DE GRONDWET

Artikel 117 - Rechtspositie leden rechterlijke macht

  1. De leden van de rechterlijke macht met rechtspraak belast en de procureur-generaal bij de Hoge Raad worden bij koninklijk besluit voor het leven benoemd.

  2. Op eigen verzoek en wegens het bereiken van een bij de wet te bepalen leeftijd worden zij ontslagen.

  3. In de gevallen bij de wet bepaald kunnen zij door een bij de wet aangewezen, tot de rechterlijke macht behorend gerecht worden geschorst of ontslagen.

  4. De wet regelt overigens hun rechtspositie.


WETENSCHAPPELIJK COMMENTAAR

G. Boogaard

INHOUDSOPGAVE

  1. Historische ontwikkeling en actuele betekenis
  2. Benoeming voor het leven
  3. Toezicht & tuchtrecht over rechters
  4. Rechtspositionele onafhankelijkheid
  5. Literatuur
  6. Historische versies
   
Editie maart 2016
 

1.   Historische ontwikkeling en actuele betekenis

De rechterlijke macht en zijn onafhankelijkheid zijn altijd sterk verweven geweest in de Nederlandse constitutionele traditie: de rechterlijke macht is onafhankelijk of hij is niet. De onafhankelijke rechterlijke macht is tegenwoordig zelfs een zelfstandig element van de Nederlandse rechtstaat, naast het legaliteitsbeginsel, de Trias Politica en de grondrechten.[1] Binnen het algemene leerstuk van de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht speelt artikel 117 Grondwet een historische en symbolische rol. De benoeming van rechters ‘voor het leven’ dateert uit 1814 en is nog altijd een belangrijk symbool van hun onafhankelijkheid. In een voor hem ongebruikelijke blijk van oranjeliefde, wijst Thorbecke zelfs een Engelse wet van Stadhouder-Koning Willem III als bron voor de Franse constitutie aan.[2] Tegenwoordig begint de publieksvoorlichting op www.rechtspraak.nl over een rechtvaardige rechter met de mededeling dat alleen de Hoge Raad een rechter kan ontslaan.[3] Tegelijkertijd is de bijzondere ontslagbescherming uit artikel 117 Grondwet slechts een onderdeel van het algemene leerstuk van de onafhankelijke rechterlijke macht, en misschien niet eens het belangrijkste.
 
De inhoud van de ‘onafhankelijke rechterlijke macht’ als element van de rechtsstaat, kan worden verhelderd met een aantal onderscheidingen. Allereerst is het verschil tussen onafhankelijkheid en onpartijdigheid van belang. Het eerste betreft de waarborg dat rechters in staat worden gesteld om te doen wat zij denken dat het recht van hen verlangt. Het tweede stelt juist eisen aan de rechterlijke macht: rechters mogen alleen doen wat het recht van hen vraagt. Het persoonlijke belang van een rechter mag niet samenvallen met dat van één van de partijen (omdat het familie is, bijvoorbeeld, of omdat de rechter die partij reeds in een andere hoedanigheid heeft geadviseerd) en hij mag zijn neutraliteit niet verliezen (door beslissingen te motiveren met zijn geloofsovertuiging, bijvoorbeeld, of een partijspeldje op de toga te dragen). Uiteraard zijn de onafhankelijkheid en onpartijdigheid niet altijd even goed te scheiden. In de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) worden ze ook regelmatig met elkaar verward.[4] Het door het EHRM ontwikkelde verbod op de schijn van partijdigheid is bovendien een tussencategorie omdat die schijn ook kan worden gewekt door de rechtspositie van de rechter. Artikel 117 Grondwet gaat echter nadrukkelijk over de onafhankelijkheid van de rechter, en niet over zijn onpartijdigheid.
 
Een tweede manier om de plek van artikel 117 Grondwet binnen het algemene leerstuk van de onafhankelijke rechterlijke macht te duiden, is het verschil in soorten onafhankelijkheid dat in de literatuur wordt gemaakt.[5] Allereerst is er de institutionele onafhankelijkheid van de rechterlijke macht als geheel. Deze is in de Grondwet geregeld in artikel 116: de wetgever moet de rechterlijke organisatie inrichten met een zekere zelfstandigheid ten opzichte van met name de regering. De wetgever mag dus geen gedetailleerde beheersbevoegdheden voor de uitvoerende macht creëren. Ten tweede is er de zogenaamde rechtspositionele onafhankelijkheid. Die is in gevaar als individuele rechters repercussies in hun rechtspositie vrezen bij een voor de andere staatsmachten onwelgevallige uitspraak. Dat is de onafhankelijkheid die beschermd wordt door artikel 117 Grondwet. Ten slotte is er een derde vorm van onafhankelijkheid: de functionele onafhankelijkheid. Leden van het Openbaar Ministerie kennen deze onafhankelijkheid niet: zij kunnen inhoudelijke instructies van (uiteindelijk) de Minister van Veiligheid en Justitie krijgen. Zelfs de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad, die wel rechtspositioneel onafhankelijk is, kan onder artikel 119 Grondwet van de regering de instructie krijgen om een individuele zaak te gaan vervolgen. Ten aanzien van rechters worden dergelijke instructiebevoegdheden uitgesloten door hun functionele onafhankelijkheid.
 
Werkelijke functionele onafhankelijkheid gaat veel verder dan de afwezigheid van instructiebevoegdheden. Die ontstaat als rechters ook hun juridische geweten blijven volgen wanneer een zaak onder het vergrootglas van de media ligt (het Wilders-proces, bijvoorbeeld) of als zij inschattingen moeten maken waarvan ze weten dat een verkeerde afloop (een verdachte die naar het buitenland vlucht of een TBS-er die niet terugkeert van proefverlof) maatschappelijke verontwaardiging zal gaan opleveren. Functionele onafhankelijkheid is uiteindelijk een ideaal dat moeilijk is te codificeren. Volgens de grondwetgever is een rechterlijke macht die ook onder hoge druk koersvast blijft, meer een kwestie van esprit de corps dan van wettelijke regels. De mentaliteit van de rechterlijke macht is ‘natuurlijk de essentie van de rechterlijke onafhankelijkheid,’ aldus de regering, en de rechtspositionele onafhankelijkheid uit artikel 117 Grondwet is vooral bedoeld om die zo goed mogelijk te ‘ruggesteunen’.[6]
 
Het grondrecht op een eerlijk proces uit artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten voor de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) vervult ten aanzien van de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht een onderscheiden en daarmee mogelijk aanvullende rol ten opzichte van de Grondwet. Waar de Grondwet zich richt op de institutionele en rechtspositionele onafhankelijkheid, met de bedoeling daarmee zoveel mogelijk functionele onafhankelijkheid te creëren, staat in de jurisprudentie van het EHRM het resultaat centraal: de functionele onafhankelijkheid. De eisen ten aanzien van de rechtspositionele en institutionele onafhankelijkheid worden daar door het EHRM min of meer van afgeleid. Levenslange benoeming is zo geen absoluut vereiste, zolang dat in de praktijk maar geen situatie oplevert waarin de betrokken rechter niet meer vrij kan oordelen over een voorliggende zaak.
 

2.   Benoeming voor het leven

Naast de Koning plaatst de Grondwet ook de leden van de Raad van State (artikel 74 Grondwet), de leden van de Algemene Rekenkamer (artikel 77), de procureur-generaal bij de Hoge Raad en alle leden van de rechterlijke macht, met rechtspraak belast, levenslang op hun post. Tot 1848 werden alleen de leden van de Hoge Raad, de gerechtshoven en de criminele rechtbanken voor het leven benoemd. Daar stond tegenover dat de procureurs-generaal en de hoofdofficieren van justitie ook niet konden worden ontslagen. Het aantal levenslange benoemingen in het Openbaar Ministerie is in de loop der tijd beperkt tot de procureur-generaal bij de Hoge Raad, in het licht van het forum privilegiatum uit artikel 119 Grondwet en de daarvoor gewenste rechtspositionele onafhankelijkheid van de procureur-generaal.[7] De levenslange benoeming van rechters is in de loop van diezelfde tijd vooral uitgebreid. Vóór 1983[8] eiste de Grondwet dat ook bestuursrechters die geen onderdeel uitmaakten van de rechterlijke macht voor het leven zouden worden benoemd. In verband met het voornemen alle bestuursrechters onder het begrip rechterlijke macht te brengen, werd die bepaling in 1983 alvast geschrapt. Het voornemen is echter niet volledig uitgevoerd. Daarom is de levenslange benoeming van de rechters in de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, de Centrale Raad van Beroep en het College van beroep voor het bedrijfsleven geen grondwettelijke garantie maar een keuze van de wetgever.[9]
 
Een benoeming voor het leven duurt niet per definitie tot de dood. In 1887 werd een leeftijdsgrens voor rechters uit Hollandse zuinigheid niet ingevoerd. Rechters die dankzij ouderdomskwalen ongeschikt werden konden wegens ongeschiktheid worden ontslagen, terwijl rechters die ondanks hun leeftijd nog altijd goed werk deden beter aan de slag konden blijven dan ten laste van ’s Rijks schatkist rentenieren.[10] In 1909 pakte deze keuze penny-wise pound-foolish uit. Om het vrijwillig ontslag van de oudere leden van de rechterlijke macht te bevorderen, beloofde de zogenaamde Achterstandswet[11] bejaarde rechters het volle salaris als pensioen. Sinds 1922 opent de Grondwet de mogelijkheid om bij wet een algemene leeftijdsgrens te bepalen, die tien jaar later, in 1932, werd bepaald op ‘de volle ouderdom’ van 70 jaar. Daar ligt die grens nog steeds.[12] Delegatie is hier uitgesloten en waakzaamheid geboden. Juist in een stelsel van carrièrerechters waarin de meest ervaren rechters aan de top van de piramide staan, kán een verlaging van de leeftijdsgrens een manier zijn om een ‘lastige’ Hoge Raad collectief te ontslaan. Verordening 130/1941 van Seyss-Inquart verlaagde bijvoorbeeld de leeftijdsgrens van 70 naar 65 jaar, in de hoop de openvallende vacatures met meer Duitsgezinde rechters te kunnen vervullen.[13] Dergelijke acties zijn in strijd met de rechtspositionele onafhankelijkheid van de rechterlijke macht. Waakzaamheid is evenzeer geboden ten aanzien van het promotiebeleid binnen de rechterlijke macht. De dreiging te worden uitgesloten van elke toekomstige vervolgbenoeming kan onder omstandigheden zeker een schending van rechtspositionele (en functionele) onafhankelijkheid opleveren. Voor dergelijk misbruik van artikel 117, eerste lid, Grondwet hoeft in de huidige Nederlandse verhoudingen niet snel te worden gevreesd. In de praktijk staat de aanbeveling van het bestuur van het gerecht waarbinnen de vacature openvalt, centraal. Door dit stelsel van coöptatie beschikt de rechterlijke macht feitelijk over zijn eigen promotiebenoemingen.[14]
 
Voor ontslag op eigen verzoek of wegens het bereiken van de leeftijdsgrens geeft de Grondwet geen vormvoorschrift. De wet doet dat wel. Artikel 46h Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren bepaalt dat het ontslag bij Koninklijk Besluit wordt verleend. De Grondwet garandeert dat als ontslag eenmaal is aangevraagd, dit ook moet worden verleend. Zoals het de regering niet is toegestaan een rechter tegen zijn zin te ontslaan, zo is het verboden een rechter tegen zijn zin te handhaven in zijn ambt.
 

3.   Toezicht & tuchtrecht over rechters

De institutionele, rechtspositionele en functionele onafhankelijkheid van de rechterlijke macht betekenen niet dat zij zijn uitgezonderd van een van de belangrijkste constitutionele vragen: quis custodiet ipsos custodes? Wel is het antwoord in het geval van de rechterlijke macht bijzonder: de rechterlijke macht bewaakt zichzelf. Artikel 116, vierde lid, Grondwet bepaalt dat het toezicht op de ambtsvervulling van de leden van de rechterlijke macht, met rechtspraak belast, en de personen (leken) die incidenteel aan rechtspraak deelnemen, alleen kan worden uitgeoefend krachtens de wet en uitsluitend door de rechtsprekende leden van de rechterlijke macht. Onder ‘ambtsvervulling’, zo lichtte de regering toe, vallen zowel ‘ambtsbezigheden of ambtsplichten’ als ‘de waardigheid van het ambt’ in algemene zin.[15] Het hier bedoelde toezicht moet dus goed worden onderscheiden van de juridische controle op de inhoud van de uitspraken. Daarvoor zijn de rechtsmiddelen verzet, hoger beroep en cassatie (in belang der wet) bedoeld. In 1983 schrapte de grondwetgever de (uit 1887 stammende) aanwijzing van de Hoge Raad als het gerecht waaraan bij uitsluiting het toezicht op de ambtsvervulling van rechters mocht worden opgedragen. De huidige formulering erkent dat ook presidenten van gerechten een rol vervullen bij het toezicht op de leden van het gerecht.[16] Waar artikel 116 Grondwet benadrukt dat het toezicht niet door anderen dan rechtsprekende leden van de rechterlijke macht kan worden uitgeoefend, bepaalt artikel 117, vierde lid, Grondwet de ultieme rechtspositionele consequentie voor de rechter die het betreft: schorsing of ontslag. Ondanks het vervallen van de grondwettelijke verplichting daartoe, heeft de wetgever de bevoegdheid tot schorsing en ontslag van rechterlijke ambtenaren nog altijd belegd bij de Hoge Raad, die uitspraak doet op vordering van de procureur-generaal.[17] Deze kan zijn vordering ambtshalve of op verzoek van de functionele autoriteit van de betrokken rechterlijke ambtenaren doen. De procureur-generaal verantwoordt zijn activiteiten in zijn jaarverslag. Daaruit blijkt dat niet veel gevallen in de praktijk oplopen tot een formeel ontslag door de Hoge Raad. In de praktijk gebeurt het ook vaak dat rechters die in de problemen komen zelf ontslag nemen.
 
Het tuchtrecht over rechters is geen rustig bezit. Het jongste hoofdstuk in de geschiedenis daarvan werd geschreven door de zware crimineel Şaban Baran, die hangende zijn hoger beroep, tijdens een tijdelijk verlof om zijn pasgeboren kind te bezoeken, naar Turkije vluchtte.[18] Omdat het Openbaar Ministerie wel had verzocht Baran vast te zetten, kwam het Gerechtshof Arnhem in het oog van de publieke verontwaardiging terecht. Het ‘Burgercomité tegen onrecht’ verzocht de procureur-generaal het disciplinair ontslag van de betrokken raadsheren te vorderen, waarop procureur-generaal Fokkens in een open brief reageerde dat niet was gebleken van een structureel tekort aan juridische kennis of persoonlijk wangedrag. Tot in de Tweede Kamer werd verzocht om een verruiming van de mogelijkheden voor disciplinair ontslag wegens disfunctioneren: ‘rechters die evident en verwijtbaar de plank – meerdere malen – misslaan.’[19] Ter gelegenheid van de meest recente aanpassing van het rechterlijk tuchtrecht vroeg de SP naar de manieren waarop gebrek aan kwaliteit kan leiden tot het opleggen van een disciplinaire maatregel. Het antwoord van de regering schetst de lastige grens tussen de toenemende behoefte aan verantwoording, controle en sanctionering van publieke machtsuitoefening en de functionele onafhankelijkheid waarbinnen de rechterlijke macht in een rechtsstaat zijn werk moet kunnen doen. De regering stelde: ‘Als de kwaliteit van het rechterlijk werk tekortschiet, dan kan de rechter tot de orde worden geroepen. Bijvoorbeeld tijdens een functioneringsgesprek, waarin ook het kwalitatief functioneren van de rechter aan de orde komt. Indien de rechter ondanks herhaalde bespreking en waarschuwing ondermaats blijft presteren, kan dat uiteindelijk leiden tot ontslag via de Hoge Raad. Dat zal dan geen ontslag als disciplinaire maatregel kunnen zijn, want gebrek aan kwaliteit op zich zelf leidt niet tot het oordeel dat er sprake zou kunnen zijn van plichtsverzuim. Gebrek aan kwaliteit zou eventueel kunnen leiden tot een ontslag wegens ongeschiktheid, maar als er sprake is van opzettelijk ondermaats presteren zou dat als plichtsverzuim kunnen worden beschouwd.’[20]
 

4.   Rechtspositionele onafhankelijkheid

Artikel 117, vierde lid, Grondwet bepaalt dat de wet de rechtspositie van de rechtsprekende leden van de rechtelijke macht regelt. Vroeger noemde de Grondwet daarbij expliciet de bezoldiging van de rechters als onderwerp, en dat maakt meteen duidelijk waar deze bepaling over gaat. De constitutionele waarde ervan is de garantie dat de rechtspositie met algemene regels, zoveel mogelijk afkomstig van de formele wetgever wordt geregeld. Een bepaling zoals artikel 18, eerste lid, van de Wet op de Rechterlijke Organisatie 1827 verdient dan ook niet de voorkeur. Krachtens die bepaling mocht een kantonrechter ‘zelfs in den tijd der vakantie niet buiten het Koningrijk gaan, zonder bijzonder verlof van den Koning.’[21] Een dergelijke bevoegdheid om individuele vakantieplannen te doorkruisen, zou tegenwoordig in het licht van de rechtspositionele onafhankelijkheid van de rechterlijke macht ten zeerste moeten worden afgewezen. Hoofdstuk 3 van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren regelt op dit moment het salaris en de andere financiële arbeidsvoorwaarden. De overige arbeidsvoorwaarden van rechters zijn met name geregeld in een algemene maatregel van bestuur: het Besluit rechtspositie rechterlijke ambtenaren.


5.   Literatuur

- P.P.T. Bovend’Eert, Benoeming en ontslag van rechters (oratie KUN), 2000
- P.P.T. Bovend’Eert, Rechterlijke organisatie, rechters en rechtspraak, Deventer: Kluwer 2008
- P.M. van den Eijnden, Onafhankelijkheid van de rechter in constitutioneel perspectief (diss. KUN), Deventer: Kluwer 2011
- M.L. van Emmerik, J.P. Loof & Y.E. Schuurmans, Systeemwaarborgen voor de kernwaarden van de rechtspraak, Research Memoranda Raad voor de rechtspraak 2014/2.
- E.P. Muller & C.P.M. Cleiren, Rechterlijke macht, Deventer: Kluwer 2006.


6.   Historische versies

Eerste, tweede en derde lid:
Art. 113 Gw. 1814: De leden en ministers van den Hoogen Raad en provinciale Geregtshoven, benevens de Procureurs Generaal bij dezelve, worden voor hun leven aangesteld. De tijd der bediening van alle andere regters wordt bij de wet bepaald.
Geen regter mag gedurende den tijd zijner bediening van zijnen post worden ontslagen, dan op eigen verzoek of bij regterlijk vonnis.
Art. 186 Gw. 1815: De leden en ministers van den Hoogen Raad, de provinciale Geregtshoven en criminele Regtbanken, benevens de Prokureurs Generaal, en Hoofdofficieren bij dezelve, worden voor hun leven aangesteld.
De wet regelt den tijd der bediening van andere regters en regterlijke ambtenaren.
Geen regter mag gedurende den bepaalden tijd zijner bediening, van zijnen post worden ontslagen, dan op eigen verzoek of bij regterlijk vonnis (art. 184 Gw. 1840).
Art. 163 Gw. 1848: De leden en de procureur generaal bij den Hoogen Raad, de leden van de geregtshoven, zoo die er zijn, en van de regtbanken van eersten aanleg, worden voor hun leven aangesteld.
Al dezen en de zoodanigen, die voor een bepaalden tijd zijn aangesteld, kunnen worden afgezet of ontslagen door regterlijke uitspraak, in de gevallen in de wet te bepalen. Zij kunnen op eigen verzoek, door den Koning worden ontslagen.
Art. 166 Gw. 1887: De leden van de regterlijke Magt worden door den Koning aangesteld.
De leden van de regterlijke Magt, met regtspraak belast, en de procureur generaal bij den Hoogen Raad worden voor hun leven aangesteld.
Zij kunnen worden afgezet of ontslagen door uitspraak van den Hoogen Raad in de gevallen bij de wet aangewezen.
Op eigen verzoek kunnen zij door de Koning worden ontslagen.
Indien een collegie belast wordt met administratieve regtspraak in het hoogste ressort voor het Rijk, zijn de eerste, tweede en vierde zinsnede van dit artikel op de leden daarvan toepasselijk.
Zij kunnen worden afgezet of ontslagen op de wijze en in de gevallen, bij de wet aangewezen.
Dit artikel is niet toepasselijk op hen die uitsluitend belast zijn met regtspraak over personen, behoorende tot de zee  of landmagt of tot eenige andere gewapende macht, of met de beslissing van disciplinaire zaken.
Art. 167 Gw. 1922: De leden van de rechterlijke macht worden door den Koning aangesteld.
De leden van de rechterlijke macht, met rechtspraak belast, en de procureur generaal bij den Hoogen Raad worden voor hun leven aangesteld.
De wet kan bepalen, dat hun met het bereiken van een bepaalden leeftijd ontslag wordt verleend.
Zij kunnen worden afgezet of ontslagen door uitspraak van den Hoogen Raad in de gevallen bij de wet aangewezen.
Op eigen verzoek kunnen zij door den Koning worden ontslagen.
Indien een college belast wordt met administratieve rechtspraak in het hoogste ressort voor het Rijk, zijn het eerste, tweede, derde en vijfde lid van dit artikel op de leden daarvan toepasselijk.
Zij kunnen worden afgezet of ontslagen op de wijze en in de gevallen, bij de wet aangewezen.
Dit artikel is niet toepasselijk op hen die uitsluitend belast zijn met rechtspraak over personen, behoorende tot de zee of landmacht of tot eenige andere gewapende macht, of met de beslissing van disciplinaire zaken (art. 173 Gw. 1938; art. 180 Gw. 1953; art. 180 Gw. 1956, behoudens dat i.p.v. `behoorende tot de zee  of landmacht of tot eenige andere gewapende macht' wordt gelezen `behorende tot de krijgsmacht').
 
Vierde lid:
Art. 61, tweede lid, Gw. 1815: De bezoldiging der ambtenaren van de regterlijke magt wordt door de wet geregeld.
 

Noten

  1. Wetenschappelijke raad voor het regeringsbeleid, De toekomst van de nationale rechtsstaat, (WRR-rapport no. 63), 2002. Zie http://www.wrr.nl/publicaties
  2. J.R. Thorbecke, Aantekening op de Grondwet, Tweede deel, 1843, p. 201.
  3. https://www.rechtspraak.nl/Hoe-werkt-het-recht/Rechtspraak-in-Nederland/Rechters/Paginas/Rechtvaardige-rechter.aspx
  4. P.M. van den Eijnden, Onafhankelijkheid van de rechter in constitutioneel perspectief (diss. KUN), Deventer: Kluwer 2011, p. 51-149.
  5. P.P.T. Bovend’Eert, Rechterlijke organisatie, rechters en rechtspraak, Alphen aan den Rijn: Kluwer 2008, p. 17-32.
  6. Kamerstukken II 1980/81, 16 162, nr. 3, p. 19 (Nng, V, 23).
  7. Kamerstukken II 1980/81, 16 162, nr. 3, p. 5 (Nng, V, 9). De rol van de procureur generaal binnen het rechterlijk tuchtrecht (artikel 46o Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren) vormt eveneens een goede reden voor voldoende rechtspositionele onafhankelijkheid.
  8. Artikel 180, zesde lid, Grondwet 1972.
  9. Zie bijvoorbeeld artikel 4, eerste lid, Beroepswet juncto, artikel 2, eerste lid, Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren.
  10. J. T. Buijs, De Grondwet. Toelichting en kritiek, Deel III, Arnhem: Gouda Quint 1888, p. 322.
  11. Wet van 27 september 1909 (Stb. 324). Besproken in P.J. Oud, Het Constitutioneel Recht van het koninkrijk der Nederlanden, Deel II, Zwolle: Tjeenk Willink, 1970, p. 649.
  12. Tegenwoordig in artikel 46h, derde lid, Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren.
  13. C.J.H. Jansen, ‘De spagaat van de leden van de Hoge Raad in de Tweede Wereldoorlog’, NJB 2005 afl. 17, p. 880-886.
  14. P.P.T. Bovend’Eert, Benoeming en ontslag van rechters (oratie KUN), 2000, p. 9. Bovend’Eert meent overigens dat de praktijk van coöptatie echter ook weer in zichzelf in strijd is met de machtenscheiding (p.13). De voordelen moeten in dit geval echter zwaarder wegen dan de nadelen.
  15. Kamerstukken II 1980/81, 16 162, nr. 3, p. 18 (Nng, V, 22).
  16. Kamerstukken II 1980/81, 16 162, nr. 3, p. 18 (Nng, V, 22). De Grondwet veronderstelt dan uiteraard rechtspositionele en functionele onafhankelijkheid bij deze toezichthoudende presidenten. Zie voor de grondwettigheid van de verhouding met de Raad voor de rechtspraak op dit punt: P.P.T. Bovend’Eert, ‘Wie bewaakt de bewakers? De nieuwe tuchtrechtregeling voor rechters is ongrondwettig’, NJB 2015/407, af. 8, p. 509 e.v.
  17. Hoofdstuk 6A Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren.
  18. https://nl.wikipedia.org/wiki/%C5%9Eaban_Baran
  19. Krista van Velzen (Kamerlid SP), ‘Maak ontslag rechters makkelijker’, NRC Handelsblad 5 oktober 2009.
  20. Kamerstukken II 2013/14, 33 861, nr. 6, p. 5.
  21. Dat moet uiteraard in context worden gezien, zoals het tweede lid van artikel 18 Wet RO 1827: ‘De Raadsheeren en Regters, welke dienst doen in krimineele en correctionele zaken, hebben geene vakantie’.

CITEER SUGGESTIE

G. Boogaard, Commentaar op artikel 117 van de Grondwet, in: E.M.H. Hirsch Ballin en G. Leenknegt (red.), Artikelsgewijs commentaar op de Grondwet, webeditie 2019 (www.Nederlandrechtsstaat.nl).