DE GRONDWET

Artikel 30 - Benoemde Koning

  1. Wanneer vooruitzicht bestaat dat een opvolger zal ontbreken, kan deze worden benoemd bij een wet. Het voorstel wordt door of vanwege de Koning ingediend. Na de indiening van het voorstel worden de kamers ontbonden. De nieuwe kamers beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering. Zij kunnen het voorstel alleen aannemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

  2. Indien bij overlijden van de Koning of bij afstand van het koningschap een opvolger ontbreekt, worden de kamers ontbonden. De nieuwe kamers komen binnen vier maanden na het overlijden of de afstand in verenigde vergadering bijeen ten einde te besluiten omtrent de benoeming van een Koning. Zij kunnen een opvolger alleen benoemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.


WETENSCHAPPELIJK COMMENTAAR

G. Leenknegt

INHOUDSOPGAVE

  1. Historische ontwikkeling en huidige betekenis
  2. Voorziening bij ontbreken van een troonopvolger
  3. Geen benoeming van een Koning of troonopvolger?
  4. Literatuur
  5. Historische versies
 
Versie november 2015
 

1. Historische ontwikkeling en huidige betekenis[1] 

Artikel 30 bepaalt wat er moet gebeuren, indien bij een overlijden van of troonsafstand door de Koning een opvolger ontbreekt (tweede lid), of indien al voordat zo’n gebeurtenis zich voordoet het vooruitzicht bestaat dat een opvolger zal ontbreken (eerste lid). Al vanaf de vestiging van de monarchie in 1814 is een voorziening in de Grondwet opgenomen voor het geval zich een dergelijke situatie zou voordoen. De Grondwet neemt dus de voortzetting van de monarchie in Nederland als uitgangspunt, ook wanneer een erfopvolger in de lijn van koning Willem I zou ontbreken.
 
Tegenwoordig is er een behoorlijk aantal mogelijke troonopvolgers voorhanden en lijkt het niet waarschijnlijk dat deze bepaling in de nabije toekomst toepassing zal moeten krijgen. Maar aan het begin van de twintigste eeuw, na de Eerste Wereldoorlog, bevond het Huis van Oranje zich wat betreft mogelijke erfopvolgers wel in een precaire situatie.[2] Koningin Wilhelmina, de enige nog levende nakomeling van Willem III, had zelf slechts één dochter, prinses Juliana. Er waren wel meer mogelijke troonopvolgers, omdat de Grondwet destijds geen beperkingen stelde wat betreft de verwantschap tot de laatste Koning,[3] maar dat waren verre verwanten van koningin Wilhelmina, woonachtig in het buitenland, die geen band meer hadden met Nederland.[4] In de Grondwet van 1922 werd de erfopvolging daarom beperkt tot bloedverwanten in de derde graad van de laatste Koning, zodat werd voorkomen dat iemand die in het geheel geen band met Nederland zou hebben, aanspraak zou kunnen maken op de troon. Een logische consequentie van die keuze was dat ook eerder een situatie zou kunnen ontstaan waarin een troonopvolger ontbrak. De benoeming van een Koning of troonopvolger maakt dan toch de voortzetting van de monarchie mogelijk. De bepaling geeft zo in feite uitdrukking aan de historisch gegroeide positie van het erfelijk koningschap in Nederland en van de wens om die – in beginsel – te continueren.[5]  
 
Sinds 1922 is het benoemen van een Koning of troonopvolger, in het geval die ontbreekt of dreigt te zullen ontbreken, niet langer verplicht. Tot dat jaar waren de artikelen die betrekking hadden op de benoeming van een Koning of een troonopvolger zodanig geformuleerd dat in voorkomend geval hoe dan ook een opvolger zou moeten worden benoemd. De Grondwet stelde, in imperatieve termen, dat een opvolger ‘wordt benoemd’; evenzo de formulering ‘de Koning draagt een opvolger voor’. Artikel 9 van de Grondwet van 1814 stelde zelfs letterlijk dat de Koning in zo’n geval ‘verplicht’ was een opvolger aan de Staten‑Generaal voor te dragen. De huidige bepaling gebruikt een facultatieve formulering: een troonopvolger ‘kan’ worden benoemd, en er wordt besloten ‘omtrent’ de benoeming van een Koning. Die formulering laat, anders dan de teksten die tot 1922 werden gebruikt, ruimte om te besluiten geen troonopvolger of Koning te benoemen. In dat geval zou Nederland uiteindelijk moeten overgaan op een republikeinse staatsvorm (zie hierover paragraaf 3).
 

2. Voorziening bij ontbreken van een troonopvolger[6] 

De regeling van de erfopvolging in artikel 25 van de Grondwet geeft aan wie de opvolger van de regerende Koning is, zolang er eigen nakomelingen of bloedverwanten tot in de derde graad van de regerende Koning beschikbaar zijn. Wanneer een dergelijke erfopvolger ontbreekt bij overlijden of troonsafstand van de Koning, dan wel het vooruitzicht bestaat dat die situatie zich zal gaan voordoen, geeft artikel 30 aan wat er dient te gebeuren.
 
In het geval het vooruitzicht bestaat dat bij overlijden of troonsafstand van de regerende Koning een erfopvolger zal ontbreken, kan volgens het eerste lid van artikel 30 bij wet een opvolger worden benoemd. Het ligt voor de hand dat dan familieleden van de Koning in aanmerking komen die minder nauw aan hem zijn verwant dan de derde graad (de grens die de Grondwet in artikel 25 stelt), maar in beginsel is iedereen in zo’n situatie benoembaar. Daarbij is het initiatiefrecht beperkt tot de regering: de regerende Koning zelf is daardoor altijd betrokken bij het indienen van een voorstel tot voorziening in zijn opvolging. Na de indiening van het voorstel worden beide Kamers van de Staten-Generaal ontbonden en volgen er verkiezingen. De nieuw gekozen Kamers behandelen het voorstel vervolgens in verenigde vergadering. Ten slotte is een tweederde meerderheid van de uitgebrachte stemmen nodig voor het aannemen van het voorstel.
 
Nu kan zich in elk geval in theorie de situatie voordoen dat na benoeming van een troonopvolger toch nog een volgens de regels van de erfopvolging tot de troon gerechtigde opvolger wordt geboren, bijvoorbeeld uit een (bij wet goedgekeurd) huwelijk van de regerende Koning dat is gesloten na benoeming van de opvolger. De opvatting van de regering was bij de grondwetsherziening van 1983 dat de benoemde opvolger dan alsnog dient te wijken voor de pas geboren erfopvolger.[7]  
 
In het geval op het moment van overlijden of troonsafstand van de Koning geen tot de troon gerechtigde verwante of, met toepassing van de hierboven geschetste procedure, benoemde troonopvolger voorhanden is, geldt volgens het tweede lid een andere procedure. In dat geval worden de beide Kamers direct ontbonden en worden verkiezingen uitgeschreven. Binnen vier maanden na het wegvallen van de Koning dienen de nieuw gekozen kamers in verenigde vergadering te besluiten omtrent de benoeming van een nieuwe Koning. Dit besluit heeft niet de vorm van een wet, aangezien de Staten-Generaal zelfstandig besluit. Het tweede lid geeft, anders dan het eerste, niet aan wie het voorstel voor benoeming van een Koning moet doen: dit kunnen leden van de Staten-Generaal zijn, maar ook de regering (op dat moment gevormd door de leden van het kabinet en de waarnemer van het koninklijk gezag, de Raad van State: zie artikel 38).[8] Opnieuw geldt dat een besluit met een tweederde meerderheid van de uitgebrachte stemmen moet worden genomen.
 
De grondwetgever heeft er in 1983 voor gekozen steeds een ontbinding van beide Kamers te laten voorafgaan aan een beslissing aangaande de voorziening in de troonopvolging, omdat het voortbestaan van de monarchie een zodanig gewichtige zaak is dat dat niet buiten de kiezers om mag geschieden.[9] De regering was bovendien van opvatting dat een nieuw gekozen Staten-Generaal meer oog zou hebben voor het ‘algemeen staatkundig beleid’, hetgeen juist bij beslissingen over de benoeming van een Koning of een troonopvolger van groot belang zou zijn.[10] De eis van een tweederde meerderheid moet verzekeren dat een te benoemen Koning of troonopvolger een algemeen aanvaardbaar persoon zou zijn.[11]  

3. Geen benoeming van een Koning of troonopvolger?

Artikel 30 bepaalt dat een troonopvolger ‘kan’ worden benoemd (eerste lid) en dat een ‘besluit omtrent’ de benoeming van een Koning moet worden genomen (tweede lid). Deze formuleringen laten de mogelijkheid open dat helemaal geen nieuwe Koning of troonopvolger wordt benoemd. Zo kan zich de situatie voordoen dat er geen kandidaten voorhanden blijken te zijn die door een tweederde meerderheid in de Staten-Generaal worden gesteund. De vraag is in dat geval of de monarchie gehandhaafd kan blijven. Wanneer de laatste Koning overlijdt of afstand doet, terwijl geen opvolger is of wordt aangewezen, wordt het koninklijk gezag uitgeoefend door een regent (artikel 37) of door de Raad van State (artikel 38), maar de bedoeling is dat dit van tijdelijke aard is. Het ligt in de rede dat bij langdurig uitblijven van de aanwijzing van een nieuwe Koning het volk wordt geraadpleegd over het voortbestaan van de monarchie, in de vorm van een grondwetsherziening waarbij de monarchie zou worden ingeruild voor de republiek. Ten slotte laat artikel 30 de mogelijkheid open dat zelfs geen poging wordt gedaan een nieuwe Koning te benoemen, maar direct tot beëindiging van de monarchie wordt besloten via de procedure van grondwetsherziening.[12]  
 
In theorie is het mogelijk dat in de Staten-Generaal geen tweederde meerderheid wordt gevonden voor benoeming van een Koning of een troonopvolger, en evenmin de vereiste tweederde meerderheid voor de noodzakelijke wijzigingen in de Grondwet om een overgang naar de republiek mogelijk te maken. Dat zou een constitutionele patstelling opleveren,[13] waarin de uitoefening van het koninklijk gezag door de regent of de Raad van State moet worden voortgezet.

4. Literatuur

- H.L.T. de Beaufort, Wilhelmina (1880-1962). Een levensverhaal, 's-Gravenhage 1965.
- S.W. Couwenberg, Monarchie of Republiek, Civis Mundi 1981, p. 39 e.v.
- E.M.H. Hirsch Ballin, De Koning: continuïteit en perspectief van het Nederlandse koningschap, 2de druk, Den Haag: Bju, 2013.
- F.A.J.Th. Kalberg, De staatsrechtelijke positie van de Oranje‑Monarchie in de Herziene Grondwet (I), Groen Katern, Ons Burgerschap 1986, p. 35‑36.
- G. Leenknegt, De koninklijke weg. De grondwettelijke procedure voor een overgang van monarchie naar republiek, in: L. Prakke en A.J. Nieuwenhuis (red.), Monarchie en Republiek, Publikaties van de Staatsrechtkring, nr. 18, Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink, 2000.
- P.J. Oud, Het jongste verleden, dl. I, Assen: Van Gorcum, 1968.
- L.T.A. Rutges, Monarchie en democratie, Civis Mundi 1981, p. 47 e.v.
- H.A. van Wijnen, De Kroon kan geen kwáád doen. Van de macht des Konings Mythe en werkelijkheid van de constitutionele monarchie, Amsterdam: Contact, 1975.

5. Historische versies

Eerste lid:
Art. 9 Gw 1814: Ingevalle er geen bevoegde Erfopvolger volgens het tot nu toe voorgestelde mogt bestaan, zal de regerende Vorst verplicht zijn een opvolger aan de Staten‑Generaal voor te dragen.
Art. 10 Gw 1814: De Staten‑Generaal, deze voordragt goedgekeurd hebbende, zal de Souvereine Vorst als dan dien opvolger ter kennisse van den volke brengen, op de wijze waarop alle andere wetten worden gepromulgeerd.
Art. 27 Gw 1814: Indien de Souvereine Vorst geene der schikkingen, bij art. 9 (...) vermeld, met de Staten‑Generaal beraamd heeft, verklaren deze plegtiglijk, welk geval er bestaat, en voorzien daarin vervolgens op de gronden hier voren gelegd.
Art. 51 Gw 1814: In de gevallen, bij art. (...) 10 (...) omschreven, wordt de vergadering der Staten Generaal in dubbelden getale bij een geroepen, overeenkomstig hetgeen daaromtrent bij het negende hoofdstuk zal worden bepaald.
Art. 25 Gw 1815: Ingeval er geen bevoegde Troonopvolger volgens deze Grondwet mogt bestaan, draagt de Koning aan de Staten‑Generaal, vergaderd en zamengesteld in voege als bij het vorig artikel is aangewezen, eenen Opvolger voor (art. 24 Gw. 1840).
Art. 26 Gw 1815: De Staten‑Generaal deze voordragt hebbende goedgekeurd, brengt de Koning dien Opvolger ter kennis van den volke, op de wijze waarop de wetten worden afgekondigd, en doet denzelve plegtiglijk uitroepen (art. 25 Gw. 1840).
Art. 51 Gw 1815: Indien de Koning aan de Staten‑Generaal geen Troonopvolger heeft voorgedragen (art.25); (...) verklaren de Staten‑Generaal plegtiglijk welk geval bestaat, en voorzien daarin vervolgens op de gronden hier voren gelegd bij art. 27, 41 en 44 (art. 50 Gw 1840, behoudens dat i.p.v. `art. 25, 27, 41 en 44', wordt gelezen `art. 24, 26, 40 en 43').
Art. 24 Gw 1848: Hetzelfde [zie art. 29, nr. 1] vindt plaats, wanneer er geen bevoegde opvolger naar deze Grondwet bestaat.
Is de opvolger niet benoemd of ontbreekt hij bij overlijden des Konings, dan geschiedt de benoeming door de Staten‑Generaal, daartoe in dubbelen getale bijeengeroepen, in vereenigde zitting.
Art. 20 Gw 1887: Wanneer geen bevoegde opvolger naar de Grondwet bestaat, wordt deze benoemd bij eene wet, waarvan het ontwerp door den Koning wordt voorgedragen.
De Staten‑Generaal, daartoe in dubbelen getale bijeengeroepen, beraadslagen en besluiten daarover in vereenigde vergadering.
Art. 18 Gw 1922: Wanneer vooruitzicht bestaat, dat geen bevoegde opvolger naar de Grondwet aanwezig zal zijn, kan deze worden benoemd bij eene wet, waarvan het ontwerp door den Koning wordt voorgedragen.
De Staten‑Generaal, daartoe in dubbelen getale bijeengeroepen, beraadslagen en besluiten daarover in vereenigde vergadering.
 
Tweede lid:
Art. 11 Gw 1814: Indien door onvoorziene omstandigheden zulk een opvolger niet mogt benoemd zijn vóór het overlijden van den regerenden Vorst, zullen de Staten‑Generaal eenen opvolger benoemen, uitroepen en aan den volke bekend maken.
Art. 51 Gw 1814: In de gevallen, bij art. (...) 11 (...) omschreven, wordt de vergadering der Staten‑Generaal in dubbelden getale bijeengeroepen, overeenkomstig hetgeen daaromtrent bij het negende hoofdstuk zal worden bepaald.
Art. 27 Gw 1815: Indien zulk een Opvolger niet mogt benoemd zijn vóór het overlijden van den Koning, zullen de Staten‑Generaal, vergaderd en zamengesteld als bij art. 24, eenen Opvolger benoemen en plegtiglijk uitroepen (art. 26 Gw 1840, behoudens dat i.p.v. ‘art. 24’ wordt gelezen ‘art. 23’).
Art. 24, tweede lid, Gw 1848: Is de opvolger niet benoemd of ontbreekt hij bij overlijden des Konings, dan geschiedt de benoeming door de Staten‑Generaal, daartoe in dubbelen getale bijeengeroepen, in vereenigde zitting.
Art. 21 Gw 1887: Wanneer bij overlijden des Konings geen bevoegde opvolger naar de Grondwet bestaat, geschiedt de benoeming regtstreeks door de Staten‑Generaal in vereenigde vergadering. Zij worden daartoe in dubbelen getale binnen eene maand na het overlijden bijeengeroepen (art. 21 Gw 1917, behoudens dat i.p.v. `eene maand' wordt gelezen `twee maanden').
Art. 19 Gw 1922: Wanneer bij overlijden des Konings geen bevoegde opvolger naar de Grondwet bestaat, worden de Staten‑Generaal binnen vier maanden na het overlijden door den Raad van State in dubbelen getale bijeengeroepen, ten einde in vereenigde vergadering een Koning te benoemen.
 
 

Noten

  1. In deze paragraaf zijn enkele passages overgenomen uit het commentaar bij dezelfde bepaling in de tweede druk van: P.W.C. Akkermans, A.K. Koekkoek, (red.), De Grondwet. Een artikelsgewijs commentaar, Tjeenk Willink: Zwolle, 1992; het commentaar op artikel 30 was van de hand van L.T.A. Rutges.
  2. M.R.T. de Beaufort, Wilhelmina, ‘s Gravenhage 1965, p. 105.
  3. Zie ook het commentaar bij artikel 25 Grondwet.
  4. P.J. Oud, Het jongste verleden, dl. I, Assen: Van Gorcum, 1968, p. 335.
  5. Kamerstukken II 1979 1980, 16 034 (R 1138), nr. 3, p. 8 (Nng, II, p. 14).
  6. In deze en de volgende paragraaf zijn passages overgenomen uit het commentaar bij dezelfde bepaling in de derde druk van: A.K. Koekkoek, (red.), De Grondwet. Een systematisch en artikelsgewijs commentaar, W.E.J. Tjeenk Willink: Deventer, 2000; het commentaar op artikel 30 was eveneens van de hand van G. Leenknegt.
  7. Kamerstukken II 1979/80, 16 034 (R 1138), nr. 3, p. 10 (Nng II p. 16).
  8. Kamerstukken II 1979/80, 16 034 (R 1138), nr. 3, p. 10 (Nng II p. 16); zolang na overlijden of troonsafstand van de Koning geen opvolger voorhanden is, wordt het koninklijk gezag uitgeoefend door een regent of, tot die benoemd is, door de Raad van State (zie art. 37 en 38).
  9. Kamerstukken II 1979/80, 16 034 (R 1138), nr. 3, p. 8 (Nng II p. 14).
  10. Kamerstukken II 1979/80, 16 034 (R 1138), nr. 3, p. 9 (Nng II p. 15).
  11. Kamerstukken II 1980/81, 16 034 (R 1138), nr. 9, p. 16 (Nng II p. 82).
  12. Kamerstukken II 1979/80, 16 034 (R 1138), nr. 3, p. 8 ( Nng, II, p. 14).
  13. Hierover: F.A.J.Th. Kalberg, De staatsrechtelijke positie van de Oranje Monarchie in de Herziene Grondwet (I), Groen Katern, Ons Burgerschap 1986, p. 35 36.

CITEER SUGGESTIE

G. Leenknegt, Commentaar op artikel 30 van de Grondwet, in: E.M.H. Hirsch Ballin en G. Leenknegt (red.), Artikelsgewijs commentaar op de Grondwet, webeditie 2019 (www.Nederlandrechtsstaat.nl).