DE GRONDWET

Artikel 25 - Erfopvolging

Het koningschap gaat bij overlijden van de Koning krachtens erfopvolging over op zijn wettige nakomelingen, waarbij het oudste kind voorrang heeft, met plaatsvervulling volgens dezelfde regel. Bij gebreke van eigen nakomelingen gaat het koningschap op gelijke wijze over op de wettige nakomelingen eerst van zijn ouder, dan van zijn grootouder, in de lijn van erfopvolging, voor zover de overleden Koning niet verder bestaand dan in de derde graad van bloedverwantschap.

WETENSCHAPPELIJK COMMENTAAR

G. Leenknegt

INHOUDSOPGAVE

  1. Historische ontwikkeling en huidige betekenis
  2. Stelsels van erfopvolging
  3. De orde van de troonopvolging
  4. Literatuur
  5. Historische versies
 
Editie juni 2020
 

1. Historische ontwikkeling en huidige betekenis

Het principe van erfopvolging bij de vervulling van het hoogste publieke ambt in een politieke gemeenschap is oud en wijdverbreid. Over de gehele wereld hebben in de loop van de geschiedenis dynastieën bestaan waarvan de monarchen hun ambt krachtens erfrecht verkregen. In een tijd waarin een vorst, veel sterker dan nu, de eenheid en identiteit van een gemeenschap belichaamde, was dat mechanisme van groot belang om te allen tijde duidelijkheid te hebben over de vraag wie de vorst diende op te volgen zodra deze kwam te overlijden. Zo konden successieoorlogen worden voorkomen en was het voortbestaan en de stabiliteit van de gemeenschap het beste gediend. Tegenwoordig spelen dergelijke overwegingen gewoonlijk geen rol meer. Veel moderne staatshoofden – presidenten – worden democratisch gekozen door de kiesgerechtigde burgers of door de volksvertegenwoordiging, om zo het ambt legitimiteit te verschaffen.
 
Van onze monarchie wordt wel gesteld dat het feit dat de Koning het hoogste publieke ambt niet vervult op grond van een verkiezing door de stemgerechtigde bevolking, maar op grond van zijn of haar geboorte, het een ondemocratisch ambt met een zwakke legitimiteit maakt. Daarmee wordt miskend dat de Nederlandse monarchie haar legitimiteit voor een belangrijk deel ontleent aan de band die de leden van de familie Van Oranje-Nassau, sinds 1814 dragers van dat ambt, al vanaf de tijd van Republiek der Verenigde Nederlanden met ons land hebben. Het aanzien en het gezag van het koningschap steunen op de verbondenheid van de opeenvolgende vorsten die Nederland heeft gekend met land en volk. In het licht daarvan is ook in de huidige tijd een heldere regeling van de troonopvolging van belang. Zolang Nederland een monarchie is, moet een deugdelijke regeling van de erfopvolging voorkomen dat de troon op ongelukkige wijze bezet zou kunnen raken door een vorst met wie het Nederlandse volk geen band zou hebben.[1]
 

2. Stelsels van erfopvolging

Artikel 25 legt de hoofdregel van de erfopvolging van de Koning vast; de artikelen 26 tot en met 31 bevatten regelingen voor een aantal bijzondere problemen in verband met de opvolging van de Koning. Die hoofdregel houdt in dat wanneer de Koning komt te overlijden, het koningschap in eerste instantie overgaat op diens wettige nakomelingen.[2] Daarbij geldt dat het oudste kind voorrang heeft, ongeacht van welk geslacht het is.
 
In de huidige maatschappelijke verhoudingen wordt dat laatste waarschijnlijk als volslagen normaal beschouwd, maar tot 1963 kende de Grondwet een stelsel van erfopvolging waarbij vrouwen slechts voor het koningschap in aanmerking kwamen wanneer er geen mannelijke nakomelingen (meer) waren. Landen als Zweden en België kenden tot respectievelijk 1980 en 1991 een stelsel waarbij vrouwen zelfs geheel van de troonopvolging werden uitgesloten – het zogenoemde Salische stelsel van erfopvolging.[3] Dat gold ook voor Luxemburg ten tijde van het overlijden van de Nederlandse Koning Willem III, die – evenals de voorgaande Nederlandse koningen – tevens groothertog van Luxemburg was. Het Salische stelsel van opvolging had tot gevolg dat met het overlijden van Willem III in 1890 een einde kwam aan de personele unie van het Koninkrijk der Nederlanden en het Groothertogdom Luxemburg: Wilhelminia kon immers haar vader niet opvolgen als groothertogin van Luxemburg.
 
In 1963 werd in de Nederlandse Grondwet een regeling neergelegd waarmee het onderscheid tussen mannelijke en vrouwelijke troonopvolgers werd verkleind. De Grondwet bepaalde dat in de orde van de troonopvolging zonen van de laatste Koning voorrang hadden boven dochters, en daarna het oudste kind; bij gebrek aan eigen nakomelingen van de Koning kwamen op gelijke wijze de nakomelingen van de ouder of uiteindelijk de grootouder van de laatste Koning in aanmerking voor de troon. Vrouwelijke troonopvolgers moesten, met andere woorden, niet langer wijken voor alle mannelijke troonopvolgers, maar slechts voor mannelijke troonopvolgers die even nauw aan de Koning verwant waren als zijzelf. Dit stelsel wordt aangeduid als het Castiliaanse stelsel van erfopvolging. Spanje kent wat betreft de troonopvolging nog altijd een dergelijk Castiliaans stelsel.  Toen Koning Juan Carlos in juni 2014 afstand deed van de troon, werd hij daarom opgevolgd door zijn zoon Felipe, hoewel die twee oudere zusters heeft.
 
Bij de grondwetsherziening van 1983 is de voorrangsregel voor mannelijke nakomelingen geschrapt, zodat mannelijke en vrouwelijke nakomelingen van de Koning nu volledig gelijke aanspraken op het koningschap hebben. De oudste nakomeling van de Koning is, ongeacht zijn of haar geslacht, steeds de eerste in de orde van de troonopvolging.[4]
 

3. De orde van de troonopvolging

Zoals hierboven werd geschetst is de hoofdregel dat een overleden Koning wordt opgevolgd door zijn eigen wettelijke nakomelingen, waarbij het oudste kind voorrang heeft. Aan die hoofdregel zijn enkele regelingen toegevoegd om te voorzien in situaties waarbij de eigen nakomelingen van de Koning vroegtijdig komen te overlijden of geheel ontbreken.
 
Bij de opvolging door de eigen nakomelingen geldt om te beginnen het stelsel van plaatsvervulling. Dat houdt in dat indien de nakomeling van de Koning die de vermoedelijke troonopvolger is, komt te overlijden vóór de Koning zelf, in eerste instantie de oudste nakomeling van de overleden troonopvolger de nieuwe troonopvolger wordt – en niet een eventuele broer of zus van de overleden troonopvolger. Dit stelsel van plaatsvervulling kent geen grens wat betreft de bloedverwantschap tot de Koning, zodat het theoretisch mogelijk is dat een Koning wordt opgevolgd door bijvoorbeeld een achter-achterkleinkind dat aan hem in de vierde graad bloedverwant is.
 
Wanneer een overleden vorst geen eigen nakomelingen had, worden een of twee stappen ‘achteruit’ gezet in de lijn van erfopvolging en wordt de lijn van daaruit voortgezet. Daarbij gelden dezelfde regels van voorrang en plaatsvervulling. Het koningschap gaat dan over op de wettige nakomelingen van de ouder van de overleden Koning (dat wil zeggen: een broer of zus daarvan) of, indien die niet voorhanden zijn, op de wettige nakomelingen van de grootouder van de overleden Koning (een oom of tante), telkens in de lijn van erfopvolging. Daaraan is wel een grens gesteld: de betreffende nakomelingen mogen de overleden Koning niet verder bestaan dan de derde graad van bloedverwantschap. Wat dat laatste inhoudt is te vinden in artikel 1:3 van het Burgerlijk Wetboek: de graad van bloedverwantschap wordt bepaald door het aantal geboorten dat de bloedverwantschap heeft doen ontstaan. Dit betekent dat een Koning die geen eigen nakomelingen heeft, kan worden opgevolgd door zijn broers of zusters (bloedverwanten in de tweede graad), door hun eventuele kinderen (de derde graad) en door ooms of tantes die zelf nakomeling zijn van de grootouder die het koningschap heeft vervuld (eveneens de derde graad).[5] Kinderen van die ooms en tantes kunnen een overleden Koning niet rechtstreeks of krachtens plaatsvervulling opvolgen: zij zijn aan die Koning immers in de vierde graad bloedverwant. Wel kunnen zij het koningschap erven indien eerst een van hun ouders op de bovengeschetste wijze Koning wordt.
 
De beperking van het opvolgingsrecht tot de derde graad van bloedverwantschap beoogt te voorkomen dat bij gebrek aan eigen nageslacht van de Koning onverwacht een verre verwant van de Koning die geen enkele band met Nederland heeft, aanspraak op de troon zou kunnen maken.[6] Wanneer er geen verwante van de Koning is die aan hem tot maximaal de derde graad bloedverwant is, voorziet de Grondwet in de mogelijkheid van benoeming van een Koning of troonopvolger (artikel 30 Grondwet). Zo kan worden verzekerd dat een nieuwe Koning wel een voldoende sterke band heeft met Nederland en het Nederlandse volk.
 
Dit alles betekent dat Koning Willem-Alexander op dit moment acht potentiële troonopvolgers heeft: achtereenvolgens de drie dochters van Koning Willem-Alexander, prins Constantijn, diens drie kinderen en prinses Margriet. De kinderen van wijlen prins Johan Friso komen niet in aanmerking voor de troonopvolging, omdat hij voor zijn huwelijk met prinses Mabel geen wettelijke toestemming verkreeg (zie artikel 28 Grondwet). Ook prinses Irene komt niet in de orde van de troonopvolging voor en haar nakomelingen evenmin, aangezien zij huwde zonder wettelijke toestemming; hetzelfde geldt voor de nakeomelingen van wijlen prinses Christina. De vier zonen van prinses Margriet zijn aan Koning Willem-Alexander in de vierde graad bloedverwant en komen daarom niet in aanmerking voor de troon.[7]

4. Literatuur

- A.M. Donner, Erfelijk en onschendbaar, in: C.A. Tamse (red.), De Monarchie in Nederland, Amsterdam 1980, p. 209 e.v.
- E.M.H. Hirsch Ballin, De Koning: continuïteit en perspectief van het Nederlandse koningschap, Boom Juridische uitgevers, 2de druk, Den Haag 2013
- F.A.J.Th. Kalberg, De Staatsrechtelijke positie van de Oranje Monarchie in de Herziene Grondwet I, Groen Katern, Ons Burgerschap, 1986, p. 33 e.v.
- A.P. Krijnen, D.A. Roos, B.P. Vermeulen (red.), De Koning in het Nederlandse staatsrecht, Ars Aequi, Nijmegen 2005 
- G. Leenknegt, De koninklijke weg. De grondwettelijke procedure voor een overgang van monarchie naar republiek, in: L. Prakke en A.J. Nieuwenhuis (red), Monarchie en Republiek, Publikaties van de Staatsrechtkring, nr. 18, Tjeenk Willink, Zwolle 2000
- E.J. Thomassen à Thuessink van der Hoop, De orde van erfopvolging tot den troon in Nederland, diss. VU, Amsterdam 1911.
- C.C. van Valkenburg, Lidmaatschap van het koninklijk huis, in: De Nederlandsche Leeuw, 1980, p. 125 e.v.
- C.C. van Valkenburg, De troonopvolging in Nederland, in: De Nederlandsche Leeuw, 1980, p. 135 e.v.
 

5. Historische versies

Art. 2 Gw. 1814: Voor wettige nakomelingen van den Souvereinen Vorst worden gehouden alle de zoodanige, welke gesproten zijn uit een huwelijk, aangegaan met onderling goedvinden van Denzelven en de Staten Generaal.
Art. 3 Gw. 1814: De Souvereiniteit versterft bij regt van eerstgeboorte, des dat de oudste zoon van den overleden Vorst, of wel het mannelijk oir van den oudsten zoon bij re presentatie opvolgt.
Art. 4 Gw. 1814: Bij ontstentenis van mannelijk oir uit den oudsten zoon gesproten, vervalt de Souvereiniteit aan diens broeders of hun mannelijk oir, insgelijks bij regt van eerstgeboorte en representatie.
Art. 5 Gw. 1814: Bij geheele ontstentenis van mannelijk oir wordt de Souvereiniteit geërfd bij de dochters of derzelver nakomelingen, op gelijke wijze als voren.
Art. 6 Gw. 1814: Bij ontstentenis van nakomelingschap uit den tegenwoordigen Souvereinen Vorst, Prins Willem Frederik van Oranje Nassau, vervalt de Souvereiniteit aan Deszelfs Zuster, Prinses Frederika Louisa Wilhelmina van Oranje, Douariere van wijlen Carl George August, Erfprins van Brunswijk Lunenburg, of Hare wettige nakomelingen uit zoodanig nader huwelijk, als door Dezelve ingevolge art. 2 mogt worden aangegaan.
Art. 7 Gw. 1814: Indien ook de wettige nakomelingschap van deze Vorstin ontbreekt, zal het erfregt overgaan op het wettig mannelijk oir van Prinses Carolina van Oranje, zuster van wijlen Prins Willem den Vijfden en Gemalinne van wijlen den Prins van Nassau Weilburg, insgelijks bij regt van eerstgeboorte en representatie.
 
Art. 13 Gw. 1815: De wettige nakomelingen van den regerenden Koning, zijn de kinderen reeds geboren, of die nog mogten geboren worden, uit Zijn tegenwoordig huwelijk met Hare Majesteit Frederika Louisa Wilhelmina, Prinses van Pruissen; en voorts in het algemeen alle afstammelingen, welke geboren zullen worden uit een huwelijk door den Koning, met gemeen overleg der Staten Generaal aangegaan, of toegestemd (art. 12 Gw. 1840).
Art. 14 Gw. 1815: De kroon gaat over bij regt van eerstgeboorte, des dat de oudste zoon van den Koning, of wel het mannelijk oir van den oudsten zoon, bij representatie opvolgt (art. 13 Gw. 1840).
Art. 15 Gw. 1815: Bij ontstentenis van mannelijk oir uit den oudsten zoon gesproten, gaat de kroon over aan diens broeders of hun mannelijk oir, insgelijks bij regt van eerstgeboorte en representatie (art. 14 Gw. 1840).
Art. 16 Gw. 1815: Bij geheele ontstentenis van mannelijk oir uit het huis van Oranje Nassau, gaat de kroon over op de dochters van den Koning, bij regt van eerstgeboorte (art. 15 Gw. 1840).
Art. 17 Gw. 1815: Ook dochters van den Koning ontbrekende, brengt de oudste dochter van de oudste nedergaande mannelijke lijn uit den laatsten Koning, de Koninklijke waardigheid in haar huis over, en wordt bij vooroverlijden door hare afstammelingen gerepresenteerd (art. 16 Gw. 1840).
Art. 18 Gw. 1815: Zoo er geene mannelijke nedergaande lijn uit den laatsten Koning bestaat, erft de oudste nedergaande vrouwelijke lijn, des dat de mannelijke tak vóór de vrouwelijke tak, en de oudste vóór de jongere, en in iedere tak mannen vóór vrouwen, en ouder vóór jonger den voorrang hebben (art. 17 Gw. 1840).
Art. 19 Gw. 1815: Wanneer de Koning zonder nakomelingschap sterft, en er geen mannelijk oir uit het huis van Oranje Nassau overig is, volgt hem zijne naaste bloedverwante, mits van den Koninklijken huize zijnde, op, en wordt mede bij vooroverlijden, door hare afstammelingen gerepresenteerd.
Art. 22 Gw. 1815: Bij ontstentenis van nakomelingschap uit den tegenwoordigen Koning Willem Frederik van Oranje Nassau, gaat de Kroon over aan deszelfs Zuster, Prinses Frederika Louisa Wilhelmina van Oranje, Douairiere van wijlen Carel George August, Erfprins van Brunswijk Lunenburg, of hare wettige nakomelingen, uit zoodanig nader huwelijk, als door dezelve, overeenkomstig art. 13 (12) mogt worden aangegaan (art. 21 Gw. 1840, behoudens dat i.p.v. ‘art. 12’ wordt gelezen ‘art. 13’).
Art. 23 Gw. 1815: Indien ook de wettige nakomelingschap van deze Vorstin ontbreekt, gaat het erfrecht over op het wettig mannelijk oir van Prinses Carolina van Oranje, Zuster van wijlen Prins Willem den Vijfden, en Gemalin van wijlen den Prins van Nassau Weilburg, insgelijks bij regt van eerstgeboorte en representatie (art. 22 Gw. 1840).
 
Art. 11 Gw. 1887: De Kroon gaat bij erfopvolging over op Zijne zonen en verdere mannelijke, uit mannen gekomen nakomelingen bij regt van eerstgeboorte, met dien verstande, dat bij vóóroverlijden van een regthebbende diens zonen of verdere mannelijke uit mannen gekomen nakomelingen op gelijke wijze in zijne plaats treden en de Kroon nooit in eene jongere lijn of een jongeren tak overgaat, zoolang er in de oudere lijn of den ouderen tak zoodanige nakomeling wordt gevonden (art. 11 Gw. 1922).
Art. 12 Gw. 1887: Bij ontstentenis van opvolgers in het voorgaande artikel aangewezen, gaat de Kroon over op de in leven zijnde dochters van den laatstoverleden Koning, bij regt van eerstgeboorte (art. 12 Gw. 1922, behoudens dat i.p.v. `gaat de Kroon over op de ...' wordt gelezen `gaat de Kroon over op de oudste in leven zijnde dochter van den laatstoverleden Koning').
Art. 13 Gw. 1887: Bij ontstentenis ook van de dochters, in het voorgaand artikel bedoeld, gaat de Kroon over op de dochters van de nedergaande mannelijke lijnen uit den laatstoverleden Koning en, bij gebreke ook van deze en van hare nakomelingen, gaat de Kroon over in de nedergaande vrouwelijke lijnen.
In deze gevallen heeft steeds de oudere lijn vóór de jongere, de mannelijke tak vóór den vrouwelijken, de oudere vóór den jongeren en hebben in iederen tak mannen vóór vrouwen en ouderen vóór jongeren den voorrang.
Art. 14 Gw. 1887: Bij ontstentenis van een opvolger, krachtens een der drie voorgaande artikelen tot de Kroon geregtigd, gaat deze over op de Prinses, door geboorte tot het Huis van Oranje Nassau behoorende, die den laatstoverleden Koning, in de lijn der afstamming van wijlen Koning WILLEM FREDERIK, Prins van Oranje Nassau, het naast bestaat.
Bij gelijken graad van verwantschap heeft de eerstgeborene den voorrang.
Is de bedoelde bloedverwante des Konings vóór hem overleden, dan treden hare nakomelingen in hare plaats, des dat de mannelijke lijn vóór de vrouwelijke en de oudere vóór de jongere en in iedere lijn de mannelijk tak vóór den vrouwelijken, de oudere vóór den jongeren en in iederen tak mannen vóór vrouwen en ouderen vóór jongeren gaan.
Art. 15 Gw. 1887: Bij ontstentenis van een opvolger, krachtens een der vier voorgaande artikelen tot de Kroon geregtigd, gaat deze over op de wettige mannelijke uit mannen gekomen nakomelingen van wijlen Prinses CAROLINA VAN ORANJE, zuster van wijlen Prins WILLEM DEN VIJFDE en gemalin van wijlen den Prins van Nassau Weilburg, op gelijke wijze als in art. 11 ten opzigte van de nakomelingen van wijlen KONING WILLEM FREDERIK, Prins van Oranje Nassau, is bepaald.
 
Art. 13 Gw. 1922: Bij ontstentenis ook van dochters uit den laatstoverleden Koning gaat de Kroon over op de oudste in leven zijnde dochter van den oudsten zijner vooroverleden zoons, van wie dochters in leven zijn; bij ontstentenis van zoodanige dochters op den oudsten in leven zijnden zoon van de oudste zijner vooroverleden dochters, van wie zoons in leven zijn, en bij ontstentenis ook van zoodanige zoons op de oudste in leven zijnde dochter van de oudste zijner vooroverleden dochters, van wie dochters in leven zijn.
Art. 14 Gw. 1922: Bij ontstentenis van een opvolger, krachtens een der drie voorgaande artikelen tot de Kroon gerechtigd, gaat deze over op den man of de vrouw, die den laatstoverleden Koning, in de lijn der afstamming van Hare Majesteit Koningin WILHELMINA, Prinses van Oranje Nassau, het naast, doch niet verder dan in den derden graad van bloedverwantschap, bestaat.
Bij gelijken graad van bloedverwantschap hebben mannen boven vrouwen en heeft daarna de eerstgeborene de voorrang.
 
Art. 11 Gw. 1963: De Kroon gaat bij erfopvolging over: op de nakomelingen van de laatstoverleden Koning, waarbij zonen voorrang hebben boven dochters en daarna het oudste kind voorgaat met plaatsvervulling volgens dezelfde regels; bij gebreke van nakomelingen van de laatstoverleden Koning, op gelijke wijze op de nakomelingen eerst van zijn ouder dan van zijn grootouder in de lijn van troonopvolging, voor zover de laatstoverleden Koning niet verder bestaand dan in de derde graad van bloedverwantschap.
 

Noten

  1. G. Leenknegt, De koninklijke weg. De grondwettelijke procedure voor een overgang van monarchie naar republiek, in: L. Prakke en A.J. Nieuwenhuis (red), Monarchie en Republiek, Publikaties van de Staatsrechtkring, nr. 18, Tjeenk Willink, Zwolle 2000, p. 87; zie ook E.M.H. Hirsch Ballin, De Koning: continuïteit en perspectief van het Nederlandse koningschap, 2e druk, Bju, Den Haag 2013; A.P. Krijnen, D.A. Roos, B.P. Vermeulen (red.), De Koning in het Nederlandse staatsrecht, Ars Aequi, Nijmegen 2005.
  2. Overigens geldt krachtens art. 27 bij troonsafstand dezelfde hoofdregel: zie ook het commentaar bij dat artikel.
  3. D.J. Elzinga, R. de Lange, m.m.v. G.H. Hoogers, Van der Pot Handboek van het Nederlandse Staatsrecht, 15e dr., Kluwer, Deventer 2006, p. 486-487.
  4. Kamerstukken II 1979/80, 16 034 (R 1138), nr. 3, p. 4-5 (Nng II, p. 10-11).
  5. Men zou hieruit kunnen afleiden dat een overleden Koning kan worden opgevolgd door zijn eigen vader of moeder. Indien de overleden Koning nageslacht noch broers of zussen had, kan een nakomeling van de grootvader van de overleden vorst in de lijn van erfopvolging tot het koningschap worden geroepen: de vader of moeder van de overleden vorst. Het gaat dan echter altijd om een persoon die, als hij of zij niet is overleden, reeds afstand van het koningschap heeft gedaan. Aangenomen wordt dat wie troonsafstand doet, dit voor eens en altijd doet: zie het commentaar bij art. 27. Daardoor zou opvolging door de vader of moeder van de laatste Koning onmogelijk zijn.
  6. Zie hierover P.J. Oud, Het constitutioneel recht van het Koninkrijk der Nederlanden, dl. I, Tjeenk Willink, Zwolle 1967, p. 113-114; Kamerstukken II 1979/80, 16 034 (R 1138), nr. 8, p. 5, 1980/81, 16 034 (R 1138), nr. 9, p. 6 en nr. 11, p. 3 (Nng II, p. 48, 72 en 102). Zie ook C.C. van Valkenburg, Lidmaatschap van het koninklijk huis, in: De Nederlandsche Leeuw, 1980, p. 125 e.v.; C.C. van Valkenburg, De troonopvolging in Nederland, in: De Nederlandsche Leeuw, 1980, p. 135 e.v.
  7. Twee van hen, prins Pieter-Christiaan en prins Floris, huwden bovendien zonder wettelijke toestemming en konden ook om die reden de troon niet erven.

CITEER SUGGESTIE

G. Leenknegt, Commentaar op artikel 25 van de Grondwet, in: E.M.H. Hirsch Ballin en G. Leenknegt (red.), Artikelsgewijs commentaar op de Grondwet, webeditie 2020 (www.Nederlandrechtsstaat.nl).