DE GRONDWET

Artikel 49 - Ambtseed minister en staatssecretaris

Op de wijze bij de wet voorgeschreven leggen de ministers en de staatssecretarissen bij de aanvaarding van hun ambt ten overstaan van de Koning een eed, dan wel verklaring en belofte, van zuivering af en zweren of beloven zij trouw aan de Grondwet en een getrouwe vervulling van hun ambt.

WETENSCHAPPELIJK COMMENTAAR

E.J. Janse de Jonge

INHOUDSOPGAVE

  1. Historische ontwikkeling en actuele betekenis
  2. Historische versies
   
Editie augustus 2019
 

1. Historische ontwikkeling en actuele betekenis

Evenals in artikel 60 Grondwet zijn in dit artikel slechts de wezenlijke elementen van eed of de verklaring en belofte opgesomd. De eed of belofte houdt in de eerste plaats de zuiveringseed in, waarin zij zweren dat zij niemand enige gift beloofd of gegeven hebben om benoemd te worden en dat zij van niemand enige gift of belofte zullen aannemen om iets in hun ambt te doen of na te laten. De tweede eed of belofte wordt omschreven als de ambtseed: de bewindspersoon zweert of belooft zijn/haar plichten getrouw na te komen en de wetten na te leven.[1]{NOOT Overtreding van deze eed kan leiden tot meineed.#!2!# Meineed wordt gepleegd wanneer een getuige opzettelijk niet de waarheid spreekt, nadat de eed of de belofte is afgelegd. Dat kan zowel in een strafzaak als in een civielrechtelijk proces voorkomen en ook als getuigen een verklaring onder ede moeten afleggen, zoals bij een parlementaire enquête.
 
De formulieren zelf zijn bij de grondwetsherziening weggelaten in verband met het streven naar een zo beknopt mogelijke Grondwet. Aldus ontstaat ook de mogelijkheid om in de toekomst te kunnen inspelen op nieuwe ontwikkelingen. De formulering van de eed en de belofte zijn thans te vinden in de Wet beëdiging ministers en leden Staten-Generaal.[3] Het zweren of beloven van trouw aan de Grondwet hield volgens de regering in: ‘trouw aan alle constitutionele instellingen, dus ook trouw aan de Koning’. Het afzonderlijk vermelden van trouw aan de Koning zoals opgenomen in vroegere grondwetten was dus niet meer nodig.[4] Op grond van artikel 47, eerste lid, van het Statuut voor het Koninkrijk zijn ministers echter wel verplicht de eed of belofte van trouw aan de Koning en het Statuut af te leggen. Verder verplicht artikel 49 van de Grondwet ministers en staatssecretarissen te zweren dat zij hun ambt getrouw zullen vervullen. Tevens moeten zij de zuiveringseed of verklaring en belofte afleggen. In verband met mogelijke belangenverstrengeling is dit voorschrift geen overbodige luxe. Zo zouden politieke partijen kandidaat-bewindslieden kunnen vragen een deel van hun salaris in de partijkas te storten. Artikel 49 staat een dergelijke praktijk niet toe.
           
De eed of verklaring en belofte inzake de getrouwe vervulling van het ambt houdt tevens in dat zij zullen handelen ‘overeenkomstig niet wettelijk omschreven, dan wel ongeschreven normen, welke voor een goede vervulling van het ambt gelden’.  De regering hechtte belang aan de preventieve werking die van dit voorschrift zou kunnen uitgaan.Deze formulering laat ruimte om ook in de toekomst ontstane normen voor de uitoefening van het ambt grondwettelijk een basis te geven.[5]
           
Tenslotte is de vraag aan de orde op welk moment de ambtsuitoefening aanvangt. De regering stelde bij de grondwetsherziening van 1983 dat de ambtsuitoefening aanvangt op de dag waarop het benoemingsbesluit (artikel 48 Grondwet) in werking treedt.[6] Dit betekent dat de eed of verklaring en belofte niet constitutief is ten aanzien van de ambtsaanvaarding van of ambtsuitoefening door bewindslieden. Het  juridische gevolg is dat besluiten genomen na benoeming, maar vóór beëdiging, als rechtsgeldige besluiten worden aangemerkt.
 
In 2012 heeft toenmalig formateur en later minister-president Rutte, in overleg met de Tweede Kamerfracties, besloten om de beëindiging van bewindslieden in het openbaar te laten plaatsvinden. De beëdiging was voor het eerst in de geschiedenis rechtstreeks te volgen op televisie. Erg handig ging dat niet, omdat zelfs tweemaal door de Koningin de eed moest worden afgenomen wegens net niet-werken van de camera’s. Daardoor was hetgeen werd uitgezonden helaas verworden tot een toneelstukje. Dat alles tot hoorbare irritatie van het staatshoofd. In 2017 ging het beter.
 

Beëdiging van kabinet Rutte III door de Koning op 26 oktober 2017. Bron: Elsevierweekblad.nl.
 

2. Historische versies

Art. 76 Gw 1815: Onverminderd den verderen inhoud van den eed, welken de Koning goedvindt aan de hoofden van ministeriële departementen en gewone of buitengewone Staatsraden voorteschrijven, wordt hun daarbij opgelegd getrouwheid aan de grondwet te zweren (art. 78 Gw 1840).
Geen regeling tussen 1848 en 1922.
Art. 77, vierde en vijfde lid, Gw 1922: Bij het aanvaarden van hunne betrekking leggen zij in handen van den Koning den volgenden eed of belofte af:
'Ik zweer (beloof) getrouwheid aan den Koning en aan de Grondwet; ik zweer (beloof) al de plichten, welke het ministerambt mij oplegt, getrouw te zullen vervullen.'
`Zoo waarlijk helpe mij God almachtig!' (`Dat beloof ik!')
Alvorens tot dien eed of die belofte te worden toegelaten, leggen zij den volgenden eed (verklaring en belofte) van zuivering af:
'Ik zweer (verklaar), dat ik, om tot Minister te worden benoemd, directelijk of indirectelijk, aan geen persoon, onder wat naam of voorwendsel ook, eenige giften of gaven beloofd of gegeven heb.'
'Ik zweer (beloof), dat ik om iets hoegenaamd in deze betrekking te doen of te laten, van niemand hoegenaamd eenige belofte of geschenken aannemen zal, directelijk of indirectelijk.'
'Zoo waarlijk helpe mij God almachtig!' ('Dat verklaar en beloof ik!') (art. 79, vijfde en zesde lid, Gw 1938; art. 86, vijfde en zesde lid, Gw 1953).
 

Noten

  1. Zie Wet van 27 februari 1992, houdende bepalingen inzake de beëdiging van de ministers, de staatssecretarissen en de leden van de Staten-Generaal bij de aanvaarding van hun ambt, Stb. 120.
  2. Zie D.J. Elzinga, A.H.M. Dölle, Handboek van het Nederlandse Gemeenterecht, Deventer 2004, p. 345-347.
  3. Wet van 27 februari 1992, Stb. 120.
  4. Nng, II, p. 130.
  5. Ibid.
  6. Nng, II, p. 173.

CITEER SUGGESTIE

E.J. Janse de Jonge, Commentaar op artikel 49 van de Grondwet, in: E.M.H. Hirsch Ballin en G. Leenknegt (red.), Artikelsgewijs commentaar op de Grondwet, webeditie 2020 (www.Nederlandrechtsstaat.nl).