DE GRONDWET

Artikel 15 - Vrijheidsontneming

  1. Buiten de gevallen bij of krachtens de wet bepaald mag niemand zijn vrijheid worden ontnomen.
  2. Hij aan wie anders dan op rechterlijk bevel zijn vrijheid is ontnomen, kan aan de rechter zijn invrijheidstelling verzoeken. Hij wordt in dat geval door de rechter gehoord binnen een bij de wet te bepalen termijn. De rechter gelast de onmiddellijke invrijheidstelling, indien hij de vrijheidsontneming onrechtmatig oordeelt.
  3. De berechting van hem aan wie met het oog daarop zijn vrijheid is ontnomen, vindt binnen een redelijke termijn plaats.
  4. Hij aan wie rechtmatig zijn vrijheid is ontnomen, kan worden beperkt in de uitoefening van grondrechten voor zover deze zich niet met de vrijheidsontneming verdraagt.

WETENSCHAPPELIJK COMMENTAAR

P. Jacobs

INHOUDSOPGAVE

  1. Historische ontwikkeling
  2. Vrijheidsontneming
  3. Habeas corpus
  4. Redelijke termijn
  5. Vrijheidsontneming en grondrechten
  6. Relevant verdragsrecht
  7. Jurisprudentie
  8. Literatuur
  9. Historische versies
   
Editie juli 2013[1]

1. Historische ontwikkeling

Artikel 15 Grondwet beschermt burgers tegen willekeurige vrijheidsontneming. Alhoewel het er niet woordelijk in terug te vinden is, ligt het beginsel van persoonlijke vrijheid aan dit artikel ten grondslag. Op basis van artikel 15, eerste lid, Grondwet mogen burgers buiten de gevallen bij of krachtens de wet bepaald immers niet van hun vrijheid beroofd worden. Hierin is duidelijk het karakter van de klassieke grondrechten te herkennen: deze bepaling houdt de overheid weg van het domein der individuele ontplooiing. Vóór 1887 waren verschillende aspecten van het recht op persoonlijke vrijheid in afzonderlijke grondwetsartikelen vastgelegd. In artikel 157 uit 1887 (vanaf 1953 artikel 171 genummerd), het artikel dat tot 1983 van kracht bleef, was een garantie vervat tegen willekeurige inhechtenisneming buiten de gevallen door de formele wetgever aangegeven waarbij aan een aantal vorm- en inhoudsvereisten moest worden voldaan.[2] In dit artikel was voor inhechtenisneming een rechterlijk bevel vereist, een vereiste dat in het huidige artikel 15 niet is gehandhaafd, al bevat het tweede lid het habeas corpus principe, dat in 1983 aan dit artikel werd toegevoegd. Het habeas corpus principe houdt in dat iemand wiens vrijheid ontnomen is het recht heeft de vraag naar rechtmatigheid van zijn vrijheidsontneming voor te leggen aan een rechter (zie hierover paragraaf 4). In tegenstelling tot artikel 157 uit 1887 ziet artikel 15 in zijn huidige vorm niet slechts op inhechtenisneming, maar op elke willekeurige vrijheidsontneming door de overheid. Daarnaast biedt dit artikel degene die van zijn vrijheid beroofd is enkele garanties, onder andere een berechting binnen redelijke termijn (zie hierover paragraaf 5).

2. Vrijheidsontneming

De waarborg tegen willekeurige vrijheidsbeneming is neergelegd in artikel 15, eerste lid, Grondwet. Dit lid vereist voor vrijheidsbeneming een grondslag in de wet. Ingevolge de terminologie (‘bij of krachtens de wet’) in het eerste lid is vrijheidsontneming niet alleen toegestaan in de gevallen bij de wet bepaald, maar mag de wetgever ook regelgevende bevoegdheid overdragen.[3] Aangezien essentiële onderdelen van de vrijwaring tegen willekeurige vrijheidsbeneming aan de (gedelegeerde) regelgever kunnen worden overgedragen kan gesteld worden dat de bepalingen uit verdragen, met name artikel 5 EVRM, een sterkere bescherming bieden.[4] Op basis van artikel 5 EVRM dient de vrijheidsbeneming te geschieden overeenkomstig een door het recht voorgeschreven procedure. Artikel 5, eerste lid, EVRM bevat bovendien een limitatieve opsomming van de gronden voor vrijheidsbeneming. Slechts in deze gevallen mag de nationale rechter vrijheidsontneming voorschrijven. Het nationale recht kan aan deze doelcriteria worden getoetst.  

Zoals reeds opgemerkt handelt het huidige artikel 15 niet slechts over inhechtenisneming, maar over vrijheidsontneming door de overheid in een bredere zin. Vrijheidsontneming dient onderscheiden te worden van vrijheidsbeperking (op deze laatste is artikel 15 niet van toepassing). De populariteit van instrumenten tot vrijheidsbeperking alsmede gedragsbeïnvloeding is de laatste jaren sterk toegenomen. Dergelijke instrumenten, waaronder bijvoorbeeld het gebiedsverbod, vinden wij niet slechts in het strafrecht, maar ook in het bestuursrecht.[5] Het bestuurlijk instrumentarium om beperkingen van de bewegingsvrijheid en beïnvloeding van het gedrag te bewerkstelligen is de afgelopen jaren in rap tempo uitgebreid. Hierbij zijn vooral de toegenomen bevoegdheden van de burgemeester opvallend. Zo kan deze woningen sluiten indien door gedragingen in de woning de openbare orde wordt verstoord (artikel 174a Gemeentewet) of wanneer er bepaalde opiumdelicten worden gepleegd (artikel 13b Opiumwet). Tevens komt hem de bevoegdheid toe een meerderjarige een tijdelijk huisverbod op te leggen in geval van onmiddellijk dreigend  gevaar voor één of meer andere personen die zich in die woning bevinden (artikel 2 Wet tijdelijk huisverbod). De burgemeester begeeft zich met een dergelijke bevoegdheid meer dan ooit buiten het voor hem klassiek gereserveerde terrein van de openbare orde.[6]

Het onderscheid tussen vrijheidsbeneming en -beperking is niet slechts van belang voor het bepalen van de reikwijdte van artikel 15, maar met name voor het toepassingsbereik van artikel 5 EVRM, dat bescherming biedt ingeval van vrijheidsontneming, en artikel 2 van het Vierde Protocol EVRM, dat bescherming biedt ingeval van vrijheidsbeperkende maatregelen. Waar het daadwerkelijk gaat om opsluiting zal de vrijheidsontneming daarmee gegeven zijn. Waar het niet gaat om opsluiting, maar om een (vergaande) beperking in de vrijheid van het individu naar tijd en/of plaats zal niet altijd eenvoudig te bepalen zijn of in een bepaald geval sprake is van vrijheidsbeneming of –beperking. Bij het invoeren van de bestuurlijke ophouding (artikel 154a en 176a Gemeentewet) schonk de minister van Binnenlandse Zaken nadrukkelijk aandacht aan de vraag of hier van vrijheidsontneming of vrijheidsbeperking gesproken diende te worden. Hij gaf hierbij aan belang te hechten aan het onderscheid tussen bewegingsvrijheid en persoonlijke vrijheid. ‘Onder bewegingsvrijheid wordt hierbij kort gezegd verstaan het recht om zich zonder inmenging van de overheid te verplaatsen. Beperking van dit recht kan worden aangeduid als vrijheidsbeperking. Onder persoonlijke vrijheid wordt verstaan de vrijheid om niet door de overheid aan arrestatie of detentie onderworpen te worden. Beperking van dit recht kan worden aangeduid als vrijheidsontneming of detentie’, aldus de minister. Hij concludeert dat het voorafgaand of na afloop van een voetbalwedstrijd ophouden van voetbalsupporters, waarbij zij onder geen beding het stadion kunnen verlaten, te kwalificeren is als vrijheidsontneming.[7] In de jurisprudentie van het EHRM wordt bij het beantwoorden van de vraag of er sprake is van vrijheidsontneming gekeken naar de individuele situatie van de betrokken persoon. Hierbij dient rekening te worden gehouden met de bijzondere omstandigheden van het geval, zoals de aard, de duur, effecten en de wijze van uitvoering van de maatregel in kwestie. De mate van toezicht en de mogelijkheid van het onderhouden van normale sociale contacten zijn hierbij ook van belang.[8]

3. Habeas corpus

Zoals al opgemerkt in paragraaf 2, is in artikel 15, tweede lid, Grondwet het zogenaamde habeas corpus principe vervat. Op basis van dit principe, afkomstig uit het Engelse recht, heeft een ieder die zonder rechterlijke tussenkomst de vrijheid is ontnomen recht op een spoedig rechterlijk oordeel daarover. Door het habeas corpus principe op te nemen in artikel 15 werd de strekking van het artikel verruimd, waarmee tevens meer aansluiting bij artikel 5 EVRM werd beoogd te verkrijgen.[9] Naast artikel 15, tweede lid, Grondwet bevat ook artikel 5, vierde lid, EVRM het recht van een ieder die zijn vrijheid is ontnomen om onverwijld voor een rechter of een als rechter aangewezen magistraat te worden geleid en een rechterlijk oordeel omtrent de rechtmatigheid van de detentie te vragen.

Zoals in paragraaf 2 al aangestipt, bepaalde artikel 157 van de Grondwet van 1887 dat voor het in hechtenis nemen van een persoon een rechterlijk bevel vereist is. Dit is in het huidige artikel 15 niet gehandhaafd. Uit de parlementaire behandeling blijkt dat met deze wijziging niet werd beoogd de waarborg, welke in de bemoeienis van de rechter met de vrijheidsontneming is gelegen, te doen vervallen.[10] Bij vrijheidsbeneming op rechterlijk bevel is deze waarborg zonder meer aanwezig. Voor de vrijheidsbeneming zonder rechterlijk bevel garandeert artikel 15, tweede lid, Grondwet aan degene die zijn vrijheid is ontnomen de mogelijkheid tot het inroepen van rechterlijke bemoeienis door een beroep open te stellen in al die gevallen waarin niet de rechter zelf de vrijheidsontneming heeft bevolen. Als voorbeelden hiervan zijn te noemen de politionele vrijheidsontneming, een gedwongen opname op grond van de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen (hierna: Wet Bopz) en de bestuurlijke ophouding (inhoudende de bevoegdheid van de burgemeester om groepen personen die de orde verstoren, of dreigen te verstoren, tijdelijk op een door hem aangegeven plaats te doen ophouden of hen naar die plaats over te doen brengen). In 1979 werd Nederland in de zaak Winterwerp veroordeeld door het EHRM wegens schending van artikel 5, vierde lid, EVRM vanwege het ontbreken van een mogelijkheid voor psychiatrisch patiënten in de Krankzinnigenwet (de voorloper van de Wet Bopz) hun vrijheidsontneming voor te leggen aan een onafhankelijke rechter.[11] Dit werd in de Wet Bopz gecorrigeerd. Een nadere waarborg is (ingevolge de tweede volzin van artikel 15, tweede lid, Grondwet) erin gelegen dat de rechter de verzoeker binnen een bij de wet gestelde termijn moet horen. Indien de rechter de vrijheidsontneming onrechtmatig oordeelt dient hij de onmiddellijke invrijheidstelling te gelasten. Ook als de vrijheidsontneming rechtmatig heeft plaatsgevonden, kan de rechter verzocht worden zich over de voortzetting ervan uit te spreken. Ingeval de voortzetting ervan onrechtmatig mocht worden, dient de rechter de invrijheidstelling te gelasten.[12]

4. Redelijke termijn

Artikel 15, derde lid, Grondwet beoogt een waarborg te scheppen tegen onevenredig lange vrijheidsbeneming voorafgaand aan of tijdens de berechting in een strafvorderlijk kader. Wat een redelijke termijn is voor de berechting, als bedoeld in het derde lid, is in abstracto moeilijk aan te geven. Daarbij zal onder meer de tijd die nodig is om het gerechtelijk onderzoek te voltooien een rol spelen. Aangezien dit zeer uiteen kan lopen, is tijdens de parlementaire behandeling er niet voor gekozen om in het grondwetsartikel een vaste termijn te stellen, maar te volstaan met het voorschrijven van een berechting binnen een ‘redelijke termijn’.[13] Hierbij is artikel 5 EVRM van groter belang voor de Nederlandse rechtsorde dan artikel 15, derde lid, Grondwet aangezien eerstgenoemde bepaling meer bescherming biedt.

Artikel 5, derde lid, EVRM bevat het recht van personen wier vrijheid ontnomen is binnen een redelijke termijn te worden berecht. Deze bepaling is ingegeven door de gedachte dat de voorlopige hechtenis niet langer dient te duren dan strikt noodzakelijk. Dit is een aanscherping van de in artikel 6 EVRM neergelegde algemene waarborg van berechting binnen een redelijke termijn. De periode die in beschouwing genomen dient te worden bij de bepaling of er sprake is van een redelijke termijn in de zin van artikel 5, derde lid, EVRM bestrijkt de termijn vanaf het moment van aanhouding van de verdachte tot aan het oordeel in eerste aanleg.[14] (De voortgang van de procedure in beroep en cassatie wordt gewaarborgd door artikel 6 EVRM.) De abstracte eis uit artikel 5, derde lid, EVRM is door de Nederlandse wetgever concreet uitgewerkt in een aantal voorschriften die de vrijheidsbenemende dwangmiddelen in de voorfase in tijd limiteert. Zo mag de voorlopige hechtenis maximaal 104 dagen duren tot aan de terechtzitting.[15] In 2008 bepaalde de Hoge Raad dat een termijnoverschrijding niet (meer) kon leiden tot een niet-ontvankelijkheidverklaring van het openbaar ministerie, ook niet in uitzonderlijke gevallen.[16] Regel is dat overschrijding van de redelijke termijn wordt gecompenseerd door vermindering van de straf die zou zijn opgelegd indien de redelijke termijn niet zou zijn overschreden, waarbij geldt dat de vermindering van de straf afhankelijk is van de mate waarin de redelijke termijn is overschreden.[17]

5. Vrijheidsontneming en grondrechten

Wanneer personen van hun vrijheid beroofd worden heeft dat onmiskenbaar gevolgen voor het uitoefenen van bepaalde grondrechten. Post kan immers gecontroleerd worden en wie opgesloten is zal ook niet vrijelijk kunnen deelnemen aan vergaderingen of betogingen (zie het commentaar bij artikel 9).  Aangezien grondrechten ook gelden voor personen die van hun vrijheid beroofd zijn rijst de vraag hoe dergelijke beperkingen zich tot de verschillende grondrechtenartikelen verhouden.

Artikel 15, vierde lid, Grondwet biedt een algemene regeling inzake de uitoefening van grondrechten door hen aan wie de vrijheid is ontnomen. Zij kunnen worden beperkt in de uitoefening van grondrechten voor zover deze zich niet met de vrijheidsontneming verdraagt. Er is niet per grondrecht in een specifieke clausulering bij afzonderlijke grondrechten voorzien, aangezien dit volgens de wetgever ‘weinig fraai [zou] zijn aangezien dan vele grondrechtenartikelen van een dergelijke bijzondere beperkingsclausule zouden moeten worden voorzien.’[18] Op basis van artikel 15, vierde lid, Grondwet zijn verdergaande beperkingen op grondrechten van gedetineerden mogelijk dan voor vrije burgers, voor zover de uitoefening zich niet met de vrijheidsbeneming verdraagt. Het is daarvoor niet vereist dat de beperkingen een basis hebben in een wet in formele zin, zoals dat normaliter wel noodzakelijk is. Het criterium voor beperking is de aard en het doel van de vrijheidsbeneming. Daarbij is het van belang op welke titel de vrijheidsbeneming plaatsvindt. Zo kunnen bij een vrijheidsbeneming op basis van de Vreemdelingenwet andere beperkingen gelegitimeerd zijn dan bij een vrijheidsbeneming op basis van de Wet Bopz. De norm ‘zich verdragen met de vrijheidsontneming’ geeft een interpretatiemarge en biedt daarmee de nodige beleidsruimte aan onder meer de directies van gevangenissen en inrichtingen. De formulering van het vierde lid brengt echter ook een gebondenheid met zich; een te vergaande subjectiviteit bij het beperken van grondrechten is uitgesloten.[19] De beperkingen mogen immers niet verder gaan dan voor het doel van de vrijheidsontneming is vereist.

Waar de toenmalige Europese Commissie voor de Rechten van de Mens lange tijd de theorie van de inherente beperkingen (inherent limitations)aanvaardde, is deze door het EHRM verworpen en is daarvoor in de plaats de theorie van de justified limitations gekomen.[20] Op basis van de leer van de inherente beperkingen was beperking van grondrechten een wezenskenmerk van rechtmatige vrijheidsbeneming, die daarmee geen bijzondere rechtvaardiging behoeft. Als gevolg hiervan waren ten aanzien van gedetineerden ruimere beperkingen toegelaten dan ten aanzien van vrije burgers.[21] Deze leer werd echter verlaten door het EHRM in de zaak Golder in 1975.[22] In deze zaak maakte het EHRM duidelijk dat de overheid elke beperking op grondrechten, dus ook ten aanzien van gedetineerden, daadwerkelijk en concreet dient te legitimeren. In de zaak Hirst uit 2005 betreffende het categorisch onthouden van  stemrecht aan Engelse gedetineerden, stelde de Grote Kamer van het EHRM uitdrukkelijk dat

           “[p]risoners in general continue to enjoy all
           the fundamental rights and freedoms
           guaranteed under the Convention save for
           the right of liberty, where lawfully imposed
           detention expressly falls within the scope
           of Article 5 of the Convention. For example,
           prisoners may not be ill-treated, subjected
           to inhuman or degrading punishment or
           conditions contrary to Article 3 of the
           Convention […], they continue to enjoy the
           right to respect for family life […] the right to
           freedom of expression […], the right to
           practise their religion [..].”[23]

Specifiek met betrekking tot gedetineerden merkt het EHRM hierbij op dat ‘[a]ny restrictions on these other rights must be justified, although such justification may well be found in the considerations of security, in particular the prevention of crime and disorder, which inevitably flow from the circumstances of imprisonment.’[24] Hiermee schaart het EHRM zich achter de opvatting dat gevangenisstraf slechts fysieke vrijheidsbeneming inhoudt en dat voor andere beperkingen een afdoende verantwoording dient te bestaan. Het EHRM vereist daarmee van nationale penitentiaire regelgeving dat beperkingen op (de uitoefening van) grondrechten gedetailleerd en als beperking voorzienbaar worden geregeld. Vanwege het ruime ‘law’-begrip hoeft dit echter niet per se op het niveau van de wet in formele zin.[25]

In artikel 15, vierde lid, Grondwet is het beginsel van minimale beperkingen te herkennen. Dit beginsel omvat het idee dat gedetineerden niet aan andere beperkingen mogen worden onderworpen dan die welke volstrekt noodzakelijk zijn aan de vrijheidsbeneming. Dit beginsel is met zoveel woorden terug te vinden in elk van de beginselenwetten (onder andere artikel 2, vierde lid, Penitentiaire beginselenwet). In het overheidsoptreden tegenover mensen die een justitiële straf of maatregel ondergaan dient de overheid zich in beleid en uitvoering ervan te vergewissen dat beperkingen in grondrechten werkelijk onvermijdelijk zijn.[26] Gezien het feit dat de detentiesituatie beperkingen van grondrechten met zich kan brengen dient de overheid zich actief in te zetten om de uitoefening van grondrechten door gedetineerden te faciliteren, onder andere op het gebied van contacten, zorg en activiteiten.

De acceptatie van grondrechten voor gedetineerden is geen rustig bezit. Dit blijkt uit de reeds genoemde zaak Hirst uit 2005, waarin het EHRM oordeelde dat het categorisch onthouden van  stemrecht aan Engelse gedetineerden ontoelaatbaar is. Deze uitspraak stuitte in het Verenigd Koninkrijk op veel weerstand en de regeling inzake het onthouden van stemrecht aan gedetineerden is – ondanks de scherpe kritiek van het EHRM – nog steeds niet aangepast en voorwerp van een hoogopgelopen politieke discussie.[27]

6. Relevant verdragsrecht

Zoals in het bovenstaande al meerdere malen werd aangestipt biedt artikel 5 EVRM waarborgen tegen willekeurige vrijheidsontneming die veelal verder gaan dan de bescherming geboden door artikel 15. Hierdoor is artikel 5 EVRM, en de jurisprudentie van het EHRM over dit artikel, van groot belang voor de Nederlandse rechtspraktijk. Het recht op bescherming tegen willekeurige vrijheidsontneming is tevens vastgelegd in artikel 9 IVBPR.

Op Europees niveau bevat artikel 3 EVRM voorts het recht om gevrijwaard te blijven van foltering of onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing. Dit verbod is nader uitgewerkt in het Europees Verdrag ter voorkoming van foltering en onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing. Dit verdrag voorzag tevens in de oprichting van het Europees Comité inzake de voorkoming van folteringen en onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen (hierna: CPT). Het CPT heeft zich in de laatste jaren ontwikkeld als een belangrijke actor in de bescherming van personen die van hun vrijheid beroofd zijn tegen foltering, onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing. Het CPT organiseert bezoeken aan plaatsen waar mensen zijn gehuisvest die op enigerlei wijze van hun vrijheid zijn beroofd door de overheid, om te beoordelen hoe deze mensen worden behandeld. Het CPT is een niet-juridisch preventief instrument ter bescherming tegen foltering en andere vormen van mishandeling van mensen die van hun vrijheid zijn beroofd door de overheid en vormt daarmee een aanvulling op het werk van het EHRM.[28]

7. Jurisprudentie

- HR 17 juni 2008, LJN BD2578, NJ 2008, 358, m.nt. P.A.M. Mevis.
- EHRM 27 juni 1968, Wemhoff t. Duitsland, serie A, nr. 7.
- EHRM 21 februari 1975, Golder t. Verenigd Koninkrijk,  NJ 1975, 462, m.nt. Alkema.
- EHRM 24 oktober 1979, Winterwerp t. Nederland, NJ 1980, 114, m.nt. Alkema.
- EHRM 6 oktober 2005, Hirst t. Verenigd Koninkrijk, NJCM-Bull. 2006, p. 234-243 m.n. H. Sackers.

8. Literatuur

- F.W. Bleichrodt, ‘Beperking van bewegingsvrijheid en beïnvloeding van gedrag in het Nederlands straf- en strafprocesrecht’, in: F.W. Bleichrodt & S. De Decker, Gedragsverboden en vrijheidsbeperkingen. Preadvies voor de jaarvergadering van de Nederlands-Vlaamse Vereniging voor Strafrecht 2011, Nijmegen: Wolf Legal Publishers 2011, p. 1-105.
- G.J.M. Corstens & M.J. Borgers, Het Nederlands strafprocesrecht. Deventer: Kluwer 2011.
- G. Smaers, ‘De ontwikkeling van een Europees bewustzijn rond rechten van gedetineerden’, in: E. Brems, S. Sottiaux, P. VandenHeede & W. Vandenhole (eds.), Vrijheden en vrijheidsbeneming. Mensenrechten van gedetineerden, Antwerpen: Intersentia 2005.
- C. Kelk, Nederlands detentierecht, Deventer: Kluwer 2008.
- J. de Lange & P.A.M. Mevis, ‘De gedetineerde als rechtssubject; algemene aspecten van de rechtspositie van gedetineerden’, in: E.R. Muller & P.C. Vegter, Detentie. Gevangen in Nederland, Alphen aan de Rijn: Kluwer 2009, p. 373-420.
- E.R. Muller & P.C. Vegter, Detentie. Gevangen in Nederland, Alphen aan de Rijn: Kluwer 2009.

9. Historische versies

Eerste en tweede lid:
Art. 101, onder a, Gw 1814: Wanneer een Ingezeten in buitengewone omstandigheden door het politiek gezag mogt worden gearresteerd, is hij, op wiens bevel zoodanige arrestatie heeft plaats gehad, gehouden daarvan terstond aan den plaatselijken regter kennis te geven, en voorts den gearresteerden binnen den tijd van drie dagen aan deszelfs competenten regter overteleveren.
De criminele regtbanken zijn bevoegd en verpligt, elk in haar ressort, te zorgen, dat zulks stiptelijk worde nagekomen.
Art. 168 Gw 1815: Behalve het geval, dat iemand op heeter daad wordt betrapt, mag niemand in hechtenis worden genomen, dan op een bevel van den regter, inhoudende de redenen der gedane aanhouding, en welk bevel bij, of onmiddellijk na de aanhouding moet beteekend worden aan dengeen tegen wien hetzelve is gerigt.
De wet bepaald den form van dit bevel en den tijd binnen welken alle aangeklaagden moeten worden verhoord (art. 166 Gw 1840).
Art. 169 Gw 1815: Wanneer een ingezeten in buitengewone omstandigheden, door het politieke gezag mogt worden gearresteerd, is hij, op wiens bevel zoodanige arrestatie heeft plaats gehad, gehouden daarvan terstond kennis te geven aan den plaatselijken regter, en hem voorts den gearresteerden binnen den tijd van drie dagen over te leveren.
De criminele regtbanken zijn verpligt, elk in haar ressort te zorgen, dat zulks stiptelijk worde nagekomen (art. 167 Gw 1840).
Art. 151 Gw 1848: Buiten gevallen in de wet bepaald, mag niemand in hechtenis worden genomen, dan op een bevel van den regter, inhoudende de redenen der gedane aanhouding. Dit bevel moet bij, of zoo spoedig mogelijk na de aanhouding beteekend worden aan dengene, tegen wien het is gerigt.
De wet bepaalt den vorm van dit bevel, en den tijd, binnen welken alle aangeklaagden moeten worden verhoord.
Art. 152 Gw 1848: Wanneer een ingezeten, in buitengewone omstandigheden, door het politiek gezag is gearresteerd, is hij, op wiens bevel zoodanige arrestatie plaats heeft gehad, gehouden daarvan terstond kennis te geven aan den plaatselijken regter, en hem voorts den gearresteerde binnen den tijd van drie dagen over te leveren.
De criminele regtbanken zijn verplicht, elke in haar ressort, te zorgen, dat zulks stiptelijk worde nagekomen.
Art. 157 Gw 1887: Buiten de gevallen in de wet bepaald, mag niemand in hechtenis worden genomen, dan op een bevel van den regter, inhoudende de redenen der gedane aanhouding. Dit bevel moet bij, of zoo spoedig mogelijk na de aanhouding beteekend worden aan dengene, tegen wien het is gerigt.
De wet bepaalt den vorm van dit bevel en den tijd binnen welken alle aangehoudenen moeten worden verhoord (art. 158 Gw 1922; art. 164 Gw 1938; art. 171 Gw 1953).
Derde en vierde lid:
Geen eerdere versies.
 

Noten

  1. Bij het schrijven van dit commentaar is met name voor paragrafen 2 en 3 gebruik gemaakt van delen van de teksten van het commentaar op artikel 15 uit de tweede en derde druk van het artikelsgewijs commentaar op De Grondwet; het commentaar uit de tweede druk was van de hand van P.W.C. Akkermans, het commentaar uit de derde druk was van de hand van P.A.M. Mevis en T. Blom.
  2. P.W.C. Akkermans in de tweede druk van het artikelsgewijs commentaar bij artikel 15 in De Grondwet.
  3. Tijdens de parlementaire behandeling stelden de PvdA en VVD zich kritisch op ten opzichte van deze delegatiebepaling. De regering gaf in reactie daarop aan begrip te hebben voor de wens delegatie zo mogelijk te vermijden, maar stelde dat ‘in de huidige legislatieve en bestuurlijke situatie niet uitvoerbaar’ te vinden (er bestonden reeds velerlei bepalingen waarbij sprake was van delegatie van regelgevende bevoegdheid op het terrein van het latere artikel 15). Kamerstukken II 1976/77, 13 872, nr. 7, p. 40. De regering week hiermee af van het voorstel van de staatscommissie waarin vrijheidsontneming alleen was toegestaan in de gevallen bij de wet bepaald. Volgens Akkermans c.s. betekent deze delegatiebepaling een verslechtering in verhouding tot de waarborg die tot 1983 in de Grondwet was opgenomen. P.W.C. Akkermans, C.J. Bax & L.F.M. Verhey, Grondrechten en grondrechtsbescherming in Nederland, Kluwer 2005, p. 116.
  4. P.A.M. Mevis en T. Blom in de derde druk van het artikelsgewijs commentaar bij artikel 15 in De Grondwet.
  5. F.W. Bleichrodt, ‘Beperking van bewegingsvrijheid en beïnvloeding van gedrag in het Nederlands straf- en strafprocesrecht’, in: F.W. Bleichrodt & S. De Decker, Gedragsverboden en vrijheidsbeperkingen. Preadvies voor de jaarvergadering van de Nederlands-Vlaamse Vereniging voor Strafrecht 2011, Nijmegen: Wolf Legal Publishers 2011, p. 4.
  6. Ibid., p. 8. Kritisch hierover: M.A.D.W. de Jong, ‘De burgemeester als misdaadbestrijder: reddingsboei of dwaallicht?’, in: Bestuursrechtelijke aanpak van criminaliteit en terrorisme, VAR-reeks 138, Den Haag: Boom Juridische Uitgevers 2007, p. 59-120,
  7. Kamerstukken II 1998/99, 26 735, nr. 3, p. 21.
  8. P. van Dijk, F. van Hoof, A. van Rijn & L. Zwaak (red.), Theory and Practice of the European Convention on Human Rights, Antwerpen: Intersentia 2006, p. 458, met verwijzing naar relevante EHRM-jurisprudentie op dit punt.
  9. Kamerstukken II 1975/76, 13 872, nr. 3, p. 48.
  10. Ibid.
  11. EHRM 24 oktober 1979, Winterwerp t. Nederland, NJ 1980, 114, m.nt. Alkema.
  12. Kamerstukken I 1976/77, 13 872 en 13 873, nr. 55b, p. 46.
  13. Kamerstukken II 1976/77, 13 872, nr. 7, p. 40
  14. EHRM 27 juni 1968, Wemhoff t. Duitsland, serie A, nr. 7, § 17.
  15. G.J.M. Corstens & M.J. Borgers, Het Nederlands strafprocesrecht, Deventer: Kluwer 2011, p. 533.
  16. HR 17 juni 2008, LJN BD2578, NJ 2008, 358, m.nt. P.A.M. Mevis.
  17. Ibid., onder 3.21 en 3.22.
  18. Kamerstukken II 1975/76, 13 872, nr. 3, p. 50.
  19. Ibid.
  20. Zie hierover: P. Jacobs, Force-feeding of Prisoners and Detainees on Hunger Strike. Right to Self-Determination versus Right to Intervention (diss. Tilburg), Antwerpen: Intersentia 2012, p. 98-103.
  21. G. Smaers, ‘De ontwikkeling van een Europees bewustzijn rond rechten van gedetineerden’, in: E. Brems, S. Sottiaux, P. VandenHeede & W. Vandenhole (eds.), Vrijheden en vrijheidsbeneming. Mensenrechten van gedetineerden, Antwerpen: Intersentia 2005, p. 4.
  22. EHRM 21 februari 1975, Golder t. Verenigd Koninkrijk, NJ 1975, 462, m.nt. Alkema.
  23. EHRM 6 oktober 2005, Hirst t. Verenigd Koninkrijk, NJCM-Bull. 2006, p. 234-243 m.n. H. Sackers, § 69.
  24. Ibid.
  25. J. de Lange & P.A.M. Mevis, ‘De gedetineerde als rechtssubject; algemene aspecten van de rechtspositie van gedetineerden’, in: E.R. Muller & P.C. Vegter, Detentie. Gevangen in Nederland, Alphen aan de Rijn: Kluwer 2009, p. 382 ev.
  26. Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming, Goed bejegenen, beginselen voor het overheidsoptreden tegenover mensen die een justitiële straf of maatregel ondergaan, verkorte uitgave 2012.
  27. Zie voor een overzicht van artikelen over dit onderwerp; ‘Votes for prisoners’ van the Guardian op http://www.guardian.co.uk/politics/votes-for-prisoners.
  28. Zie over de betekenis van het CPT voor de inrichting van de vrijheidsbeneming in Nederland: J. de Lange, Detentie genormeerd. Een onderzoek naar de betekenis van het CPT voor de inrichting van vrijheidsbeneming in Nederland, Nijmegen: Wolf Legal Publishers 2008 en over de verhouding tussen EHRM en CPT bij de effectuering van artikel 3 EVRM: M. Hagens, Toezicht op menswaardige behandeling van gedetineerden in Europa. Een onderzoek naar de verhouding tussen het EHRM en het CPT bij de effectuering van het folterverbod, Nijmegen: Wolf Legal Publishers 2011.

CITEER SUGGESTIE

P. Jacobs, Commentaar op artikel 15 van de Grondwet, in: E.M.H. Hirsch Ballin en G. Leenknegt (red.), Artikelsgewijs commentaar op de Grondwet, webeditie 2019 (www.Nederlandrechtsstaat.nl).