DE GRONDWET

Artikel 48 - Ontslag en benoeming ministers

Het koninklijk besluit waarbij de minister-president wordt benoemd, wordt mede door hem ondertekend. De koninklijke besluiten waarbij de overige ministers en de staatssecretarissen worden benoemd of ontslagen, worden mede door de minister-president ondertekend.

WETENSCHAPPELIJK COMMENTAAR

E.J. Janse de Jonge

INHOUDSOPGAVE

  1. Historische ontwikkeling en actuele betekenis
  2. Betekenis contraseign benoemingsbesluiten
  3. Literatuur
  4. Historische versies
   
Editie augustus 2019

 
1. Historische ontwikkeling en actuele betekenis

Bij dit voorschrift gaat het om de benoeming en het ontslag van de minister-president en de overige ministers en staatssecretarissen. Bij de grondwetsherziening van 1983 is er bewust voor gekozen dat de nieuw benoemde minister-president eerst zijn eigen benoemingsbesluit contrasigneert en vervolgens de ontslag- en benoemingsbesluiten ondertekent van de gaande en komende bewindslieden. Voor 1983 was het gebruik dat het besluit waarbij de nieuwe minister-president werd benoemd en de vertrekkende minister-president werd ontslagen door een van de naar het nieuw geformeerde kabinet overgaande ministers werd ondertekend. Dat is merkwaardig omdat materieel de vertrekkende minister zelf niet meer aangesproken kan worden op dit contraseign, zijn opvolger wel.[1] De huidige tekst maakt aan deze staatsrechtelijk scheve situatie een einde.
 

2. Benoemingsbesluiten

De betekenis van dit voorschrift lijkt meer van formele aard dan van inhoudelijke betekenis. De voordracht van kandidaten tot minister respectievelijk staatssecretaris is in de Nederlandse verhoudingen bij de vorming van een parlementair kabinet in handen van de fractievoorzitters van de regeringsfracties en vervolgens van de formateur. Deze voordrachten vinden plaats tijdens de afronding van de kabinetsformatie. De ondertekening van de benoemingsbesluiten door de nieuw aantredende minister-president is dus meer een formaliteit. De minister-president bepaalt in de Nederlandse verhoudingen zeker niet alleen wie minister of staatssecretaris wordt.
 
De volgorde van besluitvorming luidt als volgt. Het eerste koninklijke besluit is het ontslaan van de aftredende minister-president en de benoeming van de nieuwe minister-president óf het niet verlenen van ontslag aan een zittende minister-president. Hierna volgt een besluit houdende het verlenen van ontslag aan ministers en aan alle staatssecretarissen. Daarna volgt een besluit met betrekking tot het niet verlenen van ontslag aan ministers (die doorgaan in het nieuwe kabinet) alsmede het benoemen van ministers en van een (of meer) vice-minister-president(en). Tenslotte volgt een aantal afzonderlijke koninklijke besluiten met betrekking tot de benoeming van de staatssecretarissen op voordracht en met contraseign van de minister-president en de betrokken minister.[2]
 
Ook bij tussentijdse benoemingen vanwege vertrek van een bewindspersoon is het niet alleen aan de premier om te beslissen wie diens vervanger wordt. Formeel bezien doet de minister-president wel een voordracht tot benoeming of ontslag van een minister of staatssecretaris tijdens de kabinetsperiode. Hij kan een dergelijk voorstel echter pas doen na een besluit van de ministerraad (artikel 4, tweede lid, Reglement van orde voor de ministerraad. Dit hangt samen met het feit dat de premier in ons staatsrecht niet wordt geaccepteerd als regeringsleider (zie artikel 45 Grondwet).

 
3. Literatuur

- Paul Bovend’Eert, Peter Bootsma, Alexander van Kessel, Evaluatie kabinetsformatie 2017, Den Haag 2018.

 
4. Historische versies

Geen eerdere versies.
 

Noten

  1. Nng, II, p. 188.
  2. Zie Kamerstukken II 2012-2013, 33 410 nr. 24 (6 november 2012).

CITEER SUGGESTIE

E.J. Janse de Jonge, Commentaar op artikel 48 van de Grondwet, in: E.M.H. Hirsch Ballin en G. Leenknegt (red.), Artikelsgewijs commentaar op de Grondwet, webeditie 2021 (www.Nederlandrechtsstaat.nl).