DE GRONDWET

Artikel 34 - Ouderlijk gezag minderjarige Koning

De wet regelt het ouderlijk gezag en de voogdij over de minderjarige Koning en het toezicht daarop. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

WETENSCHAPPELIJK COMMENTAAR

G. Leenknegt

INHOUDSOPGAVE

  1. De regeling van het ouderlijk gezag en de voogdij
  2. Literatuur
  3. Historische versies
   
Versie november 2015
 

1. De regeling van het ouderlijk gezag en de voogdij[1] 

Wanneer de Koning minderjarig is, betekent dat vrijwel altijd dat een van de ouders van de Koning – de vorige Koning – is overleden. In dat geval moet worden voorzien in een regeling van het ouderlijk gezag en de voogdij over de minderjarige Koning. Het Burgerlijk Wetboek kent daarvoor een algemene regeling, maar de Grondwet bepaalt dat de wetgever daarnaast specifieke regels over het ouderlijk gezag[2] en de voogdij over de minderjarige Koning dient vast te stellen, alsook over het toezicht op het ouderlijk gezag en de voogdij. De wet die daarvoor de regels geeft, de Wet houdende regeling van het ouderlijk gezag over de minderjarige Koning en het toezicht daarop,[3] wijkt op onderdelen af van de regeling betreffende het ouderlijk gezag en de voogdij in het Burgerlijk Wetboek (de artikelen 1:279 - 1:377 BW). Voor zover de wet niet een afwijking van het BW inhoudt, gelden de regels uit het BW betreffende ouderlijk gezag en voogdij ook voor de minderjarige Koning.
 
Het ouderlijk gezag en de voogdij waarover deze bepaling spreekt, hebben overigens alleen betrekking op het behartigen van de belangen van de minderjarige Koning in burgerrechtelijke zin; de voorziening voor diens publiekrechtelijke belangen, dat wil zeggen de uitoefening van het ambt van Koning, is geregeld in de artikelen 37 en 38.
 
Voor het geval koning Willem-Alexander zou komen te overlijden voordat de troonopvolger meerderjarig is, bepaalt de wet dat het ouderlijk gezag over de minderjarige Koning (en over de andere minderjarige nakomelingen) zal toekomen aan koningin Máxima.[4] Zij wordt daarin bijgestaan door een College van Toezicht. De leden van dit College zijn in elk geval de vicepresident van de Raad van State, de president van de Algemene Rekenkamer en de president van de Hoge Raad der Nederlanden.[5] Daaraan zijn, overeenkomstig hetgeen de wet vereist, bij koninklijk besluit twee leden toegevoegd. Prinses Beatrix en Frans Ferdinand Feyo de Beaufort zijn in 2014 benoemd tot leden van het College van Toezicht. [6] Het College van Toezicht wordt gehoord bij de keuze van de opvoeders en leraren van alle minderjarige nakomelingen van de overleden Koning (waaronder de minderjarige Koning). Verder is een buitenlands verblijf van de minderjarige nakomelingen met een te verwachten duur van langer dan twee maanden, onderworpen aan de voorafgaande goedkeuring van het College.[7] Het College vervult daarnaast een aantal taken die onder de regeling van het Burgerlijk Wetboek zouden toekomen aan de rechter, waaronder de vaststelling dat degene die het gezag uitoefent daartoe door geestelijk onvermogen niet in staat is, of dat de belangen van degene die het gezag uitoefent met de belangen van de minderjarige nakomelingen van de Koning strijdig zijn.[8]   
 
De wet regelt niet zelf uitputtend de voogdij over de minderjarige Koning, maar geeft alleen een tijdelijke voorziening voor het geval de situatie zich voordoet dat geen van beide ouders het gezag kan uitoefenen. Het College van Toezicht oefent dan tijdelijk de voogdij uit, totdat de wetgever daarvoor een omvattende, definitieve regeling zal hebben getroffen.[9]  
 
Dat de verenigde vergadering dient te besluiten over een wetsvoorstel waarmee wordt beoogd te voorzien in de regeling van het ouderlijk gezag en de voogdij over de minderjarige Koning, bepaalt de Grondwet al sinds 1815. Waarom destijds daarvoor is gekozen, is niet helemaal duidelijk. Buijs meent in elk geval, dat een reden kon zijn dat het daarbij steeds gaat om de keuze van personen, en dat het onwenselijk zou zijn als de afzonderlijke Kamers daarop een te grote invloed zouden kunnen uitoefenen.[10] In elk geval is het procedurevoorschrift bij opeenvolgende herzieningen van de Grondwet steeds gehandhaafd.

2. Literatuur

- J.T. Buijs, De Grondwet: toelichting en kritiek, dl. I, Arnhem: Gouda Quint, 1883
- C.A.J.M. Kortmann 1987, De Grondwetsherzieningen 1983 en 1987, Deventer: Kluwer, 2de druk 1987

3. Historische versies

Art. 20 Gw 1814: Ingevalle van minderjarigheid, staat de Souvereine Vorst onder de Voogdij van personen uit het Vorstelijk Huis en eenige aanzienlijke inboorlingen van den Lande. Deze voogdij wordt vooraf beraamd door Zijnen voorganger en de Staten Generaal.
Art. 21 Gw 1814: Indien de schikking, betreffende de voogdij, door onvoorziene omstandigheden te voren niet mogt gemaakt zijn, wordt daarin door de Staten Generaal op dezelfde wijze, als in het vorig artikel, voorzien, met overleg, zoo veel mogelijk, van eenige der naaste bloedverwanten uit den Vorstelijken Huize.
Art. 27 Gw 1814: Indien de Souvereine Vorst geene der schikkingen, bij art. (...) 20 (...) vermeld, met de Staten Generaal beraamd heeft, verklaren deze plegtiglijk, welk geval er bestaat, en voorzien daarin vervolgens op de gronden hier voren gelegd.
Art. 39 Gw 1815: Ingevalle van minderjarigheid staat de Koning onder de voogdij van eenige leden van het Koninklijk Huis, en eenige aanzienlijke inboorlingen van het Rijk (art. 38 Gw 1840).
Art. 40 Gw 1815: Deze voogdij wordt vooraf beraamd door den regerenden Koning en de Staten Generaal, in eene vereenigde zitting der beide kamers (art. 39 Gw 1840).
Art. 41 Gw 1815: Indien de schikking, betreffende de voogdij, niet mogt gemaakt zijn vóór het overlijden van den regerenden Koning, wordt daarin door de Staten Generaal in eene vereenigde zitting der beide kamers voorzien, met overleg, zoo veel mogelijk, van eenige der naaste bloedverwanten van den minderjarigen Koning (art. 40 Gw 1840).
Art. 42 Gw 1815: Alvorens de voogdij te aanvaarden, legt elk der voogden in eene vereenigde zitting der beide kamers van de Staten Generaal, in handen van den President af den volgenden eed:
`Ik zweer trouw aan den Koning, en dat ik wijders alle de pligten, welke de voogdij mij oplegt, heiliglijk zal vervullen, en mij bijzonderlijk zal toeleggen, om den Koning gehechtheid aan de grondwet en liefde voor zijn volk in te boezemen.
`Zoo waarlijk helpe mij God Almagtig!' (art. 41 Gw 1840)
Art. 51 Gw 1815: (...); indien gezamenlijk met dezelve geene voogdij over den minderjarigen Koning is beraamd (art. 40); (...), verklaren de Staten Generaal plegtiglijk welk geval bestaat, en voorzien daarin vervolgens op de gronden hier voren gelegd bij art. 27, 41 en 44 (art. 50 Gw 1840, behoudens dat i.p.v. de `artikelen 40, 27, 41 en 44' gelezen wordt de `artikelen 39, 26, 40 en 43').
Art. 35 Gw 1848: Zoolang de Koning minderjarig is, staat hij onder de voogdij van eenige leden van het koninklijk Huis en eenige aanzienlijke Nederlanders.
Art. 36 Gw. 1848: De voogdij wordt geregeld en de voogden worden benoemd door eene wet.
Over het ontwerp dier wet nemen de Staten-Generaal hun besluit in eene vereenigde zitting der beide Kamers.
Art. 37 Gw 1848: Deze wet wordt nog bij het leven van den Koning, voor het geval der minderjarigheid zijns opvolgers gemaakt. Mogt dit niet zijn geschied, zoo worden, is het doenlijk, eenige der naaste bloedverwanten van den minderjarigen Koning over de regeling der voogdij gehoord (art. 33 Gw 1887; art. 31 Gw 1922: art. 33 Gw 1938).
Art. 38 Gw 1848: Alvorens de voogdij te aanvaarden, legt elk der voogden, in eene vereenigde zitting van de beide Kamers der Staten-Generaal, in handen van den voorzitter, den volgenden eed of belofte af:
`Ik zweer (beloof) trouw aan den Koning; ik zweer (beloof) al de pligten, welke de voogdij mij oplegt, heilig te vervullen, en er mij bijzonder op te zullen toeleggen, om den Koning gehechtheid aan de Grondwet en liefde voor zijn volk in te boezemen.
`Zoo waarlijk helpe mij God almagtig!' (`Dat beloof ik!') (art. 34 Gw 1887, behoudens dat de woorden `beide kamers der' komen te vervallen; art. 32 Gw 1922; art. 34 Gw 1938).
Art. 32 Gw 1887: De voogdij van den minderjarigen Koning wordt geregeld en de voogd of voogden worden benoemd bij eene wet.
Over het ontwerp dier wet beraadslagen en besluiten de Staten-Generaal in vereenigde vergadering (art. 30 Gw 1922; art. 32 Gw 1938).
Art. 34 Gw 1983: De wet regelt de voogdij over de minderjarige Koning en het toezicht daarop. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

Noten

  1. Bij het schrijven van dit commentaar is gebruik gemaakt van enkele zinsneden uit het commentaar bij dezelfde bepaling in: A.K. Koekkoek (red.), De Grondwet. Een systematisch en artikelsgewijs commentaar, Deventer: W.E.J. Tjeenk Willink, 2000, eveneens van de hand van G. Leenknegt.
  2. De huidige redactie dateert uit 1999. Tot die tijd sprak artikel 34 slechts over de ‘voogdij’, die zowel de voogdij door de langstlevende ouder als de voogdij door een ander omvatte. Bij wet van 25 februari 1999 (Stb. 134) werd de formulering in overeenstemming gebracht met de terminologie van het BW, volgens welke de langstlevende ouder het ouderlijk gezag voortzet.
  3. Wet van 4 december 2013, Stb. 534 (gewijzigd bij wet van 14 november 2014, Stb. 443).
  4. Zij zal in die situatie overigens ook het koningschap uitoefenen als regent, totdat een troonopvolger de leeftijd van achttien jaar bereikt: Rijkswet van 4 december 2013 tot benoeming van een regent voor het geval van erfopvolging door de Koning die niet de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt, Stb. 2013, 532.
  5. Artikel 3, tweede lid, van de Wet regeling van het ouderlijk gezag over de minderjarige Koning en het toezicht daarop.
  6. Besluit van 11 juli 2014, houdende aanwijzing van twee leden van het College van Toezicht inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag over de minderjarige Koning, Stb. 2014, 305.
  7. Artikel 8, tweede en derde lid, van de wet.
  8. Artikel 8, eerste lid, van de wet: ‘De in de artikelen 345, 346, 348 en 350 tot en met 357 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek omschreven taken en bevoegdheden van de rechter worden uitgevoerd en uitgeoefend door het College.’
  9. Artikel 8, vierde lid, van de wet.
  10. J.T. Grondwet: toelichting en kritiek, dl. I, Arnhem: Gouda Quint, 1883, p. 138.

CITEER SUGGESTIE

G. Leenknegt, Commentaar op artikel 34 van de Grondwet, in: E.M.H. Hirsch Ballin en G. Leenknegt (red.), Artikelsgewijs commentaar op de Grondwet, webeditie 2019 (www.Nederlandrechtsstaat.nl).