DE GRONDWET

Artikel 114 - Doodstraf

De doodstraf kan niet worden opgelegd.

WETENSCHAPPELIJK COMMENTAAR

G. Boogaard

INHOUDSOPGAVE

  1. Historische ontwikkeling en actuele betekenis
  2. Internationaal recht
  3. Jurisprudentie
  4. Historische versies
 
Editie maart 2016
 

1.   Historische ontwikkeling en actuele betekenis

Over de historische ontwikkeling van het verbod op de doodstraf kan een commentaar op de Grondwet van 1983 kort zijn: die is er niet. De laatste doodstraf (buiten de Tweede Wereld Oorlog en de bijzondere rechtspleging nadien[1]) werd ten onzent in 1860 voltrokken toen Johannes Nathan op 31 oktober op het marktplein van Maastricht werd opgehangen wegens het doodslaan van zijn schoonmoeder.[2] Tien jaar later, in 1870, werd de doodstraf in vredestijd afgeschaft.[3] Van herinvoering ervan is nadien niet meer werkelijk sprake geweest. De herziening van de Grondwet in 1983 werd juist aangegrepen om het grondwettelijke verbod op de algemeen verbeurdverklaring[4] te laten vervallen en de Grondwet voortaan te laten zwijgen over de op te leggen straffen. De Tweede Kamer dacht daar anders over en voegde onder aanvoering van het Kamerlid Roethof (PvdA) bij amendement het huidige artikel 114 Grondwet in.[5] Roethof vond de doodstraf een volstrekt inhumane straf vanwege de onomkeerbaarheid, de absoluutheid en de onmogelijkheid tot kwijting van schuld. Als ontkenning van de veranderbaarheid van de mens was de doodstraf in strijd met de menselijke waardigheid zelf.[6] In de staatsrechtelijke literatuur wordt allerwege geconstateerd dat de plaatsing van het doodstrafverbod in het hoofdstuk over de rechtspraak ongelukkig is. Als grondrecht zou het eerder in Hoofdstuk 1 van de Grondwet thuishoren, in de buurt van het grondrecht op de onaantastbaarheid van het lichaam (artikel 11) waarmee het verbod op de doodstraf inhoudelijk verwantschap vertoont. Plaatsing in Hoofdstuk 6 is bovendien ongelukkig, omdat de bepaling ook is bedoeld voor de wetgever. Daar tegenover kan worden gewezen op de samenhang tussen het verbod op de doodstraf en artikel 113, derde lid, Grondwet, dat bepaalt dat vrijheidsstraffen alleen door de rechterlijke macht kunnen worden opgelegd. Hoofdstuk zes van de Grondwet wordt bovendien meer in het algemeen bij elkaar gehouden door de omschrijving ‘kwesties, de rechtspraak betreffende’: het toetsingsverbod uit artikel 120, de beginselen van een goede procesorde uit artikel 121 en het recht van gratie uit artikel 122 hadden evenzeer elders in de Grondwet kunnen worden geregeld.

De betekenis van de artikel 114 is allereerst dat het de wetgever verboden is om de doodstraf op te nemen onder de mogelijke straffen in het Wetboek van Strafrecht. In de tweede plaats betekent artikel 114 van de Grondwet eveneens dat de een eventueel toch door de wetgever mogelijk gemaakte en door de Nederlandse rechter opgelegde doodstraf nietig is. Doordat het artikel ook voor de rechter is bedoeld, onttrekt het zich deels aan de werking van het constitutioneel toetsingsverbod uit artikel 120 Grondwet. Het niet opleggen van de doodstraf is immers een zelfstandige grondwettelijke plicht voor de rechter waaraan hij kan voldoen zonder daarmee de formele wet die het opleggen van deze straf mogelijk maakt aan de Grondwet te toetsen. Artikel 114 Grondwet geldt onder alle omstandigheden. Hoewel over de relatie met het staatsnoodrecht uit artikel 103 Grondwet tijdens de parlementaire behandeling eigenlijk niet is gesproken, werd het alternatieve amendement van de liberalen Nijpels en Kappeyne van de Copello,[7] waarin was voorzien om in het oorlogsstrafrecht een uitzondering te mogen maken, niet aangenomen.

De grondwettelijke waarborg tegen het opleggen van de doodstraf is in toenemende opgevolgd door de ontwikkeling van het internationale recht (zie hierna, onder nummer 2). Desondanks is het huidige artikel 114 Grondwet niet zonder betekenis in de Nederlandse politieke discussie. De SGP is nog altijd voor wederinvoering van de doodstraf voor ernstige levensdelicten.[8] De laatste minister die zich er enigszins positief over uitliet, was minister Nawijn (LPF) in 2002. De politieke reacties waren dermate fel (ook van zijn eigen partij)[9] dat de herinvoering van de doodstraf niet snel serieus op de politieke agenda zal verschijnen. Ondertussen blijkt uit opinieonderzoek wel met enige regelmaat dat het aantal voorstanders van een beperkte invoering van de doodstraf rond de 40 procent schommelt.
 

2.   Internationaal recht

De verhouding van het grondwettelijke doodstrafverbod met het internationale recht is tweeërlei. Allereerst is het denkbaar dat de doodstraf langs de weg van de verdragen toch weer zijn intrede zou kunnen doen in de Nederlandse rechtsorde. Artikel 91, derde lid, maakt het immers mogelijk om het Koninkrijk te binden aan van de Grondwet afwijkende verdragen. Deze optie is praktisch vooral van belang in de gevallen waarin Nederland partij zou zijn of worden bij een Internationaal Tribunaal dat over de mogelijkheid beschikt om de doodstraf op te leggen. Een dergelijk verdrag komt naar de mening van de regering echter pas dan in strijd met de Grondwet als het een Nederlander in de gelederen zou hebben. Dan zou, volgens de regering, het oprichtingsverdrag met tweederde meerderheid moeten worden goedgekeurd.[10] Deze minimalistische insteek is niet zonder reden in de literatuur voor ‘onverdedigbaar’ gehouden.[11] De relevantie van de kwestie is echter overschaduwd geraakt door de tweede wijze waarop artikel 114 Grondwet verband houdt met het internationale recht: de toegenomen verankering van doodstrafverbod in het internationale recht.

Vrij snel na de Grondwet, in 1986, verbood het Zesde Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM)[12] de doodstraf in vredestijd. Via de interpretatie van het EVRM door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) is uitlevering aan landen waar de doodstraf kan worden opgelegd ook verboden.[13] Het Dertiende Protocol bij het EVRM uit 2002[14] verbiedt inmiddels ook de doodstraf in oorlogstijd. Hoewel dit protocol nog niet door alle lidstaten van de Raad van Europa is geratificeerd, heeft het EHRM al aangegeven dat de rechtsontwikkeling via het recht op leven uit artikel 2 EVRM op enigerlei moment een algehele afschaffing van de doodstraf binnen de landen van de Raad van Europa zal gaan opleveren.[15] Artikel 114 en het EVRM vallen op dat moment volledig samen.
 

3. Jurisprudentie

EHRM 7 juli 1989, nr. 14038/88 (Soering t. Verenigd Koninkrijk)
HR 30 maart 1990, ECLI:NL:HR:1990:AD7494, NJ 1991/249 m.nt. A.H.J. Swart (Amerikaanse militair)
EHRM 12 mei 2005, no. 46221/99, (Öcalan t. Turkey).
EHRM 2 maart 2010, nr. 61498/08 (Al-Sadoon en Mufdhi t. Verenigd Koninkrijk)
 

4. Historische versies

Geen historie.

Noten

  1. Waarin de doodstraf 154 keer is opgelegd, maar er uiteindelijk 39 oorlogsmisdadigers daadwerkelijk zijn geëxecuteerd, de laatste in 1952.
  2. https://nl.wikipedia.org/wiki/Johannes_Nathan.
  3. Wet van 17 september 1870, Stb. 162.
  4. Laatstelijk in artikel 174 Grondwet 1972: ‘Op geen misdrijf mag als straf gesteld worden de algemene verbeurdverklaring der goederen, de schuldige toebehorende.
  5. Kamerstukken II 1980/81, 16 162 nr. 12, (Nng, V, 109).
  6. Handelingen II 1980/81, blz. 3257 e.v. (Nng, V, 193)
  7. Kamerstukken II 1980/81, 16 162 nr. 15, (Nng, V, 112)
  8. https://www.sgp.nl/Standpunten/Standpunten?letter=D&standid=59
  9. ‘Nawijn betreurt mening doodstraf’, NRC-Handelsblad 19 november 2002
  10. Handelingen II 1980/81, blz. 3323 (Nng, V, 221).
  11. P.P. T. Bovend’Eert, ‘Tekst en Commentaar bij artikel 114’, Tekst en Commentaar Grondwet, Deventer: Wolters Kluwer 2015.
  12. Trb. 1983/86.
  13. EHRM 7 juli 1989, nr. 14038/88 (Soering t. Verenigd Koninkrijk), HR 30 maart 1990, ECLI:NL:HR:1990:AD7494, NJ 1991/249 m.nt. A.H.J. Swart (Amerikaanse militair)
  14. Trb. 2002/119.
  15. EHRM 12 mei 2005, no. 46221/99, (Öcalan v. Turkey). Vgl: EHRM 2 maart 2010, nr. 61498/08 (Al-Sadoon en Mufdhi t. Verenigd Koninkrijk)

CITEER SUGGESTIE

G. Boogaard, Commentaar op artikel 114 van de Grondwet, in: E.M.H. Hirsch Ballin en G. Leenknegt (red.), Artikelsgewijs commentaar op de Grondwet, webeditie 2019 (www.Nederlandrechtsstaat.nl).