DE GRONDWET

Artikel 40 - Uitkering koninklijk huis

  1. De Koning ontvangt jaarlijks ten laste van het Rijk uitkeringen naar regels bij de wet te stellen. Deze wet bepaalt aan welke andere leden van het koninklijk huis uitkeringen ten laste van het Rijk worden toegekend en regelt deze uitkeringen.

  2. De door hen ontvangen uitkeringen ten laste van het Rijk, alsmede de vermogensbestanddelen welke dienstbaar zijn aan de uitoefening van hun functie, zijn vrij van persoonlijke belastingen. Voorts is hetgeen de Koning of zijn vermoedelijke opvolger krachtens erfrecht of door schenking verkrijgt van een lid van het koninklijk huis vrij van de rechten van successie, overgang en schenking. Verdere vrijdom van belasting kan bij de wet worden verleend.

  3. De kamers der Staten-Generaal kunnen voorstellen van in de vorige leden bedoelde wetten alleen aannemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.


WETENSCHAPPELIJK COMMENTAAR

G. Leenknegt

INHOUDSOPGAVE

  1. Uitkeringen aan de Koning en andere leden van het koninklijk huis
  2. Vrijstelling van belastingen
  3. Versterkte meerderheid
  4. Literatuur
  5. Historische versies
   

Editie januari 2021

1. Uitkeringen aan de Koning en andere leden van het koninklijk huis

Het koningschap is het hoogste ambt in de staat. De Koning behoort in een positie te zijn die het hem mogelijk maakt zich volledig op de uitoefening van zijn ambt te richten, vrij van beïnvloeding door financiële belangen, en op een representatieve wijze. Daarom ontvangt de Koning ten laste van de Rijksbegroting een inkomen en vergoedingen voor de kosten van zijn hofhouding, die hem bij de uitoefening van zijn taken financieel onafhankelijk maken. Naast de Koning en diens echtgenoot ontvangen ook de troonopvolger, de Koning die afstand heeft gedaan en de echtgenoten daarvan een inkomen en verschillende vergoedingen. Er wordt wel beweerd dat de monarchie daardoor een erg kostbaar instituut is, vergeleken met landen die een president als staatshoofd hebben. Vaak wordt dan vergeten dat in veel republieken een president eveneens een aanzienlijk inkomen ontvangt, aangevuld met verschillende vergoedingen en bijkomende faciliteiten; oud-presidenten houden vaak de beschikking over enig personeel, een inkomen en andere voorzieningen.
 
Sinds 1814 regelt de Grondwet de uitkeringen aan de Koning en sommige andere leden van het koninklijk huis, zoals de vermoedelijke troonopvolger. Aanvankelijk werden de bedragen van de uitkeringen die vanwege het Rijk aan de Koning en aan andere leden van het koninklijk huis worden uitgekeerd, steeds in de Grondwet zelf vastgelegd. Sinds 1972 vermeldt de Grondwet zelf niet langer deze bedragen. Onder meer door de snelle geldontwaarding bleek opneming van concrete bedragen in de moeilijk te wijzigen Grondwet steeds minder zinnig, zodat er in 1972 voor werd gekozen in de Grondwet slechts de hoofdlijnen van de materie te regelen en de vaststelling van de bedragen aan de wetgever over te laten.
 
In de eerste plaats draagt artikel 40 Grondwet de wetgever op te bepalen welke leden van het koninklijk huis een uitkering ten laste van het Rijk krijgen en deze uitkeringen te regelen. Deze regeling is te vinden in de Wet financieel statuut van het Koninklijk Huis van 22 november 1972.[1] De wet kent op dit moment bepalingen over uitkeringen aan de Koning en diens echtgenoot of echtgenote, aan de vermoedelijke troonopvolger (vanaf de leeftijd van achttien jaar) en diens echtgenoot of echtgenote, en aan de Koning die afstand heeft gedaan van het koningschap en diens echtgenoot of echtgenote.
 
De uitkeringen aan elk van deze personen bestaan steeds uit een A-component (het inkomensbestanddeel) en een B-component (een vergoeding voor personele en materiële uitgaven). De personele uitgaven hebben betrekking op de salariskosten van het personeel dat dagelijks in de directe nabijheid van de betreffende leden van het koninklijk huis zijn werkzaamheden verricht – de ‘hofhouding’. Het bedrag dat de wet vermeldt voor het inkomensbestanddeel wordt jaarlijks aangepast, in de verhouding waarin de bezoldiging van de vice-president van de Raad van State in dat jaar afwijkt van diens bezoldiging in het jaar 2007. De B-component wordt voor de helft aangepast in de verhouding waarin de bezoldiging van het burgerlijk rijkspersoneel in een bepaald jaar afwijkt van de bezoldiging in het jaar 2007; voor de andere helft is het bedrag aangepast aan de ontwikkeling van het algemeen prijspeil ten opzichte van de maand juni van het jaar 2007. De uiteindelijke bedragen voor elk van deze uitkeringen worden jaarlijks in de vorm van een raming in de Rijksbegroting opgenomen.

In de Rijksbegroting voor 2021 zijn de volgende bedragen opgenomen: voor de Koning een inkomensbestanddeel van € 998.000 en een vergoeding voor personele en materiële kosten van € 5.059.000 (totaal € 6.057.000); voor koningin Máxima respectievelijk € 396.000 en € 659.000 (totaal €1.055.000); voor prinses Beatrix respectievelijk € 564.000 en € 1.087.000 (totaal € 1.651.000). Met ingang van 7 december 2021 ontvangt ook prinses Amalia, de vermoedelijke troonopvolger, een uitkering omdat zij op die dag meerderjarig wordt. Voor 2021 zijn bedragen van respectievelijk € 20.000 en € 91.000 (totaal € 111.000) geraamd. Dat bedrag is gerelateerd aan het aantal dagen dat zij in 2021 achttien jaar oud is (24).[2] Het begrote totaal aan uitkeringen aan leden van het koninklijk huis bedraagt voor 2021 derhalve € 8.874.000.[3]

De bovengenoemde bedragen zijn overigens nog lang niet alle kosten die gemoeid zijn met de monarchie. Naast de genoemde uitkeringen zijn er functionele uitgaven die samenhangen met de uitoefening van het koningschap. Die uitgaven worden op declaratiebasis ten laste van de Rijksbegroting gebracht. Ook daarin worden een personele en een materiële component onderscheiden, alsmede enkele specifieke uitgaven voor de inzet van luchtvaartuigen, het onderhoud van de Groene Draeck (het zeilschip van prinses Beatrix) en de uitgaven voor reis- en verblijfkosten voor bezoeken aan de Caribische delen van het Koninkrijk. Daarvoor is voor 2021 een bedrag van € 30.470.000 geraamd. Daarnaast zijn ook op andere begrotingshoofdstukken uitgaven geraamd die verband houden met de monarchie. Het totaal daarvan bedraagt voor 2021 naar verwachting € 6.340.000.[4]
 
De Wet financieel statuut leden van het Koninklijk Huis bepaalt dat aan de Koning paleizen ten laste van het Rijk beschikbaar worden gesteld. Welke paleizen dat zijn is in een op de wet gebaseerd koninklijk besluit bepaald:[5] het Paleis Noordeinde te ’s-Gravenhage, het Paleis Huis ten Bosch te ’s-Gravenhage en het Paleis op de Dam te Amsterdam.

2. Vrijstelling van belastingen

In de tweede plaats verleent de bepaling vrijstelling van verschillende belastingen. Leden van het koninklijk huis die een uitkering ten laste van het Rijk ontvangen, behoeven inkomstenbelasting noch vermogensbelasting te betalen. De Koning en diens vermoedelijke opvolger zijn daarnaast ook vrijgesteld van erfbelasting en schenkbelasting aangaande hetgeen zij erven of door schenking verkrijgen van leden van het koninklijk huis.[6] De bedoeling van deze bepaling is de geleidelijke afkalving van het oorspronkelijke vermogen van de Koning door dergelijke belastingen te voorkomen en zo diens financieel onafhankelijke positie te waarborgen.[7] Bij wet kunnen verdere vrijstellingen worden verleend.
 
Met enige regelmaat wordt in de Tweede Kamer voorgesteld de Koning (en de troonopvolger) niet langer vrij te stellen van inkomens- en vermogensbelasting.[8] De gedachte achter die voorstellen is dat de Koning aan dezelfde belastingregels onderworpen zou moeten zijn als andere Nederlanders. Daarvoor zou echter de Grondwet moeten worden gewijzigd, nu daarin de vrijstellingen zijn vastgelegd. Vooralsnog voelt de regering er niet voor een dergelijke wijziging voor te stellen.[9]

3. Versterkte meerderheid

Het derde lid van artikel 40 bepaalt dat de wetsvoorstellen waarbij de financiële positie van de Koning en van de leden van het koninklijk huis wordt geregeld, met een twee derde meerderheid in de Staten-Generaal dienen te worden aangenomen. Dat is verklaarbaar, omdat tot 1972 de bedragen in de Grondwet zelf waren opgenomen. Voor wijziging daarvan waren dus steeds een behandeling in twee lezingen en een twee derde meerderheid in de tweede lezing vereist. Daarmee werd beoogd te garanderen dat de financiële positie van de Koning een breed draagvlak in de Staten-Generaal had. Door voor aanname van de wetsvoorstellen waarmee tegenwoordig de uitkeringen en vergoedingen worden vastgesteld een twee derde meerderheid te eisen, wordt in feite hetzelfde bereikt.  
 
Overigens wordt de Rijksbegroting, waarin de jaarlijks uit te keren bedragen staan, met een gewone meerderheid aangenomen. De uitgangspunten voor de berekening daarvan – de basisbedragen voor inkomen en vergoedingen, alsmede de wijze van berekening van de jaarlijkse aanpassingen – zijn echter vastgelegd in de Wet financieel statuut van het Koninklijk Huis. De Rijksbegroting maakt alleen de middelen vrij die volgens die berekening nodig zijn.
 

4. Literatuur

- Carla van Baalen en Paul Bovend'Eert (eds.), Het inkomen van de Koning. De totstandkoming en ontwikkeling van het financieel statuut van het koninklijk huis (1972), Den Haag 2017
- www.politiekcompendium.nl/id/vh4vaipeaczm/kosten_koninklijk_huis

5. Historische versies

Eerste lid:
Art. 12, eerste zinsnede, Gw 1814: De Souvereine Vorst geniet een jaarlijksch inkomen van vijftien maal honderd duizend gulden, op de wijze bij de twee volgende artikelen bepaald.
Art. 13 Gw 1814: Bij de wet kan worden bepaald, dat aan den Souvereinen Vorst, des verkiezende, tot gedeeltelijke voldoening van het gemelde jaarlijksch inkomen, in vollen eigendom, als patrimonieel goed, zal worden overgegeven zoo veel domeinen, als een zuiver inkomen van vijf tonnen gouds of daaromtrent opbrengen.
Art. 14 Gw 1814: Het overige gedeelte van dat jaarlijksch inkomen wordt gevonden uit het vruchtgebruik van daartoe nader te bestemmen goederen, of uit de eerste en gereedste penningen van den Lande.
Art. 18 Gw 1814: De Erfprins ontvangt in deze hoedanigheid uit 's Lands kas eene jaarlijksche som van honderd duizend gulden, te rekenen van den tijd, dat Hij den ouderdom van achttien jaren zal hebben bereikt.
Art. 30 Gw 1815: De Koning geniet uit 's Lands kas, een jaarlijksch inkomen van ƒ 2.400.000. (art. 29 Gw 1840, behoudens dat i.p.v. `ƒ 2.400.000.' wordt gelezen `ƒ 1.500.000.').
Art. 31 Gw 1815: Bij de wet kan worden bepaald, dat aan den tegenwoordigen Koning Willem Frederik van Oranje Nassau, des verkiezende, tot gedeeltelijke voldoening van het gemelde jaarlijksch inkomen, in vollen eigendom als patrimonieel goed zullen worden overgegeven zoo veel domeinen, als een zuiver inkomen van vijf tonnen gouds opbrengen (art. 30 Gw 1840).
Art. 32 Gw 1815: Den Koning worden tot deszelfs gebruik zomer  en winterverblijven in gereedheid gebragt, voor welker onderhoud echter niet meer dan ƒ 100.000 jaarlijks, ten laste van den lande kunnen worden gebragt (art. 31 Gw 1840, behoudens dat i.p.v. `ƒ 100.000' wordt gelezen `ƒ 50.000'; art. 28 Gw 1848; art. 25 Gw 1887; art. 23 Gw 1922).
Art. 35 Gw 1815: Eene Koningin weduwe geniet, gedurende haren weduwelijken staat, uit `s Lands kas, een jaarlijksch inkomen van ƒ 150.000 (art. 34 Gw 1840).
Art. 37 Gw 1815: De Prins van Oranje geniet als zoodanig uit `s Lands kas een jaarlijksch inkomen van ƒ 100.000, te rekenen van den tijd dat hij den ouderdom van achttien jaren zal hebben vervuld; dit inkomen wordt gebracht op ƒ 200.000 na het voltrekken van een huwelijk, overeenkomstig art. 13 dezer grondwet (art. 36 Gw 1840, behoudens dat i.p.v. `art. 13' wordt gelezen `art. 12').
Art. 27 Gw 1848: Behalve het inkomen uit de domeinen, door de wet van den 26sten Augustus 1822 afgestaan en in 1848 door den Koning tot kroondomeinen aan den Staat teruggegeven, geniet Koning Willem II een jaarlijksch inkomen van één millioen gulden uit 's Lands kas.
Bij elke nieuwe troonsbeklimming wordt het inkomen der Kroon door de wet geregeld.
Art. 31 Gw 1848: Het jaarlijksch inkomen eener Koningin weduwe, gedurende haren weduwelijken staat, uit `s Lands kas is ƒ 150.000 (art. 28 Gw 1887, behoudens dat i.p.v. `ƒ 150.000' wordt gelezen `ƒ 300.000').
Art. 33 Gw 1848: De Prins van Oranje geniet als zoodanig uit `s Lands kas een jaarlijksch inkomen van ƒ 100.000, te rekenen van den tijd dat hij den ouderdom van achttien jaren zal hebben bereikt; dit inkomen wordt gebragt op ƒ 200.000, na het voltrekken van een huwelijk, overeenkomstig art. 12 dezer Grondwet (art. 30 Gw 1887, behoudens dat i.p.v. `overeenkomstig art. 12 dezer Grondwet' wordt gelezen `waartoe bij de wet toestemming is verleend').
Art. 24 Gw 1887: Behalve het inkomen uit de domeinen door de wet van 26 Augustus 1822 afgestaan en in 1848 door wijlen Koning Willem II tot kroondomein aan den Staat teruggegeven, geniet de Koning een jaarlijksch inkomen uit 's Lands kas, waarvan het bedrag bij elke troonsbeklimming door de wet wordt vastgesteld.
Art. 22 Gw 1922: Behalve het inkomen uit de domeinen, door de wet van 26 Augustus 1822 afgestaan, en in 1848 door wijlen Koning Willem II tot Kroondomein aan den Staat teruggegeven, geniet de Koning een jaarlijksch inkomen ten laste van 's Rijks kas van ƒ 1 200 000.
Binnen twee jaren na eene troonsbeklimming kan dit bedrag voor den duur van de regeering van den Koning, die den troon heeft beklommen, bij de wet worden gewijzigd (art. 22 Gw 1938, behoudens dat i.p.v. `ƒ 1.200.000' wordt gelezen `ƒ 1.000.000').
Art. 28 Gw 1922: De Prins van Oranje en de dochter des Konings, die de vermoedelijke erfgenaam is van de Kroon, genieten als zoodanig uit `s Rijks kas een jaarlijksch inkomen van ƒ 200.000, te rekenen van den tijd, dat zij den ouderdom van achttien jaren hebben vervuld; dit inkomen wordt gebracht op ƒ 400.000 na het voltrekken van een huwelijk, waartoe bij de wet toestemming is verleend.
De Prinses behoudt haar inkomen, ingeval later een Prins van Oranje geboren wordt.
Art. 28 Gw 1938: De Prins van Oranje geniet uit `s Rijks kas een jaarlijksch inkomen van ƒ 200.000, te rekenen van den tijd, dat hij den ouderdom van achttien jaren heeft vervuld.
Dit inkomen wordt gebracht op ƒ 400.000 na het aangaan van een huwelijk, waartoe bij de wet toestemming is verleend.
Na het overlijden van den Prins van Oranje geniet de Prinses Weduwe uit `s Rijks kas een jaarlijksch inkomen van ƒ 200.000 gedurende haar weduwlijken staat.
Art. 22, eerste lid, eerste en tweede volzin, Gw 1972: De Koning ontvangt jaarlijks ten laste van het Rijk uitkeringen naar regels bij de wet te stellen. Deze wet bepaalt aan welke andere leden van het Koninklijk Huis uitkeringen ten laste van het Rijk worden toegekend en regelt deze uitkeringen.
 
Tweede lid:
Art. 15 Gw 1814: De Souvereine Vorst en de Prinsen en Prinsessen van den Huize genieten vrijdom van alle personele lasten en beschreven middelen, met uitzondering van de verponding.
De gebouwen echter tot Derzelver gebruik of woning bestemd, blijven ontheven van alle reële lasten. Geene exemptien van comsumtive middelen zullen door Hen noch Hunne hofhoudingen genoten worden.
Art. 33 Gw 1815: De Koning, mitsgaders de Prinsen en Prinsessen van zijn huis, zijn vrij van alle personeele lasten en beschreven middelen, met uitzondering van de verponding. De gebouwen tot hunne woning of gebruik bestemd, zijn van de verponding ontheven (art. 32 Gw 1840).
Art. 29 Gw 1848: De Koning en de Prins van Oranje zijn vrij van alle personele lasten.
Geen vrijdom van eenige andere belasting wordt door hen genoten (art. 26 Gw 1887).
Art. 24 Gw 1922: De Koning, de Prins van Oranje, de dochter des Konings, die de vermoedelijke erfgenaam is van de Kroon, zoomede de Koningin Weduwe, gedurende haren weduwlijken staat, zijn vrij van alle personeele lasten.
Geen vrijdom van eenige andere belasting wordt door Hen genoten.
Art. 22, eerste lid, derde vijfde volzin, Gw 1972: De door hen ontvangen uitkeringen ten laste van het Rijk, alsmede de vermogensbestanddelen welke dienstbaar zijn aan de uitoefening van hun functie, zijn vrij van persoonlijke belastingen. Voorts is hetgeen de Koning of de vermoedelijke erfgenaam van de Kroon krachtens erfrecht of door schenking verkrijgt van een lid van het Koninklijk Huis vrij van de rechten van successie, overgang en schenking. Verdere vrijdom van belasting kan bij de wet worden verleend.
 
Derde lid:
Art. 22, tweede lid, Gw 1972: De Kamers der Staten Generaal kunnen ontwerpen van in de vorige leden bedoelde wetten alleen aannemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.
 

Noten

  1. Stb. 1972, 701.
  2. Haar jaarlijkse uitkering zal daarna ruim anderhalf miljoen euro bedragen.
  3. Kamerstukken II 2020/21, 35 570, I, nrs. 1 en 2.
  4. Idem.
  5. Besluit aanwijzing paleizen ex art. 4 Wet financieel statuut van het Koninklijk Huis van 15 juli 1980, Stb. 435.
  6. Zie hierover ook: www.politiekcompendium.nl/id/vh4vaipeaczm/kosten_koninklijk_huis.
  7. Bijl. Hand. II 1969/70, 10 683, nr. 3, p. 7 (Nng 8, p. 14-16).
  8. Zie bijvoorbeeld Kamerstukken II 2015/16, 34 300 I, nr. 5 (motie-Van Raak); zie ook nos.nl/artikel/2042349-pvda-wil-dat-koningspaar-gewoon-belasting-betaalt.html; http://www.nrc.nl/nieuws/2015/10/27/kamer-roept-kabinet-op-koning-zwaarder-te-belasten.
  9. Zie nos.nl/artikel/2042325-kabinet-ziet-niets-in-belastingheffing-koningspaar.html.

CITEER SUGGESTIE

G. Leenknegt, Commentaar op artikel 40 van de Grondwet, in: E.M.H. Hirsch Ballin en G. Leenknegt (red.), Artikelsgewijs commentaar op de Grondwet, webeditie 2021 (www.Nederlandrechtsstaat.nl).