DE GRONDWET

Artikel 26 - Status ongeboren kind Koning

Het kind, waarvan een vrouw zwanger is op het ogenblik van het overlijden van de Koning, wordt voor de erfopvolging als reeds geboren aangemerkt. Komt het dood ter wereld, dan wordt het geacht nooit te hebben bestaan.

WETENSCHAPPELIJK COMMENTAAR

G. Leenknegt

INHOUDSOPGAVE

  1. Rechtspositie van een bij overlijden van de Koning nog ongeboren kind
  2. Literatuur
  3. Historische versies
 

Editie juni 2014

1. Rechtspositie van een bij overlijden van de Koning
   nog ongeboren kind

Artikel 26, door Kortmann aangeduid als ‘een fraai voorbeeld van juridische ficties’,[1] treft een regeling voor een mogelijke periode van onzekerheid in verband met de erfopvolging. Die onzekerheid bestaat erin dat een nog ongeboren troonopvolger mogelijk dood ter wereld zou kunnen komen. Zolang de troonopvolger bij overlijden van de Koning nog ongeboren is, wordt deze voor de erfopvolging als geboren aangemerkt.
 
Volgens artikel 37, eerste lid, onder b, Grondwet, wordt het koninklijk gezag in die situatie waargenomen door een regent of, zolang daarin nog niet is voorzien, door de Raad van State (artikel 38). Wordt het kind levend geboren, dan is het vanaf dat moment een minderjarige Koning en blijft het koningschap in handen van de regent (of Raad van State); komt het kind dood ter wereld, dan wordt de eerstvolgende potentiële troonopvolger in de lijn van de erfopvolging Koning volgens de regels, neergelegd in artikel 25 Grondwet.
 
Bij de algehele grondwetsherziening van 1983 is de formulering van de tweede volzin van de bepaling in overeen­stemming gebracht met de tweede volzin van art. 1:2 BW, dat eveneens het ongeboren kind betreft.[2]

2. Literatuur

- C.A.J.M. Kortmann, De Grondwetsherzieningen 1983 en 1987, 2de druk, Kluwer, Deventer 1987
- T. Sybenga, De Grondwet van 1887, ’s-Gravenhage 1921

3. Historische versies

Art. 17 Gw. 1887: Het kind, waarvan eene vrouw zwanger is op het oogenblik van het overlijden des Konings, wordt ten opzigte van het regt op de Kroon als reeds geboren aangemerkt. Dood ter wereld komende wordt het geacht nooit te hebben bestaan (art. 16 Gw. 1922).

Noten

  1. C.A.J.M. Kortmann, De Grondwetsherzieningen 1983 en 1987, tweede dr., Kluwer, Deventer 1987, p. 152.
  2. Kamerstukken II 1979/80, 16 034 (R 1138), nr. 3, p. 5 (Nng II, p. 11).

CITEER SUGGESTIE

G. Leenknegt, Commentaar op artikel 26 van de Grondwet, in: E.M.H. Hirsch Ballin en G. Leenknegt (red.), Artikelsgewijs commentaar op de Grondwet, webeditie 2020 (www.Nederlandrechtsstaat.nl).