CATEGORIE
  • CATEGORIE
  • Adviesorganen
  • Burgerrechten
  • Decentralisatie
  • Eigendom
  • Gelijkheid
  • Godsdienst en levensovertuiging
  • Grondwetsherziening
  • Internationale rechtsorde
  • Privacy
  • Rechtspleging
  • Rechtspraak
  • Regering, Koning
  • Sociale rechtsstaat
  • Staten-Generaal
  • Uitingsrechten
  • Wetgeving en bestuur
AUTEUR
  • AUTEUR
  • M. Adams
  • B.C. van Beers
  • A.A.L. Beers & K.T. Meijer
  • A.A.L. Beers & J.C.A. de Poorter
  • S.C. van Bijsterveld & B.P. Vermeulen
  • S.C. van Bijsterveld
  • G. Boogaard
  • G. Boogaard & J. Uzman
  • S.S. Buisman & S.B.G. Kierkels
  • S. Daniëls
  • J.W.A. Fleuren
  • F. Fleurke
  • J.L.M. Gribnau & M.R.T Pauwels
  • E.M.H. Hirsch Ballin
  • H.G. Hoogers
  • M. Houwerzijl & N. Zekic
  • M. Houwerzijl & F. Vlemminx
  • P. Jacobs
  • E.J. Janse de Jonge
  • S. Jellinghaus & E. Huisman
  • J. Kiewiet & G.F.M. van der Tang †
  • T. Kooijmans
  • E.J. Koops
  • G. Leenknegt
  • K.T. Meijer
  • D. Mentink, B.P. Vermeulen & P.J.J. Zoontjens
  • B.M.J. van der Meulen
  • F.C.M.A. Michiels
  • G. Overkleeft-Verburg
  • T. Peters
  • J.C.A. de Poorter
  • J.M. van Schooten, G. Leenknegt & M. Adams
  • G. van der Schyff & B.M.J. van der Meulen
  • J. Uzman & G. Boogaard
  • J. Uzman
  • B.P. Vermeulen
  • F.M.C. Vlemminx
  • F.M.C. Vlemminx & A.C.M. Meuwese
  • W.J.M. Voermans
  • B.W.N. de Waard
  • W. van der Woude
ARTIKEL
  • ARTIKEL
  • Artikel 1  Gelijke behandeling
  • Artikel 2  Nederlandschap en vreemdelingen
  • Artikel 3  Gelijke benoembaarheid
  • Artikel 4  Kiesrecht
  • Artikel 5  Petitierecht
  • Artikel 6  Vrijheid van godsdienst en levensovertuiging
  • Artikel 7  Vrijheid van meningsuiting
  • Artikel 8  Recht tot vereniging
  • Artikel 9  Recht tot vergadering en betoging
  • Artikel 10  Eerbiediging en bescherming persoonlijke levenssfeer
  • Artikel 11  Onaantastbaarheid van het lichaam
  • Artikel 12  Binnentreden woning
  • Artikel 13  Vertrouwelijke communicatie
  • Artikel 14  Onteigening
  • Artikel 15  Vrijheidsontneming
  • Artikel 16  Nulla poena
  • Artikel 17  Wettelijk toegekende rechter
  • Artikel 18  Rechtsbijstand
  • Artikel 19  Werkgelegenheid en arbeidskeuze
  • Artikel 20  Bestaanszekerheid
  • Artikel 21  Milieubescherming
  • Artikel 22  Volksgezondheid en woongelegenheid
  • Artikel 23  Onderwijs
  • Artikel 24  Koningschap
  • Artikel 25  Erfopvolging
  • Artikel 26  Status ongeboren kind Koning
  • Artikel 27  Afstand koningschap
  • Artikel 28  Afstand koningschap door huwelijk
  • Artikel 29  Uitsluiting troonopvolging
  • Artikel 30  Benoemde Koning
  • Artikel 31  Erfopvolging benoemde koning
  • Artikel 32  Inhuldiging Koning
  • Artikel 33  Koningschap en meerderjarigheid
  • Artikel 34  Ouderlijk gezag minderjarige Koning
  • Artikel 35  Buiten staat verklaring
  • Artikel 36  Tijdelijke neerlegging koninklijk gezag
  • Artikel 37  Uitoefening koninklijk gezag door regent
  • Artikel 38  Uitoefening koninklijk gezag door RvS
  • Artikel 39  Lidmaatschap koninklijk huis
  • Artikel 40  Uitkering koninklijk huis
  • Artikel 41  Inrichting huis Koning
  • Artikel 42  Ministeriële verantwoordelijkheid
  • Artikel 43  Regering en ministers
  • Artikel 44  Ministeries
  • Artikel 45  Ministerraad
  • Artikel 46  Staatssecretarissen
  • Artikel 47  Ondertekening en contraseign
  • Artikel 48  Ontslag en benoeming ministers
  • Artikel 49  Ambtseed minister en staatssecretaris
  • Artikel 50  Vertegenwoordiging
  • Artikel 51  Eerste en Tweede Kamer
  • Artikel 52  Zittingsduur
  • Artikel 53  Evenredige vertegenwoordiging
  • Artikel 54  Verkiezing Tweede Kamer
  • Artikel 55  Verkiezing Eerste Kamer
  • Artikel 56  Vereisten voor lidmaatschap
  • Artikel 57  Incompatibiliteiten
  • Artikel 57a  Zwangerschap en ziekte
  • Artikel 58  Geloofsbrieven
  • Artikel 59  Kiesrecht en verkiezingen
  • Artikel 60  Ambtsaanvaarding
  • Artikel 61  Voorzitter en griffier
  • Artikel 62  Verenigde vergadering
  • Artikel 63  Geldelijke voorzieningen
  • Artikel 64  Ontbinding Kamers
  • Artikel 65  Troonrede
  • Artikel 66  Openbaarheid vergaderingen
  • Artikel 67  Quorum
  • Artikel 68  Inlichtingenplicht bewindslieden
  • Artikel 69  Aanwezigheid bewindslieden
  • Artikel 70  Recht van enquête
  • Artikel 71  Parlementaire onschendbaarheid
  • Artikel 72  Reglement van orde
  • Artikel 73  Taak Raad van State
  • Artikel 74  Rechtspositie leden
  • Artikel 75  Inrichting, samenstelling, bevoegdheid Raad van State
  • Artikel 76  Algemene rekenkamer
  • Artikel 77  Rechtpositie leden rekenkamer
  • Artikel 78  Inrichting, samenstelling, bevoegdheid Rekenkamer
  • Artikel 78a  Nationale ombudsman
  • Artikel 79  Vaste colleges van advies
  • Artikel 80  Openbaarmaking advies
  • Artikel 81  Wetgevende macht
  • Artikel 82  Indienen wetsvoorstel
  • Artikel 83  Toezending wetsvoorstel TK
  • Artikel 84  Wijziging wetsvoorstel
  • Artikel 85  Toezending wetsvoorstel EK
  • Artikel 86  Intrekking wetsvoorstel
  • Artikel 87  Aanneming en bekrachtiging
  • Artikel 88  Bekendmaking en inwerkingtreding
  • Artikel 89  Algemene maatregel van bestuur
  • Artikel 90  Bevordering internationale rechtsorde
  • Artikel 91  Goedkeuring verdrag
  • Artikel 92  Bevoegdheden volkenrechtelijke organisaties
  • Artikel 93  Verbindende kracht verdrag
  • Artikel 94  Verdrag boven wet
  • Artikel 95  Bekendmaking verdrag
  • Artikel 96  Oorlogsverklaring
  • Artikel 97  Krijgsmacht
  • Artikel 98  Samenstelling krijgsmacht
  • Artikel 99  Gewetensbezwaren militaire dienst
  • Artikel 99a  Civiele verdediging
  • Artikel 100  Inlichtingen over krijgsmacht
  • Artikel 101  [vervallen]
  • Artikel 102  [vervallen]
  • Artikel 103  Uitzonderingstoestand
  • Artikel 104  Belastingheffing
  • Artikel 105  Recht van begroting
  • Artikel 106  Geldstelsel
  • Artikel 107  Codificatie
  • Artikel 108  [vervallen]
  • Artikel 109  Rechtspositie ambtenaren
  • Artikel 110  Openbaarheid van bestuur
  • Artikel 111  Ridderorden
  • Artikel 112  Civiele en administratieve rechtspraak
  • Artikel 113  Strafrechtspraak
  • Artikel 114  Doodstraf
  • Artikel 115  Administratief beroep
  • Artikel 116  Rechterlijke macht
  • Artikel 117  Rechtspositie leden rechterlijke macht
  • Artikel 118  Hoge Raad
  • Artikel 119  Ambtsmisdrijven
  • Artikel 120  Toetsingsverbod
  • Artikel 121  Openbaarheid terechtzittingen
  • Artikel 122  Gratie
  • Artikel 123  Instelling provincies en gemeenten
  • Artikel 124  Autonomie en medebewind
  • Artikel 125  Organen decentrale besturen
  • Artikel 126  Ambtsinstructie commissaris koning
  • Artikel 127  Vaststelling verordening
  • Artikel 128  Toekenning bevoegdheden
  • Artikel 129  Verkiezing vertegenwoordigend orgaan
  • Artikel 130  Kiesrecht gemeenteraad niet-Nederlanders
  • Artikel 131  Benoeming commissaris Koning
  • Artikel 132  Inrichting, samenstelling, bevoegdheid decentrale besturen
  • Artikel 132a  Caribische openbare lichamen
  • Artikel 133  Waterschappen
  • Artikel 134  Publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie
  • Artikel 135  Gemeenschappelijke regelingen
  • Artikel 136  Geschillen
  • Artikel 137  Grondwetswijziging
  • Artikel 138  Aanpassing niet gewijzigde bepalingen
  • Artikel 139  Bekendmaking en inwerkingtreding
  • Artikel 140  Handhaving bestaande regelgeving
  • Artikel 141  Bekendmaking herziene Grondwet
  • Artikel 142  Aanpassing Grondwet aan Statuut
  • Artikel IX - Berechting van misdrijven in oorlogstijd
  • Artikel XIX - Afkondigingsformulier
HOOFDSTUK
  • HOOFDSTUK
  • Hoofdstuk 1  Grondrechten
  • Hoofdstuk 2  Regering
  • Hoofdstuk 3  Staten-Generaal
  • Hoofdstuk 4  Adviesorganen
  • Hoofdstuk 5  Wetgeving en bestuur
  • Hoofdstuk 6  Rechtspraak
  • Hoofdstuk 7  Decentralisatie
  • Hoofdstuk 8  Herziening grondwet
  • Additionele artikelen

DE GRONDWET

Artikel 60 - Ambtsaanvaarding

Op de wijze bij de wet voorgeschreven leggen de leden van de kamers bij de aanvaarding van hun ambt in de vergadering een eed, dan wel verklaring en belofte, van zuivering af en zweren of beloven zij trouw aan de Grondwet en een getrouwe vervulling van hun ambt.

Artikel 81 - Wetgevende macht

De vaststelling van wetten geschiedt door de regering en de Staten-Generaal gezamenlijk.

Artikel 141 - Bekendmaking herziene Grondwet

De tekst van de herziene Grondwet wordt bij koninklijk besluit bekendgemaakt, waarbij hoofdstukken, paragrafen en artikelen kunnen worden vernummerd en verwijzingen dienovereenkomstig kunnen worden veranderd.

WETENSCHAPPELIJK COMMENTAAR

G. Leenknegt

ARTIKEL 60 - Ambtsaanvaarding

INHOUD
  1. De eed of verklaring en belofte
  2. De betekenis van de eed of verklaring en belofte
  3. Partijfinanciering en de zuiveringseed
  4. Literatuur
  5. Historische versies
 

Editie maart 2016[1]

1. De eed of verklaring en belofte

Nadat de geloofsbrieven van een nieuw verkozen Kamerlid zijn onderzocht (zie artikel 58 Grondwet) en geen bezwaren zijn gerezen met betrekking tot de toelating van dat lid tot het vertegenwoordigend orgaan, wordt hij of zij daadwerkelijk lid. De aanvaarding van het ambt geschiedt door het afleggen van een eed of een daaraan gelijkgestelde ‘verklaring en belofte’.
 
De teksten die daarbij dienen te worden uitgesproken waren tussen 1814 en 1983 steeds opgenomen in de Grondwet zelf. Bij de algehele herziening van 1983 werden ze daaruit geschrapt en werd aan de wetgever opgedragen deze teksten vast te leggen.[2] In 1992 kwam daartoe de Wet beëdiging ministers en leden Staten-Generaal tot stand.[3] Artikel 2 van die wet bepaalt dat elk lid van de Kamers der Staten-Generaal bij de aanvaarding van het ambt de volgende tekst uitspreekt, steeds in de bewoordingen – ‘zweren’ dan wel ‘verklaren en beloven’ – die overeenkomen met zijn of haar godsdienst of levensovertuiging:
 
‘Ik zweer (verklaar) dat ik, om tot lid van de Staten‑Generaal te worden benoemd, rechtstreeks noch middellijk, onder welke naam of welk voorwendsel ook, enige gift of gunst heb gegeven of beloofd. Ik zweer (verklaar en beloof), dat ik, om iets in dit ambt te doen of te laten, rechtstreeks noch middellijk enig geschenk of enige belofte heb aangenomen of zal aannemen. Ik zweer (beloof) trouw aan de Koning, aan het Statuut voor het Koninkrijk en aan de Grondwet. Ik zweer (beloof) dat ik de plichten die mijn ambt mij oplegt getrouw zal vervullen. Zo waarlijk helpe mij God almachtig!’ (Dat verklaar en beloof ik!’).


 
De beëdiging van de leden van de nieuwe gekozen Tweede Kamer, september 2012. Foto: NRC.nl.
 
Wat wordt bij het uitspreken van deze teksten nu precies gezworen of beloofd? Ten eerste de zogenaamde ‘eed van zuivering’: men zweert of verklaart geen giften of gunsten te hebben beloofd voor het verwerven van het betreffende ambt, en zich ook bij de uitoefening van het ambt niet te laten beïnvloeden door gegeven geschenken of gedane beloften. Deze eed betreft dus de onafhankelijkheid die van een volksvertegenwoordiger mag worden verwacht.[4] Overigens slaat het begrip ‘zuivering’ strikt genomen slechts op het verleden, dus op handelingen verricht vóór het afleggen van de eed. Bij gelegenheid van de algehele grondwets­herziening van 1983 gaf de regering echter aan dat vanouds ook eden en beloften betreffende toekomstige gedragingen van volksvertegenwoordigers onder de zuiveringseed begrepen worden.[5]
 
Naast de eed van zuivering worden nog drie eden afgelegd. De eed van trouw aan de Grondwet en de eed betreffende een getrouwe vervulling van het ambt worden beide verlangd door artikel 60 Grondwet. Tenslotte wordt trouw gezworen aan de Koning en aan het Statuut voor het Koninkrijk; dit is niet vereist op grond van artikel 60 Grondwet, maar wel op grond van artikel 47, eerste lid, van het Statuut. De leden van beide Kamers leggen de genoemde eden af ten overstaan van de voorzitter van de betreffende Kamer.[6] De voorzitter zelf legt zijn eed af ten overstaan van de leden van die Kamer.
 
De sancties die verbonden zijn aan de schending van de afgelegde eden, zijn te vinden in artikel 207 van het Wetboek van Strafrecht, dat handelt over meineed. Schending van de eed of belofte kan worden bestraft met ten hoogste zes jaar gevangenisstraf of een geldboete van de vierde categorie.
 

2. De betekenis van de eed of verklaring en belofte

Algemeen wordt aangenomen dat het afleggen van de eed of verklaring en belofte niet constitutief is voor het Kamerlidmaatschap. Het lidmaatschap vangt aan nadat het betreffende vertegenwoordigend orgaan op basis van het geloofsbrieven­onderzoek heeft besloten tot toelating van de nieuw gekozen vertegenwoordiger.[7] Na verkiezingen vangt het lidmaatschap aan – na de toelating – met ingang van de dag waarop het lidmaatschap van de leden van de oude Kamer eindigt (zie art C1, tweede lid, Kieswet). De aanvaarding van dat ambt door aflegging van de eed of verklaring en belofte dient vooral om de leden het besef van de verantwoordelijk­heden die hun ambt meebrengt nog eens in te scherpen.
 
Bij gelegenheid van de grondwetsherziening van 1983 gaf de regering overigens blijk van een andere opvatting op dit punt. Zij was van mening dat het lidmaat­schap pas aanvangt na het afleggen van de eed of verklaring en belofte, met als enig argument dat leden pas vanaf dat moment recht hebben op de schadeloosstel­ling die bij hun ambt hoort.[8] Erg overtuigend is deze redenering niet, al was het maar omdat artikel 60 Grondwet zelf stelt dat de ‘leden van de kamers’ een eed of een verklaring en belofte afleggen. Daar komt bij dat krachtens het vrijwel gelijkluidende artikel 49 de door ministers en staatssecretarissen af te leggen eed evenmin constitutief is voor de vervulling van hun ambt.[9]

3. Partijfinanciering en de zuiveringseed

In het licht van de zuiveringseed zijn in het verleden vraagtekens plaatst bij de financiële verplichtingen die volksvertegenwoordigers soms kunnen hebben jegens hun politieke partij. Er zijn partijen die bij de kandidaatstelling vragen dat de kandidaat zich bereid verklaart als gekozene een financiële bijdrage aan zijn of haar partij te leveren, in de vorm van een vaste afdracht van een percentage van het salaris – ook wel aangeduid als ‘partijbelasting’. Deze afdrachten zijn voor veel politieke partijen een belangrijke bron van inkomsten. De Socialistische Partij verplicht al haar vertegenwoordigers zelfs om hun gehele salaris aan de partij over te laten maken; zij ontvangen dan uit de partijkas een vergoeding die ruim onder het wettelijke salaris van een Kamerlid ligt.
 
Strikt genomen is een regeling die een vertegenwoordiger verplicht zijn of haar salaris rechtstreeks in de partijkas te laten storten, niet te rijmen met de zuiveringseed: er wordt immers een (extra) betaling verlangd voor het behulpzaam zijn bij het verwerven van een vertegenwoordigend ambt.[10] In november 2009 diende minister Ter Horst van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties een wetsvoorstel in om deze directe salarisafdrachten aan partijen te verbieden.[11] In maart 2013 werd het wetsvoorstel door minister Plasterk echter weer ingetrokken.[12] Vooralsnog blijft de praktijk van de partij-afdrachten dus voortbestaan.

4. Literatuur 

- D.J. Elzinga, H.R.B.M. Kummeling, J. Schipper-Spanninga, Het Nederlandse kiesrecht, 3dedruk, Deventer: Kluwer, 2012
- P.P.T. Bovend’Eert, H.R.B.M. Kummeling, Het Nederlandse parlement, 11de  druk, Deventer: Kluwer 2010
 

5. Historische versies

Tweede Kamerleden:
Art. 62, tweede lid, Gw 1814: Bij het aanvaarden hunner functien doen zij, ieder op de wijze zijner godsdienstige gezindheid, den navolgenden eed:
`Ik zweer, (belove) dat ik eerst en boven al de grondwet der Vereenigde Nederlanden zal onderhouden en handhaven; dat ik wijders de onafhankelijkheid van den Staat, de vrijheid en de welvaart van deszelfs Ingezetenen, met alle mijne krachten, bevorderen zal, zonder aanzien van provinciale of van eenige andere dan algemeene belangen.
`Zo waarlijk helpe mij God Almagtig.'
Zij worden tot dien eed toegelaten, na alvorens te hebben afgelegd den navolgenden eed van zuivering.
`Ik zweer, (verklaar) dat ik, om tot lid van de vergadering der Staten Generaal te worden benoemd, directelijk of indirectelijk, aan geene personen, 't zij in of buiten het bestuur, onder wat naam of voorwendsel ook, eenige giften of gaven heb beloofd of gegeven, nochte beloven of geven zal. `Ik zweer (belove), dat ik mij exactelijk zal gedragen naar den inhoud van het plakkaat bij de Staten-Generaal op den 10 December 1715, tegen het geven en nemen van verboden giften, gaven en geschenken, gearresteerd.
`Zoo waarlijk helpe mij God Almagtig.'
Art. 63 Gw 1814: Deze eeden worden afgelegd in handen van den Souvereinen Vorst in den Raad van State, ofte, bij Deszelfs afwezendheid, in handen van den Raad zelven, welke die in Zijnen naam ontvangt.
Van deze beëediging wordt door of van wege den Souvereinen Vorst aan de vergadering der Staten-Generaal behoorlijk kennis gegeven, waarna het nieuw verkozen lid dadelijk zitting neemt.
Art. 84 Gw 1815: Bij het aanvaarden hunner waardigheid, doen zij ieder op de wijze zijner godsdienstige gezindsheid den navolgenden eed:
`Ik zweer (belove) dat ik de grondwet der Nederlanden zal onderhouden en handhaven; dat ik bij geene gelegenheid en onder geen voorwendsel, hoe ook genaamd, daarvan zal afwijken, of toestemmen dat daarvan afgeweken worde; dat ik voorts de onafhankelijkheid van den Staat, de algemeene en bijzondere vrijheid der ingezetenen bewaren en beschermen, en het algemeen belang met al mijn vermogen bevorderen zal, zonder mij daarvan door eenige provinciale of andere bijzondere belangen te laten aftrekken. `Zoo waarlijk helpe mij God Almagtig!'
Zij zullen alvorens tot dien eed te worden toegelaten, doen den volgenden eed van zuivering:
`Ik zweer (verklare) dat ik, om tot lid van de tweede kamer der Staten-Generaal te worden benoemd, directelijk of indirectelijk, aan geene personen, het zij in of buiten het bestuur, onder wat naam of voorwendsel ook, eenige giften of gaven beloofd of gegeven heb, nochte beloven of geven zal.'
`Ik zweer (belove) dat ik om iets hoegenaamd in deze betrekking te doen of te laten, van niemand hoegenaamd eenige beloften of geschenken aannemen zal, directelijk of indirectelijk.'
`Zoo waarlijk helpe mij God Almagtig!'
Deze eeden worden afgelegd in handen van den Koning, ofte wel in de vergadering der tweede kamer, in handen van den President daartoe door den koning gemagtigd (art. 86 Gw 1840).
Art. 83 Gw 1848: Bij het aanvaarden hunner betrekking leggen zij, ieder op de wijze zijner godsdienstige gezindheid, den volgenden eed of belofte af:
`Ik zweer (beloof) getrouwheid aan de Grondwet.'
`Zoo waarlijk helpe mij God almagtig!' (`Dat beloof ik!')
Alvorens tot dien eed of belofte te worden toegelaten, leggen zij den volgenden eed (verklaring en belofte) van zuivering af:
`Ik zweer (verklaar), dat ik, om tot lid van de Tweede Kamer der Staten-Generaal te worden benoemd, directelijk of indirectelijk, aan geene personen, hetzij in of buiten het bestuur, onder wat naam of voorwendsel ook, eenige giften of gaven beloofd of gegeven heb, noch beloven of geven zal.'
`Ik zweer (beloof), dat ik, om iets hoegenaamd in deze betrekking te doen of te laten, van niemand hoegenaamd eenige beloften of geschenken aannemen zal, directelijk of indirectelijk.'
`Zoo waarlijk helpe mij God almagtig!' (`Dat verklaar en beloof ik!')
Deze eeden (beloften en verklaring) worden afgelegd in handen van den Koning, of in de vergadering der Tweede Kamer, in handen van den voorzitter, daartoe door den Koning gemagtigd.
Art. 87 Gw 1887: Bij het aanvaarden hunner betrekking leggen zij de volgende eed of belofte af:
`Ik zweer (beloof) getrouwheid aan de Grondwet.'
`Zo waarlijk helpe mij God almagtig!' (`Dat beloof ik!')
Alvorens tot dien eed of belofte te worden toegelaten, leggen zij den volgenden eed (verklaring en belofte) van zuivering af:
`Ik zweer (verklaar), dat ik, om tot lid der Staten-Generaal te worden benoemd, directelijk of indirectelijk, aan geen persoon, onder wat naam of voorwendsel ook, eenige giften of gaven beloofd of gegeven heb.'
`Ik zweer (beloof), dat ik om iets hoegenaamd in deze betrekking te doen of te laten, van niemand hoegenaamd eenige beloften of geschenken aannemen zal, directelijk of indirectelijk.'
`Zo waarlijk helpe mij God almagtig!' (`Dat verklaar en beloof ik!')
Deze eeden (beloften en verklaring) worden afgelegd in handen van de Koning of in de vergadering der Tweede Kamer in handen van den Voorzitter, daartoe door den Koning gemachtigd (art. 88 Gw 1922; art. 90 Gw 1938; art. 97 Gw 1953).
Eerste Kamerleden:
Art. 88 Gw 1815: Bij het aanvaarden hunner waardigheid, leggen zij in handen van den Koning af dezelfde eeden, als voor de leden der tweede kamer zijn bepaald, ieder op de wijze zijner godsdienstige gezindheid (art. 90 Gw 1840).
Art. 86, derde lid, Gw 1848: Zij leggen, bij het aanvaarden hunner betrekking, in handen van den Koning, gelijke eeden (beloften en verklaring) af, als voor de leden der Tweede Kamer zijn bepaald.
Art. 91, tweede lid, Gw 1887: Zij leggen bij het aanvaarden hunner betrekking gelijke eeden (beloften en verklaring) af, als voor de leden der Tweede Kamer zijn bepaald, hetzij in handen van den Koning, hetzij in de vergadering der Eerste Kamer in handen van den Voorzitter, daartoe door de Koning gemagtigd (art. 92, tweede lid, Gw 1922; art. 94, tweede lid, Gw 1938; art. 101, tweede lid, Gw 1953).
    

Noten

  1. Dit commentaar is een bewerking en aanvulling van het commentaar bij dezelfde bepaling in: A.K. Koekkoek (red.), De Grondwet. Een systematisch en artikelsgewijs commentaar, 3de druk, Deventer: W.E.J. Tjeenk Willink, 2000, eveneens van de hand van G. Leenknegt.
  2. Op basis van het inmiddels uitgewerkte additioneel art. XVIII bleven de bepalingen uit de Grondwet van 1972, waarin de formulieren waren opgenomen, van kracht tot de bedoelde wettelijke regeling in 1992 tot stand was gekomen.
  3. Wet van 27 februari 1992, Stb. 120. Overigens is bij de plaatsing in het Staatsblad een foutje geslopen in art. 4 van de wet, waarin de citeertitel wordt aangegeven; art. 4 spreekt van de ‘Wet beëindiging ministers en leden Staten-Generaal’.
  4. Kamerstukken II 1978/79, 14 222, nr. 7, p. 20-21 (Nng IIIa, p. 69-70).
  5. Kamerstukken II 1978/79, 14 222, nr. 7, p. 21 (Nng IIIa, p. 70).
  6. Bij een nieuw gekozen Kamer de tijdelijke voorzitter – zie art. 61 Grondwet.
  7. In die zin: C.A.J.M. Kortmann, bew. door P.P.T. Bovend’Eert, J.L.W. Broeksteeg, C.N.J. Kortmann, B.P. Vermeulen, Constitutioneel recht, 7de druk, Deventer: Kluwer, 2012, p. 215; D.J. Elzinga, R. de Lange, H.G. Hoogers, Van der Pot Handboek van het Nederlandse staatsrecht, 16de druk, Deventer: Kluwer, 2014, p. 574 e.v.; P.P.T. Bovend’Eert, H.R.B.M. Kummeling, Het Nederlandse Parlement, 11de druk, Deventer: Kluwer, 2010, p. 114-116.
  8. Kamerstukken II 1978/79, 14 222, nr. 7, p. 20 (Nng IIIa, p. 69).
  9. Zie ook het commentaar bij art. 49 Grondwet.
  10. Zie hierover o.a. A.P.M. van der Linden, Zuiveringseedperikelen en partijfinanciering, in: AA 1979, p. 2 e.v. en D.J. Elzinga, De politieke partij en het constitutionele recht, Nijmegen 1982, p. 210 e.v.; C.A.J.M. Kortmann, de Grondwetsherzieningen 1983 en 1987, 2de druk, Deventer: Kluwer, 1987, p. 214.
  11. Zie Kamerstukken II 2009/10, 32 221, nrs. 1-3.
  12. Kamerstukken II 2012/13, 32 221, nr. 11.

 

  • Citeer
    Citeer suggestie
    G. Leenknegt, Commentaar op artikel 60 van de Grondwet, in: E.M.H. Hirsch Ballin en G. Leenknegt (red.), Artikelsgewijs commentaar op de Grondwet, webeditie 2019 (www.Nederlandrechtsstaat.nl).
  • Deel
  • PDF
  • Terug
MEER OVER DIT ONDERWERP
THEMA IN HET KORT
ACHTER-GRONDEN
Reageer!
Thema in het kort

Ambtsaanvaarding

Nieuw verkozen kamerleden leggen, nadat de kamer een besluit over hun toelating heeft genomen, een eed of verklaring en belofte van zuivering af. Zij zweren of verklaren geen giften of gunsten te hebben beloofd voor het verwerven van het kamerlidmaatschap en zich ook in de uitoefening van hun ambt niet te laten beïnvloeden door gegeven geschenken of gedane beloften. Deze eed is bedoeld om de onafhankelijkheid van de volksvertegenwoordigers te verzekeren. Een politieke partij die van de namens haar verkozen kamerleden eist dat zij hun salaris rechtstreeks in de partijkas storten, vraagt hen in feite te handelen in strijd met de Grondwet.
 
Ook wordt een eed of belofte van trouw aan de Grondwet en een getrouwe vervulling van het ambt uitgesproken. Ten slotte zweren of beloven de kamerleden trouw aan de Koning en aan het Statuut voor het Koninkrijk, waarin de verhoudingen tussen Nederland en de Caribische delen van het koninkrijk zijn vastgelegd. Die laatste eed wordt niet vereist door de Grondwet, maar door artikel 47 van dat Statuut.
 
Het kamerlidmaatschap vangt aan nadat het besluit tot toelating is genomen. De aanvaarding van het ambt door aflegging van de eed of verklaring en belofte is daarvoor geen vereiste; de eden of verklaringen en beloftes dienen vooral om de nieuwe leden nog eens nadrukkelijk te wijzen op de verantwoordelijkheden die hun ambt meebrengt. Aan schending van de afgelegde eden of beloften en verklaringen is wel een gevangenisstraf of geldboete verbonden; ook kan degene die de eden schendt van het kiesrecht worden ontzet (artikel 207 Wetboek van Strafrecht).

Plaats Uw Reactie

*Verplicht invulveld straks zijn alleen uw naam en reactie zichtbaar.

Er kan enige tijd overheengan tot uw reactie zichtbaar is.

Reageer!

Ambtsaanvaarding

0 reacties
Klassieke uitspraken
Recente Recht- spraak
Politiek
Klassieke uitspraken

Ambtsaanvaarding

Over dit artikel zijn ons geen belangrijke en ‘klassieke’ rechterlijke uitspraken bekend.
Recente rechtspraak

Ambtsaanvaarding

Over dit artikel zijn ons geen recente rechterlijke uitspraken bekend.

Politiek

Ambtsaanvaarding

Video
Blogs
IN DE WERELD
Blogs

Ambtsaanvaarding

In de wereld

Ambtsaanvaarding