DE GRONDWET

Artikel 33 - Koningschap en meerderjarigheid

De Koning oefent het koninklijk gezag eerst uit, nadat hij de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt.

WETENSCHAPPELIJK COMMENTAAR

G. Leenknegt

INHOUDSOPGAVE

  1. De leeftijdsgrens voor uitoefening van het koninklijk gezag
  2. Literatuur
  3. Historische versies
 
Editie november 2015
 

1. De leeftijdsgrens voor uitoefening van het koninkijk gezag[1] 

Een Koning die nog geen achttien jaar oud is, is wel Koning, maar kan het ambt van Koning nog niet zelf uitoefenen. Het ambt wordt dan waargenomen door een regent of, zolang die niet is aangewezen, door de Raad van State (zie de artikelen 37 en 38 Grondwet).
 
Nederland heeft eenmaal een minderjarige Koning gehad: Wilhelmina was bij het overlijden van haar vader, koning Willem III,  in 1890 slechts tien jaar oud (zie de afbeelding, die Wilhelmina toont omstreeks die leeftijd). Op het moment dat haar vader overleed werd zij wel Koning, maar zij kon tot de dag van haar achttiende verjaardag het koningschap niet zelf uitoefenen. In de tussenliggende periode werd het ambt uitgeoefend door haar moeder, de tweede echtgenote van Willem III, Emma van Waldeck-Pyrmont.[2]  
 
Anders dan tot 1983, spreekt de huidige Grondwet in verband met de uitoefening van het koninklijk gezag niet meer over de meerderjarigheid van de Koning.[3] Reden om hiervan af te zien was dat tijdens de voorbereiding van de herziening van 1983 ook een wijziging van het Burgerlijk Wetboek aanhangig was, waarbij de meerderjarigheid in het algemeen op achttien jaar zou worden gebracht.[4] Het was dus niet langer nodig een specifieke regeling in de Grondwet te treffen voor een achttienjarige Koning. Bovendien zou een grondwettelijke regeling van de meerderjarigheid van de Koning een discrepantie kunnen opleveren met het BW. Zo zou volgens art. 1:233 BW een Koning, die voor zijn achttiende zou huwen, toch meerderjarig zijn. Door nu simpelweg te spreken van ‘de uitoefening van het koninklijk gezag’ – hetgeen toch de kern is van hetgeen hier bedoeld was te regelen – worden moeizame discussies over ‘staatsrechtelijke en ‘burgerrechtelijke’ meerderjarigheid[5] vermeden.
 
Bij de grondwetsherziening van 1983 had de regering aanvankelijk voorgesteld de leeftijd waarop de Koning zijn gezag kon uitoefenen – hetgeen in beginsel los staat van de vraag wanneer hij meerderjarig wordt – te verhogen naar eenentwintig jaar, omdat gevreesd werd dat een achttienjarige niet voldoende zou zijn opgewassen tegen de zware verantwoordelijkheid die het ambt van Koning meebrengt.[6] Dit voorstel werd echter afgewezen door een meerderheid in de Tweede Kamer, onder meer omdat een eventuele periode van regentschap niet langer dan strikt noodzakelijk zou mogen duren. Verder werd verwezen naar de leeftijdsgrens van achttien jaar die voor actief en passief kiesrecht geldt en naar het geheel ontbreken van een leeftijdsgrens voor andere hoge ambten, zoals het ministerschap.[7]  

2. Literatuur

- C. Fasseur, Wilhelmina, Amsterdam: Olympus, 2003
- C.A. Tamse (red.), Koningin Emma. Opstellen over haar regentschap en voogdij, Utrecht: Bosch en Keuning, 1990

3. Historische versies

Art. 19 Gw 1814: De Souvereine Vorst is meerderjarig, als Zijn achttiende jaar vervuld is.
Art. 37 Gw 1815: De Koning is meerderjarig als zijn achttiende jaar vervuld is (art. 38 Gw 1815; art. 34 Gw 1848).
Art. 31 Gw 1887: De Koning is meerderjarig als Zijn achttiende jaar vervuld is.
Hetzelfde geldt van den Prins van Oranje, ingeval deze Regent wordt.
Art. 29 Gw 1922: De Koning is meerderjarig als Zijn achttiende jaar vervuld is.
Hetzelfde geldt van den Prins van Oranje en van de dochter des Konings, die de vermoedelijke erfgenaam is van de Kroon, ingeval deze Regent worden (art. 31 Gw 1938).
 

Noten

  1. Dit commentaar is een bewerking en aanvulling van het commentaar bij dezelfde bepaling in: A.K. Koekkoek (red.), De Grondwet. Een systematisch en artikelsgewijs commentaar, 3de druk, Deventer: W.E.J. Tjeenk Willink, 2000, van de hand van G. Leenknegt.
  2. Zie o.a. C. Fasseur, Wilhelmina, Amsterdam: Olympus, 2003; C.A. Tamse (red.), Koningin Emma. Opstellen over haar regentschap en voogdij, Utrecht: Bosch en Keuning, 1990.
  3. Zie art. 19 en 23, eerste lid, van de Grondwet van 1814; vergelijkbare bepalingen stonden tot 1983 in de Grondwet. Zie bijv. art. 31, eerste volzin, van de Grondwet van 1938: ‘De Koning is meerderjarig als Zijn achttiende jaar vervuld is.’
  4. Kamerstukken II 1979/80, 16 034 (R 1138), nr. 3, p. 12-13 (Nng II, p. 18-19).
  5. J.T. Buijs, De Grondwet. Toelichting en kritiek, dl. I, Arnhem: Gouda Quint, 1883, p. 132; P.J. Oud, Het constitutioneel recht van het Koninkrijk der Nederlanden, dl. I, 1967, Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink, p. 179 e.v.
  6. Kamerstukken II 1979/80, 16 034 (R 1138), nr. 3, p. 12 (Nng II, p. 18).
  7. Kamerstukken II 1979/80, 16 034 (R 1138), nr. 8, p. 17-18 (Nng II, p. 60-61).

CITEER SUGGESTIE

G. Leenknegt, Commentaar op artikel 33 van de Grondwet, in: E.M.H. Hirsch Ballin en G. Leenknegt (red.), Artikelsgewijs commentaar op de Grondwet, webeditie 2020 (www.Nederlandrechtsstaat.nl).