CATEGORIE
  • CATEGORIE
  • Adviesorganen
  • Burgerrechten
  • Decentralisatie
  • Eigendom
  • Gelijkheid
  • Godsdienst en levensovertuiging
  • Grondwetsherziening
  • Internationale rechtsorde
  • Privacy
  • Rechtspleging
  • Rechtspraak
  • Regering, Koning
  • Sociale rechtsstaat
  • Staten-Generaal
  • Uitingsrechten
  • Wetgeving en bestuur
AUTEUR
  • AUTEUR
  • M. Adams
  • B.C. van Beers
  • A.A.L. Beers & K.T. Meijer
  • A.A.L. Beers & J.C.A. de Poorter
  • S.C. van Bijsterveld & B.P. Vermeulen
  • S.C. van Bijsterveld
  • G. Boogaard
  • G. Boogaard & J. Uzman
  • S.S. Buisman & S.B.G. Kierkels
  • S. Daniëls
  • J.W.A. Fleuren
  • F. Fleurke
  • J.L.M. Gribnau & M.R.T Pauwels
  • E.M.H. Hirsch Ballin
  • H.G. Hoogers
  • M. Houwerzijl & N. Zekic
  • M. Houwerzijl & F. Vlemminx
  • P. Jacobs
  • E.J. Janse de Jonge
  • S. Jellinghaus & E. Huisman
  • J. Kiewiet & G.F.M. van der Tang †
  • T. Kooijmans
  • E.J. Koops
  • G. Leenknegt
  • K.T. Meijer
  • D. Mentink, B.P. Vermeulen & P.J.J. Zoontjens
  • B.M.J. van der Meulen
  • F.C.M.A. Michiels
  • G. Overkleeft-Verburg
  • T. Peters
  • J.C.A. de Poorter
  • J.M. van Schooten, G. Leenknegt & M. Adams
  • G. van der Schyff & B.M.J. van der Meulen
  • J. Uzman & G. Boogaard
  • J. Uzman
  • B.P. Vermeulen
  • F.M.C. Vlemminx
  • F.M.C. Vlemminx & A.C.M. Meuwese
  • W.J.M. Voermans
  • B.W.N. de Waard
  • W. van der Woude
ARTIKEL
  • ARTIKEL
  • Artikel 1  Gelijke behandeling
  • Artikel 2  Nederlandschap en vreemdelingen
  • Artikel 3  Gelijke benoembaarheid
  • Artikel 4  Kiesrecht
  • Artikel 5  Petitierecht
  • Artikel 6  Vrijheid van godsdienst en levensovertuiging
  • Artikel 7  Vrijheid van meningsuiting
  • Artikel 8  Recht tot vereniging
  • Artikel 9  Recht tot vergadering en betoging
  • Artikel 10  Eerbiediging en bescherming persoonlijke levenssfeer
  • Artikel 11  Onaantastbaarheid van het lichaam
  • Artikel 12  Binnentreden woning
  • Artikel 13  Vertrouwelijke communicatie
  • Artikel 14  Onteigening
  • Artikel 15  Vrijheidsontneming
  • Artikel 16  Nulla poena
  • Artikel 17  Wettelijk toegekende rechter
  • Artikel 18  Rechtsbijstand
  • Artikel 19  Werkgelegenheid en arbeidskeuze
  • Artikel 20  Bestaanszekerheid
  • Artikel 21  Milieubescherming
  • Artikel 22  Volksgezondheid en woongelegenheid
  • Artikel 23  Onderwijs
  • Artikel 24  Koningschap
  • Artikel 25  Erfopvolging
  • Artikel 26  Status ongeboren kind Koning
  • Artikel 27  Afstand koningschap
  • Artikel 28  Afstand koningschap door huwelijk
  • Artikel 29  Uitsluiting troonopvolging
  • Artikel 30  Benoemde Koning
  • Artikel 31  Erfopvolging benoemde koning
  • Artikel 32  Inhuldiging Koning
  • Artikel 33  Koningschap en meerderjarigheid
  • Artikel 34  Ouderlijk gezag minderjarige Koning
  • Artikel 35  Buiten staat verklaring
  • Artikel 36  Tijdelijke neerlegging koninklijk gezag
  • Artikel 37  Uitoefening koninklijk gezag door regent
  • Artikel 38  Uitoefening koninklijk gezag door RvS
  • Artikel 39  Lidmaatschap koninklijk huis
  • Artikel 40  Uitkering koninklijk huis
  • Artikel 41  Inrichting huis Koning
  • Artikel 42  Ministeriële verantwoordelijkheid
  • Artikel 43  Regering en ministers
  • Artikel 44  Ministeries
  • Artikel 45  Ministerraad
  • Artikel 46  Staatssecretarissen
  • Artikel 47  Ondertekening en contraseign
  • Artikel 48  Ontslag en benoeming ministers
  • Artikel 49  Ambtseed minister en staatssecretaris
  • Artikel 50  Vertegenwoordiging
  • Artikel 51  Eerste en Tweede Kamer
  • Artikel 52  Zittingsduur
  • Artikel 53  Evenredige vertegenwoordiging
  • Artikel 54  Verkiezing Tweede Kamer
  • Artikel 55  Verkiezing Eerste Kamer
  • Artikel 56  Vereisten voor lidmaatschap
  • Artikel 57  Incompatibiliteiten
  • Artikel 57a  Zwangerschap en ziekte
  • Artikel 58  Geloofsbrieven
  • Artikel 59  Kiesrecht en verkiezingen
  • Artikel 60  Ambtsaanvaarding
  • Artikel 61  Voorzitter en griffier
  • Artikel 62  Verenigde vergadering
  • Artikel 63  Geldelijke voorzieningen
  • Artikel 64  Ontbinding Kamers
  • Artikel 65  Troonrede
  • Artikel 66  Openbaarheid vergaderingen
  • Artikel 67  Quorum
  • Artikel 68  Inlichtingenplicht bewindslieden
  • Artikel 69  Aanwezigheid bewindslieden
  • Artikel 70  Recht van enquête
  • Artikel 71  Parlementaire onschendbaarheid
  • Artikel 72  Reglement van orde
  • Artikel 73  Taak Raad van State
  • Artikel 74  Rechtspositie leden
  • Artikel 75  Inrichting, samenstelling, bevoegdheid Raad van State
  • Artikel 76  Algemene rekenkamer
  • Artikel 77  Rechtpositie leden rekenkamer
  • Artikel 78  Inrichting, samenstelling, bevoegdheid Rekenkamer
  • Artikel 78a  Nationale ombudsman
  • Artikel 79  Vaste colleges van advies
  • Artikel 80  Openbaarmaking advies
  • Artikel 81  Wetgevende macht
  • Artikel 82  Indienen wetsvoorstel
  • Artikel 83  Toezending wetsvoorstel TK
  • Artikel 84  Wijziging wetsvoorstel
  • Artikel 85  Toezending wetsvoorstel EK
  • Artikel 86  Intrekking wetsvoorstel
  • Artikel 87  Aanneming en bekrachtiging
  • Artikel 88  Bekendmaking en inwerkingtreding
  • Artikel 89  Algemene maatregel van bestuur
  • Artikel 90  Bevordering internationale rechtsorde
  • Artikel 91  Goedkeuring verdrag
  • Artikel 92  Bevoegdheden volkenrechtelijke organisaties
  • Artikel 93  Verbindende kracht verdrag
  • Artikel 94  Verdrag boven wet
  • Artikel 95  Bekendmaking verdrag
  • Artikel 96  Oorlogsverklaring
  • Artikel 97  Krijgsmacht
  • Artikel 98  Samenstelling krijgsmacht
  • Artikel 99  Gewetensbezwaren militaire dienst
  • Artikel 99a  Civiele verdediging
  • Artikel 100  Inlichtingen over krijgsmacht
  • Artikel 101  [vervallen]
  • Artikel 102  [vervallen]
  • Artikel 103  Uitzonderingstoestand
  • Artikel 104  Belastingheffing
  • Artikel 105  Recht van begroting
  • Artikel 106  Geldstelsel
  • Artikel 107  Codificatie
  • Artikel 108  [vervallen]
  • Artikel 109  Rechtspositie ambtenaren
  • Artikel 110  Openbaarheid van bestuur
  • Artikel 111  Ridderorden
  • Artikel 112  Civiele en administratieve rechtspraak
  • Artikel 113  Strafrechtspraak
  • Artikel 114  Doodstraf
  • Artikel 115  Administratief beroep
  • Artikel 116  Rechterlijke macht
  • Artikel 117  Rechtspositie leden rechterlijke macht
  • Artikel 118  Hoge Raad
  • Artikel 119  Ambtsmisdrijven
  • Artikel 120  Toetsingsverbod
  • Artikel 121  Openbaarheid terechtzittingen
  • Artikel 122  Gratie
  • Artikel 123  Instelling provincies en gemeenten
  • Artikel 124  Autonomie en medebewind
  • Artikel 125  Organen decentrale besturen
  • Artikel 126  Ambtsinstructie commissaris koning
  • Artikel 127  Vaststelling verordening
  • Artikel 128  Toekenning bevoegdheden
  • Artikel 129  Verkiezing vertegenwoordigend orgaan
  • Artikel 130  Kiesrecht gemeenteraad niet-Nederlanders
  • Artikel 131  Benoeming commissaris Koning
  • Artikel 132  Inrichting, samenstelling, bevoegdheid decentrale besturen
  • Artikel 132a  Caribische openbare lichamen
  • Artikel 133  Waterschappen
  • Artikel 134  Publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie
  • Artikel 135  Gemeenschappelijke regelingen
  • Artikel 136  Geschillen
  • Artikel 137  Grondwetswijziging
  • Artikel 138  Aanpassing niet gewijzigde bepalingen
  • Artikel 139  Bekendmaking en inwerkingtreding
  • Artikel 140  Handhaving bestaande regelgeving
  • Artikel 141  Bekendmaking herziene Grondwet
  • Artikel 142  Aanpassing Grondwet aan Statuut
  • Artikel IX - Berechting van misdrijven in oorlogstijd
  • Artikel XIX - Afkondigingsformulier
HOOFDSTUK
  • HOOFDSTUK
  • Hoofdstuk 1  Grondrechten
  • Hoofdstuk 2  Regering
  • Hoofdstuk 3  Staten-Generaal
  • Hoofdstuk 4  Adviesorganen
  • Hoofdstuk 5  Wetgeving en bestuur
  • Hoofdstuk 6  Rechtspraak
  • Hoofdstuk 7  Decentralisatie
  • Hoofdstuk 8  Herziening grondwet
  • Additionele artikelen

DE GRONDWET

Artikel 98 - Samenstelling krijgsmacht

  1. De krijgsmacht bestaat uit vrijwillig dienenden en kan mede bestaan uit dienstplichtigen.

  2. De wet regelt de verplichte militaire dienst en de bevoegdheid tot opschorting van de oproeping in werkelijke dienst.

Artikel 99 - Gewetensbezwaren militaire dienst

De wet regelt vrijstelling van militaire dienst wegens ernstige gewetensbezwaren.

Artikel 99a - Civiele verdediging

Volgens bij de wet te stellen regels kunnen plichten worden opgelegd ten behoeve van de civiele verdediging.

WETENSCHAPPELIJK COMMENTAAR

M. Adams

ARTIKEL 98 - Samenstelling krijgsmacht

INHOUD
  1. Vrijwilligerskrijgsmacht
  2. Literatuur
  3. Historische versies
 
Editie december 2013[1]

1. Vrijwilligerskrijgsmacht

De krijgsmacht bestond tot de grondwetsherziening van 1887 uit de in verschillen­de grondwetsartikelen vastgelegde onderdelen (i) zee- en landmacht (vrijwilligers), (ii) een nationale militie (vrijwilligers aan te vullen door dienstplichtigen) en (iii) de plaatselijke schutterijen. Deze drie onderdelen werden bij de herziening van 1887 in één artikel samengevoegd tot een zee- en een landmacht. Dit leger bestond uit vrijwilligers en dienstplichtigen.[2] De wet regelde de ‘verpligte krijgsdienst’ en de verplichtingen van hen die niet tot de ‘zee- en landmagt’ behoren.
 
Hoewel de tekst van 1887 de basis vormde voor het huidige artikel 98 Gw, werd er tot 1995 bepaald dat de krijgsmacht bestond uit vrijwillig dienenden en uit dienstplichtigen. De grondwetsherziening van 1995 hield rekening met de afloop van de zogenaamde Koude Oorlog, en met de behoefte de krijgsmacht steeds vaker in te zetten bij internationale vredesoperaties (zoals bijvoorbeeld VN-missies) die niet direct dienend zijn voor de binnenlandse veiligheidssituatie.[3]Wat dit laatste punt betreft: dergelijke technisch complexe en potentieel gevaarlijke operaties vereisen, zo was het uitgangspunt, een professioneel geschoold kader. Bovendien bleek het steeds moeilijker dergelijke taak uit te voeren, omdat de gewoonte bestond dergelijke uitzending op basis van vrijwilligheid te doen plaatsvinden; er bestond weinig animo voor. Een hervorming van de krijgsmacht diende zich dus aan.Sinds 1995 constitueert het eerste lid van artikel 98 een krijgsmacht die bestaat uit vrijwillig dienenden en, indien de wetgever dat bepaalt, uit dienstplichtigen. Het woordje ‘kan’ moet dus in het licht worden gezien van de overgang van een dienstplichtstelsel naar een vrijwilligerskrijgsmacht, die op 1 januari 1998 haar beslag kreeg.[4]Daarmee is de mogelijkheid gecreëerd een leger in te stellen dat louter uit beroepskrachten bestaat.
 
Het tweede lid van artikel 98 komt nagenoeg overeen met de eerste volzin van  artikel 98, derde lid, naar de tekst van 1995. Slechts de term ‘krijgsdienst’ is met het oog op modernisering van de tekst vervangen door de in het spraakgebruik meer gangbare term ‘militaire dienst’. Formeel gaf de Dienstplichtwet tot 1 mei 1997 uitvoering aan het derde lid van het oude artikel 98 Gw, hoewel in januari 1996 de laatste lichtingsploeg opkwam en in augustus van dat jaar de laatste dienstplichtigen afzwaaiden. In verband met de genoemde overgang naar een stelsel van een vrijwilligerskrijgsmacht trad met ingang van 1 mei 1997 de nieuwe Kaderwet dienstplicht in werking. Deze wet regelt de in artikel 98, tweede lid, genoemde bevoegdheid tot opschorting van de verplichte krijgsdienst, evenals de beëindiging van die opschorting, waardoor het dienstplicht­stelsel weer kan worden geactiveerd. Dat impliceert dat formeel de dienstplicht dus niet is afgeschaft, maar, zoals gezegd, opgeschort. In de vermelde Kaderwet dienstplicht is die opschorting en de beëindiging daarvan geregeld in hoofdstuk 4, door respectievelijk art. 39 en 40. Een en ander gebeurt bij wege van Koninklijk Besluit. Op basis van het tweede lid van beide bepalingen kan die opschorting of beëindiging weer worden ingetrokken indien de Staten-Generaal daartegen bezwaar maakt.
 
Omdat het om een opschorting gaat, wordt de inschrijving voor de dienstplicht gewoon voortgezet. Daarbij geldt als hoofdregel dat voor de dienstplicht wordt ingeschreven de mannelijke Nederlander die in het jaar waarin hij 17 jaar wordt, als ingezetene is opgenomen in een basisadministratie persoonsgegevens van een gemeente. Praktisch merkt men van deze regeling momenteel weinig. Wel kan men door reactivering van het dienstplichtstelsel voor een keuring worden opgeroepen (en eventueel als dienstplichtige worden aangemerkt).
 
Anders dan ingevolge artikel 33 Dienstplichtwet, waarin de uitzending van Dienstplichtigen buiten Nederland werd geregeld, worden onder de Kaderwet dienstplicht operaties voor crisisbeheersing, ook na beëindiging van de genoemde opschorting, in gewone omstandigheden uitgevoerd door het in werkelijke dienst zijnde beroepspersoneel, eventueel aangevuld met reservisten op vrijwillige basis.[4]

2. Literatuur

- G.L. Coolen, Welke taken kunnen aan de krijgsmacht worden opgedragen?, MRT 1993, nr. 5, p. 145.
- R.M. Eiting, Aantekeningen bij de rechtmatigheid van de militaire dienstplicht, MRT 1992, nr. 6, p. 169-181.

3. Historische versies

Art. 122 Gw 1814: Dienvolgens is het ook ten allen tijde eene der eerste zorgen van den Souvereinen Vorst, dat er eene toereikende Zee  en Landmagt onderhouden worde, aangeworven uit vrijwilligers, het zij inboorlingen of vreemden, ten einde te dienen in of buiten Europa naar de omstandigheden.
Art. 123 Gw 1814: Behalve de vaste Zee  en Landmagt zal er steeds zijn eene Nationale Militie, waarvan in vredenstijd jaarlijks een vijfde gedeelte wordt ontslagen en door anderen, ten gelijken getale, vervangen, zoo veel mogelijk te nemen uit vrijwilligers, en anders bij loting, uit de ongetrouwde Ingezetenen van 18 tot 22 jaren. Die, welke hun ontslag zullen bekomen, kunnen onder geen voorwendsel, tot eenigen anderen dienst, dan voor de hierna te melden Schutterijen worden opgeroepen.
Art. 124, eerste lid, Gw 1814: De Militie komt in gewone tijden jaarlijks eenmaal te zamen, om, gedurende eene maand of daaromtrent, in den wapenhandel geoefend te worden; blijvende het nogtans aan den Souvereinen Vorst voorbehouden, om, wanneer Hij zulks voor 's Lands belangen mogt geraden oordeelen, een vierde van het geheele getal te doen zamen blijven.
Art. 126 Gw 1814: De bepalingen, welke door den Souvereinen Vorst, zoo omtrent het getal en de inrigting der Militie, als opzigtelijk het geen den Landstorm betreft, noodig geoordeeld worden, zullen het voorwerp eener, door Denzelven voortedragen, wet uitmaken.
Art. 204 Gw 1815: De Koning zorgt, dat er ten alle tijde eene toereikende zee  en landmagt onderhouden worde, aangeworven uit vrijwilligers, het zij inboorlingen of vreemdelingen, om te dienen in of buiten Europa, naar de omstandigheden (art. 202 Gw 1840; art. 178 Gw 1848).
Art. 206 Gw 1815: Behalve de vaste zee  en landmagt, is er steeds eene Nationale Militie, waarvan in vredestijd jaarlijks een vijfde gedeelte wordt ontslagen (art. 204 Gw 1840).
Art. 207 Gw 1815: De militie wordt zoo veel mogelijk genomen uit vrijwilligers, op de wijze als bij de wet bepaald wordt.
Bij gebrek van genoegzame vrijwilligers, wordt de militie voltallig gemaakt bij loting uit de ingezetenen, die op den 1sten Januarij van elk jaar ongehuwd zijn, hun 19de jaar ingetreden zijn en hun 23ste jaar nog niet hebben volbragt; zij, die hun ontslag bekomen hebben, kunnen onder geen voorwendsel tot eenigen anderen dienst, dan de hierna te melden Schutterijen, worden opgeroepen (art. 205 Gw 1840).
Art. 208 Gw 1815: De militie komt in gewone tijden jaarlijks eenmaal te zamen, om gedurende eene maand of daaromtrent in den wapenhandel te worden geoefend: blijvende het nogtans aan den Koning voorbehouden, om, wanneer Hij zulks voor 's Rijks belangen mogt geraden oordeelen, een vierde van het geheele getal te doen zamenblijven (art. 206 Gw 1840).
Art. 214 Gw 1815: De bepalingen, welke door den Koning, zoo omtrent het getal en de inrigting der militie, als opzigtelijk hetgeen de Schutterijen en den landstorm betreft, noodig geoordeeld worden, zijn het voorwerp eener door hem voortedragen wet (art. 212 Gw 1840).
Art. 180 Gw 1848: Er is steeds eene nationale militie, zooveel mogelijk zamen te stellen uit vrijwilligers, om te dienen, op de wijze in de wet bepaald.
Art. 181 Gw 1848: Bij gebrek aan genoegzame vrijwilligers, wordt de militie voltallig gemaakt door loting uit de ingezetenen, die op den eersten Januarij van elk jaar hun twintigste jaar zijn ingetreden. De inschrijving geschiedt een jaar te voren.
Art. 182 Gw 1848: Zij, die aldus in de militie te land zijn ingelijfd, worden, in vredestijd, na een vijfjarige dienst ontslagen.
Is de Staat in oorlog of in andere buitengewone omstandigheden, zoo kan eene wet, jaarlijks te vernieuwen, hen tot langere dienst verpligten.
Art. 183 Gw 1848: De militie te land komt, in gewone tijden, jaarlijks eenmaal te zamen, om, gedurende niet langer dan zes weken, in den wapenhandel te worden geoefend, tenzij de Koning het raadzaam mogt oordeelen, dat zamenkomen geheel of gedeeltelijk achterwege te laten.
De Koning kan een deel der militie, door de wet te bepalen, doen zamenblijven.
De ligting van het loopende jaar kan tot eerste oefening hoogstens twaalf maanden onder de wapenen gehouden worden.
Art. 189 Gw 1848: De sterkte en inrigting der militie en der schutterijen worden geregeld door de wet.
Art. 181 Gw 1887: Tot bescherming der belangen van den Staat is er eene zee  en eene landmagt, bestaande uit vrijwillig dienenden en uit dienstpligtigen.
De wet regelt de verpligte krijgsdienst. Zij regelt ook de verpligtingen die aan hen, die niet tot de zee  of landmagt behooren, ten aanzien van 's Lands verdediging opgelegd kunnen worden (art. 182 Gw 1922; art. 188 Gw 1938; art. 195 Gw 1953).
Art. 195 Gw 1956: Tot bescherming der belangen van de Staat is er een krijgsmacht, bestaande uit vrijwillig dienenden en uit dienstplichtigen.
De wet regelt de verplichte krijgsdienst. Zij regelt ook de verplichtingen die aan hen, die niet tot de krijgsmacht behoren, ten aanzien van 's Lands verdediging opgelegd kunnen worden.
Art. 98 Gw 1983: 1. Tot bescherming der belangen van de staat is er een krijgsmacht, bestaande uit vrijwillig dienenden en uit dienstplichtigen.
(…)
3. De wet regelt de verplichte krijgsdienst. Zij regelt ook de verplichtingen die aan hen, die niet tot de krijgsmacht behoren, ten aanzien van 's lands verdediging opgelegd kunnen worden.
 

Noten

  1. De bijdrage is geschreven door M. Adams, op basis van het commentaar bij artikel 98 J. van Schooten-Van der Meer.uit A.K. Koekkoek (red.), De Grondwet. Een systematisch en artikelsgewijs commentaar, Deventer: W.E.J. Tjeenk Willink, 3e dr. 2000 (alsook de 2e dr. 1992).
  2. G.L. Coolen, Welke taken kunnen aan de krijgsmacht worden opgedragen?, MRT 1993, nr. 5, p. 145.
  3. Voor een uitwerking van het spanningsveld tussen enerzijds de verplichte militaire dienst en anderzijds de klassieke grondrechten en de in verdragen vastgelegde vrijheidsrechten, zie: R.M. Eiting, Aantekeningen bij de rechtmatigheid van de militaire dienstplicht, MRT 1992, nr. 6, p. 169-181.
  4. De koerswijziging naar een vrijwilligerskrijgsmacht vond zijn grondslag in de Prioriteitennota ‘Een andere wereld, een andere Defensie’. De geleidelijke vervanging van dienstplichtigen door beroepspersoneel heeft op 1 januari 1998 haar beslag gekregen. Zie verder Kamerstukken II 1992/93, 22 975, nr. 2 en de memorie van toelichting bij de Kaderwet dienstplicht, Kamerstukken II 1994/95, 24 245, nr. 3.
  5. Kamerstukken II 1994/95, 24 245, nr. 3, p. 10.

 

  • Citeer
    Citeer suggestie
    M. Adams, Commentaar op artikel 98 van de Grondwet, in: E.M.H. Hirsch Ballin en G. Leenknegt (red.), Artikelsgewijs commentaar op de Grondwet, webeditie 2019 (www.Nederlandrechtsstaat.nl).
  • Deel
  • PDF
  • Terug
MEER OVER DIT ONDERWERP
THEMA IN HET KORT
ACHTER-GRONDEN
Reageer!
Thema in het kort

Samenstelling krijgsmacht

De krijgsmacht kan worden ingezet om de belangen van het koninkrijk te verdedigen en beschermen en om de internationale rechtsorde te bevorderen. Sinds de Tweede Wereldoorlog is gaandeweg steeds meer nadruk op de internationale rol van de krijgsmacht komen te liggen. Onderdelen van de krijgsmacht worden regelmatig in verschillende gebieden in de wereld ingezet om bescherming te bieden tegen schendingen van de internationale rechtsorde: de zogenoemde vredesoperaties. Gewoonlijk heeft de Nederlandse krijgsmacht daarbij geen volledig zelfstandige rol, maar opereert zij in samenwerking met krijgsmachtonderdelen van andere landen.
 
Onder ‘verdediging en bescherming’ valt natuurlijk de landsverdediging, maar ook zaken als de inzet van de krijgsmacht bij de bestrijding van rampen, de hulpverlening aan burgers in nood en het optreden bij ernstige verstoringen van de openbare orde.
 
De regering heeft het opperbevel over de krijgsmacht; dat houdt in dat de betreffende minister altijd de verantwoordelijkheid draagt voor de inzet van de krijgsmacht, zowel binnen als buiten het Koninkrijk der Nederlanden, en dat deze daarop kan worden aangesproken door de Staten-Generaal. De krijgsmacht vormt geen autonome macht binnen de staat, maar valt volledig onder het gezag van het hoogste bestuursorgaan in ons land.

Plaats Uw Reactie

*Verplicht invulveld straks zijn alleen uw naam en reactie zichtbaar.

Er kan enige tijd overheengan tot uw reactie zichtbaar is.

Reageer!

Samenstelling krijgsmacht

0 reacties
Klassieke uitspraken
Recente Recht- spraak
Politiek
Klassieke uitspraken

Samenstelling krijgsmacht

Over dit artikel zijn ons geen belangrijke en ‘klassieke’ rechterlijke uitspraken bekend.
Recente rechtspraak

Samenstelling krijgsmacht

Over dit artikel zijn ons geen recente rechterlijke uitspraken bekend.
Politiek

Samenstelling krijgsmacht

Video
Blogs
IN DE WERELD
Blogs

Samenstelling krijgsmacht

In de wereld

Samenstelling krijgsmacht