DE GRONDWET

Artikel 22 - Volksgezondheid en woongelegenheid

  1. De overheid treft maatregelen ter bevordering van de volksgezondheid.
  2. Bevordering van voldoende woongelegenheid is voorwerp van zorg der overheid.
  3. Zij schept voorwaarden voor maatschappelijke en culturele ontplooiing en voor vrijetijdsbesteding.

WETENSCHAPPELIJK COMMENTAAR

F.M.C. Vlemminx

INHOUDSOPGAVE

  1. Inleiding
  2. Het recht op gezondheid van artikel 22, eerste lid, Grondwet
  3. Het recht op gezondheid in het internationale recht
  4. Het recht op huisvesting van artikel 22, tweede lid, Grondwet
  5. Het recht op huisvesting in het internationale recht
  6. Het recht op culturele ontplooiing van artikel 22, derde lid, Grondwet
  7. Het recht op culturele ontplooiing in het internationale recht
  8. Jurisprudentie
  9. Literatuur
  10. Historische versies
 

Versie december 2013

1. Inleiding

In artikel 22 zijn diverse sociale grondrechten vervat en zonder enige twijfel zijn het recht op gezondheid van het eerste lid en het recht op huisvesting van het tweede lid belangrijke fundamentele rechten. Wanneer ze straks nader worden bekeken, zal blijken dat op het punt van gezondheid en huisvesting ook de klassieke grondrechten soms een stevige duit in het zakje doen zodat in bepaalde gevallen een zekere mate van afdwingbaarheid via de rechter niet is uitgesloten. Daar komt nog bij dat de rechten in artikel 22 – net als de rechten van het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten (IVESCR) – kunnen worden uitgewerkt via de zogenaamde ‘typologie van verplichtingen’.[1] Deze leer benadert de mensenrechten door ze te kwalificeren als plichten voor de overheid. Ze ontstond in het begin van de jaren tachtig van de vorige eeuw in het kader van ‘the right to subsistence’, het recht op een bestaansminimum,[2] en ‘the right to food’, het recht op voedsel,[3] maar vond al snel bij alle economische, sociale en culturele rechten toepassing. Ze blijkt ook het inzicht in de klassieke rechten van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR) te verhogen en benadrukt de eenheid tussen het IVESCR en het IVBPR. Van de typologie zijn verschillende variaties in omloop. Vaak worden er drie soorten plichten onderscheiden: de ‘obligation to respect’ (de onthoudingsplicht die voorheen vrijwel louter met de rechten in het IVBPR in verband werd gebracht), de ‘obligation to protect’ (de plicht om de rechten in de relaties tussen burgers te beschermen) en de ‘obligation to fulfil’ (de plicht om positieve maatregelen te nemen teneinde de rechten effectief te verwezenlijken). Wanneer tevens de rechten in het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) in de beschouwing worden betrokken en er rekening wordt gehouden met de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens  (EHRM) dat - eveneens vanaf het begin van de jaren tachtig - rechtens afdwingbare positieve verplichtingen voor de overheid uit de rechten destilleert, verdient het aanbeveling om de suggestie van Van Hoof te volgen en de tamelijk algemene ‘obligation to fulfil’ verder uit te splitsen in de ‘obligation to ensure’ en de ‘obligation to promote’.[4] De eerste plicht houdt in dat de overheid een recht op korte termijn concreet inhoud moet geven, terwijl haar een beperkte beleidsvrijheid wordt gelaten. Op dit punt is er een controlerende taak voor de rechter weggelegd. Die taak ontbreekt in beginsel ten aanzien van de ‘obligation to promote’. Bij deze plicht gaat het om beleidsvoering op lange termijn en dan wordt de overheid een ruime beleidsvrijheid gegund.[5] Wanneer een recht uit het IVESCR (of het IVBPR) mede aan de hand van deze typologie wordt geanalyseerd, ontstaat er een tamelijk nauwkeurig beeld van wat van de overheid wordt verlangd. Een dergelijke analyse is bijvoorbeeld door Toebes met betrekking tot het recht op gezondheid van artikel 12 IVESCR verricht.[6] Daarnaast kan de typologie worden gehanteerd om de (theoretische) inhoud van de sociale (en de klassieke) grondrechten in de Grondwet te verduidelijken. In het kader van artikel 22 vormen de uitkomsten van de typologie een goed tegengewicht voor de formules die in de drie leden van deze grondwetsbepaling werden neergelegd.

2. Het recht op gezondheid van artikel
    22, eerste lid, Grondwet

De typologie van verplichtingen leert dat de sociale grondrechten, net als de klassieke, de overheid onthoudingsplichten opleggen. In artikel 22, eerste lid, is de onthoudingsplicht niet als zodanig gecodificeerd. De te respecteren vrijheid ligt als beginsel besloten in de term ‘bevordering’. In de memorie van toelichting bij de algehele grondwetsherziening wordt gesteld dat onder ‘bevordering’ mede begrepen is ‘bescherming’[7] en bescherming impliceert dat de overheid zelf geen inbreuken mag maken op de gezondheid van burgers. In deze sfeer valt te wijzen op een arrest van de Hoge Raad (HR) uit 1991[8] betreffende een ingesloten arrestant die aan epilepsie leed en van wie de medicijnen waren afgepakt. De HR oordeelde dat er onder zulke omstandigheden een zorgverplichting op de overheid rustte welke was veronachtzaamd. Maar het valt ook te verdedigen dat de overheid door de medicijnen af te pakken niet zozeer een zorgverplichting schond als wel inbreuk maakte op het recht op gezondheid van de epilepticus.
 
Op het vlak van de echte zorgverplichtingen verplicht het eerste lid tot het treffen van ‘maatregelen’. Dit begrip omvat naast wetgeving het voeren van beleid en het beheer van allerlei instellingen. Ook ten aanzien van de particuliere gezondheidszorg dient een beleid te worden gevoerd.[9] Hoewel de opdracht een globaal karakter draagt valt op grond van de typologie van verplichtingen niet uit te sluiten dat uit artikel 22, eerste lid, tevens concrete zorgplichten, anders gezegd ‘obligations to ensure’, worden afgeleid. De term ‘maatregelen’ duidt immers tegelijkertijd op kordaat en effectief optreden. Daarom was het niet echt overtuigend toen het Gerechtshof Amsterdam in 2007, geconfronteerd met een beroep op artikel 22 Grondwet omdat adequate wetgeving ter bescherming tegen bacteriële besmetting ontbrak, mededeelde dat deze ‘instructienorm’ niet rechtstreeks voor de rechter kon worden ingeroepen.[10] Toen de Nationale ombudsman, twaalf jaar eerder, in 1995, te maken kreeg met het ontbreken van wetgeving om het gevaar van besmetting door ziektekiemen te keren, ontvouwde hij een andere visie op artikel 22, eerste lid. Hij stelde vast dat aan de opdracht van artikel 22 onvoldoende inhoud was gegeven. Hoewel de overheid al eind 1984/begin 1985 goed op de hoogte was van de gevaren van aidsbesmetting door Nederlandse bloedproducten, liet zij na actief te zoeken naar mogelijkheden om de risico’s voor hemofiliepatiënten die met die producten werden behandeld, zoveel mogelijk te beperken.[11] Recent boog de Nationale ombudsman zich opnieuw over het vraagstuk van de medische zorg. In het rapport ‘Medische zorg vreemdelingen. Over toegang en continuïteit van medische zorg voor asielzoekers en uitgeprocedeerde asielzoekers’ van 3 oktober 2013 stelde hij vast dat asielzoekers niet altijd terechtkunnen bij een huisarts of in het ziekenhuis en dat het vooral fout gaat bij asielzoekers die op straat leven. Hij wees er bij het recht op medisch noodzakelijke zorg van deze ‘ongedocumenteerden’ op dat ‘[d]it recht is vastgelegd in het Internationale Verdrag inzake Economische, Sociale en Culturele Rechten (artikel 12), dat is geratificeerd door de Nederlandse regering’.[12] Artikel 22 Grondwet bleef hier onvermeld. Het rapport is in te zien via http://www.nationaleombudsman.nl/rapporten/2013/125#.

3. Het recht op gezondheid in het
    internationale recht

Allereerst verdient hier het recht van de International Labour Organisation (ILO) vermelding want het is in dit kader dat zich het enige, dus volstrekt unieke, geval heeft voorgedaan dat de Nederlandse rechter (een aspect van) het internationale recht op gezondheid rechtstreekse werking toekende. Er werd zelfs een schending vastgesteld: in 1996 sprak de Centrale Raad van Beroep (CRvB) uit dat ILO-verdrag 102 ten onrechte niet in acht was genomen.[13] Dit verdrag behelst een verbod tot het heffen van een eigen bijdrage in de kosten ter zake van kraamzorg, wanneer de bevalling om medische redenen in het ziekenhuis heeft plaatsgevonden. De CRvB stelde vast dat het Comité van Deskundigen van de ILO de Nederlandse regering tot driemaal toe over de werking van dit verbod had voorgelicht en dat de regering het wettelijke voorschrift dat een eigen bijdrage voorschreef inmiddels had ingetrokken. Daarom leek er weinig aan in de weg te staan om als rechter consequenties te verbinden aan het verbod. Toch veroorzaakte het rechterlijke oordeel nogal wat opschudding. De regering besloot over te gaan tot opzegging van Deel VI van de Europese Code inzake sociale zekerheid, een met ILO-verdrag 102 te vergelijken regeling, maar gelukkig weigerde de Tweede Kamer deze opzegging goed te keuren.[14]
 
Het recht op gezondheid ondervindt vanuit verschillende internationale instrumenten bescherming. Op Europees niveau gaan de gedachten meteen uit naar artikel 11 van het Europees Sociaal Handvest (ESH) waarin het recht op bescherming van de gezondheid is neergelegd. Hoewel het recht in artikel 11 vrij bondig is geformuleerd, verplicht het tot een heel pakket aan maatregelen. Een verduidelijking van de inhoud van artikel 11 is te vinden op de website van de Raad van Europa: http://www.coe.int/t/dghl/monitoring/socialcharter/Theme%20factsheets/FactsheetHealth_en.pdf. Naast het ESH valt te wijzen op het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie dat in artikel 35 een recht op gezondheidszorg garandeert. Artikel 35 kan mensen overigens op het verkeerde been zetten. Het wekt de indruk dat het recht op gezondheid moet worden opgevat als en dus identiek is aan het recht op gezondheidszorg. Het recht op gezondheid omvat echter veel meer. Dit blijkt al uit artikel 11 ESH dat de lidstaten er met zoveel woorden ook toe verplicht om voorzieningen te treffen op het terrein van voorlichting en onderwijs. Maar het recht op gezondheid is nog ruimer. Het houdt ook nadrukkelijk het recht in op voorwaarden voor gezondheid zoals toegang tot zuiver drinkwater en gezonde voeding en tot goede huisvesting en degelijke sanitaire voorzieningen. Dat wordt meteen duidelijk wanneer de verdragen van de Verenigde Naties in de beschouwing worden betrokken. Het gaat dan om artikel 12 van het IVESCR dat een tamelijk gedetailleerde opsomming geeft van de maatregelen die nodig zijn om tot een algehele verwezenlijking van het recht te komen, en artikel 24 van het Verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK) dat artikel 12 IVESCR in de nadere specificatie van de maatregelen zelfs nog overtreft. De toezichthoudende internationale instanties van het IVESCR en het IVRK besteden uitgebreid aandacht aan de vraag hoe het recht op gezondheid moet worden omschreven en afgebakend.[15] Het VN Comité inzake Economische, Sociale en Culturele Rechten licht in General Comment 14 de inhoud van artikel 12 IVESCR nader toe. Dit document is te raadplegen op de website van de Verenigde Naties: http://tbinternet.ohchr.org/_layouts/treatybodyexternal/TBSearch.aspx?Lang=en&TreatyID=9&DocTypeID=11. Volgens het Comité blijkt zowel uit de wetshistorie als de tekst van artikel 12, tweede lid, ‘that the right to health embraces a wide range of socio economic factors that promote conditions in which people can lead a healthy life, and extends to the underlying determinants of health, such as food and nutrition, housing, access to safe and potable water and adequate sanitation, safe and healthy working conditions, and a healthy environment.’[16] Ook in het kader van artikel 24 IVRK wordt een ruime omschrijving van het recht op gezondheid gehanteerd.[17] Het VN Kinderrechten Comité voorziet dit artikel van commentaar in General Comment 15, een document dat eveneens te raadplegen valt op de website van de Verenigde Naties: http://www2.ohchr.org/english/bodies/crc/comments.htm. Het beschouwt het recht op gezondheid van kinderen als ‘an inclusive right, extending not only to timely and appropriate prevention, health promotion, curative, rehabilitative and palliative services, but also to a right to grow and develop to their full potential and live in conditions that enable them to attain the highest standard of health through the implementation of programmes that address the underlying determinants of health.’[18]
 
Nu is het recht op gezondheid weliswaar uitgebreid gecodificeerd in artikel 12 IVESCR terwijl het VN Comité in par. 59 van General Comment 14 ook nog eens opmerkt:[19] ‘Any person or group victim of a violation of the right to health should have access to effective judicial or other appropriate remedies at both national and international levels’, daar staat tegenover dat het recht in de Nederlandse rechtspraak consequent rechtstreekse werking wordt onthouden.[20]Bij de rechter kan dus geen rechtstreeks beroep op artikel 12 worden gedaan. Overigens veroorzaakte een vonnis van de Kantonrechter Maastricht in 2008 enige ophef.[21] In deze zaak werd een vrouw vanwege wanbetaling afgesloten van de watervoorziening. De Kantonrechter vond de afsluiting onrechtmatig en wees erop dat ‘het recht  op water’ werd gefrustreerd. De Kantonrechter merkte op: ‘Dit recht is besloten in reeds lang gecodificeerde en door Nederland erkende rechten, met name het recht op een adequate levensstandaard en het recht op gezondheid (respectievelijk artikel 11 en 12 van het Internationaal Verdrag inzake Economische, Sociale en Culturele Rechten). Erkenning van het recht op water en sanitatie is dus een explicitering van dit element van bestaande rechten. Daarenboven heeft Nederland op de zevende zitting van de Mensenrechtenraad (3 tot 28 maart 2008) te Geneve het recht op water en sanitatie als mensenrecht erkend.’ De vraag of de artikelen 11 en 12 IVESCR wel rechtstreekse werking hadden, dat wil zeggen, als ‘een ieder verbindend’ konden worden beschouwd in de zin van de artikelen 93 en 94 Grondwet, liet de Kantonrechter rusten. Wie meende dat deze zaak de rechtstreekse werking van artikel 12 IVESCR inluidde, kreeg twee jaar later een teleurstelling te verduren. Het vonnis sneuvelde in hoger beroep. In 2010 oordeelde het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch[22] ‘dat noch uit de artikelen 11 en 12 van het Internationaal Verdrag inzake Economische, Sociale en Culturele Rechten (IVESC), noch uit andere door Nederland erkende verdragen of internationale rechtsbronnen, een absoluut recht op water - ook zonder daartegenoverstaande betaling - kan worden afgeleid.’ Het voegde er aan toe: ‘Nog daargelaten of de artikelen 11 en 12 IVESC een ieder verbindende bepalingen in de zin van artikel 93 Grondwet zijn (…).’ Wie het jammer vindt dat de rechtstreekse werking van artikel 12 IVESCR door de Nederlandse rechter zo gemakkelijk en zo consequent wordt ontkend kan enige troost putten uit de omstandigheid dat artikel 12 wel indirect van betekenis kan zijn en wel via het recht op privacy van artikel 8 EVRM. In 2010 overwoog de CRvB nadrukkelijk dat artikel 12 IVESCR ‘in voorkomende gevallen een rol [kan] spelen bij de uitleg van het EVRM.’[23] Op de betekenis van het EVRM zal hieronder nader worden ingegaan.
 
Artikel 24 IVRK deelt het lot van artikel 12 IVESCR. In 2007 gaf de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) expliciet te kennen dat artikel 24 zich, gelet op bewoordingen, aard en strekking, niet leent voor rechtstreekse toepassing door de rechter.[24] In een andere uitspraak uit datzelfde jaar bleek ze zich overigens ook goed te kunnen vinden in het standpunt van de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie dat met artikel 24 IVRK niet wordt ‘beoogd een uitbreiding te geven aan de verplichtingen die uit artikel 8 van het EVRM voortvloeien’.[25] Doek en Spronk concluderen dat op grond van dergelijke uitspraken mag worden aangenomen dat schending van het recht op gezondheid niet met succes aan een rechterlijke toetsing kan worden onderworpen. Terecht werpen zij vervolgens de vraag op ‘of dit onder alle omstandigheden het geval zal zijn, bijvoorbeeld als het gaat om een zeer ernstige schending of als er sprake is van ernstige en bijzondere omstandigheden (…).’[26] Maar of zulke omstandigheden tot rechtstreekse werking van artikel 24 zullen leiden valt te betwijfelen. Het ligt meer voor de hand om te veronderstellen dat artikel 8 EVRM dan geschonden wordt geacht. Er is dus alle reden om bij de bespreking van het internationale recht op gezondheid vooral ook aandacht te besteden aan het EVRM. Het recht op gezondheid mag dan wel niet als zodanig in het EVRM zijn neergelegd, aspecten van dit recht kunnen niettemin onder de noemer van bepaalde andere rechten aan de orde komen. Het gaat dan vooral om het recht op leven van artikel 2, het verbod op foltering en onmenselijke behandeling van artikel 3 en het recht op privacy van artikel 8 EVRM.
 
Wanneer het erom gaat of aan de rechten in het EVRM aanspraken vallen te ontlenen op zorg of voorzieningen in verband met ziekte of handicap dient allereerst aandacht te worden besteed aan personen waar de overheid een bijzondere verantwoordelijkheid voor draagt, te weten, personen in detentie. Aangezien de gedetineerden zelf volledig zijn beroofd van de mogelijkheid om de hulp van een arts of een andere medische beroepsoefenaar in te schakelen laat de vaststelling van een schending vanwege nalatigheid van overheidswege zich hier verreweg het gemakkelijkst voorstellen. De eisen liggen hoog.[27] Het EHRM heeft dan ook een reeks uitspraken gedaan waarin het vanwege een gebrek aan medische zorg tot een schending van het EVRM concludeerde. Wanneer de gedetineerde kwam te overlijden werd in zulke gevallen het recht op leven van artikel 2 geschonden[28] en zaken met minder dramatische gevolgen betroffen dan het verbod op foltering en onmenselijke behandeling van artikel 3 EVRM.[29] In verband met deze artikelen uit het EVRM mag de kwestie Dolmatov niet onvermeld blijven. Deze Russische asielzoeker beroofde zich op 17 januari 2013 in zijn cel in het Detentiecentrum Rotterdam van het leven. In het rapport ‘Het overlijden van Alexander Dolmatov’ komt de Inspectie van Veiligheid en Justitie ‘tot het oordeel dat er op verschillende momenten door verschillende organisaties in de vreemdelingenketen onzorgvuldig is gehandeld. Dit geldt ook voor hen die betrokken zijn bij de aan de heer Dolmatov na zijn inbewaringstelling geboden juridische bijstand en medische zorg. De Inspectie kan niet beoordelen of zorgvuldiger handelen door de Nederlandse overheid uiteindelijk tot een andere afloop had geleid. Wel stelt zij vast dat Dolmatov ten onrechte in vreemdelingenbewaring is gesteld, dat er ten aanzien van de verleende rechtsbijstand niet conform wet- en regelgeving is gehandeld en dat de verstrekte medische zorg tekort is geschoten.’ Het rapport kan worden geraadpleegd op http://www.ivenj.nl/actueel/inspectierapporten/rapport-het-overlijden-van-alexander-dolmatov.aspx?cp=131&cs=64448. In het rapport ‘Medische zorg vreemdelingen. Over toegang en continuïteit van medische zorg voor asielzoekers en uitgeprocedeerde asielzoekers’ van 3 oktober 2013 constateert de Nationale ombudsman dat na eerdere incidenten zoals de kwestie Dolmatov bij vreemdelingendetentie voortaan ieder gezondheidsrisico wordt vermeden en hij doet de aanbeveling om de toegang tot zorg voor vreemdelingen in detentie te verbeteren door bijvoorbeeld zelfzorgmedicatie, zoals paracetamol en hoestdrank, op cel toe te staan, ze te informeren over geplande onderzoeken of behandelingen buiten het detentiecentrum en ze alleen geboeid te vervoeren als dat nodig is.[30] Dit rapport is te raadplegen via http://www.nationaleombudsman.nl/rapporten/2013/125#.
 
Buiten de context van detentie zijn schendingen van het EVRM omdat medische zorg of een medische voorziening wordt onthouden, zeldzaam. In verband met het recht op leven van artikel 2 verdient de zaak Cyprus tegen Turkije vermelding. In het arrest dat in 2001 werd gewezen,[31] merkt het EHRM op dat artikel 2 in het geding komt wanneer vaststaat dat een lidstaat het leven van een burger op spel zet door het de gezondheidszorg te onthouden die de bevolking in het algemeen ter beschikking is gesteld. Schending van artikel 2 werd toen echter niet aangenomen. Ook van het verbod op foltering en onmenselijke behandeling van artikel 3 laat zich onder omstandigheden een schending voorstellen. Is iemand ‘wholly dependent on State support’ en wordt hij geconfronteerd ‘with official indifference when in a situation of serious deprivation or want incompatible with human dignity’ dan sluit het EHRM staatsaansprakelijkheid onder artikel 3 EVRM niet uit.[32] Maar uit de jurisprudentie van het EHRM zijn daarvan in de sfeer van het onthouden van medische zorg vooralsnog geen voorbeelden bekend.[33] Voor het recht op privacy van artikel 8 EVRM geldt hetzelfde.[34] Het EHRM houdt de mogelijkheid van een schending principieel open maar laat de lidstaat bij de beslissing op het punt van de medische zorg steeds een ruime ‘margin of appreciation’, dat wil zeggen, een grote beoordelingsvrijheid. In de kwestie Pentiacova wordt bijvoorbeeld geklaagd over onvoldoende financiële ondersteuning bij de behandeling van een ernstige nierziekte en het EHRM wijst er op dat het stelsel van gezondheidszorg inmiddels is verbeterd.[35] In de Nederlandse kwestie Sentges betreft het een kind dat aan een ernstige spierziekte lijdt en vergeefs om een robotarm verzoekt.[36] Juist omdat het EHRM de lidstaten zo’n ruime beslissingsmarge laat is de positie van de Nederlandse rechter van groot gewicht. In 2008 stelde de CRvB zich principieel op het standpunt dat artikel 8 EVM ‘onder omstandigheden ook inherente positieve verplichtingen [kan] meebrengen die noodzakelijk zijn voor een effectieve waarborg van het recht op privé-leven. Daarbij hebben kinderen en andere kwetsbare personen in het bijzonder recht op bescherming.’[37] In latere jurisprudentie maakte de CRvB duidelijk dat zulke bescherming ook betrekking kon hebben op de gezondheid. Er werd bijvoorbeeld overwogen dat het recht op gezondheid van artikel 12 IVESCR van belang kon zijn voor de uitleg van artikel 8 EVRM.[38] Voor zover bekend is er door de Nederlandse rechter tot nu toe nog geen schending van artikel 8 EVRM aangenomen omdat de zorg in verband met ziekte of handicap ontbrak of te zeer te wensen overliet.
 
Tot slot vloeien er uit het EVRM nog eisen voort met betrekking tot de inrichting van het stelsel van gezondheidszorg. Zo moet de lidstaat er ingevolge het recht op leven van artikel 2 via wetgeving voor zorgen dat het leven van een patiënt wordt beschermd tegen medische nalatigheid en dat artsen die zich schuldig maken aan nalatigheid door de nabestaanden voor het overlijden aansprakelijk kunnen worden gesteld.[39] In 2010 achtte het EHRM artikel 2 geschonden omdat een kind via bloedtransfusie met aids werd besmet en oordeelde het dat het kind als schadevergoeding heel zijn leven lang kosteloos moest worden behandeld.[40] Het recht op privacy van artikel 8 schrijft voor dat de lichamelijke integriteit van de patiënt wordt beschermd tegen medische blunders en dat de arts zo nodig aansprakelijk kan worden gesteld.[41] Daarnaast brengt artikel 8 met zich mee dat ingrijpende operaties uitsluitend mogen plaatsvinden op basis van ‘informed consent’, dat wil zeggen, toestemming die de patiënt verleent na eerst fatsoenlijk over de risico’s te zijn voorgelicht,[42] of dat bij ingrijpende beslissingen betreffende de behandeling van een kind toestemming wordt verkregen van de ouder.[43]

4. Het recht op huisvesting van artikel
    22, tweede lid, Grondwet

Het recht op huisvesting,[44] neergelegd in het tweede lid van artikel 22, is onmiskenbaar verwant aan het huisrecht dat wordt beschermd door artikel 12 van de Grondwet. Dit huisrecht is weer een verbijzondering van het recht op privacy van artikel 10 Grondwet. De verwantschap met deze klassieke rechten maakt duidelijk dat ook in het recht op huisvesting onthoudingsplichten voor overheid besloten liggen. Deze vaststelling strookt met wat te leren valt uit de typologie van verplichtingen. In het kader van het recht op huisvesting heeft de onthoudingsplicht betrekking op gedwongen uitzettingen uit de woning of op ernstige verstoringen van het woongenot. In het tweede lid van artikel 22 Grondwet wordt deze onthoudingsplicht voor de overheid jammer genoeg niet expliciet verwoord. Net als bij het eerste lid ligt de te respecteren vrijheid als beginsel besloten in het woord ‘bevordering’.
 
Meer nog dan bij het eerste lid dat zich van de clausule ‘treft maatregelen’ bedient, lijkt bij het tweede lid van artikel 22 vanwege de uitdrukking ‘voorwerp van zorg’ het oog vooral gericht op algemene zorgverplichtingen in de vorm van beleidsvoering op de langere termijn, een aangelegenheid waarbij de overheid een zeer ruime beleidsvrijheid toekomt en politieke overwegingen van velerlei aard doorslaggevend zijn. Binnen de typologie van verplichtingen wordt dan gesproken van ‘obligations to promote’. Maar hoe open dergelijke zorgverplichtingen in beginsel ook mogen zijn, een bepaalde normering valt allesbehalve uit te sluiten. Dat is ook bij artikel 22, tweede lid, het geval. In de memorie van toelichting bij de grondwetsbepaling verwoordt de regering deze nadere normering op het vlak van het huisvestingsbeleid als volgt:[45] ‘Onder “voldoende woongelegenheid” is niet alleen te verstaan een voldoende aantal woningen. De term heeft mede betrekking op het volume, de kwaliteit, de veiligheid, de gezondheid etc. van de woningen.’ Er geldt dus ‘zowel een kwalitatieve als een kwantitatieve taakstelling’, merkt de regering op wanneer ze in de memorie van antwoord nadere uitleg verschaft.[46]
 
De nadere uitleg in de memorie van antwoord is ook om een andere reden bijzonder relevant. De regering stelt eveneens dat de uitdrukking ‘voldoende woongelegenheid’ naar haar oordeel inhoudt ‘dat het beleid er op gericht moet zijn, dat slechts in noodgevallen een situatie van onvoldoende aantal wooneenheden mag bestaan.’[47] Volgens deze toelichting biedt de grondwetsbepaling dus tevens aanknopingspunten voor concrete zorgplichten, dus voor ‘obligations to ensure’. Daarom maakt de rechtbank Maastricht er zich in 2008 wel erg gemakkelijk van af wanneer wordt opgemerkt dat artikel 22, tweede lid, ‘slechts een aansporing’ aan het adres van de overheid bevat.[48] De Nederlandse rechter heeft in ieder geval een keer geoordeeld dat de overheid in het kader van het tweede lid van artikel 22 een concrete zorgverplichting veronachtzaamde.[49] In 1991 sprak de rechtbank Utrecht uit dat een gemeente die woningen verhuurde uit een eigen woningbestand weliswaar over zeer ruime beleidsvrijheid beschikte maar dat in het onderhavige geval de weigering niet als redelijk kon worden beschouwd. Het betrof een ‘echt noodgeval’.[50] Een moeder met drie kinderen had al bijna anderhalf jaar geen eigen woonruimte meer. Sinds enige tijd moest de moeder zelf dagelijks naar het ziekenhuis om te worden bestraald en ten aanzien van het oudste kind was een behandeling op de afdeling Kinderpsychiatrie van het ziekenhuis geïndiceerd. In verband met dit soort concrete zorgplichten verdient nog de daklozenproblematiek speciale aandacht. In Nederland geldt een wettelijke verplichting tot ‘maatschappelijk opvang’, dat wil zeggen, het bieden van tijdelijk verblijf aan mensen zonder dak boven hun hoofd. Het wettelijke kader voor die maatschappelijke opvang bestaat uit de Wet Maatschappelijke Ondersteuning (WMO) die van kracht is sinds 1 januari 2007. Het is nadrukkelijk het uitgangspunt dat mensen die in Nederland wonen en maatschappelijke opvang nodig hebben, altijd opgevangen moeten kunnen worden. Dit uitgangspunt dat ook wel de landelijke toegankelijkheid van de maatschappelijke opvang wordt genoemd, ligt verankerd in artikel 20, zesde lid, WMO: ‘De door gemeenten (…) bekostigde voorzieningen op het terrein van maatschappelijke opvang (…) zijn toegankelijk voor iedereen die in Nederland woont.’ Om de maatschappelijke opvang binnen het kader van de WMO in goede banen te leiden, zijn 43 centrumgemeenten verantwoordelijk gemaakt voor de uitvoering van een samenhangend aanbod aan maatschappelijke opvang. Deze centrumgemeenten ontvangen hiervoor specifieke uitkeringen van het Rijk. Meer informatie over de maatschappelijke opvang is te vinden op www.opvang.nl. Helaas blijken steden in strijd met het regime van de WMO daklozen van elders uit de opvang te weren. Dit meldt de staatssecretaris van Volksgezondheid Van Rijn op 2 september 2013 aan de Tweede Kamer en wel op basis van een onderzoek door het Trimbos instituut. Zie:
http://nos.nl/artikel/547237-gemeente-laat-dakloze-in-de-steek.html.

5. Het recht op huisvesting in het internationale
    recht

De typologie van verplichtingen leert dat het internationale recht op huisvesting uitgesproken onthoudingsplichten aan de overheid oplegt. De overheid mag niet zo maar overgaan tot uitzettingen uit de woning. Het VN Comité inzake economische, sociale en culturele rechten heeft General Comment 7 speciaal gewijd aan deze onthoudingsplicht, besloten in het recht op adequate huisvesting van artikel 11 IVESCR. Het commentaar is te raadplegen op de website van de Verenigde Naties:
http://tbinternet.ohchr.org/_layouts/treatybodyexternal/TBSearch.aspx?Lang=en&TreatyID=9&DocTypeID=11. Het Comité geeft aan dat ‘[i]n cases where eviction is considered tob e justified, it should be carried out in strict compliance with the relevant provisions of international human rights law and in accordance with general principles of reasonableness and proportionality.’[51] Daarbij wijst het in het bijzonder op het regime dat voortvloeit uit het recht op privacy van artikel 17 IVBPR. Daarnaast vraagt natuurlijk vooral ook het recht op privacy van artikel 8 EVRM aandacht. Anders dan artikel 17 IVBPR bevat artikel 8 een uitgewerkte beperkingsclausule. Daarbij dient voorts te worden bedacht dat de toets aan deze beperkingsclausule volgens het EHRM bij uitzettingen uit de woning met zich brengt dat tevens aandacht moet worden besteed aan de ‘procedural safeguards available to the individual’: ‘In particular, the Court must examine whether the decision-making process leading to measures of interference was fair and such as to afford due respect to the interests safeguarded to the individual by Article 8 (…).’[52] In General Comment 7 vestigt ook het VN Comité inzake Economische, Sociale en Culturele Rechten uitgebreid de aandacht op de eis van ‘appropriate procedural protection’.[53]
 
Naast deze ‘normale’ onthoudingsplicht vloeien er uit het internationale recht op adequate huisvesting nog bijzondere ‘onthoudingsplichten’ voor de overheid voort.  Centraal staat dan de gezondheid van de woningen. Wanneer het VN Comité inzake Economische, Sociale en Culturele Rechten in General Comment 4 een algemene toelichting geeft op het recht op adequate huisvesting van artikel 11 IVESCR, wijst het met klem op het aspect van de gezondheid:[54] ‘[H]ousing should not be built on polluted sites nor in immediate proximity to pollution sources that threaten the right to health of the inhabitants.’ Dit commentaar kan worden ingezien via: http://www.unhchr.ch/tbs/doc.nsf/(Symbol)/469f4d91a9378221c12563ed0053547e?Opendocument. Er mogen van overheidswege geen huizen worden gebouwd op vervuilde grond. Tegelijkertijd legt deze kant van het recht op huisvesting de overheid een heel concrete zorgverplichting op: de overheid moet er ook op toezien dat er door particulieren als woningcorporaties en projectontwikkelaars geen woningen worden gebouwd op vervuilde grond.   
 
Bij de concrete zorgverplichtingen, anders gezegd de ‘obligations to ensure’, die bij het recht op huisvesting om de hoek komen kijken, gaan de gedachten in het bijzonder uit naar de plicht om als overheid om voor individuen in bepaalde concrete noodsituaties voor huisvesting te zorgen. Deze verplichting manifesteert zich het krachtigst onder het EVRM en wel in twee rechten, het recht op privacy van artikel 8 EVRM en het verbod op foltering en onmenselijke behandeling van artikel 3 EVRM.[55] Dat volgens het EHRM aan artikel 8 EVRM in bijzondere omstandigheden aanspraak op een voorziening valt te ontlenen kwam al aan de orde bij de bespreking van het internationale recht op gezondheid in paragraaf 3. Op het punt van de huisvesting dient allereerst te worden gewezen op de kwestie Marzari. Wanneer een zwaar gehandicapte man klaagt over een schending van artikel 8 omdat hem geen aangepaste huisvesting ter beschikking werd gesteld, overweegt het EHRM:[56] ‘[A]lthough Article 8 does not guarantee the right to have one’s housing problem solved by the authorities, a refusal of the authorities to provide assistance in this respect to an individual suffering from a severe disease might in certain circumstances raise an issue under Article 8 of the Convention because of the impact of such refusal on the private life of the individual. The Court recalls in this respect that, while the essential object of Article 8 is to protect the individual against arbitrary interference by public authorities, this provision does not merely compel the State to abstain from such interference: in addition to this negative undertaking, there may be positive obligations inherent in effective respect for private life. A State has obligations of this type where there is a direct and immediate link between the measures sought by an applicant and the latter’s private life (…).’ Vervolgens blijkt de klacht ongegrond te zijn omdat Marzari de huisvesting die werd voorgesteld heeft afgewezen.
 
De plicht om in een concreet geval huisvesting te verzekeren heeft niet alleen betrekking op mensen met een handicap of  gezondheidsproblemen. De plicht is ruimer. In het recente arrest Yordanova and Others v. Bulgaria verwoordt het EHRM het als volgt:[57] ‘Article 8 does not in terms give a right to be provided with a home (…) and, accordingly, any positive obligation to house the homeless must be limited (…). However, an obligation to secure shelter to particularly vulnerable individuals may flow from Article 8 of the Convention in exceptional cases (…).’ Tegelijkertijd maakt dit arrest duidelijk dat het EHRM dat het terughoudendheid betracht bij het aannemen van een schending op dit vlak. Boven, in paragraaf 3, werd al aangegeven dat daarom de positie van de Nederlandse rechter extra belangrijk is en dat volgens de Nederlandse rechter kinderen en andere kwetsbare personen op grond van artikel 8 EVRM in het bijzonder recht hebben op bescherming.[58] Op de oordeelsvorming van de Nederlandse rechter over artikel 8 en het verschaffen van huisvesting wordt straks ingegaan. Hier worden de schijnwerpers eerst nog gericht op artikel 3 EVRM en de geruchtmakende zaak M.S.S. v. Belgium and Greece.[59] In dit arrest oordeelt het EHRM dat Griekenland artikel 3 EVRM schendt door een asielzoeker aan zijn lot over te laten zodat hij in uiterst armoedige omstandigheden moet leven. Bij de vaststelling van deze schending neemt het EHRM in overweging dat Griekenland de wettelijke minimumnormen die het zelf op grond van een richtlijn van de Europese Unie heeft vastgesteld, met voeten treedt.

De jurisprudentie van de Nederlandse rechter over artikel 8 EVRM en het verschaffen van huisvesting is vooral in gang gezet door de oordeelsvorming van het Europees Comité voor Sociale Rechten (ECSR) dat toeziet op de naleving van het ESH en bij wie groepsklachten kunnen worden ingediend. Op 27 oktober 2009 doet in verband met het recht op huisvesting een oordeel van het ESCR flink wat stof opwaaien. Het is van mening dat Nederland de artikelen 17 en 31 ESH schendt door kinderen van uitgeprocedeerde asielzoekers op straat te zetten.[60] Nu is het ECSR weliswaar geen rechter die een juridisch bindende uitspraak wijst terwijl het ESH bovendien door de bank genomen geen rechtstreekse werking wordt verleend zodat er ten overstaan van de Nederlandse rechter geen beroep op kan worden gedaan, daar staat echter tegenover dat het ECSR wel degelijk een gezaghebbende instantie van de Raad van Europa is en diens oordeelsvorming stevig gewicht in de schaal behoort te leggen. De Nederlandse rechter heeft het oordeel van het ECSR overgenomen maar dan opgehangen aan een positieve verplichting, voortvloeiend uit het recht op privacy van artikel 8 EVRM.[61]
 
Op 25 oktober 2013 veroorzaakt het ECSR opnieuw de nodige ophef. Naar aanleiding van een klacht die op 1 juli 2013 ontvankelijk werd verklaard en betrekking heeft op het gebrek aan opvang van uitgeprocedeerde asielzoekers,[62] spoort het de Nederlandse regering in een voorlopig oordeel aan tot het nemen van ‘all possible measures with a view to avoiding serious, irreparable injury to the integrity of persons at immediate risk of destitution, through the implementation of a co-ordinated approach at national and municipal levels with a view to ensuring that their basic needs (shelter, clothes and food) are met (…).’ Tot er een definitieve uitspraak is moet de overheid deze uitgeprocedeerde asielzoekers in Nederland dus voorzien van eten, kleding en onderdak. Zie: http://nos.nl/artikel/569362-comite-keurt-asielbeleid-af.html.
De staatssecretaris van Veiligheid en Justitie Teeven is niet blij met dit voorlopige oordeel. Hij noemt het zelfs ‘buitengewoon onwenselijk’. Zie: http://www.elsevier.nl/Politiek/nieuws/2013/10/Teeven-niet-blij-met-opmerking-Raad-van-Europa-over-illegalen-1401471W/.

6. Het recht op culturele ontplooiing van
    artikel 22, derde lid, Grondwet

Het recht op culturele ontplooiing, neergelegd in het derde lid, hangt ten nauwste samen met de vrijheid van meningsuiting van artikel 7 Grondwet. Dit laat mooi zien hoe ook in het derde lid van artikel 22, conform de typologie van verplichtingen, als beginsel een vrijheidsrecht met bijbehorende onthoudingsplicht voor de overheid besloten ligt. Deze onthoudingsplicht spreekt uit de formule ‘voorwaarden scheppen’. Deze formule drukt uit dat de overheid slechts mogelijkheden voor de burgers mag creëren, ze mag geen (bepaalde) culturele interesse opdringen. In de memorie van toelichting bij de grondwetsherziening merkt de regering hierover op:[63] ‘Het spreekt vanzelf dat ieder zelf behoort te kunnen beslissen (...) aan welke cultuuruitingen hij wil deelnemen.’
 
Het begrip ‘cultuur’ valt moeilijk af te bakenen. Vooral de afgrenzing naar de ‘vrijetijdsbesteding’ levert problemen op. In de visie van de regering kan er een onderscheid worden gemaakt door de klemtoon te leggen op ‘de ontplooiende elementen’ van het begrip cultuur.[64] Zulke ‘ontplooiende’ elementen zouden bij louter ‘vrijetijdsbesteding’ ontbreken. Tegelijkertijd geeft de regering echter toe dat het onderscheid vaag blijft. In de literatuur is voorgesteld om onder ‘cultuur’ in de zin van artikel 22 te verstaan: ‘alle uitingen van een beschaving die niet tot onmiddellijk praktisch nut dienen’. Deze omschrijving omvat niet alleen professionele kunst en literatuur maar bijvoorbeeld ook volkskunst, carnaval en andere activiteiten die dicht tegen vrijetijdsbesteding aanleunen. De omschrijving is zo ruim met het oog op het vrijheidsrecht. Gaat het om de zorgverplichtingen dan dient de overheid de beschikbare middelen verantwoord aan te wenden en de prioriteit te leggen bij professionele kunstbeoefening met een beperkt draagvlak in de samenleving. Op dit punt wordt dan conform de tekst van artikel 15 IVESCR eerder aansluiting gezocht bij de wetenschapsbeoefening dan bij de vrijetijdsbesteding.[65] Tegen deze visie kan echter worden ingebracht dat de regering met een beroep op de Intergouvernementele Conferentie inzake het cultuurbeleid van UNESCO onder ‘cultuur’ in de zin van artikel 15 IVESCR mede vormen van sport en recreatie verstaat. Het begrip zou eveneens allerlei vormen van maatschappelijke ontplooiing zoals samenlevingsopbouw en zelfs ook natuur- en landschapsbescherming omvatten.[66] In de volgende paragraaf wordt nader ingegaan op een dergelijke brede omschrijving van het begrip ‘cultuur’.

7. Het recht op culturele ontplooiing in
    het internationale recht

Op internationaal niveau trekt in het kader van het recht op culturele ontplooiing vooral artikel 15 IVESCR de aandacht. Deze verdragsbepaling verankert diverse culturele rechten. Het eerste lid garandeert onder a het recht om deel te nemen aan het culturele leven, onder b het recht om de voordelen te genieten van de wetenschappelijke vooruitgang en de toepassing daarvan en onder c het recht om als schepper de geestelijke en stoffelijke voordelen te genieten van wetenschappelijk, literair of artistiek werk. Het derde lid beschermt de wetenschapsvrijheid en de kunstvrijheid. Deze rechten die teruggaan op artikel 27 van de Universele Verklaring van de mens, vormen een geïntegreerd onderdeel van het rechtenpakket in de mensenrechtenverdragen. Er is een intrinsieke samenhang met rechten als de vrijheid van meningsuiting van de artikelen 10 EVRM en 19 IVBPR, de vrijheid van onderwijs van de artikelen 2 Eerste Protocol EVRM en 13 en 14 IVESCR, de godsdienstvrijheid van de artikelen 9 EVRM en 18 IVBPR, de verenigingsvrijheid van de artikelen 11 EVRM en 21 IVBPR of het zelfbeschikkingsrecht van volken van de artikelen 1 IVESCR en 1 IVBPR. Volgens het VN Comité inzake Economische, Sociale en Culturele Rechten zijn de culturele rechten van artikel 15 dan ook, net als zulke andere mensenrechten, ‘essential for the maintenance of human dignity and positive social interaction between individuals and communities in a diverse and multicultural world.’ Dit standpunt verkondigt het Comité nadrukkelijk wanneer het in General Comment 14 een toelichting geeft op het recht om deel te nemen aan het culturele leven, verankerd in artikel 15, eerste lid, IVESCR.[67] Het commentaar is te raadplegen op de website van de Verenigde Naties:
http://tbinternet.ohchr.org/_layouts/treatybodyexternal/TBSearch.aspx?Lang=en&TreatyID=9&DocTypeID=11.
 
Tegelijkertijd maakt General Comment 14 duidelijk dat in het kader van artikel 15 het begrip ‘cultuur’ allerminst beperkt mag worden opgevat. Het Comité stelt:[68] ‘[C]ulture is a broad, inclusive concept encompassing all manifestations of human existence. The expression “cultural life” is an explicit reference to culture as a living process, historical, dynamic and evolving, with a past, a present and a future.’ Onder ‘cultuur’ verstaat het dan ook onder meer ‘ways of life, language, oral and written literature, music and song, non-verbal communication, religion or belief systems, rites and ceremonies, sport and games, methods of production or technology, natural and man-made environments, food, clothing and shelter and the arts, customs and traditions through which individuals, groups of individuals and communities express their humanity and the meaning they give to their existence, and build their world view representing their encounter with the external forces affecting their lives.’[69] Inherent aan een dergelijk breed cultuurbegrip is de manifestatie van een bepaalde diversiteit en daarom strekken de culturele rechten zich ook expliciet uit over de rechten van minderheden en de rechten van individuen die tot minderheden behoren.[70] Daar mag echter niet uit worden geconcludeerd alle tradities zonder meer bescherming ondervinden van artikel 15. De intrinsieke verwevenheid met alle andere mensenrechten brengt mee dat gewoonten en praktijken die schadelijk zijn voor het welzijn van individuen of groepen zoals vrouwenbesnijdenis niet met een beroep op artikel 15 te rechtvaardigen vallen. Het Comité stelt zich juist op het standpunt dat de overheid het recht op deelname aan het culturele leven schendt wanneer zij het nalaat om zulke schadelijke praktijken te bestrijden.[71] 
 
In dit kader kan niet voorbij worden gegaan aan het felle debat dat zich in het najaar van 2013 ontspon rond de vraag of Zwarte Piet, de Moorse knecht die in 1848 door Jan Schenkman in het boek ‘Sint Nicolaas en zijn knecht’ werd geïntroduceerd, racistisch is. Zowel voor- als tegenstanders van Zwarte Piet klaagden over discriminatie. Zie: http://www.nrc.nl/nieuws/2013/11/09/antidiscriminatiebureaus-krijgen-klachten-van-autochtonen-om-zwarte-piet-debat/. Het debat liep mede zo hoog omdat Verene Shepherd, het hoofd van de VN-werkgroep die onderzoek deed naar Zwarte Piet, opmerkte dat Nederland moest ophouden met het vieren van het Sinterklaasfeest omdat het fenomeen van Zwarte Piet een terugkeer vormde naar de tijd van de slavernij. Zie: http://www.nrc.nl/nieuws/2013/10/22/vn-onderzoeker-zwarte-piet-is-terugkeer-naar-slavernij-en-moet-stoppen/. Nu is dat wel erg kras uitgedrukt maar anderzijds valt zeker te verdedigen dat vanwege de moeilijk te ontkennen historische achtergrond van slavernij de traditie van Zwarte Piet, anders dan het feest van Sinterklaas dat zelfs teruggaat tot de Middeleeuwen, de bescherming van artikel 15 IVESCR moet ontberen.   
 
Terwijl de typologie van verplichtingen bij het recht op gezondheid en het recht op huisvesting al goede diensten bewijst is zij bij het recht op culturele ontplooiing bijzonder nuttig. Zo springt bij artikel 15, eerste lid, meteen de onthoudingsplicht in het oog:[72] ‘The right to take part in cultural life can be characterized as a freedom.’. Bovendien besteedt artikel 15 in het derde lid bijzondere aandacht aan de vrijheid van de kunstenaar om scheppend werk te verrichten. Deze vrijheid wordt op één lijn gesteld met de vrijheid om wetenschappelijk onderzoek te verrichten. Deze vrijheden van artikel 15 zijn vatbaar voor beperkingen maar bij de vaststelling daarvan dient rekening te worden gehouden met het regime van de beperkingsclausule, te vinden in artikel 4 IVESCR, en het regime van de beperkingsclausules van allerlei parallel lopende klassieke rechten als de vrijheid van meningsuiting of de vrijheid van godsdienst in het EVRM en het IVBPR. 
 
In artikel 15, tweede lid, IVESCR valt te lezen welke aspecten er aan het cultuurbeleid kunnen worden onderscheiden. Ten eerste moet de overheid de ontwikkeling van de cultuur bevorderen. In dit verband kan worden gewezen op de voormalige Wet werk en inkomen kunstenaars (WWik). Ingevolge deze wet konden (beginnende) kunstenaars die met de uitoefening van hun beroep niet in hun inkomen konden voorzien, maximaal achtenveertig maanden lang aanspraak maken op een uitkering die hen in de gelegenheid stelde een renderende beroepspraktijk op te bouwen. Toen de wet per 1 januari 2012 werd ingetrokken zonder dat was voorzien in een overgangsregeling voor uitkeringsgerechtigden die al vóór 1 januari 2012 een Wwik-beschikking hadden ontvangen en hun rechten op grond van die beschikking nog niet hadden verbruikt, concludeerde de rechter tot een schending van het recht op eigendom van artikel 1 Eerste Protocol EVRM.[73] Deze uitspraken deden in politiek Nederland flink wat stof opwaaien.
 
Ten tweede moet ingevolge het tweede lid van artikel 15 IVESCR de verbreiding van de cultuur onder de bevolking worden bevorderd. Hier valt onder meer te wijzen op Kosmopolis, een door de overheid gefinancierd multimediaal platform dat kunst, cultuur en debat inzet om een diepgaande dialoog tussen ‘oude’ en ‘nieuwe’ Nederlanders, jong en oud, denkers en doeners tot stand te brengen en te voeden. Zie http://www.kosmopolis.nl/.
 
Ten derde schrijft artikel 15, tweede lid, IVESCR voor dat het culturele erfgoed in het belang van het nageslacht wordt beschermd. Op dit vlak zijn eveneens twee Europese verdragen het vermelden waard. Het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed van 16 januari 1992 (Trb 2007, 126), ook wel het Verdrag van Malta of de Conventie van Valletta genoemd, beoogt het cultureel erfgoed dat zich in de bodem bevindt beter te beschermen. Het verdrag heeft zijn doorwerking gekregen in de Monumentenwet 1988. De essentie is dat voorafgaand aan de uitvoering van allerlei plannen onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van archeologische waarden in de bodem en dat daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee moet werden gehouden. Het Europees landschapsverdrag van 20 oktober 2000 (Trb 2005, 23), ook wel het Verdrag van Florence genoemd, is een verdrag waarin in het thema landschap integraal behandeld wordt. Belangrijke doelen van dit verdrag zijn de bescherming, het beheer en de inrichting van landschappen en het organiseren van Europese samenwerking op dit gebied. In Nederland is dit uitgewerkt in het Landschapsmanifest, een samenwerkingsverband van 45 organisaties dat ernaar streeft om de kwaliteit van het Nederlandse landschap hoog te houden en waar nodig te verbeteren. Staatsbosbeheer is bijvoorbeeld aangesloten bij deze organisatie. Zie: http://www.staatsbosbeheer.nl/Nieuws%20en%20achtergronden/Themas/Landschap/Landschapsmanifest.aspx. Op het punt van de bescherming van het culturele erfgoed mag zeker de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed (RCE) niet worden vergeten. Zie: www.cultureelerfgoed.nl. Zie voorts : http://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/monumenten-en-erfgoed-archeologie. Met het oog op de bescherming van het culturele erfgoed is de reeds genoemde Monumentenwet tot stand gebracht. De Wet tot behoud van cultuurbezit die cultuurhistorische en wetenschappelijke voorwerpen beschermt die voor Nederland onmisbaar en onvervangbaar zijn. Op naleving van deze wet wordt toegezien door de Erfgoedinspectie. Zie: http://www.erfgoedinspectie.nl/.
 
Tot slot verplicht het eerste lid, sub c, van artikel 15 de overheid nog de belangen te beschermen die voor de kunstenaar voortvloeien uit door hem geschapen kunstwerken. Dit onderdeel van artikel 15 werd door het VN Comité inzake Economische, Sociale en Culturele Rechten in General Comment 17 apart van een toelichting voorzien. Het commentaar is te vinden op:
http://tbinternet.ohchr.org/_layouts/treatybodyexternal/TBSearch.aspx?Lang=en&TreatyID=9&DocTypeID=11. Het Comité geeft aan dat de inhoud van het eerste lid, sub c, van artikel 15 zich ook weer laat verduidelijken via de typologie van verplichtingen:[74] ‘The right of everyone to benefit from the protection of the moral and material benefits resulting from any scientific, literary or artistic production of which he or she is the author, like all human rights, imposes three types or levels of obligations on States parties:  the obligations to respect, protect and fulfil. The obligation to respect requires States parties to refrain from interfering directly or indirectly with the enjoyment of the right to benefit from the protection of the moral and material interests of the author. The obligation to protect requires States parties to  take measures that prevent third parties from interfering with the moral and material interests of authors. Finally, the obligation to fulfil requires States parties to adopt appropriate legislative, administrative, budgetary, judicial, promotional and other measures towards the full realization of article 15, paragraph 1 (c).’ Het eerste lid, sub c, van artikel 15 bestrijkt dus ook weer een uitgebreid terrein. Het belangrijkste instrument ter bescherming van de rechten van kunstenaars is de Auteurswet. Artikel 1 van deze wet definieert het begrip ‘auteursrecht’ als ‘het uitsluitend recht van den maker van een werk van letterkunde, wetenschap of kunst, of van diens rechtverkrijgenden, om dit openbaar te maken en te verveelvoudigen, behoudens de beperkingen, bij de wet gesteld’. Volgens de Hoge Raad is voor de gelding van dit auteursrecht vereist dat het werk een eigen oorspronkelijk karakter heeft en ook het persoonlijke stempel van de maker draagt.[75]Het auteursrecht is op veel zaken van toepassing, niet alleen op teksten maar bijvoorbeeld ook op muziek, beeldend werk, foto’s, films, software of bouwwerken. Gaat het om visuele auteursrechten dan neemt de Stichting Pictoright voor de bij haar aangesloten kunstenaars de inning voor haar rekening. Zie: http://www.pictoright.nl/. Betreft het muziek dan is Buma/Stemra de auteursrechtenorganisatie die de belangen van haar leden wereldwijd vertegenwoordigt. Zie: http://www.bumastemra.nl/.  

8. Jurisprudentie

- ABRvS 12 april 2007, ECLI:NL:RVS:2007:BA3394
- ABRvS 27 april 2007, ECLI:NL:RVS:2007:BA4654
- CRvB 29 mei 1996, RSV 1997, 9
- CRvB 22 december 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BG8776
- CRvB 14 december 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BO6734
- Gerechtshof Amsterdam 25 oktober 2007, ECLI:NL:GHAMS:2007:BB6504
- Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 2 maart 2010, ECLI:NL:GHSHE:2010:BL6583
- Gerechtshof ’s-Gravenhage 5 juni 2012, ECLI:NL:GHSGR:2012:BW7457
- ECSR 27 oktober 2009, (DCI v. the Netherlands), NTM/NJCM-Bull. 2010, p. 205-219 m.nt. Antoine Buyse
- ECSR 1 juli 2013, 90/2013 (CEC v. the Netherlands)
- EHRM 4 mei 1999 (decision), 36448/97 (Marzari v. Italy)
- EHRM 10 mei 2001, 25781/94 (Cyprus v. Turkey)
- EHRM 17 januari 2002, 32967/96 (Calvelli and Ciglio v. Italy)
- EHRM 8 juli 2003 (decision), 27677/02 (Sentges v. the Netherlands)
- EHRM 9 maart 2004, 61827/00 (Glass v. the United Kingdom)
- EHRM 27 mei 2004, 66746/01 (Connors v. the United Kingdom)
- EHRM 4 januari 2005 (decision), 14462/03 (Pentiacova v. Moldova)
- EHRM 5 oktober 2006 (decision), 75725/01 (Trocellier v. France)
- EHRM 14 december 2006, 4353/03 (Tarariyeva v. Russia)
- EHRM 2 juni 2009, 31675/04 (Codarcea v. Romania)
- EHRM 18 juni 2009 (decision), 45603/05 (Budina v. Russia)
- EHRM 23 maart 2010, 4864/05 (Oyal v. Turkey)
- EHRM 21 januari 2011, 30696/09 (M.S.S. v. Belgium and Greece)
- EHRM 5 april 2011, 2974/05 (Vasyukov v. Russia)
- EHRM 24 april 2012, 25446/06 (Yordanova and Others v. Bulgaria)
- HR 4 januari 1991, NJ 1991, 608 (Van Dale/Romme)
- HR 28 juni 1991, AB 1992, 116
- HR 21 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW5328
- Kantonrechter Maastricht 25 juni 2008, ECLI:NL:RBMAA:2008:BD5759
- Nationale ombudsman 18 juli 1995, rapportnr. 95/271
- Nationale ombudsman, rapportnr. 2013/125
- Rechtbank Utrecht 18 juni 1991, NJ 1992, 370
- Rechtbank Maastricht 6 mei 2008, ECLI:NL:RBMAA:2008:BD6937
- Rechtbank Utrecht 6 april 2010, ECLI:NL:RBUTR:2010:BM0846
- Rechtbank ’s-Gravenhage 3 januari 2012, ECLI:NL:RBSGR:2012:BU9921

9. Literatuur

- Ph. Alston en A. Eide, Advancing the right to food in international law, in: A. Eide e.a., Food as a human right, Tokyo 1984
- Committee on Economic, Social and Cultural Rights, General Comment No. 4 (1991), The right to adequate housing (art. 11 (1) of the Covenant), E/1992/23
- Committee on Economic, Social and Cultural Rights, General Comment No. 7, The right to adequate housing (art. 11.1 of the Covenant): forced evictions, E/1998/22
- Committee on Economic, Social and Cultural Rights, General Comment No. 14, The right to the highest attainable standard of health (art. 12), E/C.12/2000/4, par. 4.
- Committee on Economic, Social and Cultural Rights, General Comment No. 17, The right of everyone to benefit from the protection of the moral and material interests resulting from any scientific, literary or artistic production of which he or she is the author (article 15, paragraph 1 (c), of the Covenant), E/C.12/GC/17
- Committee on Economic, Social and Cultural Rights, General Comment No. 21, Right of everyone to take part in cultural life (art. 15, para. 1 (a), of the International Covenant on Economic, Social and Cultural Rights), E/C.12/GC/21
- Committee on the Rights of the Child, General Comment No. 15, The right of the child to the enjoyment of the highest attainable standard of health, CRC/C/GC/15
- J. Doek en S. Spronk, Het recht van kinderen op gezondheid, NTM/NJCM-Bulletin 2013, p. 482-499
- G.J.H. van Hoof, The Legal Nature of Economic, Social and Cultural Rights: a Rebuttal of Some Traditional Views, in: P. Alston en K. Tomasevski (ed.), The Right to Food, ’s-Gravenhage 1984
- B. Hubeau/R. de Lange (ed.), Het grondrecht op wonen; de grondwettelijke erkenning van het recht op huisvesting in Nederland en België, Antwerpen/Apeldoorn 1995
- H. Shue, Basic Rights, Subsistence, Affluence and U.S. Foreign Policy, Princeton, New Jersey 1980
- Brigit C.A. Toebes, The Right to Health as a Human Right in International Law, Antwerpen/Groningen/Oxford 1999
- F.M.C. Vlemminx, Een nieuw profiel van de grondrechten; Een analyse van de prestatieplichten ingevolge klassieke en sociale grondrechten, BJu: Den Haag 2002
- F.M.C. Vlemminx, Grondrechten en moderne beeldende kunst, Tjeenk Willink: Zwolle 1992
- F.M.C. Vlemminx, Het moderne EVRM, BJu: Den Haag 2013

10. Historische versies

Geen eerdere versies.

Noten

  1. Zie voor een uitgebreide bespreking van deze typologie: F.M.C. Vlemminx, Een nieuw profiel van de grondrechten; Een analyse van de prestatieplichten ingevolge klassieke en sociale grondrechten, BJu: Den Haag 2002, hoofdstuk 3, paragraaf 7 en hoofdstukken 4 t/m 7.
  2. H. Shue, Basic Rights, Subsistence, Affluence and U.S. Foreign Policy, Princeton, New Jersey 1980.
  3. Ph. Alston en A. Eide, Advancing the right to food in international law, in: A. Eide e.a., Food as a human right, Tokyo 1984, p. 249-259.
  4. G.J.H. van Hoof, The Legal Nature of Economic, Social and Cultural Rights: a Rebuttal of Some Traditional Views, in: P. Alston en K. Tomasevski (ed.), The Right to Food, ’s-Gravenhage 1984, p. 97-110.
  5. F.M.C. Vlemminx, Een nieuw profiel van de grondrechten; Een analyse van de prestatieplichten ingevolge klassieke en sociale grondrechten, Den Haag 2002, p. 58.
  6. Brigit C.A. Toebes, The Right to Health as a Human Right in International Law, Antwerpen/Groningen/Oxford 1999, p. 291-342.
  7. Algehele grondwetsherziening, Deel Ia Grondrechten, ’s-Gravenhage 1979, p. 265.
  8. HR 28 juni 1991, AB 1992, 116.
  9. Algehele grondwetsherziening, Deel Ia Grondrechten, ’s-Gravenhage 1979, p. 336.
  10. Gerechtshof Amsterdam 25 oktober 2007, ECLI:NL:GHAMS:2007:BB6504, r.o. 4.8.6.
  11. Nationale ombudsman 18 juli 1995, rapportnr. 95/271, p. 188.
  12. Rapportnr. 2013/125, p. 51-52.
  13. CRvB 29 mei 1996, RSV 1997, 9.
  14. Hand. II 1997/98, p. 4381. De affaire komt uitgebreid aan bod in: F. Vlemminx, Een nieuw profiel van de grondrechten; een analyse van de prestatieplichten ingevolge klassieke en sociale grondrechten, Den Haag 2002, p. 217-219.
  15. Zie over de afbakening van het begrip in het bijzonder: Brigit C.A. Toebes, The Right to Health as a Human Right in International Law, Antwerpen/Groningen/Oxford 1999, hoofdstuk 1, paragraaf 4.1.
  16. Committee on Economic, Social and Cultural Rights, General Comment No. 14, The right to the highest attainable standard of health (art. 12), E/C.12/2000/4, par. 4.
  17. Zie over artikel 24 IVRK uitgebreid: Jaap Doek en Sarah Spronk, Het recht van kinderen op gezondheid, NTM/NJCM-Bulletin 2013, p. 482-499.
  18. Committee on the Rights of the Child, General Comment No. 15, The right of the child to the enjoyment of the highest attainable standard of health, CRC/C/GC/15, par. 2.
  19. Committee on Economic, Social and Cultural Rights, General Comment No. 14, The right to the highest attainable standard of health (art. 12), E/C.12/2000/4, par. 59.
  20. Bijvoorbeeld CRvB 14 december 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BO6734.
  21. Kantonrechter Maastricht 25 juni 2008, ECLI:NL:RBMAA:2008:BD5759.
  22. Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 2 maart 2010, ECLI:NL:GHSHE:2010:BL6583.
  23. CRvB 14 december 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BO6734.
  24. ABRvS 12 april 2007, ECLI:NL:RVS:2007:BA3394.
  25. ABRvS 27 april 2007, ECLI:NL:RVS:2007:BA4654.
  26. Jaap Doek en Sarah Spronk, Het recht van kinderen op gezondheid, NTM/NJCM-Bulletin 2013, p. 499.
  27. Zie over het EVRM en de medische zorg voor gedetineerden: F.M.C. Vlemminx, Het moderne EVRM, Den Haag 2013, p. 277-278, 293-294 en 305.
  28. Bijvoorbeeld EHRM 14 december 2006, 4353/03 (Tarariyeva v. Russia).
  29. Bijvoorbeeld EHRM 5 april 2011, 2974/05 (Vasyukov v. Russia).
  30. Rapportnr. 2013/125.
  31. EHRM 10 mei 2001, 25781/94 (Cyprus v. Turkey).
  32. EHRM 18 juni 2009 (decision), 45603/05 (Budina v. Russia).
  33. Zie over artikel 3 EVRM en mogelijke aanspraken op voorzieningen: F.M.C. Vlemminx, Het moderne EVRM, Den Haag 2013, p. 310-311.
  34. Zie over artikel 8 EVRM en mogelijke aanspraken op voorzieningen: F.M.C. Vlemminx, Het moderne EVRM, Den Haag 2013, p. 360-362.
  35. [EHRM 4 januari 2005 (decision), 14462/03 (Pentiacova v. Moldova).
  36. EHRM 8 juli 2003 (decision), 27677/02 (Sentges v. the Netherlands).
  37. CRvB 22 december 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BG8776.
  38. CRvB 14 december 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BO6734.
  39. Bijvoorbeeld EHRM 17 januari 2002, 32967/96 (Calvelli and Ciglio v. Italy).
  40. EHRM 23 maart 2010, 4864/05 (Oyal v. Turkey).
  41. Bijvoorbeeld EHRM 2 juni 2009, 31675/04 (Codarcea v. Romania).
  42. EHRM 5 oktober 2006 (decision), 75725/01 (Trocellier v. France).
  43. EHRM 9 maart 2004, 61827/00 (Glass v. the United Kingdom).
  44. B. Hubeau/R. de Lange (ed.), Het grondrecht op wonen; de grondwettelijke erkenning van het recht op huisvesting in Nederland en België, Antwerpen/Apeldoorn 1995.
  45. Algehele grondwetsherziening, Deel Ia Grondrechten, ’s-Gravenhage 1979, p. 265.
  46. Algehele grondwetsherziening, Deel Ia Grondrechten, ’s-Gravenhage 1979, p. 337.
  47. Algehele grondwetsherziening, Deel Ia Grondrechten, ’s-Gravenhage 1979, p. 337.
  48. Rechtbank Maastricht 6 mei 2008, ECLI:NL:RBMAA:2008:BD6937, r.o. 3.5.4.
  49. Rechtbank Utrecht 18 juni 1991, NJ 1992, 370.
  50. F.M.C. Vlemminx, Een nieuw profiel van de grondrechten; Een analyse van de prestatieplichten ingevolge klassieke en sociale grondrechten, Den Haag 2002, p. 150.
  51. Committee on Economic, Social and Cultural Rights, General Comment No. 7, The right to adequate housing (art. 11.1 of the Covenant): forced evictions, E/1998/22 paras. Annex IV, par. 15.
  52. EHRM 27 mei 2004, 66746/01 (Connors v. the United Kingdom), par. 83.
  53. Committee on Economic, Social and Cultural Rights, General Comment No. 7, The right to adequate housing (art. 11.1 of the Covenant): forced evictions, E/1998/22, Annex IV, par. 16.
  54. Committee on Economic, Social and Cultural Rights, General Comment No. 4 (1991), The right to adequate housing (art. 11 (1) of the Covenant), E/1992/23, Annex III, par. 8 (f).
  55. Zie over de artikelen 3 en 8 EVRM en mogelijke aanspraken op voorzieningen: F.M.C. Vlemminx, Het moderne EVRM, Den Haag 2013, p. 310-311 en 360-362.
  56. EHRM 4 mei 1999 (decision), 36448/97 (Marzari v. Italy).
  57. EHRM 24 april 2012, 25446/06 (Yordanova and Others v. Bulgaria), par. 130
  58. CRvB 22 december 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BG8776.
  59. EHRM 21 januari 2011, 30696/09 (M.S.S. v. Belgium and Greece).
  60. ECSR 27 oktober 2009, (DCI v. the Netherlands), NTM/NJCM-Bull. 2010, p. 205-219 m.nt. Antoine Buyse.
  61. Bijvoorbeeld rechtbank Utrecht 6 april 2010, ECLI:NL:RBUTR:2010:BM0846 of HR 21 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW5328.
  62. ECSR 1 juli 2013, 90/2013 (CEC v. the Netherlands).
  63. Algehele grondwetsherziening, Deel Ia Grondrechten, ’s-Gravenhage 1979, p. 265-266.
  64. Algehele grondwetsherziening, Deel Ia Grondrechten, ’s-Gravenhage 1979, p. 266.
  65. F.M.C. Vlemminx, Grondrechten en moderne beeldende kunst, Zwolle 1992, p. 196-198.
  66. TK 1975-1976, 13 932 (R 1037), nr. 3, p. 56.
  67. Committee on Economic, Social and Cultural Rights, General Comment No. 21, Right of everyone to take part in cultural life (art. 15, para. 1 (a), of the International Covenant on Economic, Social and Cultural Rights), E/C.12/GC/21, par. 1.
  68. Committee on Economic, Social and Cultural Rights, General Comment No. 21, Right of everyone to take part in cultural life (art. 15, para. 1 (a), of the International Covenant on Economic, Social and Cultural Rights), E/C.12/GC/21, par. 11.
  69. Committee on Economic, Social and Cultural Rights, General Comment No. 21, Right of everyone to take part in cultural life (art. 15, para. 1 (a), of the International Covenant on Economic, Social and Cultural Rights), E/C.12/GC/21, par. 13.
  70. Committee on Economic, Social and Cultural Rights, General Comment No. 21, Right of everyone to take part in cultural life (art. 15, para. 1 (a), of the International Covenant on Economic, Social and Cultural Rights), E/C.12/GC/21, par. 32.
  71. Committee on Economic, Social and Cultural Rights, General Comment No. 21, Right of everyone to take part in cultural life (art. 15, para. 1 (a), of the International Covenant on Economic, Social and Cultural Rights), E/C.12/GC/21, par. 64.
  72. Committee on Economic, Social and Cultural Rights, General Comment No. 21, Right of everyone to take part in cultural life (art. 15, para. 1 (a), of the International Covenant on Economic, Social and Cultural Rights), E/C.12/GC/21, par. 6.
  73. Rechtbank ’s-Gravenhage 3 januari 2012, ECLI:NL:RBSGR:2012:BU9921 en Hof ’s-Gravenhage 5 juni 2012, ECLI:NL:GHSGR:2012:BW7457.
  74. Committee on Economic, Social and Cultural Rights, General Comment No. 17, The right of everyone to benefit from the protection of the moral and material interests resulting from any scientific, literary or artistic production of which he or she is the author (article 15, paragraph 1 (c), of the Covenant), E/C.12/GC/17, par. 28.
  75. HR 4 januari 1991, NJ 1991, 608 (Van Dale/Romm

CITEER SUGGESTIE

F.M.C. Vlemminx , Commentaar op artikel 22 van de Grondwet, in: E.M.H. Hirsch Ballin en G. Leenknegt (red.), Artikelsgewijs commentaar op de Grondwet, webeditie 2019 (www.Nederlandrechtsstaat.nl).