DE GRONDWET

Artikel 56 - Vereisten voor lidmaatschap

Om lid van de Staten-Generaal te kunnen zijn is vereist dat men Nederlander is, de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt en niet is uitgesloten van het kiesrecht.

WETENSCHAPPELIJK COMMENTAAR

G. Leenknegt

INHOUDSOPGAVE

  1. De vereisten voor het passief kiesrecht
  2. Literatuur
  3. Historische versies
 
Editie maart 2016[1]

1. De vereisten voor het passief kiesrecht

De grondwettelijke vereisten voor het passief kiesrecht voor beide Kamers van de Staten-Generaal zijn sinds 1983 grotendeels gelijk aan die voor het actief kiesrecht. Men dient de leeftijd van achttien jaar te hebben bereikt en de Nederlandse nationaliteit te bezitten. Tenslotte dient men niet uitgesloten te zijn van het kiesrecht, waarmee wordt verwezen naar het bepaalde in artikel 54, tweede lid, Grondwet (zie ook aldaar). Op een punt is er een verschil: Nederlanders die ingezetenen zijn van een van de andere landen binnen het Koninkrijk – Aruba, Curaçao of Sint Maarten – hebben in beginsel[2] geen actief  kiesrecht voor de beide Kamers der Staten-Generaal, maar kunnen wel tot lid van een van de beide Kamers worden gekozen.[3]

Evenals de leeftijdsgrens voor het actief kiesrecht, is ook die voor het passief kiesrecht sinds 1814 enkele malen verlaagd. De Grondwet van 1814 stelde de leeftijdsgrens op 30 jaar; pas in 1963 werd het 25 jaar en de herziening van 1983 leidde tot een verdere verlaging naar achttien jaar.[4] De Grondwet geeft niet aan op welk moment men aan de genoemde eisen moet voldoen. Voor zover het gaat om de leeftijdsgrens voor het passief kiesrecht voor de Tweede Kamer bevat de Kieswet een regeling, die overigens ook geldt voor de verkiezing van leden van de provinciale staten en gemeenteraden. Een kandidaat moet bij de kandidaatstelling voor die organen een zodanige leeftijd hebben dat hij of zij binnen de zittingsperiode van het te verkiezen orgaan de leeftijd van achttien jaar bereikt. Aangezien de genoemde organen voor vier jaar worden gekozen, en bovendien het tijdstip van de kandidaatstelling nog enige tijd voor aanvang van die zittingsperiodes ligt, is het in theorie mogelijk dat iemand die jonger is dan veertien jaar wordt gekandideerd. Wordt deze persoon verkozen, dan kan hij of zij echter niet direct de plaats in het vertegenwoordigende orgaan innemen: dat kan pas wanneer hij of zij de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt en een zetel in het betreffende orgaan vrijkomt.[5] Wanneer op een kandidatenlijst de naam voorkomt van een persoon die niet binnen de zittingstermijn van het betreffende orgaan de leeftijd van achttien jaar bereikt, wordt deze naam door het hoofdstembureau van de lijst geschrapt.[6]

Voor de overige eisen voor het lidmaatschap van de Tweede Kamer kent de Kieswet geen regeling. Dat houdt in dat pas bij het onderzoek van de geloofsbrieven van de verkozen kandidaten wordt nagegaan of deze aan de eisen voor het lidmaatschap, waaronder de leeftijdseis, voldoet (zie ook het commentaar bij artikel 58 Grondwet). Hetzelfde geldt voor alle vereisten voor het passief kiesrecht voor de Eerste Kamer – inclusief de leeftijdseis dus.
 

2. Literatuur

- P.P.T. Bovend’Eert, H.R.B.M. Kummeling, Het Nederlandse parlement, 11de druk, Kluwer: Deventer 2010
- D.J. Elzinga, H.R.B.M. Kummeling, J. Schipper-Spanninga, Het Nederlandse kiesrecht, Deventer: Kluwer 2012
 

3. Historische versies

Art. 59 Gw. 1814: Tot leden der vergadering van de Staten-Generaal zijn alleenlijk verkiesbaar Nederlanders, bereikt hebbende den vollen ouderdom van dertig jaren en daar te boven, zijnde Ingezetenen van de Provincie of Landschap waaruit zij worden genoemd. Zij mogen elkanderen niet nader bestaan dan in den derden graad van bloedverwantschap of zwagerschap.
Art. 8 Gw 1815: Tot leden der Staten-Generaal, (...), kunnen alleenlijk benoemd worden Nederlandsche ingezetenen, geboren binnen het Rijk of deszelfs buitenlandsche bezittingen, uit ouders aldaar gevestigd.
Die uit zoodanige ouders, ter oorzake van 's lands dienst afwezend, of anderzins op reis zijnde, buiten het Rijk geboren zijn worden met de vorigen gelijk gesteld (art. 7 Gw 1840).
Art. 81 Gw 1815: Tot leden der tweede kamer, zijn verkiesbaar ingezetenen der Provincie, waaruit zij genoemd worden, bereikt hebbende den vollen ouderdom van dertig jaren.
De leden, uit dezelfde Provincie gekozen, mogen elkander niet nader dan in den derden graad van bloedverwantschap of zwagerschap bestaan; geen zee  of land officieren zijn daartoe verkiesbaar, welke eenen minderen rang dan dien van hoofd officier hebben (art. 83 Gw 1840).
Art. 80 Gw 1815: De andere kamer, welke den naam van eerste draagt, is zamengesteld uit niet minder dan veertig en niet meerder dan zestig leden, den vollen ouderdom van veertig jaren bereikt hebbende, welke door den Koning voor hun leven benoemd worden, en gekozen uit hen die door diensten aan den Staat bewezen, door hunne geboorte of gegoedheid onder de aanzienlijksten van den Lande behooren (art. 82 Gw 1840, behoudens dat i.p.v. ‘niet minder dan veertig en niet meerder dan zestig’ gelezen wordt ‘niet minder dan twintig en niet meerder dan dertig’).
Art. 79 Gw 1848: Om tot lid der Tweede Kamer verkiesbaar te zijn, wordt alleen vereischt dat men Nederlander, in het volle genot der burgerlijke en burgerschapsregten zij en den ouderdom van dertig jaren hebbe vervuld.
Art. 78, tweede, derde en vierde lid, Gw 1848: Zij moeten behooren tot de hoogst aangeslagenen in de rijksdirecte belastingen.
Het getal dezer hoogst aangeslagenen, waaruit zij worden gekozen, wordt in elke provincie zoo bepaald, dat op iedere drie duizend zielen één, die tevens de overige vereischten bezit om lid dezer Kamer te zijn, verkiesbaar is.
Deze overige vereischten zijn dezelfde, welke voor de leden der Tweede Kamer worden gevorderd.
Art. 84 Gw 1887: Om lid der Tweede Kamer te kunnen zijn wordt alleen vereischt dat men mannelijk Nederlander zij, niet bij regterlijke uitspraak de beschikking of het beheer over zijne goederen hebbe verloren, noch van de verkiesbaarheid ontzet zij en den ouderdom van dertig jaren vervuld hebbe.
Art. 90 Gw 1887: Om lid der Eerste Kamer te kunnen zijn, moet men voldoen aan de vereischten voor het lidmaatschap van de Tweede Kamer gesteld en bovendien òf behooren tot de hoogstaangeslagenen in de Rijks directe belastingen òf eene of meer hooge en gewigtige openbare betrekkingen, bij de wet aangewezen, bekleeden of bekleed hebben.
Het getal der hierboven bedoelde hoogstaangeslagenen wordt in elke provincie bepaald tot één, die tevens de algemeene vereischten bezit om lid der Staten Generaal te zijn, op iedere vijftien honderd zielen.
Art. 84 Gw 1917: Om lid der Tweede Kamer te kunnen zijn wordt vereischt, dat men Nederlander of door de wet als Nederlandsch onderdaan erkend zij, niet krachtens onherroepelijke rechterlijke uitspraak wegens krankzinnigheid of zwakheid van vermogens, de beschikking of het beheer over zijne goederen hebbe verloren, noch van de verkiesbaarheid ontzet zij en den ouderdom van dertig jaren vervuld hebbe.
Art. 85 Gw 1922: Om lid der Tweede Kamer te kunnen zijn wordt vereischt, dat men Nederlander of door de wet als Nederlands onderdaan erkend zij, den ouderdom van dertig jaren vervuld hebbe, niet van de verkiesbaarheid ontzet zij, noch van de uitoefening van het kiesrecht zij uitgesloten krachtens de daaromtrent ingevolge artikel 81, derde lid, getroffen regeling, met uitzondering van gerechtelijke vrijheidsberooving en veroordeeling tot eene vrijheidsstraf anders dan wegens bedelarij of landlooperij of wegens een feit, waaruit openbare dronkenschap blijkt (art. 87 Gw 1938, behoudens dat in het derde lid i.p.v. ‘art. 81’ wordt gelezen ‘art 83’; art. 94 Gw 1953, behoudens dat in het derde lid in plaats van ‘art. 81’ wordt gelezen ‘art. 90’; art. 94 Gw 1963, behoudens dat i.p.v. ‘dertig jaren’ wordt gelezen ‘vijfentwintig jaren’).
Art. 90 Gw 1917: Om lid der Eerste Kamer te kunnen zijn, moet men voldoen aan dezelfde vereisten als voor het lidmaatschap der Tweede Kamer zijn gesteld (art. 91 Gw 1922; art. 93 Gw 1938; art. 100 Gw 1953).

Noten

  1. Dit commentaar is een bewerking en aanvulling van het commentaar bij dezelfde bepaling in: A.K. Koekkoek (red.), De Grondwet. Een systematisch en artikelsgewijs commentaar, 3de druk, Deventer: W.E.J. Tjeenk Willink, 2000, eveneens van de hand van G. Leenknegt.
  2. Artikel B1 van de Kieswet kent enkele uitzonderingen op dat uitgangspunt; zie het commentaar bij art. 54 Gw.
  3. In de Kieswet is een regeling opgenomen in verband met de kandidaatstelling van Nederlanders die hun woonplaats buiten het Europese deel van Nederland hebben: zie artt. H10 en R9 Kieswet.
  4. Opgemerkt zij dat art. 56 pas op 1 februari 1988 in werking trad. Hiervoor was krachtens het inmiddels uitgewerkte additioneel art. XVI namelijk eerst verlaging van de leeftijd van de burgerlijke meerderjarigheid in het BW nodig, hetgeen geschiedde in 1987 (wet van 1 juli 1987, Stb. 333). Volgens het KB van 7 januari 1988, Stb. 1, trad de redactie van art. 56 op 1 februari 1988 in werking. Tot die datum moest volgens additioneel art. XVI in art. 56 voor ‘achttien jaar’ worden gelezen ‘eenentwintig jaar’.
  5. Art. H7, eerste lid, van de Kieswet.
  6. Art. I6, eerste lid, onder d, van de Kieswet.

CITEER SUGGESTIE

G. Leenknegt, Commentaar op artikel 56 van de Grondwet, in: E.M.H. Hirsch Ballin en G. Leenknegt (red.), Artikelsgewijs commentaar op de Grondwet, webeditie 2020 (www.Nederlandrechtsstaat.nl).