DE GRONDWET

Artikel 131 - Benoeming commissaris Koning

De commissaris van de Koning en de burgemeester worden bij koninklijk besluit benoemd.

WETENSCHAPPELIJK COMMENTAAR

W. van der Woude

INHOUDSOPGAVE

  1. Historische ontwikkeling en actuele betekenis
  2. Hinderpaal voor bestuurlijke vernieuwing?
  3. Van constitutionele orde?
  4. De wijze van deconstitutionalisering
  5. De commissaris van de Koning
  6. Jurisprudentie
  7. Literatuur
  8. Historische versies
 

Editie december 2015

1. Historische ontwikkeling en actuele betekenis

Al sinds 1814 bepaalt de Grondwet dat de benoeming van de commissaris van de Koning geschiedt door degene van wie hij de commissaris is, zij het dat de Koning in 1814 nog werd aangeduid als de “Souvereinen Vorst”. Tot 1983 werd in hetzelfde artikel aangegeven dat de commissaris kon worden belast met de uitvoering van ’s Konings bevelen (hetgeen thans deels terugkomt in artikel 126 Grondwet). Verder bepaalde de Grondwet (vanaf 1848) tot 1983 nadrukkelijk dat de commissaris optreedt als voorzitter van zowel gedeputeerde als provinciale staten, hetgeen sinds 2008 niet langer in de Grondwet geregeld is (zie het commentaar bij artikel 125 Grondwet).
 
De eerste grondwettelijke vermelding van de burgemeester stamt uit 1983. Sinds 1848 bevatte de Grondwet echter de bij koninklijk besluit benoemde “voorzitter” van de gemeenteraad. Deze werd al in de eerste op deze grondwetsherziening gebaseerde Gemeentewet (van 1851) aangeduid als burgemeester.

 Al in 1848 stelde Thorbecke de vraag of een grondwettelijke verankering van de benoemingswijze van de burgemeester wel geboden is. Volgens Thorbecke hing de benoemingswijze van de burgemeester “van de behoeften en omstandigheden zóó zeer af, dat den wetgever, welke dit alles moet beoordeelen en regelen, ten aanzien van de benoeming van het hoofd des plaatselijken bestuurs de handen niet mogen gebonden”.[1] Het debat hield aan, want ook de Staatscommissies-Ruijs de Beerenbrouck,[2] -Cals/Donner[3] en –Elzinga[4] waren (unaniem dan wel in meerderheid) van opvatting dat de wetgever een dergelijke vrijheid zou moeten worden geboden. De commissie-Cals/Donner beval in meerderheid aan deze vrijheid ook te bieden ten aanzien van de benoeming van de commissaris van de Koning.[5] Voorts was de commissie-Cals/Donner van opvatting dat een verwijzing naar de benoeming van de burgemeester (en de commissaris) in de Grondwet in het geheel achterwege kon blijven, waar beide andere staatscommissies meenden dat de Grondwet op dit punt een attributiebepaling ten behoeve van de wetgever zou moeten bevatten.
 
Gelet op het voorgaande kan het dan ook niet verbazen dat in de loop van de tijd veelvuldig getracht is de Kroonbenoeming te deconstitutionaliseren. Na de grondwetsherziening van 1983 is hiertoe driemaal een poging ondernomen. De eerste (verder: het voorstel-Peper) betrof het schrappen van artikel 131. Dit voorstel strandde in 2000, toen het voorstel in tweede lezing in de Eerste Kamer werd ingetrokken door de regering die – met de staatscommissie-Elzinga – van opvatting was geworden dat het creëren van een attributiebepaling de voorkeur verdiende.[6] De tweede poging (verder: het voorstel-De Graaf) beoogde de bestaande bepaling te vervangen door één die de keuze omtrent de benoemingsprocedure attribueerde aan de formele wetgever. Dit voorstel sneuvelde in tweede lezing in de Eerste Kamer (de zogeheten ‘nacht van Van Thijn’).[7] De laatste poging komt voort uit een initiatiefwetsvoorstel (het voorstel-Schouw) en heeft recentelijk de eerste lezing overleefd.[8] Ook dit voorstel beoogt attributie aan de formele wetgever.
 
Alle discussie en pogingen ten spijt, in zijn actuele betekenis is artikel 131 Grondwet zonneklaar: formeel worden zowel commissaris als burgemeester bij koninklijk besluit benoemd.

2. Hinderpaal voor bestuurlijke vernieuwing?

De discussie over artikel 131 spitst zich met name toe op de positie van de burgemeester. Gelet op diens iets afwijkende positie, lijkt het debat over de Kroonbenoeming van de commissaris langs enigszins andere lijnen en in ieder geval minder hardnekkig te worden gevoerd. Mede daarom is ervoor gekozen de aandacht vooral te richten op de burgemeester. In paragraaf 5 zal kort worden stilgestaan bij de vraag in hoeverre hetgeen in de voorafgaande wordt opgemerkt over de burgemeester eveneens opgeld doet voor de commissaris.
 
Ten aanzien van de burgemeester kent artikel 131 één harde eis. Wat er ook aan diens benoeming voorafgaat, de formele benoeming geschiedt bij koninklijk besluit. Hierdoor wordt artikel 131 door sommigen gezien als belangrijkste blokkade voor het doorvoeren van democratische vernieuwingen in het gemeentelijke bestel,[9] of in ieder geval voor het voeren van een vruchtbaar debat daarover.[10] Gelet op deze klacht is het opmerkelijk te zien welke ontwikkeling het burgemeestersambt de afgelopen decennia niettemin heeft doorgemaakt. Gelet op de aard van het hier becommentarieerde artikel zal deze ontwikkeling vooral worden besproken ten aanzien van zijn benoemingswijze. Terzijde kan echter eveneens worden benadrukt dat de ontwikkeling ten aanzien van zijn takenpakket niet minder indrukwekkend is, vooral op het gebied van openbare orde en veiligheid.[11]
 
Gedurende het grootste gedeelte van de twintigste eeuw was sprake van een ‘zuivere’ Kroonbenoeming. Gemeenten hadden het te doen met de burgemeester die hen werd toebedeeld. Oog voor de plaatselijke omstandigheden werd in dezen geboden door betrokkenheid van de commissaris van de Koning (op grond van diens ambtsinstructie),[12] niet door de gemeentelijke bestuursorganen zelf. Vanaf de jaren ’70 ontstaat gaandeweg een grotere mate van raadsinvloed binnen deze benoemingsprocedure. Eerst via het in samenspraak met de gemeenteraad samenstellen van een profielschets voor de te benoemen burgemeester, daarna via de instelling van een vertrouwenscommissie uit de raad.[13] In 1994 treedt een algehele herziening van de Gemeentewet in werking waarmee deze vertrouwenscommissie wordt voorzien van een wettelijke basis.[14] Deze ontwikkeling past in de algemene ontwikkeling van het ambt van burgemeester van ‘Haagse pottenkijker’ naar puur gemeentelijk orgaan. In dit licht moet ook de gemeentewettelijke introductie van de verantwoordingsplicht van de burgemeester aan de raad in 1969 worden gezien. [15]
 
De flexibiliteit van het voortraject van de Kroonbenoeming blijkt pas echt in 2001. In dat jaar wordt dit traject – met behoud van de profielschets en de vertrouwenscommissie – aangevuld met de bevoegdheid van de raad een aanbeveling te doen van twee personen en daarbij tevens aan te geven welke van beide de voorkeur geniet.[16] Normaliter wordt deze kandidaat door de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties voorgedragen ter benoeming. Omdat de minister in de praktijk de aanbeveling van de raad volgt, kan in materiële zin worden gesteld dat de raad bepaalt wie burgemeester wordt. Overigens lag het bijzondere van de gemeentewetswijziging van 2001 niet alleen hierin. Deze wetswijziging voorzag eveneens in de mogelijkheid van een door de gemeenteraad uit te schrijven raadgevend referendum waarin gemeentelijke ingezetenen hun voorkeur konden uitspreken voor één van de twee door de gemeenteraad naar voren geschoven kandidaten. Deze variant – die ook wel de ‘bekozen’ burgemeester werd genoemd[17] – werd ingetrokken in 2008.[18] De ervaringen met deze burgemeestersreferenda waren over het algemeen niet positief, en de opkomsten waren laag. Dat laatste kan overigens verband houden met de omstandigheid dat sommige gemeenteraden slechts een keuze wilden bieden tussen twee kandidaten van dezelfde politieke kleur (bijvoorbeeld in Eindhoven en in Utrecht).[19] Hoewel het burgemeestersreferendum is komen te vervallen, geldt dat niet voor de aanbevelingsbevoegdheid van de raad.[20]
 
De afgelopen decennia laten zien dat artikel 131 – in de ogen van de wetgever – ruimte biedt het voortraject van de burgemeestersbenoeming op uiteenlopende wijzen te organiseren. Met de thans geldende procedure kan zelfs worden gezegd dat de materiële invloed van de Kroon op de uiteindelijke benoeming verwaarloosbaar is ten opzichte van die van de raad. Een en ander wil niet zeggen dat er geen substantieel verschil zou zijn tussen de benoeming van een burgemeester en die van een wethouder. De burgemeestersbenoeming onderscheidt zich namelijk nog steeds doordat zij is vormgegeven als een sollicitatieprocedure (met een procesbewakende rol van de commissaris van de Koning) en doordat zij geschiedt voor zes jaar en niet voor vier jaar. Hierin – en niet zozeer in artikel 131 – ligt dan ook de voornaamste reden besloten dat de benoeming van de burgemeester geen directe inzet is van de gemeenteraadsverkiezingen.

3. Van constitutionele orde?

Gelet op de pogingen die zijn ondernomen de Kroonbenoeming uit artikel 131 te schrappen, is de vraag gerechtvaardigd of deze benoemingswijze van constitutionele orde is. Als gezegd: velen vinden van niet, al blijkt dit niet altijd uit hun stemgedrag. Zo is het opvallend dat verschillende Eerste Kamerfracties zich tijdens de ‘nacht van Van Thijn’ voorstander verklaarden van deconstitutionalisering, maar tegen het voorstel hiertoe stemden omdat hieraan het onmiddellijke perspectief was gekoppeld van wettelijke invoering van een door de gemeentelijke ingezetenen gekozen burgemeester.[21]
 
Het standaardargument voor deconstitutionalisering komt nog altijd hoofdzakelijk overeen met het in paragraaf 1 gegeven citaat van Thorbecke: de wetgever zou de flexibiliteit moeten hebben om ten aanzien van de benoeming van de burgemeester in te spelen op veranderende bestuurlijke en maatschappelijke omstandigheden. Een ander argument voor deconstitutionalisering dat veelvuldig naar voren wordt gebracht door de voorstanders hiervan, is het (door deze voorstanders ontwaarde en kennelijk voorgestane) sobere karakter van de Nederlandse Grondwet.[22]
 
Voor het vellen van een oordeel over de wenselijkheid van deconstitutionalisering, lijkt het aangewezen om artikel 131 te bezien in verhouding tot de positie die de burgemeester overigens in de Grondwet heeft. Artikel 125, tweede lid, stelt dat de burgemeester onderdeel is van het bestuur van de gemeente.[23] Uit artikel 128 volgt dat het de formele wetgever is toegestaan om aan de burgemeester rechtstreeks (dat wil zeggen zonder tussenkomst van de raad) bevoegdheden toe te kennen.[24] Als onderdeel van het bestuur van de gemeente is de burgemeester voorts betrokken bij de uitoefening van bevoegdheden in autonomie en medebewind (artikel 124). Het is onduidelijk welke deze bevoegdheden zijn, anders dan dat zij enig verband zouden moeten hebben met het ‘bestuur’ uit het tweede lid van artikel 125. Dit roept de vraag op wat de Kroonbenoeming van de burgemeester nu precies beoogt te waarborgen. Immers, normaliter bestaat er een zeker logisch verband tussen de wijze waarop een orgaan wordt samengesteld of benoemd en de bevoegdheden die het uitoefent. Door op geen enkele wijze specifiek te zijn ten aanzien van de taken en bevoegdheden van de burgemeester, maakt de Grondwet dit verband niet inzichtelijk.
 
Hierdoor geeft de Grondwet bijzonder weinig handvatten om te veronderstellen dat juist de benoeming bij koninklijk besluit het meest aansluit bij zijn takenpakket. Sinds 2008 geldt dit nog sterker door het uit de Grondwet verwijderen van het raadsvoorzitterschap van de burgemeester.[25] Oorspronkelijk had dit een functie in het kader van het via de burgemeester op de raad uit te oefenen nationale toezicht, waardoor hierin een verklaring kon worden gevonden waarom een Kroonbenoeming geboden was.
 
Afhankelijk van iemands persoonlijke opvattingen zou kunnen worden betoogd dat de grondwettelijk voorgeschreven benoemingswijze goed aansluit bij de taken, die de burgemeester zijn opgedragen in andere formele wetten (bijvoorbeeld ten aanzien van de nationale politie). Dan blijft de vraag echter waarom het enerzijds noodzakelijk is diens benoemingswijze grondwettelijk te verankeren, maar het anderzijds aan de ‘grillen’ van de wetgever wordt gelaten hoe zij wenst om te springen met de voor dit ambt kennelijk fundamentele taken. Enigszins gechargeerd: het heeft weinig zin de benoeming van de burgemeester grondwettelijk te beschermen, als de wetgever betrekkelijk eenvoudig diens rol binnen het ‘bestuur’ kan inperken tot een voornamelijk ceremoniële.
 
Zonder een voorkeur uit te spreken voor deconstitutionalisering van de Kroonbenoeming, lijkt het vanuit het oogpunt van deze institutionele logica juister om een scherpe keuze te maken: de hoofdlijnen ten aanzien van benoeming en van bevoegdheden zijn ofwel allebei van constitutionele orde, ofwel allebei niet. Ten aanzien van de burgemeester maakt de Grondwet deze keuze niet. Gelet op vrijwel alle andere in de Grondwet verankerde organen moet dit worden gezien als een opmerkelijke uitzondering. Of het nu de Kamers der Staten-Generaal, de regering (en haar samenstellende delen), de Hoge Raad, de Raad van State, de Algemene Rekenkamer of de Nationale ombudsman betreft, de Grondwet regelt op zijn minst de hoofdlijnen van zowel de samenstelling als de taken. In de Grondwet wordt zelfs de wethouder logischer benaderd dan de burgemeester. Zijn bestaan wordt erkend in het tweede lid van artikel 125, maar zowel zijn benoeming als zijn taken binnen het gemeentebestuur worden door de wetgever bepaald.  
 
In dit licht moet deconstitutionalisering van de burgemeestersbenoeming worden gezien als een valide optie. Hierdoor komt besluitvorming over zowel de benoemingswijze als over het takenpakket van de burgemeester in één hand (die van de formele wetgever) te liggen. De formele wetgever is in dat geval vrij beide op elkaar af te stemmen op een manier die aansluit bij de wensen van de politieke meerderheid van moment.[26] Wie dit niet aan de formele wetgever wenst over te laten, zou meer moeten doen dan zich slechts tegen de deconstitutionalisering van artikel 131 te verklaren. In dat geval ligt het niet alleen voor de hand te pleiten voor behoud van enig artikel dat de benoemingswijze van de burgemeester regelt (of dat nu de Kroonbenoeming is of iets anders), maar dit tevens te koppelen aan een pleidooi voor steviger grondwettelijke duiding van de burgemeestersbevoegdheden. Uiteraard zouden deze bevoegdheden dan weer in de rede moeten liggen, gelet op de door de grondwetgever voorgestane benoemingswijze.

4. De wijze van deconstitutionalisering

Als voor deconstitutionalisering wordt gekozen, is de vervolgvraag: op welke wijze? Als gezegd, het voorstel-Peper werd ingetrokken, omdat alsnog de voorkeur werd gegeven aan het creëren van een bepaling die de wetgever opdroeg de benoeming van de burgemeester (en de commissaris) te regelen. Aan de noodzaak hiertoe moet ernstig worden getwijfeld, omdat een dergelijke attributiebepaling in beginsel overbodig is. Een grondslag voor het regelen van de nadere inrichting van het gemeentebestuur kan immers reeds worden gevonden in artikel 132, eerste lid. Deze grondslag is weliswaar minder specifiek dan degene die werd voorgesteld in het verworpen voorstel-De Graaf of het huidige voorstel-Schouw. Niettemin, omdat het ambt van burgemeester al wordt geïntroduceerd in het tweede lid van artikel 125, kan uit beide artikelen – ook zonder een specifieke attributiebepaling – worden afgeleid dat het aan de wetgever is om te voorzien in de benoeming van de burgemeester. Op dit moment wordt deze grondslag al afdoende geacht voor de benoeming en het ontslag van wethouders, alsmede voor het ontslag van de burgemeester (dat thans grondwettelijk ongeregeld is). Welke meerwaarde het voorstel-De Graaf[27] op dit punt zou hebben geboden boven het voorstel-Peper blijft derhalve onduidelijk.
 
Anders dan het voorstel-De Graaf voegt het voorstel-Schouw in zoverre iets toe aan artikel 125, tweede lid, en artikel 132, eerste lid, dat het duidelijk maakt dat de wetgever de procedurele uitwerking van de burgemeestersbenoeming mag delegeren, maar de hoofdkeuze voor het soort burgemeestersbenoeming of -verkiezing niet. Dat laatste zou strikt genomen onder artikel 132, eerste lid, niet zijn uitgesloten. Ervan uitgaand dat de wetgever sowieso niet snel op het idee zou komen deze keuze bij amvb te doen maken, betekent dit in de praktijk vooral dat het de wetgever niet toegestaan is de keuze omtrent de benoemingswijze van de burgemeester over te laten aan gemeenteraden.

5. De commissaris van de Koning

Hoewel de drie gememoreerde pogingen tot het wijzigen of schrappen van artikel 131 steeds ook de positie van de commissaris van de Koning betroffen, kan niet worden gezegd dat de discussie over diens benoemingswijze evenzeer ‘leeft’ als over die van de burgemeester. Hier kan een rol spelen dat provincies zich überhaupt minder mogen verheugen in een grote rechtswetenschappelijke en politieke interesse. Vanuit meer juridisch oogpunt zou ook kunnen worden gewezen op zijn bijzondere taakstelling in artikel 126 Grondwet. Anders dan de burgemeester, voorziet de Grondwet wel in een deel van de taken van de commissaris. De bijzondere rol die hij in artikel 126 krijgt toebedeeld als ‘rijksorgaan’ zou kunnen verklaren waarom het waarborgen van zijn benoeming bij koninklijk besluit op minder weerstand stuit.
 
Vanuit taalkundige optiek is het overigens überhaupt de vraag of deconstitutionalisering van zijn Kroonbenoeming (via het schrappen of wijzigen van artikel 131) de weg opent naar andere benoemingswijzen. Het zou immers op zijn minst opmerkelijk zijn dat een functionaris die in dat geval in de Grondwet nog steeds wordt aangeduid als commissaris van de Koning (zie artikelen 125, tweede lid en 126) op een andere manier wordt benoemd dan via koninklijk besluit.

6. Literatuur

- A.H.M. Dölle, De ‘bekozen’ burgemeester: voorlaatste etappeplaats?, in Gst 2001, 7153 nr. 1
- D.J. Elzinga, Gekozen burgemeester heeft een zeer zwak fundament, in: Gst. 2004/88
- J.W.M. Engels, Eigenstandig of Zelfstandig. De gekozen burgemeester in dualistisch en constitutioneel perspectief, Universiteit Leiden 2003
- N. Karsten e.a., Majesteitelijk en magistratelijk. De Nederlandse burgemeester en de staat van het ambt, Tilburgse School voor Politiek en Bestuur, DEMOS -Centrum voor Beter Bestuur en Burgerschap, 2014
- A.F.A. Korsten e.a., Onder burgemeesters. Finesses van het burgemeesterschap, Boom/Lemma, 2012
- Raad voor het openbaar bestuur, De gekozen burgemeester: een kwestie van kiezen, Den Haag 2003
- H.J.B. Sackers, Herder, houder en handhaver. De burgemeester en het bestuurlijk sanctierecht, Radboud Universiteit Nijmegen 2010
- J. de Vries, Commissaris van de Koning of burgemeester van de provincie?, in Gst. 2006/140
- H.G. Warmelink, Aanstellingswijze burgemeester, in: P.P.T. Bovend’Eert e.a., Constitutionele normen en decentralisatie. Een evaluatie van Hoofdstuk 7 Grondwet, Kluwer – Deventer 2011, hoofdstuk 8

7. Jurisprudentie

Er bestaat enige jurisprudentie omtrent benoemings- en ontslagprocedures van burgemeesters. Deze jurisprudentie betreft echter niet die elementen van diens benoeming die in artikel 131 worden gewaarborgd (de Kroonbenoeming). Een tweetal recente zaken met betrekking tot een burgemeestersbenoeming is:
 
- Gerechtshof Den Haag 12 maart 2015, ECLI:NL:GHDHA:2015:533, NJFS 2015/110 (medeplichtigheid aan schending geheimhoudingsplicht)
- Rechtbank Utrecht 8 mei 2007, ECLI:NL:RBUTR:2007:BA4632 (Rhenen, samenstelling vertrouwenscommissie)

8. Historische versies

Commissaris van de Koning:
Art. 76, eerste lid, eerste volzin, Gw. 1814: Er zullen zijn in alle Provincien of Landschappen Commissarissen van den Souvereinen Vorst, onder zulke benaming, als Hij zal goed vinden.
Art. 137, eerste lid, Gw. 1815: De Koning stelt in alle Provincien commissarissen aan, onder zulke benaming als Hij goedvindt (...)(art. 135, eerste lid, Gw. 1840).
Art. 137, eerste lid, Gw. 1848: De Koning stelt in alle provincien commissarissen aan (...).
Art. 141, eerste lid, Gw. 1887: De Koning stelt in elke provincie een Commissaris aan (...)(art. 143, eerste lid, Gw. 1938; art. 150, eerste lid, Gw. 1953).
 
Burgemeester:
Art. 139, tweede lid, Gw. 1848: De voorzitter wordt door den Koning ook buiten de leden van den raad benoemd, en ook door hem ontslagen.
Art. 143, vijfde lid, Gw. 1887: De Voorzitter wordt door den Koning, ook buiten de leden van den raad, benoemd en door Hem ontslagen (art. 145, vijfde lid, Gw. 1938; art. 152, vijfde lid, Gw. 1953).         

Noten

  1. J.R. Thorbecke, Bijdrage tot de herziening der Grondwet, 1848 (tekstuitgave 1948), ’s-Gravenhage, Martinus Nijhoff 1948, p. 78.
  2. Verslag van de Staatscommissie, ingesteld bij Koninklijk Besluit van 20 December 1918, no. 78, aan welke is opgedragen de voorbereiding van eene herziening van de grondwet (Den Haag 1920), p. 10.
  3. Eindrapport van de Staatscommissie van Advies inzake de Grondwet en de Kieswet, ingesteld bij Koninklijk Besluit van 26 augustus 1967, nr 1 (Den Haag 1971), p. 291-293.
  4. Rapport van de Staatscommissie Dualisme en Lokale democratie, Samsom 2000, p. 403.
  5. De commissie-Elzinga hield deconstitutionalisering van de Kroonbenoeming van commissarissen voor mogelijk, maar zag er “bewust van af om (op? WvdW) dit punt met een afgeronde aanbeveling te komen”.
  6. Kamerstukken I, 25 620 nr. 176.
  7. Handelingen I, 2004-2005, nr. 21.
  8. Stb. 2015, 277.
  9. Zie bijvoorbeeld J.W.M. Engels, Eigenstandig of Zelfstandig. De gekozen burgemeester in dualistisch en constitutioneel perspectief, Universiteit Leiden 2003.
  10. Kamerstukken II, 2000-2001, 27 551 nr. 3, p. 3.
  11. Zie hiervoor bijvoorbeeld H.J.B. Sackers, Herder, houder en handhaver. De burgemeester en het bestuurlijk sanctierecht, Radboud Universiteit Nijmegen 2010.
  12. Zie het commentaar bij artikel 126.
  13. Zie voor een uitgebreider overzicht A.H.M. Dölle, De ‘bekozen’ burgemeester: voorlaatste etappeplaats?, in Gst 2001, 7153 nr. 1.
  14. Wet van 14 februari 1992, Stb. 1992, 96.
  15. Zie wederom A.H.M. Dölle, De ‘bekozen’ burgemeester: voorlaatste etappeplaats?, in Gst 2001, 7153 nr. 1.
  16. Wet van 16 juli 2001, Stb. 2001, 358.
  17. A.H.M. Dölle, De ‘bekozen’ burgemeester: voorlaatste etappeplaats?, in Gst 2001, 7153 nr. 1.
  18. Wet van 4 december 2008, Stb. 2008, 538.
  19. J.L.W. Broeksteeg, Het burgemeestersreferendum: vlees noch vis, in: Ars Aequi april 2008, p. 258-260.
  20. Zie verder C.J.N. Versteden, Gemeentewet en haar toepassing, artikel 61 (bijgewerkt tot 1 oktober 2014).
  21. In ieder geval voor de Eerste Kamerfracties van de PvdA, SP en GroenLinks leek dit één van de belangrijkste reden om tegen te stemmen. Zie Handelingen I, 2004-2005, nr. 21.
  22. Zie de gewijzigde memorie van toelichting bij het voorstel-Schouw, Kamerstukken II, 2012-2013, 33239 nr. 6, p. 3.
  23. Zie het commentaar bij artikel 125.
  24. Zie het commentaar bij artikel 128.
  25. Zie het commentaar bij artikel 125.
  26. En uiteraard met de nog resterende grondwettelijke bepalingen, niet alleen ten aanzien van de burgemeester, maar ook ten aanzien van de raad (zoals het hoofdschap uit artikel 125, eerste lid).
  27. Het voorstel strekte tot het opnemen van de volgende bepaling in plaats van het huidige artikel 131: “De aanstelling van de commissaris van de Koning en de burgemeester vindt plaats volgens regels bij de wet te stellen.” Kamerstukken II, 2001-2002, 28 509 nr. 2.

CITEER SUGGESTIE

W. van der Woude, Commentaar op artikel 131 van de Grondwet, in: E.M.H. Hirsch Ballin en G. Leenknegt (red.), Artikelsgewijs commentaar op de Grondwet, webeditie 2019 (www.Nederlandrechtsstaat.nl).