DE GRONDWET

Artikel 111 - Ridderorden

Ridderorden worden bij de wet ingesteld.

WETENSCHAPPELIJK COMMENTAAR

G. Leenknegt

INHOUDSOPGAVE

  1. Ridderorden
  2. Andere koninklijke onderscheidingen
  3. Huisorden
  4. Adeldom
  5. Literatuur
  6. Historische versies
 

Editie april 2016

1. Ridderorden

Nederland kent in feite twee soorten ridderorden: orden waarin de regering benoemt en bevordert en orden waarin dit door de Koning persoonlijk geschiedt. Bij het verlenen van onderscheidingen uit de eerstgenoemde categorie gaat het om koninklijke besluiten waarvoor voordracht en medeondertekening door een of meer ministers vereist is, bij de tweede categorie, de zogenoemde huisorden (zie hieronder paragraaf 3), niet. Hoewel de tekst dit niet uitdrukkelijk bepaalt, heeft artikel 111 slechts betrekking op de eerste categorie. Er zijn drie bij de wet ingestelde ridderorden: de Militaire Willemsorde,[1] de Orde van de Nederlandse Leeuw[2] en de Orde van Oranje-Nassau.[3] Deze ridderorden (en andere koninklijke onderscheidingen) zijn bedoeld om de waardering van de regering uit te drukken voor burgers die zich bijzonder verdienstelijk hebben gemaakt voor de samenleving of de belangen van Nederland. Met adeldom hebben deze ridderorden niets te maken.

De jaarlijkse ‘lintjesregen’ ter gelegenheid van Koningsdag (en voorheen Koninginnedag) betreft steeds onderscheidingen in twee ridderorden: de Orde van de Nederlandse Leeuw en de Orde van Oranje-Nassau. Beide orden kennen meerdere rangen.[4] In 2015 werden in totaal 2835 onderscheidingen toegekend. Twaalf daarvan waren onderscheidingen in de Orde van de Nederlandse Leeuw, alle in de (laagste) graad van ridder. De overige betroffen de Orde van Oranje-Nassau, de meeste eveneens in de laagste graad (lid).

De Militaire Willemsorde is bedoeld voor militairen, krijgsmachtonderdelen of burgers die zich uitzonderlijk hebben onderscheiden in de strijd voor de Nederlandse belangen. In de loop van de negentiende eeuw en kort na de Tweede Wereldoorlog werd deze onderscheiding regelmatig toegekend, maar daarna werd toekenning betrekkelijk zeldzaam. In de afgelopen vijftig jaar ontvingen slechts twee personen en twee legeronderdelen de Militaire Willemsorde. Op 31 mei 2006 werd de onderscheiding toegekend aan de Poolse 1ste Onafhankelijke Parachutistenbrigade, die de tradities voorzet van de 6de Poolse Parachutistenbrigade; deze had een voorname rol bij de bevrijding van Nederland aan het einde van de Tweede Wereldoorlog. Op 29 mei 2009 werd Marco Kroon, pelotonscommandant bij het Korps Commandotroepen, benoemd tot Ridder 4de klasse; majoor Gijs Tuinman van het Korps Commandotroepen ontving dezelfde onderscheiding op 4 december 2014. Op 15 maart 2016 ontving het Korps Commandotroepen de Militaire Willemsorde voor zijn optreden in Afghanistan tussen maart 2005 en september 2010.

Koning Willem-Alexander reikt op 15 maart 2016 de Militaire Willemsorde uit aan het Korps Commandotroepen, voor zijn buitengewone inzet in Afghanistan tussen 2005 en 2010. Foto: covzeeland.nl.

2. Andere koninklijke onderscheidingen

Behalve ridderorden bestaan er ook andere koninklijke onderscheidingen ter beloning van of  ter herinnering aan een bepaalde daad of een bepaald feit. Zij zijn ingesteld bij koninklijk besluit. Het gaat om de Bronzen Leeuw, het Bronzen Kruis, het Kruis van Verdienste, het Vliegerkruis, de Erepenning voor Menslievend Hulpbetoon en de Medaille voor trouwe en langdurige dienst van de Nederlandse Politie. Deze medailles zijn bedoeld voor militairen die zich uitzonderlijk moedig hebben gedragen en voor burgers die een bijzondere toewijding aan de bescherming van de openbare orde en veiligheid hebben getoond. Dragers van dergelijke door de regering bij koninklijk besluit ingestelde onderscheidingen kunnen niet de titel ‘ridder’ krijgen; dat kan volgens de Grondwet alleen met onderscheidingen die bij de wet zijn ingesteld.

3. Huisorden

Ten slotte zijn er nog de zogenoemde huisorden: onderscheidingen die niet bij wet of bij koninklijk besluit zijn ingesteld, maar door de Koning persoonlijk op eigen gezag worden uitgereikt. Een van de bekendste huisordes is de Britse Orde van de Kouseband, ofwel de Most Noble Order of The Garter, ingesteld in 1348 door Koning Edward III. Het Nederlandse koningshuis kent ook een eigen huisorde: de Huisorde van Oranje. Deze werd in 1905 bij hofbesluit – een besluit van de Koning zelf, zonder ministerieel contraseign – ingesteld. Artikel 41 van de Grondwet, volgens welke bepaling de Koning met inachtneming van het openbaar belang zijn ‘Huis’ inricht, biedt hiervoor ruimte. Daardoor kunnen in deze huisorden ook de aanduidingen ‘ridder’ en ‘orde’ worden gebruikt, net als in de drie bij wet ingestelde ordes. De Huisorde van Oranje omvat onderscheidingen in vier zogenoemde ‘groepen’: de Huisorde, de Orde van Trouw en Verdienste, de Eremedaille voor Kunst en Wetenschap en de Eremedaille voor Voortvarendheid en Vernuft, en de Kroonorde.[5]

4. Adeldom

Tot 1983 kende de grondwet steeds een bepaling die de verlening van adeldom regelde. Bij de grondwetsherziening van 1983 wilde de regering aanvankelijk een grondwetsbepaling over de adeldom behouden, samen met de onderhavige bepaling omtrent de ridderorden. De regering stelde voor een bepaling in de Grondwet op te nemen met de volgende inhoud: ‘Adeldom wordt verleend bij koninklijk besluit.’[6] Dit regeringsvoorstel werd door de aanneming van een amendement van de leden Van der Burg en Nijpels geschrapt.[7] Additioneel artikel XXV bepaalde dat artikel 74 van de oude Grondwet, dat betrekking had op de adeldom, van kracht zou blijven totdat ter zake bij de wet een voorziening zou zijn getroffen. In 1994 is de betreffende wettelijke regeling, de Wet op de adeldom, in werking getreden.[8] Volgens artikel 1 van deze wet wordt adeldom verleend bij koninklijk besluit. Van de mogelijkheid tot verheffing in de adelstand kan nog uitsluitend worden gebruikgemaakt als het gaat om leden van het koninklijk huis.[9] De laatste verheffing in de Nederlandse adel betreft koningin Máxima (destijds nog prinses); bij het betreffende besluit werden ook haar titels en predikaat vastgesteld, en die van haar nakomelingen uit het huwelijk met (destijds) de Prins van Oranje.[10] De Hoge Raad van Adel adviseert de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties omtrent de verlening van adeldom.

5. Literatuur

- C.P. Mulder, P.A. Christiaans, Voor Ons en Ons Huis. Meer dan honderd jaar Huisorde van Oranje 1905-2005 (2011), Den Haag, 2013

6. Historische versies

Art. 42 Gw 1814: De Souvereine Vorst verheft in den adelstand. Al, wie door den Souvereinen Vorst in den adelstand verheven wordt, brengt het bewijs daarvan ter kennis van de Staten zijner Provincie of Landschap en deelt aanstonds in alle de voorregten daaraan verbonden, bijzonderlijk in de bevoegdheid om beschreven te worden in de ridderschap, mits voldoende aan de vereischten voor dezelve bepaald.
Art. 43 Gw 1814: De Souvereine Vorst, eene Ridder‑Orde willende instellen, draagt daaromtrent aan de Staten-Generaal eene wet voor.
Art. 63 Gw 1815: De Koning verheft in den adelstand; al wie door den Koning in den adelstand verheven wordt, brengt de brieven van adeldom ter kennis van de Staten zijner provincie, en deelt aanstonds in alle de voorregten daaraan verbonden, bijzonderlijk in de bevoegdheid om beschreven te worden in de ridderschap, mits voldoende aan de vereischten voor dezelve bepaald (art. 62 Gw. 1840).
Art. 64 Gw 1815: Ridder‑orden worden door eene wet, op het voorstel des Konings, ingesteld (art. 63 Gw 1840; art. 64 Gw 1848; art. 66 Gw 1887; art. 68 Gw 1938; art. 75 Gw 1953).
Art. 63, eerste lid, Gw 1848: De Koning verleent adeldom (art. 65, eerste lid, Gw 1887; art. 67, eerste lid, Gw 1938; art. 74, eerste lid, Gw 1953).

Noten

  1. Ingesteld bij wet van 30 april 1815, Stb. 33.
  2. Ingesteld bij wet van 29 september 1815, Stb. 47.
  3. Ingesteld bij wet van 4 april 1892, Stb. 55.
  4. Een overzicht van de verschillende typen onderscheidingen en de rangen daarbinnen, is te vinden op: www.lintjes.nl.
  5. Zie hierover C.P. Mulder, P.A. Christiaans, Voor Ons en Ons Huis. Meer dan honderd jaar Huisorde van Oranje 1905-2005 (2011), Den Haag, 2013.
  6. Kamerstukken II 1979/80, 15 883 (R 1129), nr. 2, art. 5.2.12 (Nng Vd, p. 223).
  7. Kamerstukken II 1979/80, 15 883 (R 1129), nr. 14 (Nng Vd, p. 255).
  8. Wet van 10 mei 1994, Stb. 360.
  9. Artikel 2 van de Wet op de adeldom.
  10. KB van 25 januari 2002, Stb. 41.

CITEER SUGGESTIE

G. Leenknegt, Commentaar op artikel 111 van de Grondwet, in: E.M.H. Hirsch Ballin en G. Leenknegt (red.), Artikelsgewijs commentaar op de Grondwet, webeditie 2019 (www.Nederlandrechtsstaat.nl).