrechtsstaat.nl).